Home » Bijzondere planten

Categorie: Bijzondere planten

Oosterse raket in drukwerk

Ik werd begin deze eeuw gebeld door een fervente vogelaar of ik met hem naar een rare plant wilde kijken. Dit was heel bijzonder want planten vond hij tot dan toe alleen interessant indien eetbare het groente betrof.

Hij woonde bij de verbindingsdam naar het KNSM-eiland in de Oostelijke Eilanden in Amsterdam waar de plant in de flink vergraven berm stond. Het was een koolzaadachtige en met de Heukels was ik er vlot uit: oosterse raket. De plant heeft een habitus als gewone raket en lange hauwen als Hongaarse raket. De hauwsteel is net zo dik als de vrucht en de fijnbehaarde kelkbladen en hauw maken deze plant makkelijk herkenbaar.

De hauwsteel is net zo dik als de vrucht

Deze soort was voor mij nieuw. Hij blij, ik blij. De volgende kennismaking met deze soort was met het project DNA-BARcoding van FlORON in 2011. Van alle vaatplanten in Nederland werden exemplaren verzameld om een DNA- profiel te maken. Ik koos onder meer de oosterse raket uit. Via waarneming.nl wist ik dat er een waarneming was bij de nieuwe hoofdvestiging van de bibliotheek in Amsterdam. Het was nog flink zoeken want de planten groeiden op de rand van de kade, goed verstopt achter een schakelkast. Ik tevreden naar huis fietsen en halverwege op het Zeeburgerpad zag ik opeens langs de gevel van de bedrijfsgebouwen tientallen oosterse raketten staan. Nu ik het zoekbeeld had vielen ze me opeens op. De oosterse raket groeide er pluksgewijs over een lengte van een kilometer en dat doet het er nog steeds.

De kelkbladen en hauw zijn fijnbehaard

In Amsterdam, Den Haag en Rotterdam heeft de soort sinds 1990 stevige bolwerken gevormd. Het oorspronkelijke areaal is het Middellandse Zeegebied en werd in Nederland voor het eerst gevonden in 1877; in Vlaanderen pas in 1973.

oosterse raket in voeg tussen muur en plaveisel

Ik documenteer me voor mijn blogjes met verschillende bronnen waaronder de Stadsplanten van Ton Denters.Voor de Covid-19 uitbraak had ik het idee om deze aflevering van stadsplanten te wijden aan de nieuwe Stadsflora van Ton Denters. Deze week zou dit boek, ‘Stadsflora van de lage landen’ verschijnen en het leek me leuk om over mijn eerste indrukken te verhalen aan de hand van een soort zoals de oosterse raket. Nu is alles anders. Bijna. Ik heb een aantal hoofdstukken digitaal mogen inzien en ik kreeg een goede indruk. Dit boek is meer dan een opvolger van de gids ‘Stadsplanten’ uit 2011. Het behandelde gebied is vergroot: Vlaanderen is nu meegenomen en dat levert steden op met een rijke flora zoals Gent en Antwerpen. Het betekent dat wel dat de steden in Noord- en Oost-Nederland ontbreken. Met Vlaanderen er bij is er natuurlijk ook meer te kiezen en in het Zuidwesten zijn de steden rijker aan bijzondere soorten. Het aantal behandelde soorten is gestegen van 700 naar 800, waarvan 80 nieuwkomers. Een aantal algemeen voorkomende soorten, die niet zo specifiek aan de stad zijn gebonden zoals blaartrekkende boterbloem, die in Stadsplanten stonden zijn afwezig in de Stadsflora. De opmaak is anders. De tekst is tweekoloms en dat leest prettiger. Hoewel digitaal lezen en een echt boek vasthouden niet helemaal te vergelijken zijn. De soortteksten zijn herschreven, soms is het alleen anders geformuleerd, maar vaker met een andere invalshoek.

Vanzelfsprekend zijn de beschrijvingen geactualiseerd.  Dit wordt mooi geïllustreerd door de oosterse raket. De soort heeft sinds het verschijnen van de Stadsplanten 14 jaar geleden de straat veroverd: eerst vooral ruderale terreinen als vestigingsplaats en nu ook gevelvoeten volgens de Stadsflora. Exact wat mijn ervaring is. De beschrijvingen van de flora in de steden van onze zuiderburen in de Stadsflora doen mij zeer verlangen naar stedentripjes in het Vlaamse land. Struinen in een minder bekende omgeving, met een andersoortige ruimtelijke ordening met een andere sfeer en taal en dan af te sluiten met een lokaal biertje… Als de Corona voorbij is, als…

te vinden in rommelhoekjes

Nieuwe stadsplanten in de nieuwe Heukels’ Flora

 

Breed lampenpoetsergras (Cenchrus purpurascens) uit de tuinprairie ontsnapt. Hier tussen de stoeptegels te Antwerpen in 2011.

