Home » grassen

Categorie: grassen

Uit Spanje

Dit artikel is geschreven door Johan Vos, die 31 jaar stadsecoloog van Zoetermeer was. Hij weet (bijna) alles over de herkomst van het groen in onze stad en is gelukkig nog steeds lid van onze plantenwerkgroep.

Spaanse dravik (Anisantha madritensis), is één van die vele nieuwkomers in de stad, afkomstig uit het Middellandse Zeegebied. Het is een altijd nog zeldzame verschijning in ons land, die vóór 1990 nauwelijks voorkwam. In Zuid-Engeland is de Spaanse dravik bekend van rotskusten, oude muren en stadswallen.

Op Verspreidingsatlas.nl zien we dat de soort momenteel (periode 1990 – 2019) in 39 atlasblokken te vinden is. Zichtbaar is dat de verspreiding vooral rond Amsterdam en in de Haagse regio geconcentreerd is.

De eerste Zoetermeerse waarneming stamt uit 1994. Van Ton Denters hoorde ik dat deze, voor mij toen onbekende dravik, ook al in Amsterdam was waargenomen. Het gaat om een opgaande, in het voorjaar bloeiende dravik met korte, omhoog staande pluimtakken die op warme, steenachtige plekken massaal kan opduiken in de stad. De soort is vrij gemakkelijk te onderscheiden van twee andere, algemeen voorkomende stedelijke Anisantha-soorten: IJle dravik (A. sterilis) en Zwenkdravik (A. tectorum). De eerste maakt een ijle indruk en heeft lange pluimtakken die naar alle zijden uitstaan, de tweede kent een dichtere bloeiwijze waarvan de pluimtakken naar één zijde overhangen.

Spaanse dravik als onderdeel van een kruidenrijke begroeiing op een warme steenachtige plek in de stad

In Zoetermeer zien we Spaanse dravik het meest op de grens van horizontale en verticale verharding, in geveltuintjes, langs schuttingen, bij hagen e.d. Jarenlang heeft de soort aan de voet van het stadhuis gestaan. Hoewel de soort sinds de negentiger jaren een nomadisch bestaan leidt, is haar voorkomen in Zoetermeer heel bestendig te noemen.
Totaal is de Spaanse dravik in Zoetermeer 20 keer in 7 van de 37 verschillende km-hokken waargenomen.

Een raar gras

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met het nieuwe boek ‘Stadsplanten van Nederland en Vlaanderen’.

 

Soorten die nieuw verschijnen in Nederland worden nogal eens niet herkend. Vooral als ze enigszins lijken op een andere soort die vrij vaak gevonden wordt. Het kan jaren duren voordat duidelijk wordt dat een vondst een nieuwkomer betreft.

Zo werd een nieuwe naaldaarsoort jarenlang niet werd opgemerkt. Er kwamen tot dan in Nederland een half dozijn soorten naaldaren voor. Het zijn eenjarige grassen met de aartjes in een dichte bloeiaar. Op de aarstelen staan stijve borstelharen, de ‘naalden’, die langer zijn dan het aartje en dus uit de bloeiaar steken. Vandaar de naam van het geslacht: naaldaar. In Nederland komen in de stad groene naaldaar (Setaria viridis) en geelrode naaldaar (Setaria pumila) als stadsplant voor waarbij de laatste soort beduidend zeldzamer is. Er zijn daarnaast nog drie andere naaldaren bekend, zeldzamer en voornamelijk akkeronkruiden. Tenslotte wordt teff of trosgierst (Setaria italica) regelmatig verwilderd gevonden.

Slanke (rechts) met groene (links) naaldaar KNSM-eiland 2016

De nieuwe niet herkende naaldaarsoort heeft in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam een grote groeiplek. Het gaat om smalle naaldaar (Setaria parviflora); een soort die inheems is in het grootste deel van de Verenigde Staten. Deze soort werd eerst jarenlang aangezien voor geelrode naaldaar. Dat is niet zo vreemd want ook in de Verenigde Staten worden deze soorten soms met elkaar verward omdat beide soorten geelrode naalden hebben. Wat wel duidelijk verschilt zijn de aartjes van smalle naaldaar die de helft smaller zijn dan die van geelrode naaldaar. Maar er zijn meer kenmerken waarin ze verschillen. Smalle naaldaar is de enige naaldaar in Nederland die niet eenjarig is. De plant heeft ondergrondse uitlopers (stolonen) die op de op het KNSM eiland in het Oostelijk Havengebied langs een gevel tientallen meters aan spruiten vormt.

