Home » Bijzondere planten

Categorie: Bijzondere planten

Uit Spanje

Dit artikel is geschreven door Johan Vos, die 31 jaar stadsecoloog van Zoetermeer was. Hij weet (bijna) alles over de herkomst van het groen in onze stad en is gelukkig nog steeds lid van onze plantenwerkgroep.

Spaanse dravik (Anisantha madritensis), is één van die vele nieuwkomers in de stad, afkomstig uit het Middellandse Zeegebied. Het is een altijd nog zeldzame verschijning in ons land, die vóór 1990 nauwelijks voorkwam. In Zuid-Engeland is de Spaanse dravik bekend van rotskusten, oude muren en stadswallen.

Op Verspreidingsatlas.nl zien we dat de soort momenteel (periode 1990 – 2019) in 39 atlasblokken te vinden is. Zichtbaar is dat de verspreiding vooral rond Amsterdam en in de Haagse regio geconcentreerd is.

De eerste Zoetermeerse waarneming stamt uit 1994. Van Ton Denters hoorde ik dat deze, voor mij toen onbekende dravik, ook al in Amsterdam was waargenomen. Het gaat om een opgaande, in het voorjaar bloeiende dravik met korte, omhoog staande pluimtakken die op warme, steenachtige plekken massaal kan opduiken in de stad. De soort is vrij gemakkelijk te onderscheiden van twee andere, algemeen voorkomende stedelijke Anisantha-soorten: IJle dravik (A. sterilis) en Zwenkdravik (A. tectorum). De eerste maakt een ijle indruk en heeft lange pluimtakken die naar alle zijden uitstaan, de tweede kent een dichtere bloeiwijze waarvan de pluimtakken naar één zijde overhangen.

Spaanse dravik als onderdeel van een kruidenrijke begroeiing op een warme steenachtige plek in de stad

In Zoetermeer zien we Spaanse dravik het meest op de grens van horizontale en verticale verharding, in geveltuintjes, langs schuttingen, bij hagen e.d. Jarenlang heeft de soort aan de voet van het stadhuis gestaan. Hoewel de soort sinds de negentiger jaren een nomadisch bestaan leidt, is haar voorkomen in Zoetermeer heel bestendig te noemen.
Totaal is de Spaanse dravik in Zoetermeer 20 keer in 7 van de 37 verschillende km-hokken waargenomen.

Aan de top

Begin deze zomer kreeg ik foto’s opgestuurd van Vingerhoedskruid (Digitalis purperea) met een zogenaamde pelorische top. Dit is een soort vergroeiing waarbij een grote bloem aan de top van de bloemstengel ontstaat. Google dit en je ziet op bijna elke site dezelfde tekst: 

‘In bijzondere omstandigheden ontstaat er een pelorische topbloem op de bloemstengel van het vingerhoedskruid. Die is niet tweezijdig symmetrisch (een verticale symmetrieas), maar alzijdig symmetrisch. Bij normale bloemen is het aantal bloembladen altijd vijf. Ze zijn met elkaar vergroeid, maar aan het aantal schulpjes is dat nog zichtbaar. Pelorische bloemen hebben wel 8 tot 14 schulpjes. De akkerhommel heeft een voorkeur voor deze bijzondere bloemen.’

Leuk hoor zo’n tekst maar waarom die uitgebreide informatie over symmetrie. En waar komt die term schulpjes vandaan? Mij werd altijd verteld dat je informatie op internet niet klakkeloos mag kopiëren maar ik kom echt overal dezelfde tekst tegen en vaak zonder bronvermelding. En als die tekst nu zinvol was. Nou nee! Wat ik wil weten:

  1. Waarom ontstaat die pelorische top alleen bij Vingerhoedskruid ?
  2. Is het hetzelfde als bandvorming of fasciatie  zoals dat vaak bij Paardenbloemen voorkomt ?
  3. Wat betekent het woord ‘pelorische’ ?