In februari ontvingen de botanici een cadeautje van Naturalis en Leni Duistermaat; een zelf aan te schaffen nieuwe Heukels’ Flora, 24ste druk. Er zat 15 jaar tussen deze en de vorige druk en er is heel veel toegevoegd. En dan voor een aanzienlijk deel natuurlijk de immer veranderende en qua diversiteit toenemende stadsflora.

In deze digitale tijden is het de vraag of een papieren versie nog wel nodig is, maar ik ga daar dan snel op antwoorden: ja! In de wereld van de floristen is een ‘standstill’, en dat is zo’n standaardwerk feitelijk, noodzakelijk om alles op orde te stellen. Voor vele databases, de streeplijsten, de rode lijsten en de wettelijke beschermde soorten is het handig dat niet alles in constante beweging is. Het is natuurlijk nuttig om te weten dat er iets gaat veranderen, maar een tussenstand, de standaardflora of een standaardlijst, is nodig om te weten dat het daadwerkelijk veranderd is. En dan kunnen we weer even wennen aan deze nieuwe situatie. Dat een boek ook fijn is om vast te houden, om in een stoel of onder een boom eens te hand te nemen en om er desgewenst een blaadje of bloemetje tussen te steken, dat spreekt voor zich.

Japanse hulst (Ilex crenata), een onderhoudsvriendelijk struik. Hier ontsnapt in een bosrand te Genk in 2020

Welke rol de stadsflora in het boek speelt is op zich een hele studie waard en niet direct te vatten in een bondig zondags bericht. Welke stadsflora er überhaupt is, is een extra boek en website waard, en niet toevallig zijn deze er, maar ik hoop een paar voorbeelden te noemen waardoor blijkt dat de nieuwe Heukels’ Flora voor een belangrijk deel ook verandert dankzij de stadsflora.

De nieuwe soorten in de nieuwste Heukels’ Flora, een 500-tal hetgeen maar liefst 20% toename betekent, zijn voor een aanzienlijk deel ingeburgerde of beter; inburgerende soorten. Dat inburgeren gebeurt in eerste instantie veelal in of nabij bebouwing. Natuurlijk zijn er ook een select aantal ingeburgerde soorten die ‘in de natuur’ hun best doen en eventueel ook voor schade en soms grote schade zorgen, maar de meeste daarvan kenden we al uit de vorige editie van de flora.  De meer tijdelijke soorten, ook wel bekend als adventieven,  zijn grotendeels niet opgenomen. Dan zou het aantal soorten in de Heukels’ Flora al snel verdubbelen van 2500 naar 5000!

Chia (Salvia hispanica) is een van de nieuwe ‘Toiletplanten’. Hier op rioolslib te Genk in 2019

Over welke extra inburgerende soorten hebben we het? Een overzicht van de nieuwe soorten staat op pag 825 van de Heukels’ Flora. Heel veel van die soorten kennen we uit de tuinen. Wat te denken van het fenomeen prairietuinen en hun impact op de omgeving? Er zijn nu zeker vier soorten lampenpoetsersgras (Cenchrus) die buiten hun perkjes teruggevonden worden. Onze drang naar onderhoudsvriendelijk tuinen met de nodige traaggroeidende, al dan niet groenblijvende struikjes vertaalt zich in een lange serie toegevoegde dwergmispels (Cotoneasters) en bijvoorbeeld de alternatieven voor buxus; Japanse hulst (IIex crenata) en buxuskamperfoelie (Lonicera nitida). Maar er zijn in de lijst van nieuwe soorten ook verbanden te leggen naar onze tuinvijvercultuur, vogelvoercultuur, begraafplaatsen(bloemen-op-het-graf-)cultuur, bloemenweide(berm-)cultuur, bloemenakker(braakliggende-grond-inzaai-)cultuur en zelfs onze afvalwatercultuur.

Bij die laatste cultuurvorm is de nieuwe cultuurvolger chia (Salvia hispanica) als voorbeeld te noemen. Dat is, zeker gedeeltelijk, een ‘toiletplant‘ , zoals een vriend van me die laatst noemde.  Planten volgen je dus echt tot in het kleinste kamertje.. De nieuwe Heukels’ met daarin dergelijke nieuwe cultuurvolgers zullen in ieder geval veel inspiratie geven op het Stadsplantenblog.