Smalle naaldaar met stolonen

Deze stolonen kruipen ook onder de bestrating door en in allerlei voegen komen de bladeren tevoorschijn. Ook de stoepranden en allerlei straatmeubilair zijn voorzien van een groen randje. Dus een stuk straat van 60 bij 20 meter wordt goeddeels gedomineerd door deze plant die eigenlijk één individu is.

Dat het geen eenjarige soort is, is eenvoudig te testen door een spruit uit de grond te trekken. Komen alle fijne wortels mee zonder veel kracht nodig te hebben dan is de plant eenjarig. Is de plant meerjarig dan kost het veel kracht en breekt de plant meestal bij de wortel af of er komt een stevig stuk afgebroken wortel mee. Bij slanke naaldaar breken de bladspruiten  meestal bij de wortels af. Tussen de straatstenen is de smalle naaldaar er niet uit te krijgen en alleen een vasthoudende florist is het een keer gelukt. Al met al lijkt de soort in zijn groeiwijze op een verkleinde versie van duinriet (Calamagrostis epigejos)

Omdat slanke naaldaar een vaste plant is bloeit hij ook vroeger dan de ander naaldaren. Al in juni zijn de aren met paarsrode helmhokjes te vinden. De ander soorten bloeien veel later in het seizoen vanaf eind juli. De donkerpaarse helmhokken zijn zeer opvallend en al voldoende om de soort op meters afstand te herkennen.

Smalle naaldaar heeft paars-rode helmhokken

Maar deze kennis is wijsheid achteraf. Daarom is de soort niet eerder herkend door verschillende waarnemers. Het was wel opgevallen dat de bloei vroeg was en dat de aren raar smal waren. Bij gebrek aan een alternatief werd het als geelrode naaldaar benoemd. Maar echt bevredigend was dit niet. Dit gevoel werd weggeredeneerd als zijnde een plant met een virus.

Afijn, dit had zo lang kunnen blijven als niet twee jaar later tijdens een Floron-excursie in 2016 door een deelnemer geopperd werd dat het raar was dat smalle naaldaar nog niet was gevonden in Nederland en bij een ander deelnemer het kwartje viel toen hij een beschrijving van de soort hoorde. Binnen een paar dagen was de groeiplaats bezocht en de nieuwe soort bevestigd. Tot groot enthousiasme van beiden. De één omdat hij eindelijk de langverwachte soort had gevonden en de ander omdat die eindelijk wist waarom dat gras zo raar oogde.

 

Kleine liefde

Wie in deze tijd naar buiten gaat en in de voegen van de straat naar planten speurt, zal het al snel opvallen, zeker in de stad, dat daar allerlei grasjes groeien die er in het begin van het jaar nog niet te vinden waren. Het zijn profiteurs van warm weer en komen vaak overgewaaid uit moestuinen en ander kweekgedoe, oorspronkelijk zelfs waarschijnlijk uit de landbouw of graanoverslag.  Deze kleine grassen worden platgelopen, afgebrand, afgeborsteld en doodgespoten, maar veel tijd hebben ze niet nodig om zich in groot aantal voort te planten. Ook liefdegrassen zijn hier meester in.

 

2400 vruchtjes per plant is bij Klein liefdegras geen uitzondering

Klein liefdegras Eragrostis minor met haar aren, die uit 8-20 bloemen, en dus vruchtjes bestaan, is een van de twee algemenere liefdegrassen in Nederland en België. De andere is Straatliefdegras. De aren van Klein liefdegras vallen makkelijk uiteen en profiteren van elke beweging die wij ze geven.  Aangezien elke tak van de plant al snel meer dan 30 aartjes heeft en elke plant als snel vier takken heeft, zijn 2400 vruchtjes per plant geen uitzondering.

