Home » Bijzondere planten

Categorie: Bijzondere planten

Mariadistel

Een braakliggend terrein in de wijk Heuvel in Breda is een ‘lustoord’ voor stadsplantenliefhebbers.  Twee jaar geleden stonden er nog flats met mooie achtertuinen. Uit zaden en worteldelen van voormalige tuinplanten kwam en komt na de sloop van alles tevoorschijn. Zie ook de bijdrage van 8 maart jl. over tuinbingelkruid.  In april ontdekte ik daar een Mariadistel (Silybum marianum). Niet helemaal nieuw voor Breda want in 2013 was er al een exemplaar gevonden in de omgeving van het station. Zie https://www.stadsplantenbreda.nl/.

Hele plant half april

De mariadistel behoort niet tot onze inheemse flora. In de Heukels wordt de plant als adventief aangemerkt. Het is een uit Zuid-Europa afkomstige composiet. De mariadistel geniet vooral bekendheid in de kruidengeneeskunde. Uit de vruchtwand van het nootje worden stoffen voor medicinaal gebruik gewonnen. De stof ‘silymarine’ wordt gebruikt bij chronische leverkwalen. In de literatuur kun je veel uiteenlopende toepassingen tegenkomen.  In het boek ‘Lexicon der geneeskruiden’ van M. Uyldert staat het volgende: “Het kruid doet de koorts zakken en opent alle kanalen”. Dat is dus oppassen geblazen. Behalve als geneeskruid wordt de Mariadistel ook als voedsel gebruikt. Jonge bladeren kunnen op dezelfde manier als spinazie gegeten worden en jonge stengels op dezelfde manier als asperges. Het bloemhoofdje kan, net als artisjokken, ook gegeten worden.  In verschillende landen, waaronder Frankrijk, wordt de plant akkerbouwmatig geteeld. Soms wordt de mariadistel als sierplant gebruikt.Normaal bloeit de mariadistel in juli en augustus. Dat ‘ons’ exemplaar al in april bloeide heeft wellicht te maken met de zachte winter. Intussen heeft dit exemplaar al rijpe zaden.

Uitgebloeid eind juli

De naam van de plant heeft te maken met de legende dat de witte vlekken op de bladeren veroorzaakt zouden zijn door de melk van de Heilige Maagd.

 

Buitenbeentje moerasanemoon

Van sommige planten is op het eerste gezicht duidelijk dat het een buitenbeentje is. Mijn collegaspeurder stadsplanten riep: cornus! Dat is helemaal niet zo gek, want de bloem met dat merkwaardige wit en het verheven centrum, doen denken aan Cornus causa. Zelf had ik twijfels en kouwde op een halfvergeten herinnering. Thuis was het raadsel betrekkelijk snel opgelost: moerasanemoon (Houttuynia cordata). Ik was hem jaren geleden al eens tegengekomen, ook al op een vreemde beschaduwde plek, waar niets anders wilde groeien. Tot mijn verbazing is de plant nu opgenomen in de nieuwe Heukels met de aanduiding ‘invasief 3’. Dit houdt in dat hij op Global Invasive Species Database (GISD) staat.

Bloemen steken opvallend af tegen het blad

Een korte speurtocht op internet naar de verschrikkingen van deze plant, leverde vooral klaagzangen op van tuineigenaren die de plant niet meer verwijderd kregen. Kent u zevenblad? De moerasanemoon heeft een vergelijkbare truc in huis: elk worteldeeltje kan weer uitgroeien. Daarbij heeft de plant nog twee andere sterke punten: hij kan zowel in water als op land groeien en in de schaduw en in de zon.

Ik heb een paar landen gevonden waar hij lastig is buiten de tuinen: Engeland, Noord-Amerika en Zuid-Afrika.

Verspreidt zich via wortelstokken

De moerasanemoon behoort tot de kleine familie Saururaceae met maar zes soorten. Als u vindt dat de plant er primitief uitziet, heeft u helemaal gelijk. Hij behoort tot de groep waar ook de magnolia’s bij horen, en dat zijn zo ongeveer de eerste bloemplanten.

