Home » Bijzondere planten

Categorie: Bijzondere planten

Sla, niet alle soorten zijn geschikt voor salade

In Nederlandse zijn diverse soorten Sla te vinden. In onze salade zitten meestal alleen maar variëteiten van Sla (Lactuca sativa). Er zijn echter diverse andere Slasoorten uit hetzelfde geslacht en ook nog diverse soorten uit andere geslachten. De soorten uit de andere geslachten worden vanwege hun gelijkenis ook Sla genoemd, maar zijn dit zeker niet. Denk hier bijvoorbeeld aan Muursla (Mycelis muralis), Veldsla (Valerianella lucusta), Korensla (Arnoseris minima), Watersla (Pistia stratiotes) en Grote bergsla (Cicerbita macrophylla). Op Veldsla na, een soort die ook wel gecultiveerd wordt, zijn deze soorten niet eetbaar.

Er zijn ook vijf “echte” Slasoorten, soorten uit het geslacht Lactuca. Vroeger kwam Wilgsla (Lactuca saligna) voor in het kustgebied en langs de Maas in Zuid-Limburg. Deze soort is voor het laatst in 1982 gevonden. Deze soort dankt haar naam aan de smalle, gaafrandige stengelbladen. Zeer sporadisch  wordt de adventieve soort Strandsla (Lactuca tatarica) aangetroffen, de enige soort uit het geslacht met blauwpaarse bloemen. Deze soort dankt haar naam aan de vindplek (Rottumeroog) waar de soort een tijd lang ingeburgerd is geweest. De soort is hier inmiddels weer verdwenen, maar is nog een vijftal keer aangetroffen in het binnenland. Verder komt de zeer algemene Kompassla (Lactuca serriola) in het gehele land voor, al was deze voor 1960 nog zeer zeldzaam. Kenmerkend aan deze soort is dat de stengelbladen een kwartslag draaien, waardoor de plant de vorm krijgt van een “richtingbord”. Op elk blad zou je de naam van een dorp/stad kunnen schrijven waar het blad naar toe wijst. Mogelijk dankt de soort hier haar naam aan, ik weet het niet, ik kon het niet vinden. Er worden twee vormen onderscheiden, een vorm met veerdelig ingesneden blad (forma. serriola) en een vorm met normaal blad (forma. integrifolia). Kompassla kan relatief gemakkelijk met Sla kruisen en vormt dan een fertiele (vruchtzettende) hybride.

Een prachtig rozet van Gifsla, hier met een diameter van ongeveer 60 cm.

Dan kom ik uiteindelijk aan bij de laatste soort, Gifla (Lactuca virosa), een zeldzame, maar toenemende soort. Deze soort duikt op diverse plekken in het land op, maar is inmiddels ingeburgerd op bepaalde plekken in de duinen, voornamelijk Meijendel en Texel,  en in oude steden. Zo is de soort inmiddels te vinden in Nijmegen, Wageningen, Groningen, Den Haag, Maastricht, Leiden en Breda. Gifsla is een soort die tijdens bloei sterk op Kompassla lijkt en in rozetvorm vaak niet herkend wordt. De soort is daarom mogelijk op meer plekken nog te ontdekken. De plant maakt gigantische rozetten die de gehele winter aanwezig blijven. Twee weken geleden ,tijdens een Eindejaars Plantenjacht, ontdekte ik een nieuwe vindplek in Nijmegen, waarbij ik maar liefst 45 rozetten telde. Het grootste rozet had een diameter van zo’n 80 cm. Behalve de grootte van de rozetten, verschilt Gifsla van Kompassla door de niet-gedraaide stengelbladen, de kleinere stekels op de middennerf van de bladonderzijde en door de andere vorm en kleur van de nootjes (de vruchten/zaadjes). De nootjes zijn groter (4-5 x 1,5-2 mm) dan bij Kompassla (3 x 1 mm), donker paarszwart (niet lichtbruin), breed gerand (niet smal gerand) en volledig kaal (niet kort behaard aan de top). Met een beetje ervaring zijn de twee soorten echter met relatief gemak te onderscheiden. In het jaar 2000 is de soort gemeld in 32 km-hokken, inmiddels is de soort gemeld in 166 km-hokken. Ik ben benieuwd of de soort nog sterker toe gaat nemen de komende jaren. Doe de soort echter niet in je salade, want het melksap heeft een vergelijkbare werking als opium en is in hoge dosis giftig.

