Home » Bijzondere planten

Categorie: Bijzondere planten

Grote nagel

In de nazomer van 2013 trof ik in Tilburg langs de muur van een schuurtje een nagelkruid aan met wat grotere bloemen dan normaal. Het bleek om groot nagelkruid (Geum macrophyllum) te gaan De foto ervan kwam in mijn map ‘Stadsplanten Divers’ terecht en bleef daar verder onopgemerkt. Totdat de plant onlangs op drie verschillende plaatsen in Breda opdook. Twee keer in de stad en één keer in het tegen de stad gelegen Natura 2000-gebied ‘Het Ulvenhoutse Bos’. Dat bos is vooral bij floristen bekend vanwege het voorkomen van de witte rapunzel en het knikkend nagelkruid. Vlakbij de vindplaats van het knikkend nagelkruid (Geum rivale) groeit ook geel nagelkruid (Geum urbanum) en de kruising tussen G.rivale en G.urbanum. Het wachten is nu op nog andere kruisingen. Het wordt daar een ware nagelkruid-orgie.

Maar het moet over stadsplanten gaan. Het lijkt erop dat groot nagelkruid ons land gaat veroveren. Vooral uit het Noordoosten worden veel waarnemingen gemeld. Uit de eerste waarnemingen blijkt deze plant niet vies te zijn van de stedelijke omgeving.

Groot nagelkruid is een overblijvende plant van enigszins beschaduwde, vochthoudende, voedselrijke grond. De plant is afkomstig uit Noord-Amerika en Oost-Siberië. In Nederland is hij voor het eerst waargenomen in 1992. Hij is vaak te vinden langs bospaadjes, in de eerste paar honderd meter vanaf een parkeerplaats het bos in. Wellicht worden de zaden door uitgelaten honden verspreid.

Groot nagelkruid heeft veel weg van geel nagelkruid. Een duidelijk verschil is te zien tijdens de bloei: de kelkbladen zijn bij groot nagelkruid dan al teruggeslagen. Zie foto.

Kelkbladen teruggeslagen

Daarnaast onderscheidt deze soort zich van geel nagelkruid door de aanwezigheid van klieren op de stijl en door een veel groter aantal vruchten in de vruchthoofdjes.

Vruchthoofdje van groot nagelkruid

In de digitale literatuur kom je twee verschillende verklaringen tegen voor de naam ‘nagelkruid’. De eerste is dat de vruchten gehaakte snavels, zie foto, hebben en dat doet aan nagels denken. Met die haakjes blijven de vruchten  aan kleding en vachten hangen. De tweede verklaring is dat de wortels  naar kruidnagel smaken. De wetenschappelijke geslachtsnaam ‘Geum’ komt uit het Grieks voor ‘proeven’’.

Blad van groot nagelkruid

Flora van hoog niveau: dakvlieders

Topattracties

Groene daken zijn in de mode en een must. Beplante daken zijn hard nodig in tijden van klimaatsverandering. Ze reguleren neerslag, droogte, hitte en binden fijnstof. Het plantendek houdt regenwater vast, buffert dit, verkoelt. Bij heftige regens zorgt dat voor minder wateroverlast. Mooi is dat zonnepanelen op ‘frisse’ groendaken beter presteren: met minder hitte is er meer rendement. De vegetatielaag is ook ideaal voor het binnenklimaat van gebouwen: warmte-isolerend in de winter, verkoelend in de zomer. Met vegetatiedaken ontwikkelt zich een nieuwe, stedelijk leeflaag met een specifieke plantengroei op hoog niveau en een nieuw floristisch fenomeen: ‘dakvlieders’.

Zonnige vetkruiden

Groendaken hebben de toekomst en daarmee zonnige sedums; de vetkruiden. Een heel regiment – circa 20 soorten in getal – wordt toegepast. Ze floreren er onder extreme, sterk wisselende omstandigheden; vervlechten zich tot compacte zoden. De plantjes zijn zonbestendig en verdragen waterschaarste. De opgezwollen blaadjes, met waterreserves, zijn omgeven door een beschermende, overdag geheel afsluitende waslaag. Op de warmste momenten blijft de verdamping beperkt en de blaadjes dik en sappig. Met deze eigenschappen beschutten ze zichzelf, alsook het dak. Op sedumdaken staan naast inheemse vetkruiden allerlei nieuwe introducees. Er is veel variatie in bloemkleur en bladtint, met een rijke schakering aan geel- en roodtinten. Het hele spektakel belandt ook op straat. Vanuit de hoogte waaieren ze als dakvlieders uit over de stenige laagvlakte; starten er succesvol een tweede leven.  Voor Muurpeper, Wit- en Zacht vetkruid, Tripmadam, allemaal inheems, levert dat een flink surplus op. Het laatstgenoemde duo – eerder exclusief voor het rivierengebied – beleeft daarbij een stedelijke doorbraak. Van de nieuwe sedums is vooral Spaans vetkruid een hit. In bijna al onze steden is ze als straat- en muurbewoner in opkomst.