De familienaam ‘saururaceae’ komt van ‘saura’= hagedis en ‘oura’ = staart. De naamgever heeft een blijkbaar een ander familielid voor ogen gehad. De geslachtsnaam ‘Houttuynia’ verwijst naar M. Houttuyn (Hoorn 1720-1794) die ‘Systema Natura’ van Linnaeus in het Nederlands vertaalde. De soortaanduiding ‘cordata’ = hart en verwijst naar het onmiskenbaar hartvormige blad.

Blad is onmiskenbaar hartvormig

In de handel zijn ook vormen met bont blad. Overweegt u de plant in uw tuin te zetten, dan kan het geen kwaad de wortels in te sluiten, zoals bij bamboe. U kunt ook nog proberen hem weg te eten. De jonge scheuten worden gegeten en hij staat op de lijst van van permacultuur. U heeft er hoe dan ook een buitenbeentje bij.

Vorm met bont blad

Kruidenthee uit de straat

Het was mij al opgevallen dat de citroenmelisse in de tuin het de laatste jaren steeds beter deed. Hij zaaide zich zelfs spontaan uit, ook naast het schuurtje. En als je er dan op gaat letten, ja dan zie je hem steeds vaker – bekend verschijnsel-, ook buiten de tuin. Sinds 1990 is de plant onopvallend een echte stadsplant aan het worden (volgens ‘Stadsflora’ van Ton Denters).

Dat onopvallende tekent de citroenmelisse. Het is een lipbloemige, met kleine, onopvallende witte bloemen, die in halve kransen om de stengels staan, zie de eerste afbeelding. De jonge planten worden in het voorjaar wel eens voor brandnetel versleten, even voelen en even ruiken en je weet het goede antwoord. Als de citroenmelisse niet is afgemaaid, blijven de bloeistengels heel lang stevig overeind staan, daar kun je hem in het voorjaar ook wel aan herkennen. In een later stadium verschijnen talloze zijtakken met veel kleinere bladeren, en nog later de bloemkransjes. Vanaf half juni kun je de roomwitte, in knop wat gelige bloemen verwachten. Z’n wortelstok is best stevig te noemen.

Jonge citroenmelisse.

De Melissa officinalis is een geneeskrachtige plant, hetgeen al eeuwenlang bekend is. De naam ‘officinalis’ duidt daarop, want dat verwijst naar apotheek. De plant is dan ook via kloosters naar West Europa gekomen, hij komt oorspronkelijk, zoals zoveel stadsplanten, uit warmere streken. De monniken maakten er ‘Karmelietenwater’ van, dat beschouwd werd als een wondermiddel voor buikpijn, hoofdpijn, nervositeit en zwaarmoedigheid. Nog steeds is ‘melissegeest’ te koop. De etherische olie uit melisse moet je zien te vangen in een destillaat, vandaar dat ‘geest’.

‘Melissa’ komt uit het Grieks en betekent honingbij, het was de oude Grieken al opgevallen dat honingbijen erg van deze plant houden. En dan gaat het niet alleen om de nectar, een nieuwe kast voor de bijen wrijven imkers vaak in met citroenmelisse, de bijen voelen zich er dan snel thuis. Vooral van belang als je een bijenzwerm wilt huisvesten. In het boek ‘Groene genade’ beschrijft Jan Graafland hoe citroenmelisse je steviger in je vel laat zitten.

Zo kom ik weer bij de geneeskracht van de melisse. Het werkt ontspannend en kalmerend, kan ingezet worden bij angsten, depressie, en slapeloosheid. Ook is het ontkrampend voor maag en darmen, vooral bij klachten met een nerveuze oorsprong: denk aan buikpijn hebben van de zenuwen. Ook handig: het is werkzaam tegen het herpes-virus van de koortslip.

Later in het jaar komen de zijtakjes met kleinere bladeren.

Thee zet je het best van de jonge bladeren, vooral als het je om de heilzame werking gaat. Gedroogd verliezen de bladeren veel van hun aroma en verminderen de geneeskrachtige eigenschappen omdat die vooral in die vluchtige olie zitten.

Als het je wat teveel is geworden, al die kruidengeneeskunde, neem dan gerust een kopje citroenmelissethee om te kalmeren, het groeit misschien al in je eigen straat.

Gestreepte winde zet niet door

Gestreepte winde (Convolvulus sylvaticus) op Sicilië in 2007

Hedendaagse floristen houden hun literatuur goed bij om de laatste noviteiten ook zelf te kunnen onderscheiden en ook zelf op nieuwe plaatsen te ontdekken. Als iemand een sterk gelijkende nieuwe soort vindt en erover schrijft, dan slurpen ze de kenmerken langzaam op in hun geheugen om bij een ontmoeting met de gelijkende plant het eens extra goed te bekijken.