Mooier dan Heermoes

Op een kwartier lopen van mijn huis, langs de Boezembocht in Rotterdam, staat een bijzondere plant: Reuzenpaardenstaart. Hij is prachtig met een lichtgroene stengel, die gelijkmatig in kleine stukjes is verdeeld. Ieder stukje eindigt in een bleekgroene schede bekroond met een rij fijne donkere tanden. Daaromheen hangt een wolk van groene takjes die de stengel omlijsten. Die zijtakjes zitten in regelmatige kransen.

In het vroege voorjaar verschijnen uit de wortelstokken van Reuzenpaardenstaart soms afwijkende stengels: zonder zijtakjes, heel bleek met ruim zittende geel-bruine schedes en aan het eind een sporenaar. Die vruchtbare stengels zijn meestal weer verdwenen als de groene stengels uitgroeien. Daarom hebben veel mensen niet door dat ze bij elkaar horen. Ik kan me zo voorstellen dat mensen deze vreemde wezens zelfs aanzien voor een paddenstoel in plaats van een plant.

Reuzenpaardenstaart – links sporendragende bladgroenloze stengels en rechts groene, vertakte stengels zonder sporenaren

De mooiste paardenstaart
Ik omschrijf Reuzenpaardenstaart vaak als een mooiere en grotere versie van Heermoes. Dat werkt vaak goed want vrijwel iedereen kent Heermoes … als een lastig te bestrijden onkruid. Net als de Reuzenpaardenstaart vormt Heermoes ook van die bleke onvertakte voorjaarsstengels met sporenaren; terwijl de andere Nederlandse paardenstaarten zoals Lidrus en Holpijp maar één soort stengels hebben, met aan het einde een sporenaar. Heermoes wordt ook wel Legoplant genoemd omdat als je de stengels uit elkaar trekt, de stukjes weer in elkaar te schuiven zijn en het eruit ziet alsof hij weer in elkaar zit. Bij Reuzenpaardenstaart werkt dat kunstje net zo goed.

De telescopisch ontluikende stengel van de Reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia).

Zeldzaam
Waar Heermoes in Nederland heel algemeen is, is Reuzenpaardenstaart dat zeker niet. Reuzenpaardenstaart komt slechts in zo’n 270 van de 36.000 kilometerhokken voor, dat valt in de categorie ‘Zeldzaam’. Bijna de helft daarvan is geconcentreerd in Zuid-Limburg en Oostelijk Nederland bij bronnetjes waar kalkrijk water uit de bodem kwelt. De andere vindplaatsen liggen vooral in de Flevopolders, het rivierengebied en de rivierdelta (Zeeland). Het is dus best bijzonder dat Reuzenpaardenstaart bij mij ‘om de hoek’ groeit. Nu kom ik wel meer zeldzame planten tegen in de stad, maar vaak zijn dat op een of andere manier door mensen aangevoerde soorten en dat is toch net iets minder leuk dan een soort die zich op eigen houtje in de stad heeft gevestigd.

Waar groeit die Reuzenpaardenstaart?
Hij komt in Rotterdam nu op minstens vier plekken voor: behalve langs de Boezembocht ook in het Zuiderpark, in een berm nabij vliegveld Zestienhoven en op een talud langs de A15. Op alle plekken kan je je voorstellen dat er sprake is van kwel (uittredend grondwater), ze liggen aan de rand van of op een talud. Daarnaast is deze paardenstaart een liefhebber van kalk, op welke manier daar op deze plekken in is voorzien weet ik niet zeker. Wel is in de stad vaak meer kalk in de bodem aanwezig dan je op grond van de historische, in Rotterdam veelal venige, ondergrond verwacht. Dat komt door het aanvoeren van zand voor het aanleggen van wegen en het bouwen van woonwijken. Misschien helpt het zandige ruiterpad in de berm vlak langs ‘mijn’ Reuzenpaardenstaart wel een handje.

Ieder jaar ga ik wel een keer kijken hoe hij erbij staat, hij heeft zich uitgebreid, en ik neem ook altijd een keer een paar stengels mee naar mijn plantencursus om te laten zien dat je voor bijzondere en mooie planten echt niet de stad uit hoeft.

Reuzenpaardenstaart – Equisetum telmateia

Kamperfoelie, boomrank, honingzuiger

Het geslacht Kamperfoelie kent in Nederland twee inheemse soorten, waarvan de algemene Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum) een klimmende groeivorm heeft. De zeldzamere Rode kamperfoelie (Lonicera xylosteum) heeft een staande, struikvormige groeivorm. De Engelse namen voor dit geslacht zijn woodbine (boomrank) en honeysuckle (honingzuiger). De soort wordt door veel insecten bezocht vanwege de nectar die de bloemen produceren. Er zijn echter nog een stuk of wat soorten meer, die als tuinplant aangeplant worden. Kamperfoeliesoorten maken bessen die gegeten worden door vogels en zo verspreid worden door het land. De verspreiding van de soorten lijkt vrij willekeurig, maar als je de verspreiding op km-hok niveau bekijkt, zie je dat Kamperfoelie voorkeur heeft voor zandgrond.