Spaans vetkruid is een stedelijke nieuwkomer. die veel weg heeft van Wit vetkruid. Kenmerkend zijn de blauwgroene bladkeur en rode middennerf op het kroonblad.

Sedumsoorten op daken … die toenemend verwilderen:

Geel            ►   Muurpeper, Zacht vetkruid, Tripmadam, Kamtsjatka-vetkruid, Driebladvetkruid

Wit              ►   Wit vetkruid, Spaans vetkruid

Roodroze   ►   Roze vetkruid, Kleine en Gewone spinraghuislook

Muurpeper is volledig toegerust voor het stadsleven. Het is geen modieuze verschijning, maar een aloude, succesvolle overlever, die heerst op zonnig steen. Het plantje soleert massaal in schrale plantsoenranden; vult de voegen van plaveisels en barsten in asfalt. Met gemak neemt dit vetkruid steenglooiingen, kan het domineren in grindbedden en op kale spoorweg-, haven- en industrieterreinen. Daarnaast is Muurpeper een vaste verschijning op oude, droge muren; vaak boven op muren, maar ook op de flanken daarvan. Muurpeper heeft de bijnaam het Eeuwig leven. In Flora Batava (1800) komt dat imago in een observatie tot leven: “omtrent 15 dagen had ik eenige takjes voor myn herbarium onder de pers gehad … ’t geen ik te veel had, wierp ik naar buiten. Na 3 of 4 dagen aan de lucht blootgesteld, was ik ten uitersten verwonderd te ontdekken dat dezelfde planten, die zo langen onder de pers verpletterd en verdroogd waren geweest, niet alleen weder begonnen te herleeven, maar dat zelfs de bloemknoppen, die nog niet gebloeid hadden, open gingen.”

Nieuwe straatjuwelen

Naast vetkruiden, is er een groeiend pakket aan dakplanten, voor meer bloemrijke uitstallingen. Die verkassen eveneens, dalen neer, bereiken de verharde onderwereld. Het zijn fraaie aanwinsten, nieuwe straatjuwelen, die voor veel floristen onverklaarbaar, uit het schijnbare niets opkomen. Maar de bron is nabij, met een blik omhoog te ontwaren. Neem Kleine mantelanjer, haar straatvertoningen zijn steevast aan dakvlieders te danken. Een dakschouw is bij mij nu routine. Zo weet ik dat Oranje havikskruid, vanaf het dakterras van mijn buurman onze woonbeurt heeft verrijkt. Eenzelfde weg gingen Muizenoortje, Blaasilene, Blauw zwenkgras, Gewoon fakkelgras, Hoofdjes- en  Steenanjer. En .. er zit meer aan te komen. Het totale dakflora-sortiment en alles wat daaraan wordt toegevoegd is rijp voor de straat.

Tripmadam – Geen dame van plezier

Tripmadam (Sedum rupestre) behoort tot de vetplantenfamilie . Planten die in het algemeen duidelijk herkenbaar zijn door vlezige bladeren die ongedeeld zijn en vaak als een aar, ongesteeld (zittend) aan de stengel zitten. De bladeren hebben een blauw/groene kleur zijn aan de onderzijde bolvormig en versmallen naar boven toe. Zij eindigen in een stekelpuntje. Voor de determinatie en om snel onderscheid te kunnen maken met andere vetplanten zoals Muurpeper en Wit- en Zacht vetkruid, is het stekelpuntje een goed veldkenmerk.

De bloemen zijn heldergeel en staan op aparte bloeistengels. Deze bloeistengels zijn, voordat de bloemen tot bloei komen, omgebogen. In oudere flora wordt de wetenschappelijke naam Sedum reflexum gebruikt hetgeen duidt op de bloeistengels die voor de bloei zijn omgebogen. De wetenschappelijke naam die nu in de flora wordt gebruikt is Sedum rupestre. ‘Rupestre’ betekent ‘rots’. De bloemen vormen aan de top van de bloeistengel een schermpje. De kroonbladeren zijn 2 1/5 keer zo lang als de kelkbladeren en naar onderen toe samengevouwen. Ze zijn, zoals dat heet, gekield. De helmdraden zijn aan de voet kort behaard. Om zekerheid te krijgen of je te maken hebt met Muurpeper of Tripmadam kijk je eerst naar de aanwezigheid van het stekelpuntje aan het einde van het blad (Tripmadam) en vervolgens naar de voet van de kroonbladeren die bij Tripmadam smaller is dan bij Muurpeper.

De blaadjes van Tripmadame lopen uit in een klein stekeltje. Een goed kenmerk om Tripmadam te onderscheiden van b.v. Muurpeper.

Tripmadam is in Nederland vrij zeldzaam. De Floron Verspreidingsatlas geeft aan dat de soort sinds 1950 25-50% achteruit is gegaan op de Rode lijst als kwetsbaar staat genoteerd en tot de vrij zeldzamen soorten wordt gerekend.  De bekendste vindplaatsen zijn langs de rivierduinen en dijken van de grote rivieren, in duingrasland, van de zeeduinen, tegen de bebouwing aan. Tripmadam wordt ook vaak gevonden op een stenige ondergrond zoals op basaltglooiingen, kademuren en stadswallen. In Amersfoort en omgeving zijn mij twee vindplaatsen bekend. Eén op de kademuren van de wijk Vathorst die bekend zijn vanwege de vele varensoorten op de kademuren en één rijke vindplaats op muurtjes in het Park Schothorst.