Gelukkig bood het Engelstalige internet wel uitkomst. Om te beginnen met de eerste vraag. Een pelorische top is een genetische mutatie. Deze komt waarschijnlijk alleen voor bij Vingerhoedskruiden. Heel soms ook bij het Vlasbekje. Een nadere verklaring heb ik niet kunnen vinden. Het antwoord op de tweede vraag  is dan ook moeilijk te geven. Carl Linneaus was zo gefascineerd dat hij dit verschijnsel betitelde met het Griekse woord pelōros, dat ‘monsterlijke’ betekent. Vingerhoedskruid met de pelorische topbloem heette vroeger ook wel Digitalis purpurea monstrosa. Dit dus het antwoord op de derde vraag.

Het woord ‘fasciatie’ komt van het Latijnse woord ‘fascea’ en betekent ‘band’. Dit brengt ons meteen naar de Nederlandse term ‘bandvorming’ en het antwoord op mijn tweede vraag. Bandvorming is een niet veel voorkomend fenomeen van plantencellen die worden beïnvloed door een genetische afwijking of door schimmels en bacteriën en waardoor de groei loodrecht verlengd wordt op de groeirichting waardoor afgeplatte, lintvormig of kuifvormige vergroeiingen ontstaan. In tegenstelling tot de pelorische vervorming kan bandvorming  overal optreden, zowel de stengel , wortel , vrucht als het bloemhoofd.

Het hele ingewikkelde verhaal heb ik versimpeld weergegeven en ik heb o.a. gebruik gemaakt van deze sites. Nogmaals mijn verbazing dat er niet een eenduidig verhaal is op de Nederlandse wikipagina’s. En oh ja, schulpjes heten normaal ‘lobben’ bij vergroeide kroonbladen.

https://www.kew.org/read-and-watch/weird-and-wonderful-foxgloves

https://en.wikipedia.org/wiki/Fasciation

Als laatste een foto uit een twitterbericht dat ik tegenkwam. Dit had ik nog nooit gezien. Een Madeliefje met gemuteerde kroonblaadjes.

Een raar gras

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met het nieuwe boek ‘Stadsplanten van Nederland en Vlaanderen’.

 

Soorten die nieuw verschijnen in Nederland worden nogal eens niet herkend. Vooral als ze enigszins lijken op een andere soort die vrij vaak gevonden wordt. Het kan jaren duren voordat duidelijk wordt dat een vondst een nieuwkomer betreft.

Zo werd een nieuwe naaldaarsoort jarenlang niet werd opgemerkt. Er kwamen tot dan in Nederland een half dozijn soorten naaldaren voor. Het zijn eenjarige grassen met de aartjes in een dichte bloeiaar. Op de aarstelen staan stijve borstelharen, de ‘naalden’, die langer zijn dan het aartje en dus uit de bloeiaar steken. Vandaar de naam van het geslacht: naaldaar. In Nederland komen in de stad groene naaldaar (Setaria viridis) en geelrode naaldaar (Setaria pumila) als stadsplant voor waarbij de laatste soort beduidend zeldzamer is. Er zijn daarnaast nog drie andere naaldaren bekend, zeldzamer en voornamelijk akkeronkruiden. Tenslotte wordt teff of trosgierst (Setaria italica) regelmatig verwilderd gevonden.

Slanke (rechts) met groene (links) naaldaar KNSM-eiland 2016

De nieuwe niet herkende naaldaarsoort heeft in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam een grote groeiplek. Het gaat om smalle naaldaar (Setaria parviflora); een soort die inheems is in het grootste deel van de Verenigde Staten. Deze soort werd eerst jarenlang aangezien voor geelrode naaldaar. Dat is niet zo vreemd want ook in de Verenigde Staten worden deze soorten soms met elkaar verward omdat beide soorten geelrode naalden hebben. Wat wel duidelijk verschilt zijn de aartjes van smalle naaldaar die de helft smaller zijn dan die van geelrode naaldaar. Maar er zijn meer kenmerken waarin ze verschillen. Smalle naaldaar is de enige naaldaar in Nederland die niet eenjarig is. De plant heeft ondergrondse uitlopers (stolonen) die op de op het KNSM eiland in het Oostelijk Havengebied langs een gevel tientallen meters aan spruiten vormt.