Klein liefdegras blijft in verspreiding beperkt tot stenige habitats

Daarmee lijkt Klein liefdegras al snel niet meer zo lief en klein, maar ook met deze overweldigende hoeveelheid zaad is de verspreiding van de plant nog altijd relatief beperkt. Ze blijft redelijk beperkt tot straatrandjes en andere stenige habitats zoals spoorbeddingen. In moestuinen is het waarschijnlijk vaak te rijk.  In wegbermen en gazons is waarschijnlijk te veel concurrentie.

Wie met een loep de plant bekijkt zal de aartjes van klein liefdegras zeker waarderen. Als er op een schoolplaat een mooi compleet aartje getoond moet worden dan zou ik Klein liefdegras kiezen. Als men toch een loep ter hand neemt is het ook aan te raden de bladrand, aan de basis, af te speuren op de merkwaardige klierknobbels. Een soort zwarte punten. Wie dat ziet weet ook meteen zeker dat het geen Straatliefdegras is. Die heeft trouwens nog kleinere aartjes.

De wilde tuin

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met het nieuwe boek ‘Stadsplanten van Nederland en Vlaanderen’.

 

In een stad vormen tuinen een belangrijke gebied voor wilde planten. Tuinen nemen een groot deel van de stadsruimte in en, belangrijker, er zijn tuinen waar niet zo strak onkruid wordt bestreden als door de gemeentelijke diensten. Ook het milieu is anders dan aan de voorkant van het thuis: vaak minder steen, koeler, rijkere grond en vochtiger.

Aangeplante of ingezaaide planten in tuinen tellen niet mee voor onze wilde flora. Anderzijds zijn paarse dovenetel (Lamium purpureum), schijnaardbei (Potentilla indica) en tuinwolfsmelk (Euphorbia peplus) voorbeelden van soorten die in de stad voornamelijk in tuinen te vinden zijn. Het zijn vaste gasten. Die tellen wel mee want tuinen zijn hun biotoop.

Er is echter een vrij grote groep soorten waar het minder eenduidig is. Dat zijn soorten die spontaan in tuinen voorkomen, maar worden ook aangeplant of ingezaaid. Of ze in sommige gevallen als  spontaan en wild of verwilderd gekenmerkt mogen worden leidt soms tot uitvoerige discussies.

Zo zijn in mijn tuin soorten als gele helmbloem, betonie en hartgespan spontaan opgekomen. Omdat deze soorten ook regelmatig in tuinen aangeplant of ingezaaid worden worden ook spontane opkomst in tuinen door velen niet als wild geaccepteerd. Betonie en hartgespan had ik te danken aan excursies in fraaie natuurgebieden. Na afloop de schoenen uitkloppen in mijn tuin was een cruciale stap.

Van betonie (Stachys officinalis) is duidelijk dat mijn locatie niet meetelt voor zijn natuurlijke verspreiding: deze soort komt vooral voor in Zuid-Limburg en de tuin is geen normale biotoop.

Bij hartgespan (Leonurus cardiaca) is het iets minder helder. De soort groeit vaak op omgewerkte, humeuze grond en ruderale plaatsen en een tuin past binnen zijn natuurlijke milieuvoorkeur.

De gele helmbloem (Pseudofumaria lutea) had ik te danken aan de ontlasting van houtduiven, die op een schutting loerden op een kans om mij van mijn kersen te beroven. Houtduiven zie je vaak op straat pikken op zoek naar zaadjes. Niet alles wordt verteerd en de restanten lozen ze natuurlijk op de meest onhandige plekken. Op deze wijze hebben ze mijn tuin verrijkt met deze fraaie soort. Mijn gele helmbloemen zijn een stadse soort, groeiend in een gebruikelijke biotoop en geheel natuurlijk verspreid. Als ik het zo beschrijf zal iedereen beamen dat dit wilde exemplaren zijn, maar dan word ik wel op mijn bruine ogen geloofd.

Er groeien vier leuke soorten in mijn tuin die minder discussie zullen geven. Al was het maar dat ze in de stad vooral te vinden zijn in de voegen van de bestrating. Zo ook in mijn tuin.