De donkere, paarszwarte, breedgerande nootjes van Gifsla.
De onderzijde van de middennerf bevat kleine stekelhaartjes.

Klimopbij erbij

Klimop (Hedera helix) is een stadsplant die zich in mijn bijzondere belangstelling mag verheugen. Dat heeft alles te maken met mijn belangstelling voor insecten; wilde bijen en wespen in het bijzonder.

In de stad is klimop de laatste jaren toegenomen, is mijn indruk. De reden is dat klimop als onderdeel van tuinafscheiding in de mode is geraakt. Al heel simpel is wat betonijzer tussen twee palen gezet en dan klimop ertegenaan. Min of meer gelijktijdig arriveerde een zuidelijke bij, de klimopbij (Colletes hederae) in Limburg. We spreken over 10 jaar geleden. Vanuit Limburg begint de klimopbij een gestage opmars naar het Noorden. In 2017 trof een collega de eerste in een plantsoen in Breda aan. In 2018 vond ik de eerste in mijn tuin, en in dat zelfde jaar werden door mij en anderen tientallen klimopbijen in Breda gesignaleerd. De klimopbij is een forse bij, zo groot als een honingbij en lijkt er ook wel op. Je moet letten op de bandjes op het achterlijf. Die heeft de klimopbij wel en de honingbij niet.

De klimop moet wel bloeien voor veel insecten.

Klimop is uit ecologisch standpunt een belangrijke stadsplant. Vogels vinden er dekking in en vooral merels nestelen er graag in. Het is daar doorgaans veiliger voor katten dan in struiken en ook voor andere predatoren als eksters biedt klimop goede dekking.

Het is een waardplant voor het boomblauwtje, kolonies mieren lopen meters omhoog en omlaag om luizen te melken, er huizen vele soorten spinnen en kevers. Om klimop te laten bloeien moet je in ieder geval een deel niet snoeien. Bij voorkeur het deel dat in de zon staat, vaak de bovenkant.

Bloeit de klimop dan sta je verbaasd over de hoeveelheid insecten die wekenlang op de bloemen afkomt.

Het zoemt op zonnige dagen van jewelste: klimopbijen, blinde bijen, limonadewespen, hoornaars, diverse hommelsoorten, atalanta’s, aurelia’s, diverse graafwespen, sluipwespen, vleesvliegen, enz. In de winter tot in de vroege lente vormen de zwarte bessen voedsel voor lijsters en spreeuwen.

Heb je geluk, zoals ik, dan kun je in je eigen tuin ook nog de klimopbremraap scoren.

Klimopbremraap heeft een mooie, snel verwelkende bloem.
Klimopbremraap is ongeveer 10 cm hoog.

Zonnetjes in de stad

Op een braakliggend terrein in het centrum van Breda stond in september een flink aantal stijve zonnebloemen te bloeien. Op hetzelfde terrein stonden op een meter afstand vergelijkbare planten nog in knop. Bij nader inzien bleek het te gaan om een forse groep aardperen. In de praktijk worden die twee soorten, beide behorend tot het geslacht Helianthum, weleens door elkaar gehaald. De wetenschappelijke naam van de aardpeer is Helianthum tuberosus en die van de stijve zonnebloem H. laetiflorus. Sommige auteurs plaatsen een vermenigvuldigingsteken tussen de geslachtsnaam en de soortaanduiding. Zo dus: Helianthum x laetiflorus. Dat betekent dat de auteur veronderstelt dat het gaat om een kruising, een hybride, tussen twee soorten. Volgens de Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden tussen H.laetiflorus en H.rigidus. De laatstgenoemde heeft een mooie Nederlandse naam: ‘stijve aardpeer’.