De bloeistengels van Tripmadam onderscheiden zich duidelijk van de bladstengels. (Foto Ton Denters)

De naam Tripmadam doet misschien stiekem denken aan dames van plezier maar dat is niet juist. Tripmadam is te herleiden tot “tripe de madame” en het woord “tripe” tot trijp: een fluweelachtige kledingstof. Het berijpte blauwe patin dat over de blaadjes ligt zal de inspiratie voor de naam zijn. Natuurlijk zijn er boeken te vinden die aangeven dat de blaadjes eetbaar zijn en geneeskrachtige werkingen hebben maar daar ga ik mij – met uw goedvinden – toch maar niet aan wagen.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

 

 

Over oprukkende Italianen

Stinsen- of stadsplant

Hoewel je bij de Italiaanse aronskelk (Arum italicum) niet direct denkt aan een stadsplant, blijkt ze toch aan een aantal stedelijke criteria te voldoen. Het gaat om een soort van zuidelijke herkomst die uitstekend gedijt op jonge, sterk door de mens beïnvloede bodems onder heggen, tussen bodembedekkers en in voedselrijke, verstoorde graslanden. De meeste floristen kennen de soort als stinsenplant maar zijn de stinsenplanten van vroeger niet de stadsplanten van nu?

Verspreiding

Feit is dat de Italiaanse aronskelk de laatste decennia aan een ware opmars bezig is. Hoewel de soort in de nieuwe Heukels’ flora nog steeds als zeldzaam staat vermeld, blijkt haar opmars overduidelijk. Als je de verspreiding van vóór 1990 met die van daarna vergelijkt blijkt een spectaculaire toename. Zie de NDFF Verspreidingsatlas. Ook in Zoetermeer zien we dit terug: recent is de soort in 13 van de 37 km2 die Zoetermeer groot is, waargenomen. Vooral dit jaar vallen de grote groeiplekken met meer dan 100 exemplaren op door de bessen die het stadsgroen pleksgewijs felrood kleuren. Over hoe die verspreiding precies in z’n werk gaat is geen eenduidig antwoord beschikbaar. De “Stinzenflora in Fryslân” meldt dat de giftige bessen “door enkele vogels, zoals merels, worden gegeten maar dat ze vaker nog ongegeten afvallen en ten gronde gaan. Gewoonlijk vermeerderen aronskelken zich in onze streken door deling van knolle. Niet uitgesloten is dat deze vegetatieve vermeerdering in de stad met zijn enorme bodemdynamiek een rol speelt. Meer voor de hand ligt dat de afgevallen bessen kiemen waardoor de groeiplekken jaarlijks in omvang toenemen.

Overigens behoren ook aronskelken tot de soorten die in de jaren ’80 van de vorige eeuw onderdeel waren van het uit te zaaien Zoetermeerse sortiment.

In september komt het gemarmerde blad weer te voorschijn.

Kenmerken en bestuiving

De Italiaanse aronskelk valt vooral op door de 15 -35 cm pijlvormige, geelwit gemarmerde bladeren die in het najaar verschijnen. De bloei vindt plaats in mei en juni met een verdikte bloeikolf, waarvan het zichtbare bovenste deel knotsvormige geel is. Onderaan de bloeikolf zitten de groenwitte bloemen en ook het schutblad van de bloeikolf is groenwit. De rode besvruchten zijn 1 cm breed.

Bestuiving van aronskelken vindt plaats met behulp van motmugjes. Hiervoor zetten aronskelken een geavanceerd vangsysteem in werking. Door verbranding van zetmeel warmt de bloeikolf zo’n 10 graden op t.o.v. de omgeving waardoor er stoffen vrijkomen die naar aas ruiken. Hier komen motmugjes, al dan niet beladen met stuifmeel, op af. Die komen dan in een val terecht waardoor bestuiving tot stand komt. Pas de volgende dag of de dag daarna opent de val zich weer en verlaten de mugjes de plant om een volgend exemplaar op te zoeken.

Naamgeving

De meest waarschijnlijke verklaring van de geslachtsnaam “Arum” is dat deze is afgeleid van het Griekse woord aros dat nuttig betekent. Dat zou te maken kunnen hebben met de knollen die opvallend veel zetmeel bevatten en die indertijd als voedsel konden worden gebruikt. Er bestaan ook vele legenden m.b.t. het geslacht aronskelk waarvan de volgende betrekking heeft op de felrode bessen: de plant stond op Golgotha aan de voet van het kruis, waar het bloed van Christus op de bladeren spatte en zo ook in de vruchten terecht kwam. Vanaf die tijd waren deze rood gekleurd.