Een nieuweling, al zeker 25 jaar geleden, die het waarschijnlijk heel goed ging doen, was de op Haagwinde gelijkende Gestreepte winde Convolvus silvaticus . Toen nog Calystegia sylvatica. Er werden enkele populaties aantroffen langs de grote rivieren in Nederland en waarschijnlijk hadden we er al heel wat over het hoofd gezien. Maar 25 jaar later ben ik nog altijd op zoek naar een eigen te ontdekken exemplaar in de Lage Landen.  Het verschil is niet in de grote witte bloemen te zien, bij Gestreepte winde zit er wel vaker wat roze in,  maar voornamelijk in het kelkblad. Dat vouwt zich in een mooie bocht om het tegenoverstaande kelkblad. Bij Haagwinde zijn het wat aarzelende klappende handjes; de kelkbladen raken elkaar wel hier en daar, maar zijn vlak en hoekig.

Het ene kelkblad van Gestreepte winde is mooi in het andere gevouwen. Gent 2013.

Gestreepte winde werd/wordt waarschijnlijk in tuinen gezet door mensen die Haagwinde verder niet kennen. Als ze dat wel deden, zouden ze er niet aan denken. Er bestaat geen tegeltje van, maar het volgende zou wel een aardige zijn: wie Haagwinde wil trekken, is miserie aan het stekken. Je kunt allicht ook Haagwinde vervangen door soorten als Japanse duizendknoop en er mee op de markt gaan staan. Een geheel gratis idee!  Ik heb in ieder geval mensen eens de grond in hun hele voortuin zien zeven om Haagwinde kwijt te raken. Die wortels zijn dun en draadvormig gekromd en breken gemakkelijk, dus daar ben je wel een weekje mee bezig.

Niet alle roze winde is Gestreepte winde. Hier een roze Haagwinde (Convolvulus sepium) te Antwerpen in 2010

De eerste keer dat ik Gestreepte winde zelf ontdekte was na 12 jaar Haagwinde controleren in Nederland en België, in 2007 op Sicilië. Daar groeide het werkelijk op iedere straathoek, en was een heel vreemde gewaarwording ; Ik kon daar helemaal geen Haagwinde vinden. Nu ik goed wist hoe het er uit zag, moet het toch gaan lukken thuis, maar nu, weer 13 jaar later nog altijd geen succes. Natuurlijk keek ik ook mee met de meldingen van anderen en de 16 recentere hokjes in Nederland en 18 in voornamelijk westelijk België, laten ook duidelijk zien: dit is voorlopig nog geen doorzetter.

Gevlekte scheerling verlaat de snelweg

In september 2011 vond ik, in Rotterdam op een zandige vlakte onder de A20 de verdroogde resten van een 2 meter hoge schermbloem. Op basis van de grootte en de bolle vruchtjes met ribbelrandjes was me snel duidelijk dat het de Gevlekte scheerling moest zijn, een soort die zich in een stevig tempo via de middenberm van ons snelwegennet uitbreidt. Gevlekte scheerling komt al van oudsher voor in Nederland; vrij algemeen in Zuid-Limburg, de duinen en het rivierengebied, elders zeldzaam. Dit verspreidingspatroon past bij zijn voorkeur voor warme, stikstofrijke, omgewerkte plekken op kalkhoudende bodems.  Het verspreidingspatroon bleef tot 2004 ongeveer hetzelfde. Daarna breidde de soort zich snel uit via de middenbermen van snelwegen. FLORON schreef daar juni 2020 een mooi natuurbericht over.

verspreidingskaartjes Gevlekte scheerling voor twee periodes
Verspreidingskaartjes Gevlekte scheerling (Conium maculatum) voor de periode 1800-2004 en 2005-2020. Het is duidelijk dat het snelwegpatroon pas van de laatste vijftien jaar is.