Wortelknollen aardpeer

Beide soorten zijn afkomstig uit Noord-Amerika. De aardpeer, ook wel topinamboer of Jeruzalemartisjok genoemd, werd al ruim voor de komst van Europeanen door de indianen gebruikt als voedsel. De stijve zonnebloem wordt alleen als sierplant gebruikt. Beide soorten ontsnappen van tijd tot tijd uit siertuinen en moestuinen. Ze kruipen soms gewoon onder muurtjes de straat op.

Stijve zonnebloem kruipt onder muur door

Het verschil tussen de aardpeer en de stijve zonnebloem is niet heel groot, maar toch wel duidelijk: de aardpeer heeft wortelknollen, het blad is sterk getand en de bladsteel is 1-4 cm lang. De  stijve zonnebloem heeft géén wortelknollen, de bladrand is gaaf/enigszins getand en de bladsteel is korter dan 1 cm. De aardpeer heeft sterker behaarde stengels dan de stijve zonnebloem.

Aardpeer: meer behaard, lange bladsteel
Stijve zonnebloem: weinig behaarde steel, korte bladsteel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als je de bloeiwijzen vergelijkt dan valt op dat bij de aardpeer de omwindselblaadjes afstaand zijn en bij de stijve zonnebloem aanliggend.

Links: stijve zonnebloem. Rechts: aardpeer.

De aardpeer kan gemiddeld wat hoger worden dan de stijve zonnebloem: respectievelijk 2,40 m en 2,00 meter. Aan dat laatste verschil heb je natuurlijk niet zo veel.

Of de bloemhoofden net als bij de ‘gewone’ zonnebloem de richting van de zon aan de hemel volgen heb ik niet gecontroleerd.

Trilgras

In de vorige stadsplantenbijdrage besprak ik slanke naaldaar (Setaria parviflora). De vindplaats is het KNSM-eiland, wat samen met het Java-eiland in het oostelijk havengebied van Amsterdam al decennia een hotspot is voor bijzondere plantvondsten. De twee eilanden, eigenlijk schiereilanden, waren ooit dé plek voor havenactiviteiten, maar die vielen in de loop der jaren weg door de opkomst van de luchtvaart en het stilvallen van de handel op de Oost. Dit desolate gebied werd vanaf het einde van de jaren zeventig in bezit genomen door krakers, kunstenaars en stadsnomaden. Nog geen 15 jaar later werd alles herontwikkeld tot een woonwijk.

Ondanks deze veranderingen bleef deze omgeving een plek om bijzondere soorten te spotten. Was ooit de scheepvaart de reden voor bijzondere vondsten, later gaf het massaal braakliggen genoeg plek voor allerhande soorten. Tegenwoordig wonen er mensen die geen behoefte hebben aan een steriel, schoongespoten en dito geborstelde straatbeeld. Integendeel; rijen plantenpotten en dito bakken, geveltuinen en overhoekjes geven wilde en verwilderde planten alle ruimte.

De gekste verwilderingen zijn hier te vinden alsmede de voorhoede van warmteminnende soorten uit het zuiden. Maar ik beperk me nu tot de grassen.

Aartje van groot trilgras

Zo worden er op deze twee schiereilanden naast slanke naaldaar meer bijzondere grassen gevonden zoals laksteeltje (Catapodium marinum), plat beemdgras (Poa compressa), knolbeemdgras (Poa bulbosa), rattenstaartgras (Sporobolus indicus), met duizenden exemplaren klein fakkelgras (Rostraria cristata) en al heel lang kransgras (Polypogon viridis). Kransgras is tegenwoordig niet meer zeldzaam te noemen, maar pas in deze eeuw begon de opmars in Nederland met het Java-eiland als een van de startpunten.