Tweelingsoort

Zoals dat in het plantenrijk wel vaker voorkomt heeft de Italiaanse aronskelk in Nederland ook nog een tweelingbroertje, de Gevlekte aronskelk (Arum maculatum). Deze soort wordt als oorspronkelijk inheems beschouwd en komt nu vooral nog in stinsenmilieus voor. In vergelijking met de Italiaanse variant heeft deze soort van nature een noordelijker verspreiding die rijkt tot in Schotland en Denemarken. De Gevlekte aronskelk komt ook in Zoetermeer voor en onderscheidt zich van haar grotere broer door kleinere bessen (0,5 cm. breed), een grijspurpere bloeikolf en gevlekt blad.

Onderscheid

Ogenschijnlijk is herkenning van beide soorten in het veld geen probleem. Er zijn echter momenten  in de ontwikkeling die verwarring kunnen veroorzaken. In het voorjaar, als van beide soorten alleen het blad zichtbaar is blijkt dat zowel de Gevlekte als de Italiaanse aronskelk regelmatig met glanzend groen blad kunnen voorkomen. Zowel de karakteristieke geelwitte tekening op het blad van de Italiaanse, als de donkerpaarse vlekken op het blad van de Gevlekte aronskelk ontbreken dan. In dat geval zullen we het moeten doen met de enigszins afwijkende bladvorm maar met een beetje puzzelen moet dat wel lukken.

Ook in ruig hooiland duiken de rode bessen van de Italiaanse aronskelk op.

Zomaar ineens een nieuwe Flora

Wie op zoek is naar de naam van een plant gebruikte vroeger een Flora, een boek met sleutels naar planten, of ging op stap met een ‘wandelende Flora’; een persoon die dat boek van buiten kende en wist toe te passen.  Dat is zeker nog steeds een goed idee, maar na de opkomst van de e-mail en internet zijn er nu waarnemingen-sites, fora, herkennings-apps  die het van thuis uit een stuk gemakkelijker maken en boeken wat op de achtergrond drukken.  Omdat ik de Flora’s, wandelend of thuis op de plank, nog steeds harder aanbeveel wil ik graag de stadsplantenliefhebbers op de hoogte brengen van een bijzonder feit; in 2020 is er al een 3e , na de Heukels’ Flora en Stadsflora van de Lage Landen, Nederlandstalige serieuze Flora uitgekomen: Natuur.Flora.

De schrijver Hans Vermeulen kennen ingewijden als natuureducator in hart en nieren met een passie voor paddenstoelen en planten. In 1999 verscheen van zijn hand de dikke pil Paddenstoelen, Schimmels, Slijmzwammen van Vlaanderen.  650 pagina’s met sleutels van de grootste naar de onbeduidendste ooit aangetroffen zwammetjes. Het bleek geen succesverhaal – er kwam geen tweede editie- en kreeg kritiek van andere kenners. Toch is het een verdienstelijke poging geweest die zeer veel inzicht wierp op de toenmalige rijkdom en meestal toch juist beschreven verschillen.

Ook dit nieuwe boek Natuur.Flora (660 pagina’s) zullen vele kenners aanvankelijk met vreemde ogen bekijken. Hoe kan er opeens een complete Flora bijkomen?  Vermeulen heeft het schrijven van sleutels in ieder geval goed in de vingers en heeft ervoor gekozen vrijwel ALLE soorten na 1950, uit Nederland en België en omgeving, zoals in de Belgische Flora van Verloove en Lambinon, uit te sleutelen. Dus inclusief de verwilderde, adventieven en minimaal veel voorkomende, niet verwilderde, tuinplanten.  Verwacht geen plaatjes, verwacht ook niet al te veel uitleg bij het determineren;  het is een hardcore sleutelboek. Dat uitleg en plaatjes grotendeels ontbreken is wat vreemd omdat is geschreven met  een natuureducatiemissie. En in de natuureducatie worden uitleg en plaatjes juist uitermate veel gebruikt.  Aan de andere kant is er wel grote behoefte geuit door velen naar sleutels waar ‘alles’ in staat en de amateurbotanisten bij een mysteriesoort niet iedere keer 10 boeken op tafel moeten toveren. Sommigen denken vast met weemoed, tot 1983, aan een oudere Geïllustreerde Flora van Nederand door Heimans, Heinsius en Thijsse, waar ook veel tuinplanten in stonden en het leven nog simpel was. Qua sleutels is Natuur.Flora een boek dat daar bij in de buurt komt.

Aristolochia tomentosa , hier op Texel, is al een 5-tal jaar bekend in Nederland als verwilderde tuinplant, maar er zijn ook gelijkende soorten in cultuur; Bijv. A. moupinensis en A. manshuriensis. Ook Natuur.Flora biedt nog geen oplossing; ze houdt het bij 2 soorten.

Een boek waar ‘alles’ in staat is natuurlijk onmogelijk, maar toch zou het boek ook stadsfloristen kunnen bekoren.  Puur op het aantal uitgesleutelde taxa wint de flora het van de anderen: Geranium 24 , Hypericum 20,  Festuca 22 , Trifolium 37 taxa. In de Heukels’ Flora 2020 zijn dit er resp. 18, 15, 16 en 21 en in de Nouvelle Flore de Belgique 18, 12, 23, 26. Natuur.Flora beschrijft wel een veel groter gebied, maar doordat de andere flora’s de soorten soms wel vermelden, maar niet opnemen in de sleutels, zijn de aantallen al direct beduidend later. Links en rechts ontbreken er overigens ook wel wat verwilderde soorten in Natuur.Flora.  ‘Alles’ is kennelijk toch niet altijd geheel te bereiken. De ontwikkelingen gaan de laatste decennia ook wel heel erg snel.