In 2016 kwam ik Gevlekte scheerling weer in Rotterdam tegen, nu op een grote groeiplek onder de Van Brienenoordbrug. Mijn beide vindplaatsen pasten in het snelwegpatroon, het zaad was alleen niet in de middenberm gekiemd maar had een verdieping lager een geschikte groeiplek gevonden. Beide groeiplekken waren al lang bekend toen ik ze tegenkwam: de eerste vondst van Gevlekte scheerling in Rotterdam was in 1995 onder de A20 door stadsecoloog Remko Andeweg, op de plek waar ik hem 25 jaar later ook vond. De locatie bij de Van Brienenoordbrug werd voor het eerst in 2001 gemeld.

Gevlekte scheerling dankt zijn naam aan de paars gevlekte stengel en bladsteel. Rechts de Gevlekte scheerling aan de oever van de Rotte op 18 mei.

Wordt Gevlekte scheerling een stadsplant?

Ik zag Gevlekte scheerling eigenlijk niet als stadsplant, zo sterk waren mijn vindplaatsen gebonden aan de snelweg. Maar, begin april van dit jaar vond ik langs de Rotte een paar planten met schermbloemblad waarvan ik dacht “Dat is geen Fluitenkruid”. Het is wat donkerder en glanzender en iets meer geplooid; ik vermoedde gevlekte scheerling en werd daarin bevestigd door de vlekken op de bladsteel. Deze groeiplek is 100 meter van de snelweg, waardoor ik verwacht dat deze soort zich nog wel eens veel verder kan gaan verspreiden. Ik denk wel dat hij sterk beperkt zal worden doordat op veel plekken gemaaid wordt voordat hij zaad kan zetten en hij afhankelijk blijft van de aanvoer van de zaden vanaf plekken waar hij ongestoord rijpe zaden kan produceren zoals in de snelwegmiddenberm. We zullen het zien.

Toen ik op 13 april voor de tweede keer langs de Gevlekte scheerling in de berm van de Rotte liep zag ik tot mijn grote verbazing al een bloeiwijze in de scheerling zitten. Dat hoort helemaal niet, want Gevlekte scheerling bloeit veel later. Even beter kijken verklaarde de verwarring: er groeide Fluitenkruid dwars door de Gevlekte scheerling heen :-).

Olympisch hertshooi

Het geslacht Hypericum (Hertshooi) kent in Nederland maar liefst 10 wilde soorten. Sint-Janskruid (Hypericum perforatum) is hiervan de meest bekende en meest algemene soort, zeker wanneer je over stadsflora praat. Er zijn echter diverse uitheemse soorten die als tuinplant toegepast worden en sporadisch tot frequent weten te verwilderen. Van de uitheemse soorten is Mansbloed (Hypericum androsaemum) de meest bekende soort, al betreffen de meeste waarnemingen kruising Hypericum x inodorum. Al met al zijn er zo’n 18 soorten uit het geslacht te ontdekken in Nederland. Een van deze nieuwkomers zou zich zomaar kunnen gaan ontwikkelen tot typische stadsplant.

De bloemen van Hypericum olympicum hebben een diameter van 5-6 cm.

Gisterochtend moest ik naar de kaakchirurg om twee verstandskiezen te laten verwijderen. Gelukkig viel het verwijderen erg mee, maar het was nog steeds bepaald geen pretje. Als beloning voor mijn dapperheid werd ik op de terugweg getrakteerd op een voor mij nieuwe stadsplant: Olympisch hertshooi (Hypericum olympicum). Deze soort is ondanks haar geringe grootte erg opvallend vanwege de gigantische bloemen (5-6 cm in diameter) en de blauwgroene stengelbladen. De soort lijkt sterk op Hypericum polyphyllum, mogelijk betreft zelfs een deel van de vondsten zelfs deze soort. Maar dat is een klusje voor de winter, eerst maar weer lekker op pad gaan!

De stengelbladen van Hypericum olympicum zijn opvallend blauwgroen van kleur. De stengelbladen kunnen relatief smal zijn zoals hier, maar ook een stuk breder zijn. Net als bij Sint-Janskruid zit het blad vol met kleine gaatjes.

De soort is inheems in Zuid-Oost Europa, o.a. Servië, Griekenland, Bulgarije en Turkije, en staat hier op zandige tot stenige biotopen. De plant kan verder goed tegen droogte en groeit prima op voedselarme bodems. De soort is inmiddels 14 keer verwilderd aangetroffen, waarvan 13 vondsten in het stedelijk gebied. Met klimaatverandering verwacht ik dat de soort vaker gaat opduiken en mogelijk zelfs plaatselijk zal gaan inburgeren.