Groot trilgras gedijt ook op houten balken

Tenslotte wordt er ook nog groot trilgras (Briza maxima) gevonden. Deze soort is eigenlijk de enige bijzondere grassoort hier die een verwildering is. Ruim 20 jaar geleden ontsnapte deze soort uit plantenbakken en wist zich op straat en kademuur te vestigen. Net zoals ons inheems trilgras, bevertjes (Briza media), heeft het korte en afgeplat brede aartjes hangend aan dunne stelen die in bij het minste briesje al trillen: vandaar de namen. Ook de wetenschappelijk naam Briza houdt met het trillen verband. ‘Briza’ komt van het Griekse ‘brithó’ = ik balanceer, vanwege de zeer beweeglijke aartjes. Groot trilgras is in alles een maatje forser dan bevertjes, maar verder erg gelijkend. Het is een vroege bloeier die begin juni al geheel is verdord. Als plantelijkjes zijn ze echter tot in de herfst te vinden. Groot trilgras komt massaal voor op de kaderand, vooral tussen het straatmeubilair van de woonbootbewoners. Fietsrekken zijn ook een fijne en veilige plek. Ook op de houten balk, die voor de kademuur als stootrand fungeert, en op de dukdalven komt het weelderig voor.

En het groeit in spleten

Ooit ontsnapt uit plantenpotten, komt het in potten nu spontaan op als gewenst onkruid. De groeiplaats is een kleine 200 meter lang en vertoont al jaren geen uitbreiding. Het milieu lijkt verderop langs de kade identiek, maar wellicht zit het verschil in de bodem. Deze eilanden waren oorspronkelijk golfbrekers en zijn voornamelijk met slib uit de vaargeul verbreed en  opgehoogd. Het was ook een mooie plek om overtollige grond kwijt te raken en mijn vermoeden is dat op de groeiplaats andere grond is gestort en de bodem ter plekke wat kalkrijker is. Groot trilgras kwam tot eind de vorige eeuw alleen voor langs de kusten van de Middellandse Zee en de Atlantische kust tot in Frans Baskenland, met een paar voorposten in Normandië. Waarschijnlijk door de toepassing als siergras wordt de soort tegenwoordig sporadisch gevonden in een groot deel van Europa. Maar alleen in Engeland, Wales en Nederland lijken er bestendige populaties te zijn ontstaan.

Maar met vondsten in slechts 40 atlasblokken zijn dat er in Nederland nog niet veel.

Bron: https://www.verspreidingsatlas.nl/5612

Ook uitgedroogd, is groot trilgras nog te herkennen.

Uit Spanje

Dit artikel is geschreven door Johan Vos, die 31 jaar stadsecoloog van Zoetermeer was. Hij weet (bijna) alles over de herkomst van het groen in onze stad en is gelukkig nog steeds lid van onze plantenwerkgroep.

Spaanse dravik (Anisantha madritensis), is één van die vele nieuwkomers in de stad, afkomstig uit het Middellandse Zeegebied. Het is een altijd nog zeldzame verschijning in ons land, die vóór 1990 nauwelijks voorkwam. In Zuid-Engeland is de Spaanse dravik bekend van rotskusten, oude muren en stadswallen.

Op Verspreidingsatlas.nl zien we dat de soort momenteel (periode 1990 – 2019) in 39 atlasblokken te vinden is. Zichtbaar is dat de verspreiding vooral rond Amsterdam en in de Haagse regio geconcentreerd is.

De eerste Zoetermeerse waarneming stamt uit 1994. Van Ton Denters hoorde ik dat deze, voor mij toen onbekende dravik, ook al in Amsterdam was waargenomen. Het gaat om een opgaande, in het voorjaar bloeiende dravik met korte, omhoog staande pluimtakken die op warme, steenachtige plekken massaal kan opduiken in de stad. De soort is vrij gemakkelijk te onderscheiden van twee andere, algemeen voorkomende stedelijke Anisantha-soorten: IJle dravik (A. sterilis) en Zwenkdravik (A. tectorum). De eerste maakt een ijle indruk en heeft lange pluimtakken die naar alle zijden uitstaan, de tweede kent een dichtere bloeiwijze waarvan de pluimtakken naar één zijde overhangen.