Gehoornde klaverzuring loopt vaak wat rood aan

Het gaat om stijve klaverzuring, gehoornde klaverzuring, kransgras en stijf hardgras die allen het stukje steenwerk in mijn tuin verfraaien. Natuurlijk zijn ze in mijn tuin terecht gekomen als zaad aan mijn schoenen klevend, opgepikt tijdens mijn stadse planteninventarisaties.

Stijve klaverzuring

Stijve klaverzuring (Oxalis stricta), afkomstig uit Noord-Amerika en in de 17e eeuw in Europa ingeburgerd, is het minst gebonden aan een steenwoestijn. Menig tuin wordt verfraaid door deze sierlijke plant. Haar uiterlijk heeft zij mee en wordt bij het wieden vaak gespaard. Haar zusje gehoornde klaverzuring (Oxalis corniculata) is wat meer gebonden aan de straat. Met haar fraaie bruinrode bladeren werd het vroeger als tuinplant verkocht. Ooit inheems in Zuid-Europa komt het nu wereldwijd voor.

Kransgras en stijf hardgras zijn mijn kampioenen van de straat. Deze soorten zijn vrijwel uitsluitend op stenige plaatsen te vinden. Tot deze eeuw waren dit zeer zeldzame grasjes en ze zijn pas in de laatste jaren sterk opkomend. Kransgras (Polypogon viridis) heb ik al enige jaren in mijn tuin. Deze Zuid-Europese soort heeft eind vorige eeuw op eigen kracht Nederland bereikt. Meestal kleine groeiplekken in de schaduwrijke stegen en langs gevels. In het nabijgelegen Amsterdam-Oost kwam er echter een groeiplaats van enige duizenden exemplaren voor. Het is dan ook niet raar dat deze soort in mijn tuin opdook.

Mijn kampioen: stijf hardgras

De laatste aanwinst is stijf hardgras (Catapodium rigidum). Deze soort leek een halve eeuw geleden uit Nederland te verdwijnen. Het stond vooral op oude muren en steile wanden in steengroeven en nam in aantal af. Door de opwarming heeft het een nieuwe biotoop kunnen vinden: de straat en komt nu vooral in de Randstad voor. Een paar weken geleden plukte in gedachteloos een halm van een miniem grasje. Tot mijn verbazing was het stijf hardgras, een toch nog zeldzame soort. Ik had begin mei deze soort aangetroffen bij de Buiksloterwegveer in Amsterdam-Noord. Kwam het zaad daar vandaan? Bij nader inzien denk ik van niet. Gaandeweg doken er namelijk meer exemplaren op in alle hoeken van mijn tuin. Nu zijn er ruim dertig: van minieme verkreukelde exemplaren in de looproute tot forse exemplaren langs de muur en borderrand. De soort moet er minstens een jaar aanwezig zijn en vermoedelijk wel langer. Domweg over het hoofd gezien. Het Japanse spreekwoord: ‘Aan de voet van de vuurtoren is het donker’, vind ik hier zeer toepasselijk.

 

Straatgrassen

Hoe stadser kan het heten dan ‘Straatgras’ ? Tussen de kleinste voegen van de straat kan een polletje groeien en in elk jaargetijde vind je het in bloei.  Straatgras is een eenjarige plant die valt onder de beemdgrassen. Maar is dat nu een interessante plant? Jawel! Ik bekeek ze redelijk vaak van dichtbij want al jaren zocht ik naar een op Straatgras gelijkende soort. Het betreft het zeer gelijkende Poa infirma. Straatgras zelf kan al redelijk smal en tenger zijn, Poa infirma is nog een beetje smaller en tengerder. Ik wist van het bestaan door in de Britse flora van Stace te bladeren. Toch vond ik er al die jaren nooit die aan de beschrijving voldeden; al moet ik ook toegeven dat ik ook niet ieder Straatgras aan een inspectie onderwierp.