Wilde kamperfoelie, links op uurhok schaal (5 km2), rechts op km-hok schaal (1 km2).

Wat voor andere soorten zijn er dan? Bijzonder veel, ongeveer 17 in totaal, ze zijn in de meeste gevallen goed herkenbaar, al maakt bloei het wel een stuk gemakkelijker om ze te identificeren. De soorten verschillen in groeivorm, zoals al eerder bij Wilde kamperfoelie en Rode kamperfoelie toegelicht is, maar tevens in grootte, kleur en vorm van de bloemen, in kleur van de bessen en vorm en beharing van het blad. Het is niet altijd gemakkelijk om vast te stellen of er sprake is van verwildering of aanplant, maar in bosranden en in de duinen is verwildering van deze soorten niet zeldzaam. De soorten zijn ook zeker niet zeldzaam in het stedelijk gebied en gezien hun oorsprong beschouw ik de soorten dan ook al stadsplanten, al zul je ze vaker verwilderd in bosranden vinden, dan in steden.

Lonicera tatarica, o.a. herkenbaar aan de struikvormige groeivorm, de zachtbehaarde bladen en de meestal rode bloemen met vierlobbige bovenlip.

Struikvormige soorten zijn onder andere Lonicera nitida en Lonicera pileata, twee kleine soorten met kleine, glimmende bladen die voornamelijk in het stedelijk gebied aangetroffen worden. Er zijn ook een hoop grootbladige, struikvormige kamperfoeliesoorten, waaronder Lonicera x purpusii, herkenbaar aan het ontbreken van bladen tijdens de bloei. Verder zijn er nog de struikvormige Lonicera tatarica, herkenbaar aan de zachtharige stengelbladen en de vierlobbige bovenlip. Ten slotte zijn er nog Lonicera nigra met zwarte bessen en Lonicera maackii, herkenbaar aan de glimmende, lang toegespitste bladen.

Lonicera acuminata, herkenbaar aan de klimmende groeivorm, de blauzwarte bessen en de behaarde stengel.

Klimmende Kamperfoelie soorten kunnen onderaan de bloeiwijze vergroeide stengelbladen hebben, dit zijn Tuinkamperfoelie (Lonicera caprifolium), Lonicera x heckrottii, Lonicera x tellmanniana en Lonicera etrusca. Andere klimmende soorten zijn Japanse kamperfoelie (Lonicera japonica) met zwarte bessen, witte en gele, paarsgewijs staande bloemen. Ook is er nog Lonicera acuminata, herkenbaar aan de blauwzwarte bessen, de glimmende bladen en de behaarde stengel.

Heb je een soort uit het geslacht Lonicera gevonden, dan kan je deze met enkele buitenlandse determinatieboeken als New Flora of the British Isles (Stace, 2019) determineren. Als je dit boek niet hebt, adviseer ik de online determinatiesleutels Manual of the Alien Plants of Belgium (Engelstalig) en Blumen in Schwaben (Duitstalig).

Groeiplaats Aziatische veldkers

Een Veldkers in een bloembak

In deze tijd,maart, van het jaar zijn er allemaal kleine plantjes met witte bloemen te zien. Veldkersen behoren daar in ieder geval toe.

Veldkersen behoren toch wel tot de koplopers van de vroegbloeiers met als laatbloeiers de Pinksterbloem (Cardamine pratensis) en de veel zeldzamere Bolletjeskers (Cardamine bulbilifera). Maar die zijn niet zozeer aan de stad gebonden. Een soort die ik vooral van de stad ken, is de Aziatische veldkers (Cardamine occulta), en niet te vergeten de Kleine veldkers; al komt die eigenlijk wel overal voor.
Intrigerend is natuurlijk direct de wetenschappelijke naam, occulta, wat overigens niet een heel spannende verklaring heeft en verstoppen, geheim of mysterieus betekent.
Is dat misschien de oorzaak dat de soort vaak over het hoofd wordt gezien? Aziatische veldkers is waarschijnlijk sinds 2009 in Nederland te vinden.

Groeiplaats Aziatische veldkers
Groeiplaats Aziatische veldkers
detail blad
detail blad Aziatische veldkers

Kleine veldkers is een heel rank opstijgend plantje. Een rozet, een wat ijl setje bloemen met ver daarboven uitstekende hauwen. Bosveldkers heeft lang geveerd blad en heeft een ‘kroontje’ van bloemen en hauwen die meestal niet ver boven de bloeiwijze uitsteken. Voor de volledigheid zijn een paar foto’s van beide soorten opgenomen.