Spaanse dravik als onderdeel van een kruidenrijke begroeiing op een warme steenachtige plek in de stad

In Zoetermeer zien we Spaanse dravik het meest op de grens van horizontale en verticale verharding, in geveltuintjes, langs schuttingen, bij hagen e.d. Jarenlang heeft de soort aan de voet van het stadhuis gestaan. Hoewel de soort sinds de negentiger jaren een nomadisch bestaan leidt, is haar voorkomen in Zoetermeer heel bestendig te noemen.
Totaal is de Spaanse dravik in Zoetermeer 20 keer in 7 van de 37 verschillende km-hokken waargenomen.

Aan de top

Begin deze zomer kreeg ik foto’s opgestuurd van Vingerhoedskruid (Digitalis purperea) met een zogenaamde pelorische top. Dit is een soort vergroeiing waarbij een grote bloem aan de top van de bloemstengel ontstaat. Google dit en je ziet op bijna elke site dezelfde tekst: 

‘In bijzondere omstandigheden ontstaat er een pelorische topbloem op de bloemstengel van het vingerhoedskruid. Die is niet tweezijdig symmetrisch (een verticale symmetrieas), maar alzijdig symmetrisch. Bij normale bloemen is het aantal bloembladen altijd vijf. Ze zijn met elkaar vergroeid, maar aan het aantal schulpjes is dat nog zichtbaar. Pelorische bloemen hebben wel 8 tot 14 schulpjes. De akkerhommel heeft een voorkeur voor deze bijzondere bloemen.’

Leuk hoor zo’n tekst maar waarom die uitgebreide informatie over symmetrie. En waar komt die term schulpjes vandaan? Mij werd altijd verteld dat je informatie op internet niet klakkeloos mag kopiëren maar ik kom echt overal dezelfde tekst tegen en vaak zonder bronvermelding. En als die tekst nu zinvol was. Nou nee! Wat ik wil weten:

  1. Waarom ontstaat die pelorische top alleen bij Vingerhoedskruid ?
  2. Is het hetzelfde als bandvorming of fasciatie  zoals dat vaak bij Paardenbloemen voorkomt ?
  3. Wat betekent het woord ‘pelorische’ ?

Gelukkig bood het Engelstalige internet wel uitkomst. Om te beginnen met de eerste vraag. Een pelorische top is een genetische mutatie. Deze komt waarschijnlijk alleen voor bij Vingerhoedskruiden. Heel soms ook bij het Vlasbekje. Een nadere verklaring heb ik niet kunnen vinden. Het antwoord op de tweede vraag  is dan ook moeilijk te geven. Carl Linneaus was zo gefascineerd dat hij dit verschijnsel betitelde met het Griekse woord pelōros, dat ‘monsterlijke’ betekent. Vingerhoedskruid met de pelorische topbloem heette vroeger ook wel Digitalis purpurea monstrosa. Dit dus het antwoord op de derde vraag.

Het woord ‘fasciatie’ komt van het Latijnse woord ‘fascea’ en betekent ‘band’. Dit brengt ons meteen naar de Nederlandse term ‘bandvorming’ en het antwoord op mijn tweede vraag. Bandvorming is een niet veel voorkomend fenomeen van plantencellen die worden beïnvloed door een genetische afwijking of door schimmels en bacteriën en waardoor de groei loodrecht verlengd wordt op de groeirichting waardoor afgeplatte, lintvormig of kuifvormige vergroeiingen ontstaan. In tegenstelling tot de pelorische vervorming kan bandvorming  overal optreden, zowel de stengel , wortel , vrucht als het bloemhoofd.

Het hele ingewikkelde verhaal heb ik versimpeld weergegeven en ik heb o.a. gebruik gemaakt van deze sites. Nogmaals mijn verbazing dat er niet een eenduidig verhaal is op de Nederlandse wikipagina’s. En oh ja, schulpjes heten normaal ‘lobben’ bij vergroeide kroonbladen.

https://www.kew.org/read-and-watch/weird-and-wonderful-foxgloves

https://en.wikipedia.org/wiki/Fasciation

Als laatste een foto uit een twitterbericht dat ik tegenkwam. Dit had ik nog nooit gezien. Een Madeliefje met gemuteerde kroonblaadjes.