Het is helaas vaak zo, dat je de plant in kwestie eerst eens moet hebben gezien, liefst aangewezen door een ervaringsdeskundige, zodat je er een beeld van krijgt. Niet alleen van het uiterlijk van de plant, maar ook van de plekken waar je die zou kunnen verwachten. Dat laatste bleek uiteindelijk de sleutel tot succes. De plant werd vanaf 2016 op vrij veel plaatsen in Nederland ontdekt en met name op aangereden grond op campings. Helaas had ik dus zelf de primeur niet, graag ontdek je zoiets als eerste, zeker als je er al langer naar gezocht hebt, maar de aanwijzing dat campings ‘the place to be’ waren, gaven me hoop. In 2017 wezen West-Vlaamse botanici me de plant op een West-Vlaamse camping, en had ik dus ook al een zoekbeeld en in 2018 vond ik er, uiteindelijk dus met eigen ogen, een heel stel op een camping in Belgisch Limburg. Een kleine missie kreeg zijn voltooiing.

Een West-Vlaamse camping bleek het mekka voor Poa infirma

Inmiddels bleek ik achteraan in de horde te zitten, want in snel tempo bleek een aanzienlijk deel van Nederland al gevuld met stippen. Ook Vlaanderen volgde snel. Zo snel dat de hypothese is, dat we er met zijn allen toch jarenlang overheen moeten hebben gekeken. Niet alleen campings waren de goede plekken, maar allerlei man-made pionierplaatsen bleken groeiplaatsen te herbergen. Denk aan begraaf- en parkeerplaatsen. Maar ik had een excuus; nog steeds zijn de hogere zandgronden, en algemener gesproken het Zuiden en Oosten van beide landen, zeer schaars bedeeld. Daar moeten wij het toch nog grotendeels doen met gewoon Straatgras.

Een frisse pol Straatgras op 7 januari 2018; een goed begin van een nieuw jaar

Normaliter schrijf ik vervolgens graag ook nog iets over het onderscheid tussen de twee soorten, maar niet zo lang geleden heeft Niels Eimers het woord al verspreid in een prachtig tabelletje op waarneming.nl. Voor deze keer verwijs ik dus graag door naar https://waarneming.nl/species/129155/

Rest mij nog iedereen een fijn 2019 toe te wensen en dat uw eerste waarneming in 2019, om 1 over 12 bij het licht van het vuurwerk, het Straatgras moge zijn.

Plat handjesgras voor de vierde keer in Rotterdam

Op 14 augustus 2018 onderzochten we met de Rotterdamse Florawerkgroep een kilometerhok in Rotterdam IJsselmonde, een woonwijk rond een winkelcentrum. Zoals gebruikelijk gingen we in twee groepen uiteen en troffen we elkaar weer bij het startpunt toen het begon te schemeren en bespraken onze bijzondere vondsten en puzzels.

De anderen had een bijzonder gras gevonden: het leek op Vinger- of Handjesgras maar ze konden het niet helemaal thuis brengen. Het stond op diverse plekken tussen de stoeptegels van een straat die net opnieuw was ingericht. Toen ik een exemplaar kreeg aangereikt kwam de naam Plat handjesgras – Eleusine indica – direct boven. Ik had dit gras niet eerder zelf gevonden, maar er wel foto’s van gezien.

Plat handjesgras – Eleusine indica | foto: André de Jongh

Plat handjesgras was weliswaar voor onze groep nieuw, maar hij is al decennia eerder voor het eerst in Nederland gevonden: in 1955 voor het eerst op een vuilstort in Leeuwarden. Sindsdien is hij op 30 plekken verspreid over het land gevonden. Hij is niet bestendig, slechts in één kilometerhok is hij met een tussenpoos van enkele jaren opnieuw gevonden en het aantal vondsten neemt ook niet opvallend toe. In Rotterdam werd hij voor het eerst gevonden in 1968 en daarna in 2002, 2013 en 2018 [bron: Verpreidingsatlas]. De periode tussen de waarnemingen neemt af, maar of dat komt doordat hij echt vaker voorkomt of doordat er meer floristen rondkijken is onduidelijk.

Groepsgenoot André de Jongh is een paar dagen later terug gegaan naar de vindplaats om wat extra foto’s te maken. Hij hoorde toen van bewoners dat het gras was verschenen tijdens de straatwerkzaamheden en dat het zich niet beperkte tot de stoep, maar ook in hun tuinen was opgedoken en lastig weg te krijgen was.