Kleine veldkers
Kleine veldkers
Bosveldkers
Bosveldkers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Samenvattend, kijk in bloembakken in de stad. Vind je een veldkers zonder rozet, zonder enkelvoudige haren op het blad, bloemen met 6 meeldraden, 3-lobbige bladeren en een wat warrige habitus, dan heb je met de Aziatische veldkers te maken.

Winterakoniet

In 2016 kwam ik net buiten het dorp voor het eerst winterakoniet (Eranthis hyemalis) tegen aan de rand van een bosje. Niet echt als een stadsplant van de stenen stad, maar duidelijk een tuinstortoverlever in de groene stad. Dit jaar vond ik er een aantal midden in de stenen stad. Het waren duidelijk zaailingen. Op de foto is te zien dat de moederplanten aan de rand van het tuinmuurtje staan en hun zaden over de rand hebben laten vallen, waarna kieming op een favoriete stadsplantenplek heeft plaatsgevonden: precies op de naad van muur en stoep.

Zaailingen op de naad van muur en stoep

De geslachtsnaam ‘Eranthis’ komt van het Grieks eros=lente en anthos=bloem. De soortaanduiding ‘hyemalis’ van het Latijnse hyemis=winter.

Winterakonieten zijn al lang ingeburgerde planten. De herkomst is weliswaar zuidelijk, maar ze zijn hier vanaf de zeventiende  eeuw als stinzenplant.  In Brabant is het zeker geen gewone verschijning. Je moet winterakonieten zoeken langs de kust, Noord-Friesland en Zuid-Limburg.

Winterakoniet als stadsplant

Maar gelukkig duikt hij soms op als stadsplant in Breda. Het is een van de leukste voorjaarsplanten met zijn olijke kraag waar de gele bloem zo mooi bij afsteekt.

 

Onsmakelijke bessen in een tros

Toen ik pas begon met planten te inventariseren kwam ik een enkele keer Oosterse karmozijnbes (Phytolacca esculenta) tegen. De bloemen van deze soort staan in een tros en zijn groenachtig wit. Later verkleuren ze tot vuilroze. De rijpe vruchten steken hier heel opvallend tegen af: zwartpaarse braamachtige vruchten met een vleeskleur als achtergrond. In de eerste instantie vond ik de bloeiwijze er onsmakelijk uitzien. Een associatie met slecht genezen vleeswonden was er debet aan. Toen ik de bessen beter bekeek bleken ze een sierlijke druppelvormige vorm te hebben en begon ik het geheel wat meer te waarderen.

De bladeren zijn elliptisch en vrij groot en staan aan stevige wijd uitstaande takken wat de plant een statig uiterlijk geeft.

Stevige elliptische bladeren

Ik vond Oosterse karmozijnbes in het begin vooral in tuinen. Ik noteerde ze niet vanwege het dogma dat in tuinen niets gestreept mocht worden. Wat mij wel opviel was dat de forse plant vaak op plekken stond waar een tuinier of hovenier ze van z’n lang zal ze leven niet zou planten. Net naast een boom bijvoorbeeld. Of midden in een buxushaag (toen nog wel) of net naast een oprit. Karmozijnbes heeft een struikvormig vorm, groeit ook snel en voordat de eigenaar in de gelegenheid is om de plant met wortel en al te verwijderen, presenteert zij haar opvallende sappige vruchten. Een aanleiding om toch maar even te wachten met de schoffel.

Vrucht van de Westerse karmozijnbes

Het is de eerste soort struik of boom waarvan ik duidelijk merkte dat vooral vogels er voor zorgen dat de soort op de gekste plekken opduikt. Dit heeft Oosterse karmozijnbes natuurlijk gemeen met vele besdragende houtige soorten als lijsterbes en meidoorn, maar in de stad valt het bij de karmozijnbes en andere zeldzame soorten zoals taxus en hulst echt op. Zo heb ik een keer in een steeg in Diemen kiemplanten van taxus, hulst én karmozijnbes op een kluitje gevonden. De witte strepen op een schutting gaven al aan dat in een boom die de steeg overhuifde een rustplek was van, waarschijnlijk, een houtduif. Lekker overdag besjes eten en dan ‘s nachts de pitjes lozen. Een overtuigender bewijs van zoöchorie heb ik zelden gevonden. Zoöchorie dat is botanisch potjeslatijn; komt dus van het Grieks (!) en zoö betekent dier of levend wezen en chorous betekent verspreiden.

Drie zaailingen van besdragende struiken: hulst, karmozijnbes, taxus.