Een raar gras

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met het nieuwe boek ‘Stadsplanten van Nederland en Vlaanderen’.

 

Soorten die nieuw verschijnen in Nederland worden nogal eens niet herkend. Vooral als ze enigszins lijken op een andere soort die vrij vaak gevonden wordt. Het kan jaren duren voordat duidelijk wordt dat een vondst een nieuwkomer betreft.

Zo werd een nieuwe naaldaarsoort jarenlang niet werd opgemerkt. Er kwamen tot dan in Nederland een half dozijn soorten naaldaren voor. Het zijn eenjarige grassen met de aartjes in een dichte bloeiaar. Op de aarstelen staan stijve borstelharen, de ‘naalden’, die langer zijn dan het aartje en dus uit de bloeiaar steken. Vandaar de naam van het geslacht: naaldaar. In Nederland komen in de stad groene naaldaar (Setaria viridis) en geelrode naaldaar (Setaria pumila) als stadsplant voor waarbij de laatste soort beduidend zeldzamer is. Er zijn daarnaast nog drie andere naaldaren bekend, zeldzamer en voornamelijk akkeronkruiden. Tenslotte wordt teff of trosgierst (Setaria italica) regelmatig verwilderd gevonden.

Slanke (rechts) met groene (links) naaldaar KNSM-eiland 2016

De nieuwe niet herkende naaldaarsoort heeft in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam een grote groeiplek. Het gaat om smalle naaldaar (Setaria parviflora); een soort die inheems is in het grootste deel van de Verenigde Staten. Deze soort werd eerst jarenlang aangezien voor geelrode naaldaar. Dat is niet zo vreemd want ook in de Verenigde Staten worden deze soorten soms met elkaar verward omdat beide soorten geelrode naalden hebben. Wat wel duidelijk verschilt zijn de aartjes van smalle naaldaar die de helft smaller zijn dan die van geelrode naaldaar. Maar er zijn meer kenmerken waarin ze verschillen. Smalle naaldaar is de enige naaldaar in Nederland die niet eenjarig is. De plant heeft ondergrondse uitlopers (stolonen) die op de op het KNSM eiland in het Oostelijk Havengebied langs een gevel tientallen meters aan spruiten vormt.

Smalle naaldaar met stolonen

Deze stolonen kruipen ook onder de bestrating door en in allerlei voegen komen de bladeren tevoorschijn. Ook de stoepranden en allerlei straatmeubilair zijn voorzien van een groen randje. Dus een stuk straat van 60 bij 20 meter wordt goeddeels gedomineerd door deze plant die eigenlijk één individu is.

Dat het geen eenjarige soort is, is eenvoudig te testen door een spruit uit de grond te trekken. Komen alle fijne wortels mee zonder veel kracht nodig te hebben dan is de plant eenjarig. Is de plant meerjarig dan kost het veel kracht en breekt de plant meestal bij de wortel af of er komt een stevig stuk afgebroken wortel mee. Bij slanke naaldaar breken de bladspruiten  meestal bij de wortels af. Tussen de straatstenen is de smalle naaldaar er niet uit te krijgen en alleen een vasthoudende florist is het een keer gelukt. Al met al lijkt de soort in zijn groeiwijze op een verkleinde versie van duinriet (Calamagrostis epigejos)

Omdat slanke naaldaar een vaste plant is bloeit hij ook vroeger dan de ander naaldaren. Al in juni zijn de aren met paarsrode helmhokjes te vinden. De ander soorten bloeien veel later in het seizoen vanaf eind juli. De donkerpaarse helmhokken zijn zeer opvallend en al voldoende om de soort op meters afstand te herkennen.

Smalle naaldaar heeft paars-rode helmhokken

Maar deze kennis is wijsheid achteraf. Daarom is de soort niet eerder herkend door verschillende waarnemers. Het was wel opgevallen dat de bloei vroeg was en dat de aren raar smal waren. Bij gebrek aan een alternatief werd het als geelrode naaldaar benoemd. Maar echt bevredigend was dit niet. Dit gevoel werd weggeredeneerd als zijnde een plant met een virus.