Smalle naaldaar met stolonen

Deze stolonen kruipen ook onder de bestrating door en in allerlei voegen komen de bladeren tevoorschijn. Ook de stoepranden en allerlei straatmeubilair zijn voorzien van een groen randje. Dus een stuk straat van 60 bij 20 meter wordt goeddeels gedomineerd door deze plant die eigenlijk één individu is.

Dat het geen eenjarige soort is, is eenvoudig te testen door een spruit uit de grond te trekken. Komen alle fijne wortels mee zonder veel kracht nodig te hebben dan is de plant eenjarig. Is de plant meerjarig dan kost het veel kracht en breekt de plant meestal bij de wortel af of er komt een stevig stuk afgebroken wortel mee. Bij slanke naaldaar breken de bladspruiten  meestal bij de wortels af. Tussen de straatstenen is de smalle naaldaar er niet uit te krijgen en alleen een vasthoudende florist is het een keer gelukt. Al met al lijkt de soort in zijn groeiwijze op een verkleinde versie van duinriet (Calamagrostis epigejos)

Omdat slanke naaldaar een vaste plant is bloeit hij ook vroeger dan de ander naaldaren. Al in juni zijn de aren met paarsrode helmhokjes te vinden. De ander soorten bloeien veel later in het seizoen vanaf eind juli. De donkerpaarse helmhokken zijn zeer opvallend en al voldoende om de soort op meters afstand te herkennen.

Smalle naaldaar heeft paars-rode helmhokken

Maar deze kennis is wijsheid achteraf. Daarom is de soort niet eerder herkend door verschillende waarnemers. Het was wel opgevallen dat de bloei vroeg was en dat de aren raar smal waren. Bij gebrek aan een alternatief werd het als geelrode naaldaar benoemd. Maar echt bevredigend was dit niet. Dit gevoel werd weggeredeneerd als zijnde een plant met een virus.

Afijn, dit had zo lang kunnen blijven als niet twee jaar later tijdens een Floron-excursie in 2016 door een deelnemer geopperd werd dat het raar was dat smalle naaldaar nog niet was gevonden in Nederland en bij een ander deelnemer het kwartje viel toen hij een beschrijving van de soort hoorde. Binnen een paar dagen was de groeiplaats bezocht en de nieuwe soort bevestigd. Tot groot enthousiasme van beiden. De één omdat hij eindelijk de langverwachte soort had gevonden en de ander omdat die eindelijk wist waarom dat gras zo raar oogde.

 

Wauw het is wouw

Niet ver van mijn woning ligt langs de A-27 bij Bavel een zeer hoge geluidswal. Bijna 2 km lang en 15 m hoog. De zijde aan de snelweg is stijl, de andere zijde is glooiend, zodat er een behoorlijk oppervlak voor begroeiing is. Ongeveer 10 jaar geleden heeft de toenmalige stadsecoloog van de gemeente Breda een tamelijk uitzinnig mengsel van ongeveer 80 soorten van Zuid-Franse origine doen uitzaaien.

Wilde reseda, meer bossig

Het resultaat was en is ernaar. Natuurlijk zijn er een aantal soorten verdwenen, maar een groot aantal floreert en enkele trekken zelfs de omgeving in. Het omgekeerde gebeurt natuurlijk ook. Wat helpt is de zuidwestelijke projectie van de glooiende kant, de warme zomers en het feit dat aan de schanskorven bovenin, kalksteen is toegevoegd.

Blad wilde reseda gegolfd in Bavel

Al jaren meen ik daar alleen wilde reseda (Reseda lutea) te zien, totdat tijdens een inventarisatie elders, iemand bij de melding ‘reseda’ vroeg naar het blad te kijken. Het bleek wouw (Reseda luteola) te zijn. Terug naar mijn geluidswal bleek daar dat de helft van de ‘reseda’ , wouw te zijn. Ja, je ziet het pas als je het door hebt.

