Home » algemene planten

Categorie: algemene planten

Sla, niet alle soorten zijn geschikt voor salade

In Nederlandse zijn diverse soorten Sla te vinden. In onze salade zitten meestal alleen maar variëteiten van Sla (Lactuca sativa). Er zijn echter diverse andere Slasoorten uit hetzelfde geslacht en ook nog diverse soorten uit andere geslachten. De soorten uit de andere geslachten worden vanwege hun gelijkenis ook Sla genoemd, maar zijn dit zeker niet. Denk hier bijvoorbeeld aan Muursla (Mycelis muralis), Veldsla (Valerianella lucusta), Korensla (Arnoseris minima), Watersla (Pistia stratiotes) en Grote bergsla (Cicerbita macrophylla). Op Veldsla na, een soort die ook wel gecultiveerd wordt, zijn deze soorten niet eetbaar.

Er zijn ook vijf “echte” Slasoorten, soorten uit het geslacht Lactuca. Vroeger kwam Wilgsla (Lactuca saligna) voor in het kustgebied en langs de Maas in Zuid-Limburg. Deze soort is voor het laatst in 1982 gevonden. Deze soort dankt haar naam aan de smalle, gaafrandige stengelbladen. Zeer sporadisch  wordt de adventieve soort Strandsla (Lactuca tatarica) aangetroffen, de enige soort uit het geslacht met blauwpaarse bloemen. Deze soort dankt haar naam aan de vindplek (Rottumeroog) waar de soort een tijd lang ingeburgerd is geweest. De soort is hier inmiddels weer verdwenen, maar is nog een vijftal keer aangetroffen in het binnenland. Verder komt de zeer algemene Kompassla (Lactuca serriola) in het gehele land voor, al was deze voor 1960 nog zeer zeldzaam. Kenmerkend aan deze soort is dat de stengelbladen een kwartslag draaien, waardoor de plant de vorm krijgt van een “richtingbord”. Op elk blad zou je de naam van een dorp/stad kunnen schrijven waar het blad naar toe wijst. Mogelijk dankt de soort hier haar naam aan, ik weet het niet, ik kon het niet vinden. Er worden twee vormen onderscheiden, een vorm met veerdelig ingesneden blad (forma. serriola) en een vorm met normaal blad (forma. integrifolia). Kompassla kan relatief gemakkelijk met Sla kruisen en vormt dan een fertiele (vruchtzettende) hybride.

Een prachtig rozet van Gifsla, hier met een diameter van ongeveer 60 cm.

Dan kom ik uiteindelijk aan bij de laatste soort, Gifla (Lactuca virosa), een zeldzame, maar toenemende soort. Deze soort duikt op diverse plekken in het land op, maar is inmiddels ingeburgerd op bepaalde plekken in de duinen, voornamelijk Meijendel en Texel,  en in oude steden. Zo is de soort inmiddels te vinden in Nijmegen, Wageningen, Groningen, Den Haag, Maastricht, Leiden en Breda. Gifsla is een soort die tijdens bloei sterk op Kompassla lijkt en in rozetvorm vaak niet herkend wordt. De soort is daarom mogelijk op meer plekken nog te ontdekken. De plant maakt gigantische rozetten die de gehele winter aanwezig blijven. Twee weken geleden ,tijdens een Eindejaars Plantenjacht, ontdekte ik een nieuwe vindplek in Nijmegen, waarbij ik maar liefst 45 rozetten telde. Het grootste rozet had een diameter van zo’n 80 cm. Behalve de grootte van de rozetten, verschilt Gifsla van Kompassla door de niet-gedraaide stengelbladen, de kleinere stekels op de middennerf van de bladonderzijde en door de andere vorm en kleur van de nootjes (de vruchten/zaadjes). De nootjes zijn groter (4-5 x 1,5-2 mm) dan bij Kompassla (3 x 1 mm), donker paarszwart (niet lichtbruin), breed gerand (niet smal gerand) en volledig kaal (niet kort behaard aan de top). Met een beetje ervaring zijn de twee soorten echter met relatief gemak te onderscheiden. In het jaar 2000 is de soort gemeld in 32 km-hokken, inmiddels is de soort gemeld in 166 km-hokken. Ik ben benieuwd of de soort nog sterker toe gaat nemen de komende jaren. Doe de soort echter niet in je salade, want het melksap heeft een vergelijkbare werking als opium en is in hoge dosis giftig.