Afijn, dit had zo lang kunnen blijven als niet twee jaar later tijdens een Floron-excursie in 2016 door een deelnemer geopperd werd dat het raar was dat smalle naaldaar nog niet was gevonden in Nederland en bij een ander deelnemer het kwartje viel toen hij een beschrijving van de soort hoorde. Binnen een paar dagen was de groeiplaats bezocht en de nieuwe soort bevestigd. Tot groot enthousiasme van beiden. De één omdat hij eindelijk de langverwachte soort had gevonden en de ander omdat die eindelijk wist waarom dat gras zo raar oogde.

 

Wauw het is wouw

Niet ver van mijn woning ligt langs de A-27 bij Bavel een zeer hoge geluidswal. Bijna 2 km lang en 15 m hoog. De zijde aan de snelweg is stijl, de andere zijde is glooiend, zodat er een behoorlijk oppervlak voor begroeiing is. Ongeveer 10 jaar geleden heeft de toenmalige stadsecoloog van de gemeente Breda een tamelijk uitzinnig mengsel van ongeveer 80 soorten van Zuid-Franse origine doen uitzaaien.

Wilde reseda, meer bossig

Het resultaat was en is ernaar. Natuurlijk zijn er een aantal soorten verdwenen, maar een groot aantal floreert en enkele trekken zelfs de omgeving in. Het omgekeerde gebeurt natuurlijk ook. Wat helpt is de zuidwestelijke projectie van de glooiende kant, de warme zomers en het feit dat aan de schanskorven bovenin, kalksteen is toegevoegd.

Blad wilde reseda gegolfd in Bavel

Al jaren meen ik daar alleen wilde reseda (Reseda lutea) te zien, totdat tijdens een inventarisatie elders, iemand bij de melding ‘reseda’ vroeg naar het blad te kijken. Het bleek wouw (Reseda luteola) te zijn. Terug naar mijn geluidswal bleek daar dat de helft van de ‘reseda’ , wouw te zijn. Ja, je ziet het pas als je het door hebt.

Goed, dan nu de verschillen. Het meest zekere kenmerk om op te letten is de vrucht. Bij wilde reseda is dit een vierkantig kokertje op een duidelijke steel. Bij wouw is dit een propje met geprononceerde, uitspringende hoeken en kort gesteeld.

Blad wouw zwak gegolfd in Bavel

De stengelbladen bij wilde reseda zijn diep ingesneden. Bij wouw is het stengelblad ongedeeld, maar heeft wel tandjes aan de voet. Bij de voet zit soms ook de aanzet van andere stengelbladen. Dat maakt het lastig om te zien of je met een of meer bladen hebt te maken. Daar komt bij dat zowel in Heukels 2005 als in de oecologische Flora staat dat alleen bij wouw het blad sterk gegolfd is. Op de geluidswal golft juist het blad van wilde reseda sterk. Vergeten dus dit kenmerk als onderscheidend.

Vrucht van wouw
Vrucht wilde reseda

Verder is er een habitusverschil. Wouw is hoger, slanker. Reseda is korter, bossiger, meer vertakt.

Wouw is vanouds een verfplant voor gele kleurstof. De verklaring voor de Nederlandse naam is niet zeker. Als meest waarschijnlijke wordt genoemd ‘hoog opschietend’. Vergelijk ‘woud’. Gelet op de habitus is die betekenis niet onlogisch.

De wetenschappelijke naam ‘reseda’ betekent ‘weer stillen” , ‘weer helen’. De plant werd gebruikt als geneesmiddel tegen gezwellen en ontstekingen. De soortaanduiding ‘lutea’ voor wilde reseda, betekent ‘geel’. De soortaanduiding ‘luteola’ voor wouw, betekent ‘geelachtig’.

Die soortaanduidingen horen dus eigenlijk gewisseld te worden. Helaas, gaat niet meer. Voor eeuwig verkeerd.

Bloem wouw
Bloem wilde reseda

Het ruikt lekker in Den Haag.