Goed, dan nu de verschillen. Het meest zekere kenmerk om op te letten is de vrucht. Bij wilde reseda is dit een vierkantig kokertje op een duidelijke steel. Bij wouw is dit een propje met geprononceerde, uitspringende hoeken en kort gesteeld.

Blad wouw zwak gegolfd in Bavel

De stengelbladen bij wilde reseda zijn diep ingesneden. Bij wouw is het stengelblad ongedeeld, maar heeft wel tandjes aan de voet. Bij de voet zit soms ook de aanzet van andere stengelbladen. Dat maakt het lastig om te zien of je met een of meer bladen hebt te maken. Daar komt bij dat zowel in Heukels 2005 als in de oecologische Flora staat dat alleen bij wouw het blad sterk gegolfd is. Op de geluidswal golft juist het blad van wilde reseda sterk. Vergeten dus dit kenmerk als onderscheidend.

Vrucht van wouw
Vrucht wilde reseda

Verder is er een habitusverschil. Wouw is hoger, slanker. Reseda is korter, bossiger, meer vertakt.

Wouw is vanouds een verfplant voor gele kleurstof. De verklaring voor de Nederlandse naam is niet zeker. Als meest waarschijnlijke wordt genoemd ‘hoog opschietend’. Vergelijk ‘woud’. Gelet op de habitus is die betekenis niet onlogisch.

De wetenschappelijke naam ‘reseda’ betekent ‘weer stillen” , ‘weer helen’. De plant werd gebruikt als geneesmiddel tegen gezwellen en ontstekingen. De soortaanduiding ‘lutea’ voor wilde reseda, betekent ‘geel’. De soortaanduiding ‘luteola’ voor wouw, betekent ‘geelachtig’.

Die soortaanduidingen horen dus eigenlijk gewisseld te worden. Helaas, gaat niet meer. Voor eeuwig verkeerd.

Bloem wouw
Bloem wilde reseda

Het ruikt lekker in Den Haag.

Grote steden staan niet bepaald bekend als plaatsen waar het lekker ruikt. Met het vele verkeer is frisse lucht een zeldzaamheid. Daarom kan ik er erg van genieten als ik door een dennenbos loop en de geur van dennen opsnuif of in de duinen de zilte zeelucht.

Er zit echter verandering in de lucht. Onlangs vond iemand een aantal exemplaren van de Welriekende ganzenvoet (Chenopodium ambrosioides) in Den Haag. Ze groeien midden in de Schilderswijk, een wijk die landelijke bekendheid geniet als allochtonenwijk. De vinder houdt een herbarium van de Schilderswijk bij, een ontdekkingsreis langs alledaagse planten zoals hij dat noemt. Binnenkort komt er zelfs een boekje over uit, ook is er een Facebook-pagina van.

Welriekende ganzenvoet
Welriekende ganzenvoet in de Schilderswijk

Welriekende planten zijn planten met veel klieren die geuren verspreiden. We hebben er een aantal in Nederland, denk maar aan de Welriekende salomonszegel, Agrimonie, of Nachtorchis. De Welriekende ganzenvoet heeft veel klieren op de stengels en de bladeren. Bij kneuzing geven die volgens Verspreidingsatlas een citroen- of muntachtige geur af. Zelf vind ik het meer naar petroleum ruiken maar dat zal wel aan mijn neus liggen.

De Welriekende ganzenvoet is niet direct een stadsplant. Hij komt vooral voor langs de grote rivieren, maar ook op ruderale stenige plaatsen zoals parkeerplaatsen, spoorwegemplacementen en braakliggende terreintjes.

Vorig jaar vond ik een aantal grote planten in Rijswijk op een plek waar de straat heringericht was. Mogelijk was hij meegekomen met het zand dat werd gebruikt. Hoe hij in de Schilderswijk is gekomen weet ik niet, ik zag geen sporen van herinrichting. Misschien dat we in de toekomst deze plant, zoals ook haar familielid de Liggende ganzenvoet, meer gaan zien in de stad. Gaat het daar toch nog lekker ruiken!

Welriekende ganzenvoet uit Rijswijk.