Plat handjesgras – Eleusine indica  met alle aartjes aan een kant van een aaras| foto: Dick Hoek

Plat handjesgras is een C4-gewas. Dat betekent dat hij een vorm van fotosynthese toepast die is aangepast aan warme streken. In het Nederlandse klimaat kiemen C4 grassen later in het jaar dan onze inheemse grassen die C3-fotosynthese toepassen. Daarom zie je C4-grassen (zoals Europese hanenpoot, Maïs, vingergrassen, liefdegrassen, naaldaren en gierstgrassen), meestal pas in juli/augustus tot bloei komen.

In wat warmere streken is Plat handjesgras een algemeen, lastig onkruid in akkers met eenjarige gewassen. Maar hij vestigt zich ook in grasland en golfvelden en weet zich daar te handhaven omdat hij goed maairesistent is. Met zijn platte groeiwijze blijft een deel van zijn aren onder de maaibalk en kan hij zaadzetten. Vermoedelijk is het zaad in Rotterdam aangevoerd bij de wegwerkzaamheden, maar wat daarbij de bron is geweest is niet duidelijk. Het is niet waarschijnlijk dat de zaden nog in de bodem zaten want de zaden van dit gras zijn maar een paar jaar kiemkrachtig.

Ik ben benieuwd hoe lang het duurt voor we dit grasje weer in Rotterdam aantreffen.

Een zich ontvouwende bloeiwijze van Plat handjesgras – Eleusine indica | foto: André de Jongh

Sorghum, Sorgo

Sommige grassen spreken qua naam al tot te verbeelding.  Sorgo.  Waar komt die naam vandaan?  C.A. Backer weet het niet.  Google ook niet, dus dan klopt dat.  In België en Nederland groeien er twee soorten. De één is een graangewas uit Afrika en heeft als officiële Nederlandse naam Kafferkoren (S. bicolor).  Ik ga die links laten liggen. De ander is een mysterieus overblijvende: Wilde sorgo. Dat mysterieus komt vanwege haar verspreiding. Ik ken het uit tuinen, langs snelwegen, op een dijkje, bij graantransport en recent van opgebrachte grond.  Hoe komt die plant daar?

Ik zette het in mijn eigen tuin omdat ik er een jonge plant van vond op opgebrachte grond te Genk die ik niet direct herkende.  Ik vermoed dat ik de enige ben met deze afwijking, dus in andermans tuinen is de oorsprong vast anders. Zou men het hebben gekocht? Of zit het stiekem tussen de mezenzaadjes?  De plant kan wel decoratief zijn, maar ik vermoed niet voor lang als ze flink gaat uitbreiden. In een tuincentrum zag ik hem nog nooit aangeboden.

Nu het zo droog is, is het de enige plant die vrolijk blijft in mijn tuin. Hij viel me ook al op op een inmiddels oude groeiplaats in de haven van Gent. Alles was vrijwel verdord, behalve de Wilde sorgo (Sorghum halepense).   Het is ook geen kleine plant en heeft relatief breed blad dus petje af voor deze droogteresistentie.  De plant moet ook nog even, want normaal komt ze pas in augustus en september in bloei.  In Gent was ze dit jaar begin juli al bezig.

Wat zoekwerk naar de plant leidt gedeeltelijk naar een antwoord op de vraag naar haar voorkomen. De plant komt oorspronkelijk uit het mediterrane gebied, maar is ook hier voornamelijk een onkruid die reageert op menselijke activiteit.  Ook daar staat ze in wegbermen en op omgewerkte plaatsen. Zo is ze dus, eenmaal aangevoerd, redelijk gemakkelijk ook in ander werelddelen gevestigd en zal ze ook niet zo maar weer verdwijnen.

Een bosplant in de stad

Geschiedenis lezen aan planten. Dat was de titel van een lezing op de FLORONdag in december 2017, door Piet Bremer. Nu houd ik best wel van geschiedenis èn van planten, dus was ik meteen geïnteresseerd. Bovendien deed de titel me onmiddellijk denken aan een gras in het centrum van Zoetermeer. Piet Bremer vertelde dat de flora in een gebied gerelateerd kan zijn aan gebeurtenissen uit het verleden. Bekend voorbeeld is natuurlijk de stinsenflora. Ik kijk niet gek op als ik sneeuwklokjes vind in het jonge Balijbos, net buiten Zoetermeer. Daar stonden vroeger boerderijen.