Wildplukken en eten uit de natuur is nu dé mode. Ik krijg tegenwoordig dan ook vaak de vraag of iets eetbaar is. Als dit het geval is, voeg ik er altijd aan toe dat er een groot verschil is tussen eetbaar en lekker. Dit geldt bij uitstek voor de karmozijnbes. De rijpe bessen zijn eetbaar maar smakeloos. Het sap wordt wel gebruikt om eten te kleuren. De onrijpe bessen zijn giftig, evenals de rest van de plant, met name de penwortel.

Omdat het klimaat opwarmt, komt karmozijnbes tegenwoordig vaker voor en dan vooral langs muren en stegen. De soort houdt van zonnige tot licht beschaduwde, open plaatsen op vochtige, voedselrijke grond. Blijkbaar kan zij bij een warmer klimaat met minder zon toe en komt het nu ook in stegen en andere sombere plekken op.

Er is een tweede soort karmozijnbes en de lezer raadt het al: de Westerse karmozijnbes (Phytolacca americana). Komt de oosterse karmozijnbes oorspronkelijk uit Oost-Azië, de Westerse karmozijnbes heeft zijn thuisland in Noord-Amerika. De vruchtbeginsels zijn bij de westerse karmozijnbes vergroeid en leiden tot maar één grote bes. Bij de Oosterse karmozijnbes blijven vruchtbeginsels los van elkaar net zoals bij bramen. Ook verschilt het aantal meeldraden en stijlen tussen de twee soorten. Bij de Oosterse beide 8 en bij de westerse beide 10.

Ik kwam de Westerse karmozijnbes nooit tegen en kreeg het idee dat zij in Nederland niet meer voorkwam. Dat was een misvatting. Ik vond de soort midden een droog bos in het Leudal. Van een lokale florist begreep ik dat op de grens van Brabant en Limburg de Westerse karmozijnbes niet zeldzaam is en zich als een bosplant gedraagt. Dat is niet wat in de Heukels staat, maar wellicht is dat bijgewerkt in de nieuwe editie en misschien ook in de nieuwe stadsflora van Ton Denters.

 

Geschubde mannetjesvaren rukt op – een varen met een vlekje

 

De Geschubde mannetjesvaren rukt op in Nederland en is langzamerhand ook in de steden een regelmatig geziene gast. Soms in wat verwilderde groenstrookjes, soms gewoon langs groene paden tussen de huizen en een enkele keer op oude, verweerde muren. Het gaat daarbij om twee soorten die geen Nederlandse namen hebben: Dryopteris affinis en Dryopteris borrerri. Uit meldingen in de Nationale Databank Flora en Fauna, blijkt dat de soort in 1950 uiterst zeldzaam was. Zeven vondsten. In 1990 was sprake van 30 meldingen. Daarna zet een significante stijging in. In 2000 – 80, 2010 – 140 en vandaag de dag boven de 1000 meldingen per jaar.

Een Geschubde mannetjesvaren – in dit geval Dryopteris borreri – in een groenstrook in de stad.

De toename van het aantal vondsten is niet alleen te danken aan de uitbreiding van de soort, maar zeker ook omdat een aantal floristen gerichter is gaan zoeken en doordat er meer kennis is gekomen over een aantal veldkenmerken. De familienaam Dryopteris geeft al aan dat het om vertegenwoordigers uit de niervarenfamilie gaat. De naam “niervaren” duidt op de niervormige dekvliesjes over de sporenhoopjes. Andere varensoorten uit deze familie zijn o.a. Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), Kamvaren (Dryopteris cristata), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata) en Smalle stekelvaren (Dryopteris carthusiana).

Kenmerkend voor de varens uit de niervarenfamilie zijn de niervormige dekvliesjes over de sporenhoopjes. Rechtsboven is de zwarte vlek zichtbaar op de aanhechting van het deelblaadje aan de bladspil

Bij oudere planten is het in het veld vrij eenvoudig om de Geschubde mannetjesvarens te onderscheiden van de gewone Mannetjesvaren. Daarvoor moet je het blad omdraaien en kijken naar de aanhechting van de deelblaadjes aan de bladspil. Bij de Geschubde mannetjesvaren is daar een zwarte vlek aanwezig. Bij bladeren die nog niet volledig zijn ontrold is die zwarte vlek nog niet aanwezig. De winter is een goede tijd om Geschubde mannetjesvarens op het spoor te komen. In tegenstelling tot de gewone Mannetjesvaren is de Geschubde mannetjesvaren winterhard. Terwijl de bladeren van de Mannetjesvaren aan het begin van de winter afsterven, staan die van de Geschubde mannetjesvaren de hele winter fier overeind.