Grote steden staan niet bepaald bekend als plaatsen waar het lekker ruikt. Met het vele verkeer is frisse lucht een zeldzaamheid. Daarom kan ik er erg van genieten als ik door een dennenbos loop en de geur van dennen opsnuif of in de duinen de zilte zeelucht.

Er zit echter verandering in de lucht. Onlangs vond iemand een aantal exemplaren van de Welriekende ganzenvoet (Chenopodium ambrosioides) in Den Haag. Ze groeien midden in de Schilderswijk, een wijk die landelijke bekendheid geniet als allochtonenwijk. De vinder houdt een herbarium van de Schilderswijk bij, een ontdekkingsreis langs alledaagse planten zoals hij dat noemt. Binnenkort komt er zelfs een boekje over uit, ook is er een Facebook-pagina van.

Welriekende ganzenvoet
Welriekende ganzenvoet in de Schilderswijk

Welriekende planten zijn planten met veel klieren die geuren verspreiden. We hebben er een aantal in Nederland, denk maar aan de Welriekende salomonszegel, Agrimonie, of Nachtorchis. De Welriekende ganzenvoet heeft veel klieren op de stengels en de bladeren. Bij kneuzing geven die volgens Verspreidingsatlas een citroen- of muntachtige geur af. Zelf vind ik het meer naar petroleum ruiken maar dat zal wel aan mijn neus liggen.

De Welriekende ganzenvoet is niet direct een stadsplant. Hij komt vooral voor langs de grote rivieren, maar ook op ruderale stenige plaatsen zoals parkeerplaatsen, spoorwegemplacementen en braakliggende terreintjes.

Vorig jaar vond ik een aantal grote planten in Rijswijk op een plek waar de straat heringericht was. Mogelijk was hij meegekomen met het zand dat werd gebruikt. Hoe hij in de Schilderswijk is gekomen weet ik niet, ik zag geen sporen van herinrichting. Misschien dat we in de toekomst deze plant, zoals ook haar familielid de Liggende ganzenvoet, meer gaan zien in de stad. Gaat het daar toch nog lekker ruiken!

Welriekende ganzenvoet uit Rijswijk.

Roze leeuwen in Nijmegen

Elke keer dat er in Nijmegen werkzaamheden plaatsvinden waarbij de bodem verstoord wordt, komen er diverse zeldzame soorten tevoorschijn. Een groot aantal van deze soorten is karakteristiek voor extensief beheerde natuurakkers. Dit komt mogelijk doordat de kleirijke grond langs de rivieren vroeger veel gebruikt is voor landbouw. Langzaamaan zijn deze akkers verdwenen en vervangen door bebouwing, maar sommige akkerplanten waren niet van plan om zonder slag of stoot uit te sterven. Enkele van deze soorten zijn nog terug te vinden op begraafplaatsen, in moestuinen of in verwaarloosde studententuinen. Enkele andere soorten hebben langlevend zaad, waardoor deze jarenlang onder de grond kunnen blijven en bij de eerste grondverstoring tot kieming komen en nieuwe zaden kunnen produceren.

Akkerleeuwenbek valt op door de grote, roze bloemen.

Een voorbeeld van deze akkerplanten is Akkerleeuwenbek (Misopates orontium). Deze roze leeuwen zijn landelijk gezien behoorlijk zeldzaam, maar trekken in Nijmegen regelmatig hun bek open. Ik heb de soort hier voornamelijk gezien in moestuintjes en op terreinen waar het vorige jaar graafwerkzaamheden plaatsgevonden hebben, maar trof de soort vorige maand naast mijn voordeur. Dit is dan waarschijnlijk wel recente aanvoer geweest, maar dit is toch wel een van mijn leukste voordeursoorten!

Een atlashok (5 km2) van Nijmegen laat zeker zo’n 30 vindplekken zien van Akkerleeuwenbek (bron: waarneming.nl)

 

Akkerleeuwenbek heeft een opvallend lange kroonbuis : het buisvormig vergroeide deel van de bloem.