De donkere, paarszwarte, breedgerande nootjes van Gifsla.
De onderzijde van de middennerf bevat kleine stekelhaartjes.

Ondergronds

Straks als de winter ten einde is, met deze temperaturen al snel, zie je overal de eerste planten tevoorschijn komen. Vaak zijn het stinsenplanten die als eerste bloeien. In elke stad is wel een heemtuin of iets dergelijks te vinden waar deze planten voorkomen. En ik kom hier in Gouda ook regelmatig in de berm een stinsenplant tegen. Wat stinsenplanten precies zijn daar zijn boeken over vol geschreven. Een beknopte omschrijving staat op https://www.plantennamen.info/nader-uitgelegd/wat-zijn-stinzenplanten Maar daar gaat het hier niet om. Er verschijnen Sneeuwklokjes op plekken waar ze helemaal niet gepoot zijn! Ook bijvoorbeeld Vogelmelk (Ornitholagum umbellatum) of Daslook (Allium ursinum) lijkt overal heen te wandelen. Zeker de beginnende plantenliefhebber snapt hier niks van. Ik kom soms stinsenplanten tegen waar ik ze nog nooit gezien had. De verspreiding van planten vindt toch plaats met behulp van insecten? Ja, heel vaak wel. En een beetje nee.

 

Daslook bloeit in het voorjaar

Het antwoord is al snel gevonden op internet, het mierenbroodje! Wikipedia zegt het volgende: aan de onderzijde van de zaden zit soms een vlezig aangroeisel dat mierenbroodje wordt genoemd. Mierenbroodjes komen bij veel meer plantenvruchten voor. In België en Nederland zijn zo’n 200 plantensoorten bekend die zaden met een mierenbroodje hebben. Zij bevatten een olieachtige stof die zeer aantrekkelijk is voor mieren. De mieren slepen de zaadjes mee en leveren zo een bijdrage aan de verspreiding van de planten.

 

Mieren zijn dus voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de verspreiding van onze flora. Natuurlijk zijn die insecten zeer belangrijk en moeten wij oprecht ons zorgen maken over de zeer snel afnemende hoeveelheid daarvan. Maar er zijn verschillende manieren voor een plant om zich te verspreiden.

De volgende lijst geeft ongeveer een beeld van de mogelijkheden:

  • Met behulp van insecten. Veel Lipbloemige en veel Schermbloemige.
  • Door middel van klitten of kleven. Denk bijv. aan Grote klit of Kleefkruid.
  • Door de lucht. Bijv. de Paardenbloem of de Gele morgenster.
  • Via spijsvertering van dieren. Bijvoorbeeld Heideplanten of Maretakken.
  • Springen of schieten Een invasieve exoot Springbalsemien maar ook Ooievaarsbek is een voorbeeld.
  • Over water. Bijv. Gele lis of de Witte waterlelie.
  • Het mierenbroodje. De hierboven genoemde Sneeuwklokjes maar ook de Paarse dovenetel (https://www.stadsplanten.nl/2019/01/paarse-dovenetel-gesloten-bloemen-en-mierenbroodjes/)
  • Klimmen/ranken. Denk aan Haagwinde of Heggenrank
  • Vegetatieve vermeerdering. Bijv. Heermoes of de zeer agressieve Japanse duizendknoop