Roze leeuwen in Nijmegen

Elke keer dat er in Nijmegen werkzaamheden plaatsvinden waarbij de bodem verstoord wordt, komen er diverse zeldzame soorten tevoorschijn. Een groot aantal van deze soorten is karakteristiek voor extensief beheerde natuurakkers. Dit komt mogelijk doordat de kleirijke grond langs de rivieren vroeger veel gebruikt is voor landbouw. Langzaamaan zijn deze akkers verdwenen en vervangen door bebouwing, maar sommige akkerplanten waren niet van plan om zonder slag of stoot uit te sterven. Enkele van deze soorten zijn nog terug te vinden op begraafplaatsen, in moestuinen of in verwaarloosde studententuinen. Enkele andere soorten hebben langlevend zaad, waardoor deze jarenlang onder de grond kunnen blijven en bij de eerste grondverstoring tot kieming komen en nieuwe zaden kunnen produceren.

Akkerleeuwenbek valt op door de grote, roze bloemen.

Een voorbeeld van deze akkerplanten is Akkerleeuwenbek (Misopates orontium). Deze roze leeuwen zijn landelijk gezien behoorlijk zeldzaam, maar trekken in Nijmegen regelmatig hun bek open. Ik heb de soort hier voornamelijk gezien in moestuintjes en op terreinen waar het vorige jaar graafwerkzaamheden plaatsgevonden hebben, maar trof de soort vorige maand naast mijn voordeur. Dit is dan waarschijnlijk wel recente aanvoer geweest, maar dit is toch wel een van mijn leukste voordeursoorten!

Een atlashok (5 km2) van Nijmegen laat zeker zo’n 30 vindplekken zien van Akkerleeuwenbek (bron: waarneming.nl)

 

Akkerleeuwenbek heeft een opvallend lange kroonbuis : het buisvormig vergroeide deel van de bloem.
Mottenkruid, detail bloem

Gelijkend op een mot

Volgens een Amerikaanse site is de naam Mottenkruid afkomstig van gelijkenis van de meeldraden met de antennen van een mot! De etymologische verklaring van de wetenschappelijke naam Verbascum blattaria is misschien nog wel specialer. Verbascum is een verbastering van barbascum = gebaard. Het zijn planten bedekt met vilt en voorzien van gebaarde meeldraden. Zie ook detailfoto van de bloemen. Blattaria komt van het Latijnse blatte = kakkerlak. Een extract van Mottenkruid schijnt een goed middel tegen kakkerlakken te zijn. Zie Engelstalig wikipedia- artikel. In de Oecologische Flora (deel 3, pagina 200) staat een wat ander verhaal. Kakkerlakken zouden graag in de afgevallen bloemen kruipen, zodat met het opvegen van afgevallen bloemen gelijk alle kakkerlakken zijn verwijderd.

Mottenkruid is van de familie van de Helmkruiden (Scrophulariaceae). Zeker goed te zien aan de zaden die een mooi bolletje vormen.

Mottenkruid, rijpe zaden
Mottenkruid met rijpe zaden
Mottenkruid, vruchtbeginsel
Mottenkruid, vruchtbeginsel

Het is een tweejarige plant, startend met een wortelrozet en in het tweede jaar een lange bloeistengel met tientallen bloemen.  De plant is van onder naar boven bezaaid met klierharen, tot op vruchtbeginsel aan toe. Mottenkruid kan zowel gele als witte bloemen hebben. In het geval van gele bloemen, is het de aanbeveling om goed te kijken naar de andere kenmerken: te weten de grootte van de bloemen en de grootte van de plant in het algemeen. Waar Mottenkruid meestal minder hoog is dan 1.20 meter is er het Beklierde mottenkruid dat tot 2 meter kan worden, met 3-4 centimeter grote bloemen. Deze uit het zuiden afkomstige soort wordt met enige regelmaat waargenomen, vooral op plaatsen met aangevoerde grond. Meer informatie en diagnostische kenmerken zijn te vinden op Alienplantsbelgium.be.