Natuurlijk moet het ook over de kwaliteit gaan.  Over de inhoud van de sleutels  kan ik iedereen alvast gerust stellen; die is over het algemeen prima en volgt eigenlijk de vele klassiekere sleutels en de veel beproefde andere flora’s.  Soms is het wat kort door de bocht en er zijn wel voorbeelden te vinden die in eerste instantie wat vreemd voorkomen, maar het essentiële is vrijwel altijd vermeld. Meer dan de sleutels, waarin in code een beschrijving van de zeldzaamheid, is er niet, dus de overige kwaliteit: bredere uitleg, tekeningen, foto’s, is in de andere flora’s te zoeken. Natuur.Flora neemt ook een voorsprongetje op de pas uitgekomen lijst Nederlandse namen voor tuinplanten door NAK en vermeldt heel wat nog niet officiële Nederlandse namen. Ze worden voorafgegaan met een *. Het is een eigen verzameling namen, samengesteld uit diverse volgens mij valide bronnen en dat is ook al een reuzenwerk geweest!, die op heel wat punten afwijkt van de NAK-lijst.

Bamboe onbekend te Genk. De lijsten met bamboesoorten die gekweekt worden zijn nagenoeg eindeloos en vaak weet je niet waar je moet beginnen met determineren van dat ‘rare spul’ dat ook buiten tuinen steeds vaker opduikt. Natuur.Flora maakt een waardevol begin met een sleutel naar heel wat algemener voorkomende soorten in cultuur.

Als deze flora ook echt gaat aanslaan en ook critici feedback willen geven is er natuurlijk ook een tweede verbeterde editie mogelijk en zal het boek nog meer waarde krijgen. Dat communicatie over het boek en de inhoud zeer gewaardeerd wordt blijkt al uit het feit dat de sleutels ook online ter beschikking worden gesteld bij de soortinfo (genusnaam spec.) op Waarnemingen.be en Waarneming.nl.  Ik maakte in overleg met Hans Vermeulen reeds enkele voorbeelden. Zie Hypericum en Mazus .

Ik vermoed dat er relatief weinig wilde of verwilderde planten te vinden zullen zijn die niet in deze flora zijn uitgesleuteld en men zal zelfs ook nieuwe ontdekkingen, meestal ontsnapte tuinplanten, kunnen doen. Er staan heel wat algemeen gekweekte tuinplanten in: neem bijvoorbeeld een lange serie bamboesoorten die officieel nog niet verwilderd zijn vastgesteld en het is al interessant om te lezen dat ze veel worden gekweekt en interessanter; hoe ze dan verschillen van ons wel bekende. En al bij al zal de diversiteit in de Flora’s ook bijdragen aan de kennis over onze wilde en verwilderde planten.

bloempjes

Een plant die zich op de vlakte houdt.

Toen de nieuwe Stadsflora van Ton Denters uitkwam nam ik mij voor alle daar in genoemde planten te gaan vinden. Dat was natuurlijk wel erg ambitieus maar het is altijd goed om een doel te hebben in het leven.

Een goed begin.

Gelukkig was het begin goed. Als fervent stadsplantenliefhebber kijk ik altijd naar de grond als ik in de stad loop en scan de omgeving op bijzondere of afwijkende planten. Op 14 mei van dit jaar was het raak. Ik liep door de Plaspoelpolder in Rijswijk, een bedrijvengebied wat ik mijn natuurgebied noem, en zag wat kleine paarsige vlekjes op de stoep.

bloempjes
Paars-witte bloempjes van het vlakbloempje

Ik boog me voorover om het kleine plantje te bekijken. Het zag er prachtig uit en na enig zoekwerk bleek het het Vlakbloempje (Mazus pumilus) te zijn. Een heel klein plantje tussen de voegen met paars/witte bloempjes. De meeste mensen zullen dit plantje wel voorbij lopen zonder het te zien.

Ton wijdt een pagina aan deze plant. Hij komt uit Azië en is bezig met een ware opmars in Europa. Een soort van de toekomst noemt Tom hem. Op de kaart van verspreidingsatlas stond nog maar een enkele stip, ik was dus heel tevreden met mijn vondst.

Een vreemd uitgebloeid plantje

In augustus vond ik tijdens druilerig weer op een parkeerplaats bij mij in de buurt een vreemd uitgebloeid plantje. Ik kon er niets van maken en plaatste een foto op de wilde-planten-Facebookgroep.

uitgeboeid
een vreemd uitgebloeid plantje

Gelukkig had Stef van Walsum een goed idee: zou het geen Mazus pumilus kunnen zijn. Een dag later ben ik nog eens gaan kijken en ja hoor, ook daar groeide een hele groep Vlakbloempjes. De tweede groeiplek van dit kleine plantje in Rijswijk.