 En dan zijn veel plantenzaden ook nog eens beperkt kiemkrachtig. Van enkele maanden tot meer jaren. Als je dan ook nog eens ziet dat de grond waar dit zaad neerkomt ook nog eens geschikt moet zijn qua bodemgesteldheid en de aanwezigheid van de juiste schimmels (zie mijn vorige stukje, Stadsschoonheden https://www.stadsplanten.nl/2019/02/__trashed-2/) dan mag het wonder heten dat planten zich verspreiden. Waar ik nieuwsgierig naar ben is of de insectenuitsterving bovengronds net zo erg is als ondergronds. Is hier ooit onderzoek naar gedaan? Het mierenbroodje blijkt best belangrijk. Ik heb meer keren gelezen dat zo’n 200 plantensoorten profijt hebben van deze verspreiding.

Van kust naar binnenland

Van kust naar binnenland.

Wat heeft dat met de stad te maken kan worden afgevraagd? Onder binnenland valt ook binnenstad. Wat betreft Deventer ligt dat behoorlijk ver in het binnenland. Wat betreft planten zijn een aantal typisch kustsoorten tot in de binnenstad te vinden.  Denk bijvoorbeeld aan een typische kustsoort als Deens lepelblad.
Voor de nog uit te geven Stadsflora van de Lage landen had de schrijver mij gevraagd om eens wat gegevens te gaan bekijken van een aantal soorten, waaronder Deens lepelblad (Cochlearia danica). Uiteindelijk is deze soort als een van de soorten die wat extra aandacht krijgen uit de selectie gevallen. Ik was echter al aan de slag gegaan en vond het zonde om die inspanning niet om te zetten in, bijvoorbeeld, een bijdrage aan deze blog.
Deens lepelblad is in Deventer al bijna in de oude binnenstad aanwezig, zoals de volgende foto laat zien.

Deens Lepelblad
Deens Lepelblad op de rand van het stadscentrum (Handelskade) in Deventer. 500 meter in de kijkrichting is de singel rondom het centrum van Deventer.

Data over verspreiding van Deens lepelblad

De vraag van de schrijver van de Stadsflora van de Lage Landen was: is het mogelijk om verspreidingskaatjes van soorten te maken in zowel Nederland als Vlaanderen? De Stadsflora van de Lage landen behandelt naast Nederlandse stand ook een aantal steden in Vlaanderen. Aanvullende vraag was: is het mogelijk om een aantal overzichtskaartjes te maken van de verspreiding in de tijd van die soort in zowel Nederland als Vlaanderen? Dat zijn de leuke vragen voor een florist met GIS ervaring. Maar waar haal je de data vandaan? Eigenlijk is er maar een bron die open data beschikbaar maakt en dat is de GBIF, ofwel de Global Biodiversity Information Facility. Via GBIF is het mogelijk om gegevens van een bepaalde soort te downloaden voor een bepaalde periode voor een opgegeven interessegebied. Nu, Nederland en Vlaanderen dan maar. Tot mijn verbazing gaan de oudste gegevens terug tot 1850 voor Vlaanderen. Die standaardisatie heeft als voordeel dat alles geüniformeerd is, dus ook het coördinaatstelsel. Hier wordt verder niet op ingegaan omdat dat totaal niets met de soort te maken heeft, maar het maakt voor het maken van kaartjes nogal wat uit, het maak het gemakkelijker.

Die gegevens maken het mogelijk om in de tijd te gaan kijken wat er gebeurd in termen van verspreiding. Deze optie is ook in de verspreidingsatlas te vinden is. Met het schuifje aan de linkerkant van de kaart is het mogelijk door de ‘tijd te lopen’. Alleen ben je als gebruiker dan wel afhankelijk van wat er in Nederland gebeurd. Goed, als je een beetje handig bent is het mogelijk om dat van de soort over de hele wereld te doen, of zoals in dit geval, voor Vlaanderen en Nederland. Dan valt op dat Deens lepelblad rond 1900 alleen aan de kust werd gevonden. In Nederland alleen op Texel en vanaf 1850 zijn waarneming in de GBIF database voor Vlaanderen beschikbaar.