Mottenkruid is een van oorsprong inheemse soort. De soort is volgens verspreidingsatlas een vrij zeldzame soort en soortenbank.nl rept zelfs over zeer zeldzaam in het Gelders district en elders onbestendig of adventief en uitgezaaid. De Oecologische flora schrijft dat “Mottenkruid nauwelijkse tot de Nederlandse inheemse flora gerekend kan worden”.

Op de vindplaats is inzaai is niet erg waarschijnlijk: geen huizen en geen groenstrook.  Het is er op de een of andere manier terechtgekomen. De standplaats in Deventer voldoet echter wel heel erg aan zijn natuurlijke voorkeurshabitat, te weten kalkrijke stenige en voedselrijke plaatsen. Diverse planten staan er in een regengoot aan de voormalige binnenhaven van Deventer.

Mottenkruid, groeiplaats
Mottenkruid, groeiplaats

Bijzonder overigens dat Waarneming.nl op de soortbeschrijving weet te vermelden dat de soort vooral op klei voorkomt, terwijl het kaartje op verspreidingsatlas een redelijk gelijkmatig verspreiding over Nederland laat zien. De bijbehorende tekst vermeldt, zonnige, warme, open plaatsen op droge, matig voedselrijke, kalkhoudende grond (zand en stenige plaatsen). Deze laatste beschrijving is gelijk aan die van de Heukels’ (23ste druk).

Deze blog begon met een citaat uit een Amerikaanse site. In de Verenigde Staten is de soort sinds begin 19de eeuw een exoot; voor het eerst in 1818 in Pennsylvania. Wij hebben het vaak over exoten vanuit Amerika, maar andersom gebeurd natuurlijk ook. Mottenkruid is daar een mooi voorbeeld van.

Bron: o.a. Nederlandse Oecologische Flora, 3, Weeda et al, 1988

Klimopbremraap

Zowel in de voortuin als de achtertuin staat bij ons klimop. Sinds een jaar of vijf verschijnt om de paar jaar, onregelmatig, dan wel in de voortuin, dan wel in de achtertuin, klimopbremraap (Orobanche hederae). Het is niet uitgesloten dat hij vaker is verschenen en niet opgemerkt. Per definitie groeit hij in de schaduw van klimop en de plant is van een afstand niet heel opvallend. Van dichtbij blijkt hij toch wel mooi en bijzonder met zijn crêpepapier-achtige bloemen met geel hart op een rode, behaarde achtergrond.

Bremrapen zijn parasitaire planten die alle een specifieke gastheer hebben. Zo zie je klavervreter bij klaver, de distelbremraap bij distel en de klimopbremraap bij klimop. Er zijn in Nederland ongeveer tien en ze zijn eigenlijk allemaal tamelijk zeldzaam. De meeste groeien op open terrein, want houden van warmte. Ik herinner me woekeringen van bremraap in het Middellandse Zeegebied.

Klimopbremraap is dus de uitzondering omdat hij in de schaduw groeit. Ook in zeldzaamheid is hij een uitzondering omdat hij wat lijkt toe te nemen.

Klimop en bremraap

Tot de bremraapfamilie behoort ook ratelaar en ogentroost. Dat zijn halfparasieten, want ze hebben nog wel bladgroen. Bremraap niet.

De Nederlandse naam ‘bremraap’ is afkomstig van de grote bremraap die op brem parasiteert met een ondergronds knol- of raapachtig orgaan. De wetenschappelijke geslachtsnaam ‘orobanche’ en betekent iets als ‘peulvruchtenwurger’. Ook hier is de geslachtsnaam afkomstig van een soort, die kennelijk nogal in gaten liep: hij dook op in de moestuinen van de Grieken en Romeinen.

De wetenschappelijke soortaanduiding ‘hederae’ betekent ‘klimop’.

 

 

Plant met sterallures

De Bleke morgenster (Tragopogon dubius) houdt zich in Breda keurig aan zijn profiel. We vonden hem op korte afstand van de spoorweg aan de westkant van het centrum. Volgens de veldgids “Stadsplanten” van Ton Denters (2004) heeft deze soort zich vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw via het spoor over het westen van Nederland verspreid. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied van de Bleke morgenster bestaat uit Midden- en Zuid-Europa en Zuidwest-Azië.