Op de aanhechting van het deelblaadje aan de bladspil is een zwarte vlek aanwezig

Tot nu toe heb ik het gehad over het herkennen van de Geschubde mannetjesvaren maar we hebben het dan eigenlijk over twee verschillende soorten en een aantal kruisingen tussen verschillende soorten. De twee soorten waar het om gaat zijn Dryopteris affinis en Dryopteris borreri. Onderzoek heeft nog niet geleid tot het vaststellen van veldkenmerken waarbij onomstotelijk kan worden vastgesteld met welke soort men te maken heeft. Er is één veldkenmerk waarvan de waarde steeds sterker wordt. Om dat veldkenmerk te kunnen onderzoeken moet je goed weten naar welk deel van de plant je moet kijken.

Het blad van de Mannetjesvaren en de Geschubde mannetjesvaren bestaat uit een bladsteel waaraan aan de linker en de rechterzijde deelblaadjes zijn aangehecht. Er moet gekeken worden naar het onderste deelblaadje. Dat bestaat uit een nerf waar aan de boven en de onderzijde bladsegmenten groeien: deelblaadjes van de 2e orde. Bij het determineren gaat het om het onderste bladsegment van het onderste deelblaadje dat zich het dichtst bij bladspil bevindt. Met een loep moet je dan kijken naar de aanhechting van het bladsegment aan de bladnerf. Indien het bladsegment is vergroeid met de bladnerf dan gaat het om Dryopteris affinis. Indien het bladsegment vrij staat gaat het om Dryoperis borreri.

Er moet worden opgemerkt dat de hier beschreven veldkenmerken een eerste resultaat zijn van onderzoek van de afgelopen twee jaar. Beduidend meer waarnemingen zullen aan moeten tonen dat het inderdaad gaat om een betrouwbaar veldkenmerk.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Kerstrozen en nieskruiden

Kerstroos op een begraafplaats te Aachen. Nog vroeger dan Krokus.

In de winter, en zeker zo’n zachte als deze van 2019-2020, komen de Kerstrozen al weer boven de grond met als eerste hun bloeistengel.  Maar zijn meer wintervroege Helleborussen, nieskruiden. Een beetje tuinliefhebber heeft ook een Nieskruid (Helleborus) in de tuin en sommigen zelfs meer soorten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er wel eens eentje verwildert en dan vooral in het mildere klimaat in en rond de steden. Botanisten staan dan al gauw met de mond vol tanden. Dat het een nieskruid is dat weten ze wel, maar welke?

Stinkend nieskruid. Verwilderd bij Borgloon. De plant heeft vele gewone bladeren langs de overblijvende bovengrondse stengels.

Het geluk bij deze kwestie is dat bijna alle échte soorten, we laten nu de vele gekweekte hybriden even buiten beschouwing, in Europa  voorkomen en dat daar ook een zeer degelijke flora voor bestaat: Flora Europaea. Bovendien is dat het recentste boek, 1993,  uit deze 5-delige serie en het enige gereviseerde deel. Dat lijkt oud, maar er zijn heel wat oudere delen ook.  Ik vertaalde de sleutel en voegde wat extra info toe om het iedereen wat gemakkelijker te maken: https://waarneming.nl/soort/info/196853 . Lees ook graag de eerdere Stadplantenpost De-a-van-aquilegia-akelei  als het gaat om het updaten van dergelijke soortbeschrijvingen.

Wrangwortel, hier in het wild bij Esneux, heeft ook alleen echt blad, hier nog samengevouwen, aangehecht op de ondergrondse delen. De rest van het bladeren die je ziet zijn schutbladeren.

Terug naar die onbekende Nieskruiden. De algemeenste in Nederland en België zijn Wrangwortel en Stinkend nieskruid. Deze worden nogal door elkaar gehaald, maar het onderscheid is vrij gemakkelijk. Wrangwortel heeft geen stengelbladeren en in de winter geen blijvende bovengrondse delen. Stinkend nieskruid wel. De bloemen van Wrangwortel zijn groot en eenkleurig groen en staan vrij wijd uiteen. Die van Stinkend nieskruid zijn geclusterd en meestal overhangend, klokvormig en vaak rood gerand. Overigens zijn beide soorten inheems in België ,vooral Wallonië, en uitheems in Nederland.   Beide soorten zijn in Nederland niet echt stadsplanten, maar eerder stinzenplanten.

Helleborus orientalis agg. , hier bij Landen (B.), is er in vele kleuren. Van wit, groen, tot rood, paars en donkerbruin.