Alle kaartjes toevoegen aan deze blog is een beetje saai. Echter een aantal kaartjes achter elkaar geplakt, maakt een filmpje. Ik geloof het eerste filmpje op deze blog. Planten bewegen, zij het in de tijd en niet als individu, maar als soort.
Hieronder een video van de verspreiding van Deens lepelblad over Nederland en Vlaanderen van 1900-2020.

Eigenlijk gebeurd er de eerste 60 jaar niet veel. Een paar waarnemingen langs de kust. Dan gaat het snel. Vanaf 1970 is op grote schaal gladheidsbestrijding gestart met als gevolg dat het voor planten, met een zekere zouttolerantie, mogelijk wordt om naar het binnenland te migreren. Dat geldt ook voor Deens lepelblad.
Er is slechts een maar aan die data van GBIF. De gegevens zijn geaggregeerd naar 4 km resolutie. Ofwel, eigenlijk zie je de snelwegen er niet echt goed uitkomen, dat is wel een beetje jammer. Als wordt ingelogd op verspreidingsatlas.nl en er wordt naar 1 km hok niveau geschakeld, dan is heel duidelijk te zien dat verspreiding langs snelwegen gaat, zoals bijgaande figuur laat zien.

Verspreidingskaartje Deens Lepelblad
Verspreidingskaartje Deens Lepelblad (1975-1999)

De soort

Deze laagblijvende en witte kruisbloemige kwam tot voor 1950 vrijwel uitsluitend voor langs de kust. Deens lepelblad is door zijn standplaats, voedselrijke, iets zilte, vaak kalkhoudende grond, van de twee andere soorten lepelblad de meest voorkomende. Echt lepelblad (Cochlearia officinalis subs. officinalis) en Engels lepelblad (Cochlearia officinalis subs. anglica) hebben striktere eisen en gaan vooral achteruit door verzoeting (Bron: verspreidingsatlas).

In het kustgebied is het mogelijk de drie soorten tegelijk aan te treffen. Dan is het zaak goed te kijken naar de kenmerken, die hieronder in een tabel zijn samengevat (bron verspreidingsatlas.nl).

Zoutplant of zouttolerant?

Vaak wordt de term zoutplant gebruik. Echter, zout is ronduit giftig voor alle organismen en er zal altijd voor gezorgd worden dat zout buiten de cellen blijft. Dat er dan toch planten kunnen groeien op plaatsen met veel zout, heeft te maken met verschillende strategieën die planten hebben om dat zout kwijt te raken of te voorkomen dat het vocht onttrekt aan de cellen.  Planten die dat goed kunnen hebben een voorsprong op andere planten waardoor hun concurrentiepositie toeneemt en deze soorten op plaatsen met zout net iets beter groeien en zich voortplanten dan andere soorten. Dat geldt zeker ook voor Deens lepelblad, gezien het succes tot ver in de binnenstad.

Klimopbij erbij

Klimop (Hedera helix) is een stadsplant die zich in mijn bijzondere belangstelling mag verheugen. Dat heeft alles te maken met mijn belangstelling voor insecten; wilde bijen en wespen in het bijzonder.

In de stad is klimop de laatste jaren toegenomen, is mijn indruk. De reden is dat klimop als onderdeel van tuinafscheiding in de mode is geraakt. Al heel simpel is wat betonijzer tussen twee palen gezet en dan klimop ertegenaan. Min of meer gelijktijdig arriveerde een zuidelijke bij, de klimopbij (Colletes hederae) in Limburg. We spreken over 10 jaar geleden. Vanuit Limburg begint de klimopbij een gestage opmars naar het Noorden. In 2017 trof een collega de eerste in een plantsoen in Breda aan. In 2018 vond ik de eerste in mijn tuin, en in dat zelfde jaar werden door mij en anderen tientallen klimopbijen in Breda gesignaleerd. De klimopbij is een forse bij, zo groot als een honingbij en lijkt er ook wel op. Je moet letten op de bandjes op het achterlijf. Die heeft de klimopbij wel en de honingbij niet.