Midden in de stad, aan de ene kant de oude Dorpsstraat en aan de andere kant het nieuwe stadshart, staat aan de rand van een parkeerterrein, in het groen, een flinke hoeveelheid Reuzenzwenkgras (Festuca gigantea).

Als je denkt de grassen in Zoetermeer een beetje te kennen, kijk je heel raar op bij deze soort.

Reuzenzwenkgras is een behoorlijk fors gras, tot wel 1,5 m hoog, de bladschijven kunnen 50 cm lang zijn. Tijdens de bloei hangen de grote pluimen sterk over naar één kant. De glanzende bladeren draaien  een halve slag zodat halverwege het blad de onderkant juist de bovenkant wordt.

De bladschijf draait zich om zodat de onderkant boven komt.

Het is een bosplant die je in onze regio niet snel zult aantreffen.

De plek waar het Reuzenzwenkgras staat, heet in Zoetermeer: het Pastoorsbos. Het ‘bos’ ligt achter de katholieke kerk aan de Dorpsstraat, met een heel klein kerkhofje er aan vast. En dit gras is het bewijs dat hier al heel lang een bos is! Het leuke aan deze plek is dat de grond daar eeuwenoud is. Vanwege de bijzondere situatie is het veen hier nooit afgegraven, en is deze plek godzijdank ontsnapt aan de nieuwbouw. Dit soort plekken hebben we maar weinig in Zoetermeer, maar je vindt er de leukste planten.

Waar het Pastoorsbos ook helemaal vol mee stond: Sneeuwklokjes. Helaas moest het bosje vorig jaar worden ’aangepakt’, en is het inmiddels omgevormd tot een modern parkje. De Sneeuwklokjes zijn helaas flink in aantal achteruit gegaan. Hopelijk herstellen ze zich snel.

Tja, de plant waar het hier om gaat is dus eigenlijk helemaal geen stadsplant. Maar wel een leuke vondst in een historisch stukje van de stad. En zulke historische plekjes horen er toch ook bij?

De bloeiwijze.

 

 

Hard gras

Jarenlang ben ik langs de plek gelopen zonder dat het me direct was opgevallen. Het was de route die ik wel eens liep als ik de kinderen naar de basisschool bracht en haalde. Een keer was ik wat te vroeg bij het ophalen en keek ik eens goed in de hoeken en gaten van wat straten. Wat ik zag was rood aangelopen gras zo in de nazomer. Raar zag dat eruit zeg. Stukje gepakt, voelde stug aan. In mijn zak gedaan om thuis te determineren. Niet een heel lastig gras om te determineren, bleek al snel. Het bleek om Stijf hardgras (Catapodium rigidum) te gaan. Achteraf, verschrikkelijk veel op geslapen, op de camping in Zuid-Frankrijk.

Best wel trots met deze melding van een gras dat vooral in de Zuid-Limburg van nature voorkomt en verder nogal eens wordt gemeld in het westen van het land, waar het zich, naar het schijnt uitbreidt. Het lijkt een echte urbane soort te gaan worden.

Stijf hardgras langs een muurtje

Het plekje heeft sindsdien mijn warme belangstelling en ook mijn waakzame blik. Op een zaterdag, onderweg naar de supermarkt, zag ik dat de bewoners van het huis waar het grootste deel van de populatie staat, ‘onkruid’ aan het weghalen waren. Alvast excuses voor de stereotypering. Een man met ontbloot bovenlijf en vol met tatoeages was daar naast de ‘wilde rozenstruik’ en de hogere kruiden ook de complete populatie Stijf hardgras aan het verwijderen. Gelukkig was ie net begonnen met de ‘makkelijk’ te verwijderen soorten: Canadese fijnstraal en de hogere grassen. Ik knoopte een praatje aan en wees hem op het gras. Tot mijn verbazing -nooit oordelen is het devies- was hij heel geïnteresseerd en vond het leuk dat er een bijzondere soort stond en zou het zeker laten staan. Eigenlijk was hij best wel trots en blij dat ik hem erop  had gewezen.