De Bleke morgenster onderscheidt zich van wat bekendere Gele morgenster doordat de groene omwindselblaadjes duidelijk buiten de gele lintbloemen uitsteken, door de opgezwollen stengeltop onder de bloeiwijze en natuurlijk door de wat blekere bloemen. Met een loep, maar ook met goede blote ogen, kun je ook zien dat de stijlen van de Bleke morgenster paarsachtig zijn, terwijl die van de Gele morgenster geel zijn.

De naam ‘morgenster’ is volstrekt logisch:  de bloem sluit zich wanneer de zon op zijn hoogste punt is gekomen om zich de volgende ochtend weer te openen. Ook een geplukt exemplaar in mijn vensterbank hield zich eraan. De toevoeging ‘bleke’ is heel begrijpelijk. Vergeleken met de Gele morgenster (Tragopogon pratensis) is het geel van de bloemen wat bleker.

Pluizenbol

Na succesvolle bestuiving en bevruchting vormt zich een prachtige pluizenbol. Deze bestaat uit vruchten, de nootjes, met gesteeld vruchtpluis. Dat vruchtpluis is gevormd uit de pappusharen en heeft veervormige haren die in elkaar grijpen.

Vooral in wat oudere literatuur is ‘Boksbaard’ de Nederlandse naam voor het geslacht Tragopogon. Dat is de letterlijke vertaling van ‘Tragopogon.  De betekenis van ‘Tragos’  is bok en ‘pogon’ is baard. Deze naam dankt het geslacht aan het gegeven dat het omwindsel na de bloei weer dichtvouwt. De lange spitse punten van de omwindselbladen zien er wat rafelig uit. De gelijkenis met de baard van een bok heeft tot deze Nederlandse naam geleid. De botanicus die de wetenschappelijk heeft gegeven blijkt zijn/haar twijfels te hebben gehad want ‘dubius’ betekent gewoon ‘twijfelachtig’.

Pluizenbol vergroot

 

 

De wilde tuin

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met het nieuwe boek ‘Stadsplanten van Nederland en Vlaanderen’.

 

In een stad vormen tuinen een belangrijke gebied voor wilde planten. Tuinen nemen een groot deel van de stadsruimte in en, belangrijker, er zijn tuinen waar niet zo strak onkruid wordt bestreden als door de gemeentelijke diensten. Ook het milieu is anders dan aan de voorkant van het thuis: vaak minder steen, koeler, rijkere grond en vochtiger.

Aangeplante of ingezaaide planten in tuinen tellen niet mee voor onze wilde flora. Anderzijds zijn paarse dovenetel (Lamium purpureum), schijnaardbei (Potentilla indica) en tuinwolfsmelk (Euphorbia peplus) voorbeelden van soorten die in de stad voornamelijk in tuinen te vinden zijn. Het zijn vaste gasten. Die tellen wel mee want tuinen zijn hun biotoop.

Er is echter een vrij grote groep soorten waar het minder eenduidig is. Dat zijn soorten die spontaan in tuinen voorkomen, maar worden ook aangeplant of ingezaaid. Of ze in sommige gevallen als  spontaan en wild of verwilderd gekenmerkt mogen worden leidt soms tot uitvoerige discussies.

Zo zijn in mijn tuin soorten als gele helmbloem, betonie en hartgespan spontaan opgekomen. Omdat deze soorten ook regelmatig in tuinen aangeplant of ingezaaid worden worden ook spontane opkomst in tuinen door velen niet als wild geaccepteerd. Betonie en hartgespan had ik te danken aan excursies in fraaie natuurgebieden. Na afloop de schoenen uitkloppen in mijn tuin was een cruciale stap.

Van betonie (Stachys officinalis) is duidelijk dat mijn locatie niet meetelt voor zijn natuurlijke verspreiding: deze soort komt vooral voor in Zuid-Limburg en de tuin is geen normale biotoop.