De klimop moet wel bloeien voor veel insecten.

Klimop is uit ecologisch standpunt een belangrijke stadsplant. Vogels vinden er dekking in en vooral merels nestelen er graag in. Het is daar doorgaans veiliger voor katten dan in struiken en ook voor andere predatoren als eksters biedt klimop goede dekking.

Het is een waardplant voor het boomblauwtje, kolonies mieren lopen meters omhoog en omlaag om luizen te melken, er huizen vele soorten spinnen en kevers. Om klimop te laten bloeien moet je in ieder geval een deel niet snoeien. Bij voorkeur het deel dat in de zon staat, vaak de bovenkant.

Bloeit de klimop dan sta je verbaasd over de hoeveelheid insecten die wekenlang op de bloemen afkomt.

Het zoemt op zonnige dagen van jewelste: klimopbijen, blinde bijen, limonadewespen, hoornaars, diverse hommelsoorten, atalanta’s, aurelia’s, diverse graafwespen, sluipwespen, vleesvliegen, enz. In de winter tot in de vroege lente vormen de zwarte bessen voedsel voor lijsters en spreeuwen.

Heb je geluk, zoals ik, dan kun je in je eigen tuin ook nog de klimopbremraap scoren.

Klimopbremraap heeft een mooie, snel verwelkende bloem.
Klimopbremraap is ongeveer 10 cm hoog.

Trilgras

In de vorige stadsplantenbijdrage besprak ik slanke naaldaar (Setaria parviflora). De vindplaats is het KNSM-eiland, wat samen met het Java-eiland in het oostelijk havengebied van Amsterdam al decennia een hotspot is voor bijzondere plantvondsten. De twee eilanden, eigenlijk schiereilanden, waren ooit dé plek voor havenactiviteiten, maar die vielen in de loop der jaren weg door de opkomst van de luchtvaart en het stilvallen van de handel op de Oost. Dit desolate gebied werd vanaf het einde van de jaren zeventig in bezit genomen door krakers, kunstenaars en stadsnomaden. Nog geen 15 jaar later werd alles herontwikkeld tot een woonwijk.

Ondanks deze veranderingen bleef deze omgeving een plek om bijzondere soorten te spotten. Was ooit de scheepvaart de reden voor bijzondere vondsten, later gaf het massaal braakliggen genoeg plek voor allerhande soorten. Tegenwoordig wonen er mensen die geen behoefte hebben aan een steriel, schoongespoten en dito geborstelde straatbeeld. Integendeel; rijen plantenpotten en dito bakken, geveltuinen en overhoekjes geven wilde en verwilderde planten alle ruimte.

De gekste verwilderingen zijn hier te vinden alsmede de voorhoede van warmteminnende soorten uit het zuiden. Maar ik beperk me nu tot de grassen.

Aartje van groot trilgras

Zo worden er op deze twee schiereilanden naast slanke naaldaar meer bijzondere grassen gevonden zoals laksteeltje (Catapodium marinum), plat beemdgras (Poa compressa), knolbeemdgras (Poa bulbosa), rattenstaartgras (Sporobolus indicus), met duizenden exemplaren klein fakkelgras (Rostraria cristata) en al heel lang kransgras (Polypogon viridis). Kransgras is tegenwoordig niet meer zeldzaam te noemen, maar pas in deze eeuw begon de opmars in Nederland met het Java-eiland als een van de startpunten.