Daarmee was de bedreiging nog niet geweken, bleek even later. Ik werd namelijk via via benaderd door een ecoloog die een ‘quickscan’ in mijn wijk aan het uitvoeren was. Delen van de bestrating in de wijk zouden namelijk ‘gerenoveerd’ worden en hij vroeg mij of ik bijzondere elementen kon aanwijzen. Nou dat kon ik wel en dan met name deze populatie Stijf hardgras.

Een paar weken later kreeg ik van de stadsecoloog een schrijven met daarin het plan voor het gebied waar het hardgras staat. Het plan was de tegels te verwijderen, de toplaag en vooral het zand tussen de voegen apart te houden en er na bestrating weer overheen te strooien. Dit alles, ruim na de zaadzetting te realiseren.
Dit is inmiddels alweer ruim jaar een geleden, én het staat er weer, bijna net zoveel als voor de ingreep.
Tegenover deze bewuste plek bleek nog veel meer Stijf hardgras staan. Altijd stond daar namelijk een auto; althans als ik er langs kwam. Toen deze eens weg was zag ik nog eens honderden planten staan. En verderop in een onbeduidend gangetje nog meer, een voor mij nieuw onderdeel van de populatie.

Het mooie aan dit verhaal is dat ‘wetenschap van het volk’ , citizen science zoals dat zo mooi heet, ten goede en tevens zichtbaar gebruikt wordt voor het behoud van bijzondere elementen.

Bedrijventerrein vol zilveren boeketjes

“Zwenkdravik is de mooiste plant van de avond” zei ik toen we de avond van 2 mei met zeven leden van de Rotterdamse Florawerkgroep een stuk van bedrijventerrein Spaanse Polder hadden geïnventariseerd. We stonden nog wat ervaringen uit te wisselen en puzzeltjes op te lossen. De anderen waren het eens met mijn keuze: de mooie zilverige boeketjes die op diverse plekken tegen de muren van bedrijfspanden of bij lantaarnpalen waren iedereen opgevallen.

Zwenkdravik (Anisantha tectorum) is een nauwe verwant van de algemenere IJle dravik (Anisantha sterilis). Zwenkdravik blijft kleiner en heeft een compactere bloeiwijze die naar één kant overhangt: een stoffer zonder blik. Beide soorten houden van warme, stikstofrijke, kalkhoudende zandgrond. Omdat het eenjarigen zijn, moet er genoeg verstoring zijn zodat ze een plekje hebben om te kiemen. Zwenkdravik staat nog iets warmer en droger dan IJle dravik en komt daarom vooral in de duinen en de steden voor. De bodem in Rotterdam is van oorsprong meestal niet kalkhoudend, maar door het aanvoeren van zand bij het bouwen en bestraten is op heel veel plekken de bodem wel kalkhoudend.

Wat betreft determineren: dit jaar ontdekte ik dat Zwenkdravik aan de voet van de stengel een pyamastreepje heeft, net als de bekende Gestreepte witbol (Holcus lanatus). We vonden een vegetatief (=niet bloeiend) gras op een oud spoorwegemplacement en probeerden het op naam te brengen. We zagen pyamastreepjes en zachte beharing, maar we hadden ook het gevoel: “Dit is geen Gestreepte witbol”. Waarschijnlijk hadden we hem wel met de vegetatieve sleutel uit de flora op naam kunnen brengen, maar dat bleek niet nodig omdat we wat verderop een pol vonden die verder was uitgegroeid en duidelijk maakte dat het Zwenkdravik was. Maar, voordat je bij ieder pyamagras in de stad denkt dat het Zwenkdravik is: ook IJle dravik blijkt een gestreepte voet te hebben.

Als Zwenkdravik wat verder in zijn bloei is verliest hij zijn zilverige charme van dit moment en wordt het een warriger pluim, maar het blijft een leuk gras om te vinden.

Zwenkdravik – (Anisantha tectorum) op bedrijventerrein Spaanse Polder in Rotterdam

 

Zwenkdravik – (Anisantha tectorum): in de zomer, als hij uitgebloeid is. De naalden van de kafjes hebben weerhaakjes waarmee ze in vachten van dieren of kleding van mensen kunnen blijven hangen.