In potten, maar ook recht in de grond in vele tuinen en bijvoorbeeld op begraafplaatsen, is in deze tijd van het jaar de bloeiende Kerstroos te vinden. Ze valt op door de grote witte bloemen, maar vooral door het enkelvoudige steunblad. Daarmee vallen vele andere soorten Helleborus af. Echt verwilderen doet Kerstroos niet, maar ze wil nog wel eens in een bosrandje staan waar iemand tuinafval kwijt moest. Daar kun je ook planten vinden die gerekend worden tot Helleborus orientalis agg.  Dit is een lastig complex omdat kwekers deze planten nogal onder handen namen. Er zijn er met dubbele bloemen en in vele kleurschakeringen en de overgangen tussen wat kruisingen Helleborus x hybridus en de echte Helleborus orientalis lijken te zijn, zijn vrij algemeen.

Helleborus lividus in Antwerpen tussen de tegels. Hier mogelijk de ondersoort lividus vanwege de minder getande bladeren.

Als je daadwerkelijk rond de stadstuinen en stadsparken gaat neuzen kun je nog vreemdere soorten vinden. Tussen de tegels in steegjes vind je dan nog wel eens Helleborus lividus. Het blad is overblijvend, dik, glimmend groen, staat langs bovengronds blijvende stengels. Er bestaan twee ondersoorten. De meeste in Nederland en België behoren  tot subsp. corsicus vanwege de steevast zeer sterk getande bladrand. Recent (in 2010) is ook een andere vreemde vogel opgedoken in Nederland:  Helleborus cyclophyllus . Dit vereist studie van de vruchten, geur van de bloemen en natuurlijk ook van de bloeiwijze en het blad en schutblad. Dat er in de toekomst nog een aantal soorten zouden kunnen verwilderen is niet ondenkbaar en hopelijk helpt de sleutel van nies!kruid (gezondheid!) daar een beetje mee.

 

Deze plant is voor mij nog geen (in)gesneden koek.

In Den Haag hebben we het Haags Natuurmeetnet. Dat is een deel van waarneming.nl waar alle waarnemingen van Den Haag en omstreken te vinden zijn. Onlangs zag ik daar een waarneming die mijn belangstelling trok. Het ging om de Ingesneden dovenetel (Lamium hybridum). Ik had nog nooit van deze plant gehoord en dan word ik nieuwsgierig. Eerst dan maar eens naar de Verspreidingsatlas. Daar bleek dat het hier ging om een algemene soort die aan het toenemen is. De meeste stippen staan in het westen en noorden van ons land en dan gaat het bij mij kriebelen. Een algemene plant die ik nog nooit gezien heb?

De volgende stap is die naar waarneming.nl. Als ik ga kijken naar de waarnemingen in Den Haag die de afgelopen 5 jaar zijn opgegeven tel ik slechts drie waarnemingen. Er staan er vijf, waarvan twee dubbel gemeld zijn. Deze zijn grotendeels gedaan door ervaren floristen en ook nog het meest in de duinen. Dat is vreemd voor een algemene plant.

Dan maar eens bekijken hoe deze plant er uitziet. Hij lijkt veel op de Paarse dovenetel. Ik pak de,  nog steeds oude, Heukels erbij en lees dat de Ingesneden dovenetel bladen heeft die onregelmatig gekarteld tot gelobd zijn en om de 2 of 3 tanden dieper ingesneden. Je kan het goed zien op de foto. Voor de rest lijkt de plant op de Paarse dovenetel. Dan gaat er een belletje bij me rinkelen. Misschien zien we deze plant, die dus veel lijkt op de Paarse dovenetel wel over het hoofd omdat we hem voor een Paarse dovenetel houden.

Ingesneden dovenetel, het blad.

Heukels geeft verder aan dat de plant vrij algemeen is in de Haf-, de Pleistocene- en de Waddendistricten, wat betekent dat de plant in bijna heel Nederland vrij algemeen is, maar bijvoorbeeld ontbreekt in het Zuid-Limburgs district. Niet vreemd, want in Zuid-Limburg hebben ze volgens mij vooral bijzondere planten.

Nog even terug naar waarneming.nl om daar de statistieken te bekijken. Daar zien we duidelijk stijgende lijnen, zowel qua waarnemingen en als hoeveelheid gemeenten waarin de plant is gevonden. Kennelijk moet ik nog even geduld hebben voordat deze plant Den Haag bereikt. Maar we hebben al één waarneming in de binnenstad dus het begin is er.

De komende tijd ga ik dus op zoek naar de Ingesneden dovenetel. Dat zal niet makkelijk worden, hij blijkt volgens Stace vaak samen te groeien met de Paarse dovenetel. Niet vreemd is dat hij nog regelmatig Lamium purpureum var. insicum, een variëteit van de Paarse dus wordt genoemd.

Tenslotte, is dit nou een stadsplant? Eigenlijk niet, maar hij zou het best kunnen worden. Misschien staat hij er al meer dan we nu weten. Lekker stiekem tussen z’n paarse vrienden.