De kelkbladen van Hypericum olympicum zijn breed en spits.

Oosterse raket in drukwerk

Ik werd begin deze eeuw gebeld door een fervente vogelaar of ik met hem naar een rare plant wilde kijken. Dit was heel bijzonder want planten vond hij tot dan toe alleen interessant indien eetbare het groente betrof.

Hij woonde bij de verbindingsdam naar het KNSM-eiland in de Oostelijke Eilanden in Amsterdam waar de plant in de flink vergraven berm stond. Het was een koolzaadachtige en met de Heukels was ik er vlot uit: oosterse raket. De plant heeft een habitus als gewone raket en lange hauwen als Hongaarse raket. De hauwsteel is net zo dik als de vrucht en de fijnbehaarde kelkbladen en hauw maken deze plant makkelijk herkenbaar.

De hauwsteel is net zo dik als de vrucht

Deze soort was voor mij nieuw. Hij blij, ik blij. De volgende kennismaking met deze soort was met het project DNA-BARcoding van FlORON in 2011. Van alle vaatplanten in Nederland werden exemplaren verzameld om een DNA- profiel te maken. Ik koos onder meer de oosterse raket uit. Via waarneming.nl wist ik dat er een waarneming was bij de nieuwe hoofdvestiging van de bibliotheek in Amsterdam. Het was nog flink zoeken want de planten groeiden op de rand van de kade, goed verstopt achter een schakelkast. Ik tevreden naar huis fietsen en halverwege op het Zeeburgerpad zag ik opeens langs de gevel van de bedrijfsgebouwen tientallen oosterse raketten staan. Nu ik het zoekbeeld had vielen ze me opeens op. De oosterse raket groeide er pluksgewijs over een lengte van een kilometer en dat doet het er nog steeds.

De kelkbladen en hauw zijn fijnbehaard

In Amsterdam, Den Haag en Rotterdam heeft de soort sinds 1990 stevige bolwerken gevormd. Het oorspronkelijke areaal is het Middellandse Zeegebied en werd in Nederland voor het eerst gevonden in 1877; in Vlaanderen pas in 1973.

oosterse raket in voeg tussen muur en plaveisel

Ik documenteer me voor mijn blogjes met verschillende bronnen waaronder de Stadsplanten van Ton Denters.Voor de Covid-19 uitbraak had ik het idee om deze aflevering van stadsplanten te wijden aan de nieuwe Stadsflora van Ton Denters. Deze week zou dit boek, ‘Stadsflora van de lage landen’ verschijnen en het leek me leuk om over mijn eerste indrukken te verhalen aan de hand van een soort zoals de oosterse raket. Nu is alles anders. Bijna. Ik heb een aantal hoofdstukken digitaal mogen inzien en ik kreeg een goede indruk. Dit boek is meer dan een opvolger van de gids ‘Stadsplanten’ uit 2011. Het behandelde gebied is vergroot: Vlaanderen is nu meegenomen en dat levert steden op met een rijke flora zoals Gent en Antwerpen. Het betekent dat wel dat de steden in Noord- en Oost-Nederland ontbreken. Met Vlaanderen er bij is er natuurlijk ook meer te kiezen en in het Zuidwesten zijn de steden rijker aan bijzondere soorten. Het aantal behandelde soorten is gestegen van 700 naar 800, waarvan 80 nieuwkomers. Een aantal algemeen voorkomende soorten, die niet zo specifiek aan de stad zijn gebonden zoals blaartrekkende boterbloem, die in Stadsplanten stonden zijn afwezig in de Stadsflora. De opmaak is anders. De tekst is tweekoloms en dat leest prettiger. Hoewel digitaal lezen en een echt boek vasthouden niet helemaal te vergelijken zijn. De soortteksten zijn herschreven, soms is het alleen anders geformuleerd, maar vaker met een andere invalshoek.