Bij hartgespan (Leonurus cardiaca) is het iets minder helder. De soort groeit vaak op omgewerkte, humeuze grond en ruderale plaatsen en een tuin past binnen zijn natuurlijke milieuvoorkeur.

De gele helmbloem (Pseudofumaria lutea) had ik te danken aan de ontlasting van houtduiven, die op een schutting loerden op een kans om mij van mijn kersen te beroven. Houtduiven zie je vaak op straat pikken op zoek naar zaadjes. Niet alles wordt verteerd en de restanten lozen ze natuurlijk op de meest onhandige plekken. Op deze wijze hebben ze mijn tuin verrijkt met deze fraaie soort. Mijn gele helmbloemen zijn een stadse soort, groeiend in een gebruikelijke biotoop en geheel natuurlijk verspreid. Als ik het zo beschrijf zal iedereen beamen dat dit wilde exemplaren zijn, maar dan word ik wel op mijn bruine ogen geloofd.

Er groeien vier leuke soorten in mijn tuin die minder discussie zullen geven. Al was het maar dat ze in de stad vooral te vinden zijn in de voegen van de bestrating. Zo ook in mijn tuin.

Gehoornde klaverzuring loopt vaak wat rood aan

Het gaat om stijve klaverzuring, gehoornde klaverzuring, kransgras en stijf hardgras die allen het stukje steenwerk in mijn tuin verfraaien. Natuurlijk zijn ze in mijn tuin terecht gekomen als zaad aan mijn schoenen klevend, opgepikt tijdens mijn stadse planteninventarisaties.

Stijve klaverzuring

Stijve klaverzuring (Oxalis stricta), afkomstig uit Noord-Amerika en in de 17e eeuw in Europa ingeburgerd, is het minst gebonden aan een steenwoestijn. Menig tuin wordt verfraaid door deze sierlijke plant. Haar uiterlijk heeft zij mee en wordt bij het wieden vaak gespaard. Haar zusje gehoornde klaverzuring (Oxalis corniculata) is wat meer gebonden aan de straat. Met haar fraaie bruinrode bladeren werd het vroeger als tuinplant verkocht. Ooit inheems in Zuid-Europa komt het nu wereldwijd voor.

Kransgras en stijf hardgras zijn mijn kampioenen van de straat. Deze soorten zijn vrijwel uitsluitend op stenige plaatsen te vinden. Tot deze eeuw waren dit zeer zeldzame grasjes en ze zijn pas in de laatste jaren sterk opkomend. Kransgras (Polypogon viridis) heb ik al enige jaren in mijn tuin. Deze Zuid-Europese soort heeft eind vorige eeuw op eigen kracht Nederland bereikt. Meestal kleine groeiplekken in de schaduwrijke stegen en langs gevels. In het nabijgelegen Amsterdam-Oost kwam er echter een groeiplaats van enige duizenden exemplaren voor. Het is dan ook niet raar dat deze soort in mijn tuin opdook.

Mijn kampioen: stijf hardgras

De laatste aanwinst is stijf hardgras (Catapodium rigidum). Deze soort leek een halve eeuw geleden uit Nederland te verdwijnen. Het stond vooral op oude muren en steile wanden in steengroeven en nam in aantal af. Door de opwarming heeft het een nieuwe biotoop kunnen vinden: de straat en komt nu vooral in de Randstad voor. Een paar weken geleden plukte in gedachteloos een halm van een miniem grasje. Tot mijn verbazing was het stijf hardgras, een toch nog zeldzame soort. Ik had begin mei deze soort aangetroffen bij de Buiksloterwegveer in Amsterdam-Noord. Kwam het zaad daar vandaan? Bij nader inzien denk ik van niet. Gaandeweg doken er namelijk meer exemplaren op in alle hoeken van mijn tuin. Nu zijn er ruim dertig: van minieme verkreukelde exemplaren in de looproute tot forse exemplaren langs de muur en borderrand. De soort moet er minstens een jaar aanwezig zijn en vermoedelijk wel langer. Domweg over het hoofd gezien. Het Japanse spreekwoord: ‘Aan de voet van de vuurtoren is het donker’, vind ik hier zeer toepasselijk.