Alle begin is moeilijk maar een goed begin is het halve werk. Nu nog al die andere honderden planten proberen te vinden!

Zie ook:

Plat beemdgras aan de Wellekade

Plat maar toch niet in de beemd

Beemd is een Nederlands begrip dat ver teruggaat in de geschiedenis en volgens het etymologisch woordenboek een samenvoegsel is van ‘ban’ en ‘made’. Niet meer gebruikte woorden voor respectievelijk rechtsgebied en weide. Dat samengevoegd wordt het een gemeenschappelijke weide, meestal gelegen naast een waterloop (bron: etymologiebank.nl).

Beemd is echter ook een deel van een geslachtsnaam, te weten Beemdgras als Nederlandse naam en Poa voor de wetenschappelijke aanduiding. Poa is een vrij groot geslacht met ca. 500 soorten die vooral in de gematigde streken van beide halfronden te vinden zijn. Veelvuldig in die beemden, denk aan Ruw beemdgras en Veldbeemdgras. Nu is beemd niet direct een landschapstype dat je in de stad vind. Toch zijn er diverse soorten die geregeld in de stad te vinden zijn. Straatgras (Poa annua) is de bekendste.  Het is een eenjarig beemdgras en werkelijk overal te vinden.

Er zijn ook meerjarige beemdgrassen; één daarvan is Plat beemdgras (Poa compressa). De soort is gebonden aan matig voedselrijke, basische en kalkhoudende, vaak stenige grond. Limburg en langs de rivieren, zijn de plaatsen waar Plat beemdgras te vinden is. En op spoorwegen en in steden. In steden is het o.a. op muren te vinden.

Plat beemdgras verdraagt maaien slecht en dat is nu net wat er op de meeste muren niet echt gebeurd. In Deventer zijn diverse plaatsen te vinden waar Plat beemdgras soorten als de Muurbloem (Erysimum cheiri) en Muurvaren (Asplenium ruta-muraria) begeleidt. O.a. aan de Wellekade, de kademuur waar ook de IJssel regelmatig, bij hoog water, zijn invloed doet gelden. Ook op en naast het ballastbed van een deel van een oude spoorlijn is veel Plat beemdgras te vinden.

Detail van bladschede van Plat beemdgras
Detail van bladschede van Plat beemdgras

Het herkennen van grassen wordt over het algemeen als moeilijk ervaren en sommige floristen wagen zich dan ook niet aan grassen. Plat beemdgras is m.i.

Plat beemdgras
Plat beemdgras (habitus) op een stoeprandje naast een oude spoorweg.

toch wel één van de gemakkelijk te herkennen soorten, zeker binnen het geslacht Poa. Plat beemdgras is te herkennen aan de blauwachtige kleur en zeker aan de bloeistengel, die sterk is afgeplat. Verder is de bloeiwijze vrij compact, met korte aren. Opvallend is ook dat bladschede van het bovenste blad even lang of langer is dan het blad.

Plat beemdgras is inheems in Eurasië en gedraagt zich buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied als een invasieve exoot, althans volgens USDA. Andere bronnen zijn meer lovend over de soort die in de VS en Canada ‘Canada bleugrass’ wordt genoemd. Zo wordt het uitgezaaid samen met vlinderbloemigen om voormalige mijnbouwgrond te herplanten en tevens wordt het gebruikt als plant om erosie langs wegen, dammen en recreatiegebieden tegen te gaan. Die andere, meestal niet zo goed zichtbare, eigenschap van Plat beemdgras wordt dus zeer gewaardeerd. Plat beemdgras vormt namelijk een dichte wortelmat en er zijn blijkbaar prima ervaringen opgedaan ter voorkoming van erosie. Ondanks dat het een invasieve soort is in de VS en Canada, is de Fire Effects Information System wel te spreken over Plat beemdgras.

Van nederzettingenflora naar stadsflora

De roots van onze stadsflora liggen in een ver verleden. De introductie van allerlei ‘vreemde’ soorten vindt sinds mensenheugenis plaats. Cultuurgewassen gingen daarbij voorop; al in de Nederlandse Prehistorie – van 5400 v.C. tot 12 v.C. – maakten ze hun entree met onbedoeld ook hun begeleidende onkruiden. In oude bodems ligt de identiteit van deze ‘eerste- uurs-nutsplanten’ opgesloten in de vorm van plantenresten. Die bleven behouden, veelal in verkoolde, maar nog wel herkenbare toestand. Soms zorgen met water verzadigde gronden en verstening (fossilisatie) voor conservering. De oude, gefixeerde plantenresten kunnen in principe bij elke opgraving aan het licht komen. Het opsporen en herkennen van botanische resten is een volwaardige discipline; het werk van een archeobotanicus.