Vanzelfsprekend zijn de beschrijvingen geactualiseerd.  Dit wordt mooi geïllustreerd door de oosterse raket. De soort heeft sinds het verschijnen van de Stadsplanten 14 jaar geleden de straat veroverd: eerst vooral ruderale terreinen als vestigingsplaats en nu ook gevelvoeten volgens de Stadsflora. Exact wat mijn ervaring is. De beschrijvingen van de flora in de steden van onze zuiderburen in de Stadsflora doen mij zeer verlangen naar stedentripjes in het Vlaamse land. Struinen in een minder bekende omgeving, met een andersoortige ruimtelijke ordening met een andere sfeer en taal en dan af te sluiten met een lokaal biertje… Als de Corona voorbij is, als…

te vinden in rommelhoekjes

Nieuwe stadsplanten in de nieuwe Heukels’ Flora

 

Breed lampenpoetsergras (Cenchrus purpurascens) uit de tuinprairie ontsnapt. Hier tussen de stoeptegels te Antwerpen in 2011.

In februari ontvingen de botanici een cadeautje van Naturalis en Leni Duistermaat; een zelf aan te schaffen nieuwe Heukels’ Flora, 24ste druk. Er zat 15 jaar tussen deze en de vorige druk en er is heel veel toegevoegd. En dan voor een aanzienlijk deel natuurlijk de immer veranderende en qua diversiteit toenemende stadsflora.

In deze digitale tijden is het de vraag of een papieren versie nog wel nodig is, maar ik ga daar dan snel op antwoorden: ja! In de wereld van de floristen is een ‘standstill’, en dat is zo’n standaardwerk feitelijk, noodzakelijk om alles op orde te stellen. Voor vele databases, de streeplijsten, de rode lijsten en de wettelijke beschermde soorten is het handig dat niet alles in constante beweging is. Het is natuurlijk nuttig om te weten dat er iets gaat veranderen, maar een tussenstand, de standaardflora of een standaardlijst, is nodig om te weten dat het daadwerkelijk veranderd is. En dan kunnen we weer even wennen aan deze nieuwe situatie. Dat een boek ook fijn is om vast te houden, om in een stoel of onder een boom eens te hand te nemen en om er desgewenst een blaadje of bloemetje tussen te steken, dat spreekt voor zich.

Japanse hulst (Ilex crenata), een onderhoudsvriendelijk struik. Hier ontsnapt in een bosrand te Genk in 2020

Welke rol de stadsflora in het boek speelt is op zich een hele studie waard en niet direct te vatten in een bondig zondags bericht. Welke stadsflora er überhaupt is, is een extra boek en website waard, en niet toevallig zijn deze er, maar ik hoop een paar voorbeelden te noemen waardoor blijkt dat de nieuwe Heukels’ Flora voor een belangrijk deel ook verandert dankzij de stadsflora.

De nieuwe soorten in de nieuwste Heukels’ Flora, een 500-tal hetgeen maar liefst 20% toename betekent, zijn voor een aanzienlijk deel ingeburgerde of beter; inburgerende soorten. Dat inburgeren gebeurt in eerste instantie veelal in of nabij bebouwing. Natuurlijk zijn er ook een select aantal ingeburgerde soorten die ‘in de natuur’ hun best doen en eventueel ook voor schade en soms grote schade zorgen, maar de meeste daarvan kenden we al uit de vorige editie van de flora.  De meer tijdelijke soorten, ook wel bekend als adventieven,  zijn grotendeels niet opgenomen. Dan zou het aantal soorten in de Heukels’ Flora al snel verdubbelen van 2500 naar 5000!

Chia (Salvia hispanica) is een van de nieuwe ‘Toiletplanten’. Hier op rioolslib te Genk in 2019

Over welke extra inburgerende soorten hebben we het? Een overzicht van de nieuwe soorten staat op pag 825 van de Heukels’ Flora. Heel veel van die soorten kennen we uit de tuinen. Wat te denken van het fenomeen prairietuinen en hun impact op de omgeving? Er zijn nu zeker vier soorten lampenpoetsersgras (Cenchrus) die buiten hun perkjes teruggevonden worden. Onze drang naar onderhoudsvriendelijk tuinen met de nodige traaggroeidende, al dan niet groenblijvende struikjes vertaalt zich in een lange serie toegevoegde dwergmispels (Cotoneasters) en bijvoorbeeld de alternatieven voor buxus; Japanse hulst (IIex crenata) en buxuskamperfoelie (Lonicera nitida). Maar er zijn in de lijst van nieuwe soorten ook verbanden te leggen naar onze tuinvijvercultuur, vogelvoercultuur, begraafplaatsen(bloemen-op-het-graf-)cultuur, bloemenweide(berm-)cultuur, bloemenakker(braakliggende-grond-inzaai-)cultuur en zelfs onze afvalwatercultuur.