Emmer Triticum dicoccum De Tournefort’s (1719) Institutiones Rei Herbariae

Uit dit specialistisch onderzoek weten we deels hoe het er rond 5400 v.C. aan toe ging. Onze eerste boeren teelden op lössgronden. Ze woonden in grote, goed gebouwde boerderijen en teelden granen als: Emmer (Triticum dicoccum) en Eenkoorn (Triticum monococcum), alsook peulvruchten: Erwt (Pisum sativum) en Linze (Lens culinaris) en oliehoudende zaden: Lijnzaad (Linum usitatissimum) en Maanzaad oftewel Slaapbol (Papaver somniferum). De vlasplant leverde daarnaast vezels. Al deze planten, met uitzondering van het maanzaad, komen oorspronkelijk uit het Nabije Oosten, waar ze enkele millennia eerder uit hun daar in het wild voorkomende voorouders, waren ontstaan. De eerste boeren woonden dicht op elkaar. De boeren hadden in die tijd al te kampen met onkruid en wel met een assortiment waarin Dreps, Melganzenvoet, Zwaluwtong en Akkerkool een hoofdrol speelden. Dreps hoort tegenwoordig tot onze zeldzaamste akkeronkruiden.

Bilzekruid in breed historisch perspectief

De Romeinse tijd [i] – van 12 v.C tot begin 5e eeuw – bracht nauwelijks nieuwe voedingsgewassen, maar wel ‘luxe’ zaken: fruit, groenten, kruiden en enkele sierplanten waaronder Muurbloem (Erysimum cheiri). Het is ook de periode waarin de kennis van medicinale wilde planten − uit de eigen omgeving – groeit en die in de Middeleeuwen tot volle wasdom komt. Tot onze vroegste geneeskruiden horen: Sint-Janskruid, Groot kaasjeskruid, Gewone smeerwortel, IJzerhard en Bilzekruid. Het zaad van Bilzekruid met een geestverruimende werking, werd in vroegere tijden onder meer gebruikt als slaapmiddel en als ‘heksenzalf’. Volksnamen, die hieraan refereren zijn Dolkruid en Malwillempjeskruid. Bij opgravingen van het West-Friese dorpje Almersdorp, dat eind van de Middeleeuwen verdween, werden in een laag met verkoolde graanresten opvallend veel zaden van Bilzekruid gevonden met in mindere mate ook Melganzenvoet, Zwarte mosterd en Kleine brandnetel. Mogelijk werd de soort bewust gekweekt, maar het zou ook als onkruid kunnen zijn opgekomen. Het waren betere tijden voor Bilzekruid; tegenwoordig is het zeldzaam, bedreigd en  een Rode Lijstsoort.

Botanische tekening Bilekruid / Bron: Franz Eugen Köhler, Köhler’s Medizinal-Pflanzen

Bilzekruid; bedreigde stadsplant

Bilzekruid huist in steden op verdwijnende plekken. De plant is gebonden aan zeer voedselrijke, kalkhoudende, verstoorde, stenige bodems. Het verpoost op puinplekken en in rommelige overhoeken, die meer en meer worden opgeruimd. In onze contreien komt Bilzekruid zeker sinds de Romeinse tijd, en vermoedelijk al langer, voor. De soort is in ons laagland altijd een bijzonderheid geweest, maar de laatste decennia gaat het gestaag achteruit. In binnensteden komt Bilzekruid her en der te voorschijn op plaatsen waar oudbouw is gesloopt. Het zijn kortdurende manifestaties. Een definitief verlies van deze fraaie soort in onze steden dreigt. Waar Bilzekruid in de verdrukking zit, is er perspectief voor Wit bilzekruid (Hyoscyamus albus). Het is een typisch mediterrane soort, die zich koestert in de zon op en aan muren. Het prefereert daarbij de muurvoet, waar het imposant opbloeit. Het is precies de plek waar hij zich bij ons tentoonspreidt. In 1980 was er een eerste vondst in Doetinchem, recent volgden Brussel, Amsterdam, Den Haag met Coevorden als laatste ‘toevoeging’. Op deze prille plekken zaait hij zich ook uit; het is wellicht de opmaat naar een echte doorbraak in onze steden.

Info: bloeitijd / zeldzaam & achteruitgaand / hoogte / archeofyt / stadsafhankelijk (Uit: Stadsflora van de Lage Landen, Fontaine uitgevers 2020)

De verschillen: Bilzekruid heeft zittende, onderin iets gesteelde bladeren. De bloemkroon is eenkleurig geel, met paasachtige adering. De bladeren bij Wit bilzekruid zijn alle gesteeld, de bloemkroon crèmekleurig tot lichtgeel zonder gekleurde adering.

Wit bilzekruid / Foto Rutger Barendse

[i] Voor Nederland begint de Romeinse periode in 12 v.Chr. toen heel het land door Druses, generaal onder keizer Augustus, was onderworpen, een heerschappij die tot het begin van de 5e eeuw duurde.

Avant-garde

Planten zijn een beetje mijn dada. De dada van mijn dada zijn deze die onverwacht komen te groeien in de stad, fabrieksterreinen, autostrades, puinhopen ..… Planten waarvan men graag zegt: “die horen hier niet thuis”. Het feit dat ze er gezond en wel groeien, bewijst het tegendeel.