Bij die laatste cultuurvorm is de nieuwe cultuurvolger chia (Salvia hispanica) als voorbeeld te noemen. Dat is, zeker gedeeltelijk, een ‘toiletplant‘ , zoals een vriend van me die laatst noemde.  Planten volgen je dus echt tot in het kleinste kamertje.. De nieuwe Heukels’ met daarin dergelijke nieuwe cultuurvolgers zullen in ieder geval veel inspiratie geven op het Stadsplantenblog.

Mooier dan Heermoes

Op een kwartier lopen van mijn huis, langs de Boezembocht in Rotterdam, staat een bijzondere plant: Reuzenpaardenstaart. Hij is prachtig met een lichtgroene stengel, die gelijkmatig in kleine stukjes is verdeeld. Ieder stukje eindigt in een bleekgroene schede bekroond met een rij fijne donkere tanden. Daaromheen hangt een wolk van groene takjes die de stengel omlijsten. Die zijtakjes zitten in regelmatige kransen.

In het vroege voorjaar verschijnen uit de wortelstokken van Reuzenpaardenstaart soms afwijkende stengels: zonder zijtakjes, heel bleek met ruim zittende geel-bruine schedes en aan het eind een sporenaar. Die vruchtbare stengels zijn meestal weer verdwenen als de groene stengels uitgroeien. Daarom hebben veel mensen niet door dat ze bij elkaar horen. Ik kan me zo voorstellen dat mensen deze vreemde wezens zelfs aanzien voor een paddenstoel in plaats van een plant.

Reuzenpaardenstaart – links sporendragende bladgroenloze stengels en rechts groene, vertakte stengels zonder sporenaren

De mooiste paardenstaart
Ik omschrijf Reuzenpaardenstaart vaak als een mooiere en grotere versie van Heermoes. Dat werkt vaak goed want vrijwel iedereen kent Heermoes … als een lastig te bestrijden onkruid. Net als de Reuzenpaardenstaart vormt Heermoes ook van die bleke onvertakte voorjaarsstengels met sporenaren; terwijl de andere Nederlandse paardenstaarten zoals Lidrus en Holpijp maar één soort stengels hebben, met aan het einde een sporenaar. Heermoes wordt ook wel Legoplant genoemd omdat als je de stengels uit elkaar trekt, de stukjes weer in elkaar te schuiven zijn en het eruit ziet alsof hij weer in elkaar zit. Bij Reuzenpaardenstaart werkt dat kunstje net zo goed.

De telescopisch ontluikende stengel van de Reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia).

Zeldzaam
Waar Heermoes in Nederland heel algemeen is, is Reuzenpaardenstaart dat zeker niet. Reuzenpaardenstaart komt slechts in zo’n 270 van de 36.000 kilometerhokken voor, dat valt in de categorie ‘Zeldzaam’. Bijna de helft daarvan is geconcentreerd in Zuid-Limburg en Oostelijk Nederland bij bronnetjes waar kalkrijk water uit de bodem kwelt. De andere vindplaatsen liggen vooral in de Flevopolders, het rivierengebied en de rivierdelta (Zeeland). Het is dus best bijzonder dat Reuzenpaardenstaart bij mij ‘om de hoek’ groeit. Nu kom ik wel meer zeldzame planten tegen in de stad, maar vaak zijn dat op een of andere manier door mensen aangevoerde soorten en dat is toch net iets minder leuk dan een soort die zich op eigen houtje in de stad heeft gevestigd.

Waar groeit die Reuzenpaardenstaart?
Hij komt in Rotterdam nu op minstens vier plekken voor: behalve langs de Boezembocht ook in het Zuiderpark, in een berm nabij vliegveld Zestienhoven en op een talud langs de A15. Op alle plekken kan je je voorstellen dat er sprake is van kwel (uittredend grondwater), ze liggen aan de rand van of op een talud. Daarnaast is deze paardenstaart een liefhebber van kalk, op welke manier daar op deze plekken in is voorzien weet ik niet zeker. Wel is in de stad vaak meer kalk in de bodem aanwezig dan je op grond van de historische, in Rotterdam veelal venige, ondergrond verwacht. Dat komt door het aanvoeren van zand voor het aanleggen van wegen en het bouwen van woonwijken. Misschien helpt het zandige ruiterpad in de berm vlak langs ‘mijn’ Reuzenpaardenstaart wel een handje.