Naar Fijn venushaar was ik al lang heimelijk op zoek. Hij was reeds gevonden in Gent, Antwerpen, Veurne …. maar ik bleef op mijn honger zitten. Gisteren kneep ik in Brugge ter hoogte van een gevel van een statig herenhuis, de remmen dicht voor een verwilderde Tuinlobelia -ook mooi- en toen werden mijn ogen alsmaar groter voor iets dat in het keldergat groeide. Fijn venushaar (Adiantum raddianum).  Een betere naam is amper mogelijk voor deze plantgeworden elegantie.

Tuinlobelia

Fobie voor exoten is mij vreemd, tenzij ze van een andere planeet zouden komen. Een status quo in de evolutie bestaat enkel in de hoofden van mensen. Een status quo is voor reservaten. Ik heb respect voor reservaten. Alhoewel, ze doen mij ook een beetje te veel denken aan indianenreservaten.

Geef mij maar natuur die zich géén ballen aantrekt van al te theoretische afbakeningen. Het is zó veel boeiender en eigenlijk zó veel echter. Voor wie wil, dit is fascinerende lectuur : “Reizend groen” van Stefano Manusco. Onder andere.  De manier waarop planten en dieren in het menselijk vehikel dé ideale transportgelegenheid zien is al een fascinerende gebeurtenis op zich.

Terug naar het Fijn venushaar. Waar komt dit plantje oorspronkelijk vandaan ? In ieder geval van onze planeet. Beetje concreter : uit Zuid-Amerika ! Heeft zich ondertussen over alle tropische gebieden van de wereld verspreid. En het lukt ook in onze steden, die, naar het voorkomen van andere soorten te zien, vaak fungeren als subtropische oases binnen onze koelere streken. Hoewel, de laatste tijd zijn ze wat minder koeler, onze streken.

Fijn venushaar op een onverwachte plek

Wikipedia is ondertussen hopeloos achterhaald : “De soort is in België en Nederland verwilderd aangetroffen, onder andere op oude muren, zoals in Antwerpen, Brussel, Gent, Delft en mogelijk in Utrecht. “ Het groeit dus wel degelijk ook in Brugge !  Echt venushaar (Adiantum capillus-veneris) is ook te vinden in Brugge. Op de muur van een spoorwegbrug. Tamelijk open en bloot. Ze werd er voor het eerst gevonden door Filip Verloove. Sindsdien ga ik er wel eens op bedevaart.

Voor de verschillen tussen beide soorten verwijs ik naar de vakliteratuur. Het zit ‘m in de vorm van de sporenhoopjes én de plaats waar de nerven eindigen aan de bladrand.  Qua habitat komen ze ook overeen : op de bodem of op steen, maar Fijn venushaar heeft wel een voetje voor omdat het ook kan groeien op silicaatrijke gesteenten zoals graniet. Echt venushaar heeft daar dus blijkbaar wat moeite mee. In Brugge althans zijn de groeiplaatsen van de beide soorten echt wel verschillend. Hoe dan ook, ze groeien.

Met dank aan de wilde Tuinlobelia.

 

 

Mariadistel

Een braakliggend terrein in de wijk Heuvel in Breda is een ‘lustoord’ voor stadsplantenliefhebbers.  Twee jaar geleden stonden er nog flats met mooie achtertuinen. Uit zaden en worteldelen van voormalige tuinplanten kwam en komt na de sloop van alles tevoorschijn. Zie ook de bijdrage van 8 maart jl. over tuinbingelkruid.  In april ontdekte ik daar een Mariadistel (Silybum marianum). Niet helemaal nieuw voor Breda want in 2013 was er al een exemplaar gevonden in de omgeving van het station. Zie https://www.stadsplantenbreda.nl/.

Hele plant half april

De mariadistel behoort niet tot onze inheemse flora. In de Heukels wordt de plant als adventief aangemerkt. Het is een uit Zuid-Europa afkomstige composiet. De mariadistel geniet vooral bekendheid in de kruidengeneeskunde. Uit de vruchtwand van het nootje worden stoffen voor medicinaal gebruik gewonnen. De stof ‘silymarine’ wordt gebruikt bij chronische leverkwalen. In de literatuur kun je veel uiteenlopende toepassingen tegenkomen.  In het boek ‘Lexicon der geneeskruiden’ van M. Uyldert staat het volgende: “Het kruid doet de koorts zakken en opent alle kanalen”. Dat is dus oppassen geblazen. Behalve als geneeskruid wordt de Mariadistel ook als voedsel gebruikt. Jonge bladeren kunnen op dezelfde manier als spinazie gegeten worden en jonge stengels op dezelfde manier als asperges. Het bloemhoofdje kan, net als artisjokken, ook gegeten worden.  In verschillende landen, waaronder Frankrijk, wordt de plant akkerbouwmatig geteeld. Soms wordt de mariadistel als sierplant gebruikt.Normaal bloeit de mariadistel in juli en augustus. Dat ‘ons’ exemplaar al in april bloeide heeft wellicht te maken met de zachte winter. Intussen heeft dit exemplaar al rijpe zaden.

Uitgebloeid eind juli

De naam van de plant heeft te maken met de legende dat de witte vlekken op de bladeren veroorzaakt zouden zijn door de melk van de Heilige Maagd.