Ieder jaar ga ik wel een keer kijken hoe hij erbij staat, hij heeft zich uitgebreid, en ik neem ook altijd een keer een paar stengels mee naar mijn plantencursus om te laten zien dat je voor bijzondere en mooie planten echt niet de stad uit hoeft.

Reuzenpaardenstaart – Equisetum telmateia

Kamperfoelie, boomrank, honingzuiger

Het geslacht Kamperfoelie kent in Nederland twee inheemse soorten, waarvan de algemene Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum) een klimmende groeivorm heeft. De zeldzamere Rode kamperfoelie (Lonicera xylosteum) heeft een staande, struikvormige groeivorm. De Engelse namen voor dit geslacht zijn woodbine (boomrank) en honeysuckle (honingzuiger). De soort wordt door veel insecten bezocht vanwege de nectar die de bloemen produceren. Er zijn echter nog een stuk of wat soorten meer, die als tuinplant aangeplant worden. Kamperfoeliesoorten maken bessen die gegeten worden door vogels en zo verspreid worden door het land. De verspreiding van de soorten lijkt vrij willekeurig, maar als je de verspreiding op km-hok niveau bekijkt, zie je dat Kamperfoelie voorkeur heeft voor zandgrond.

Wilde kamperfoelie, links op uurhok schaal (5 km2), rechts op km-hok schaal (1 km2).

Wat voor andere soorten zijn er dan? Bijzonder veel, ongeveer 17 in totaal, ze zijn in de meeste gevallen goed herkenbaar, al maakt bloei het wel een stuk gemakkelijker om ze te identificeren. De soorten verschillen in groeivorm, zoals al eerder bij Wilde kamperfoelie en Rode kamperfoelie toegelicht is, maar tevens in grootte, kleur en vorm van de bloemen, in kleur van de bessen en vorm en beharing van het blad. Het is niet altijd gemakkelijk om vast te stellen of er sprake is van verwildering of aanplant, maar in bosranden en in de duinen is verwildering van deze soorten niet zeldzaam. De soorten zijn ook zeker niet zeldzaam in het stedelijk gebied en gezien hun oorsprong beschouw ik de soorten dan ook al stadsplanten, al zul je ze vaker verwilderd in bosranden vinden, dan in steden.

Lonicera tatarica, o.a. herkenbaar aan de struikvormige groeivorm, de zachtbehaarde bladen en de meestal rode bloemen met vierlobbige bovenlip.

Struikvormige soorten zijn onder andere Lonicera nitida en Lonicera pileata, twee kleine soorten met kleine, glimmende bladen die voornamelijk in het stedelijk gebied aangetroffen worden. Er zijn ook een hoop grootbladige, struikvormige kamperfoeliesoorten, waaronder Lonicera x purpusii, herkenbaar aan het ontbreken van bladen tijdens de bloei. Verder zijn er nog de struikvormige Lonicera tatarica, herkenbaar aan de zachtharige stengelbladen en de vierlobbige bovenlip. Ten slotte zijn er nog Lonicera nigra met zwarte bessen en Lonicera maackii, herkenbaar aan de glimmende, lang toegespitste bladen.

Lonicera acuminata, herkenbaar aan de klimmende groeivorm, de blauzwarte bessen en de behaarde stengel.

Klimmende Kamperfoelie soorten kunnen onderaan de bloeiwijze vergroeide stengelbladen hebben, dit zijn Tuinkamperfoelie (Lonicera caprifolium), Lonicera x heckrottii, Lonicera x tellmanniana en Lonicera etrusca. Andere klimmende soorten zijn Japanse kamperfoelie (Lonicera japonica) met zwarte bessen, witte en gele, paarsgewijs staande bloemen. Ook is er nog Lonicera acuminata, herkenbaar aan de blauwzwarte bessen, de glimmende bladen en de behaarde stengel.

Heb je een soort uit het geslacht Lonicera gevonden, dan kan je deze met enkele buitenlandse determinatieboeken als New Flora of the British Isles (Stace, 2019) determineren. Als je dit boek niet hebt, adviseer ik de online determinatiesleutels Manual of the Alien Plants of Belgium (Engelstalig) en Blumen in Schwaben (Duitstalig).