Groot trilgras gedijt ook op houten balken

Tenslotte wordt er ook nog groot trilgras (Briza maxima) gevonden. Deze soort is eigenlijk de enige bijzondere grassoort hier die een verwildering is. Ruim 20 jaar geleden ontsnapte deze soort uit plantenbakken en wist zich op straat en kademuur te vestigen. Net zoals ons inheems trilgras, bevertjes (Briza media), heeft het korte en afgeplat brede aartjes hangend aan dunne stelen die in bij het minste briesje al trillen: vandaar de namen. Ook de wetenschappelijk naam Briza houdt met het trillen verband. ‘Briza’ komt van het Griekse ‘brithó’ = ik balanceer, vanwege de zeer beweeglijke aartjes. Groot trilgras is in alles een maatje forser dan bevertjes, maar verder erg gelijkend. Het is een vroege bloeier die begin juni al geheel is verdord. Als plantelijkjes zijn ze echter tot in de herfst te vinden. Groot trilgras komt massaal voor op de kaderand, vooral tussen het straatmeubilair van de woonbootbewoners. Fietsrekken zijn ook een fijne en veilige plek. Ook op de houten balk, die voor de kademuur als stootrand fungeert, en op de dukdalven komt het weelderig voor.

En het groeit in spleten

Ooit ontsnapt uit plantenpotten, komt het in potten nu spontaan op als gewenst onkruid. De groeiplaats is een kleine 200 meter lang en vertoont al jaren geen uitbreiding. Het milieu lijkt verderop langs de kade identiek, maar wellicht zit het verschil in de bodem. Deze eilanden waren oorspronkelijk golfbrekers en zijn voornamelijk met slib uit de vaargeul verbreed en  opgehoogd. Het was ook een mooie plek om overtollige grond kwijt te raken en mijn vermoeden is dat op de groeiplaats andere grond is gestort en de bodem ter plekke wat kalkrijker is. Groot trilgras kwam tot eind de vorige eeuw alleen voor langs de kusten van de Middellandse Zee en de Atlantische kust tot in Frans Baskenland, met een paar voorposten in Normandië. Waarschijnlijk door de toepassing als siergras wordt de soort tegenwoordig sporadisch gevonden in een groot deel van Europa. Maar alleen in Engeland, Wales en Nederland lijken er bestendige populaties te zijn ontstaan.

Maar met vondsten in slechts 40 atlasblokken zijn dat er in Nederland nog niet veel.

Bron: https://www.verspreidingsatlas.nl/5612

Ook uitgedroogd, is groot trilgras nog te herkennen.

Vlinderstruik

Een regelmatig verwilderende struik in het stedelijk gebied is de vlinderstruik (Buddleja davidii). Iedereen kent hem tegenwoordig. Daar hebben de tuincentra en de Vlinderstichting in eendrachtige samenwerking wel voor gezorgd. Toch is deze exoot uit China pas een jaar of 20 zo alomtegenwoordig. Eind 19de eeuw is de struik naar Europa gehaald. Door kwekers is vooral na de tweede wereldoorlog een variëteit aan kleuren ontwikkeld en door vergrote afzet daalde de prijs van de struiken. Toen ook nog de Vlinderstichting de struik aanbeval als bijdrage aan het behoud van vlinders, werd daar door het publiek zeer ontvankelijk op gereageerd. In elke straat vind je nu wel een of twee vlinderstruiken. De plant zelf liet zich ook niet onbetuigd. Vanaf 1980 heeft de plant zich langs de spoorwegen en in de stad explosief vermeerderd.

Een struik die zijn biotoop vindt.

De vlinderstruik is een pionier van droge stenige terreinen en vormt daardoor nauwelijks een bedreiging voor inlandse planten. En inderdaad, de plant heeft bloemen die bij uitstek geschikt zijn voor vlinders. De bloembuis is lang en smal, waardoor alleen insecten met een lange tong bij de nectar kunnen. Vlinders hebben zo een lange roltong. De vlinders hebben dus geen hinder van zweefvliegen en honingbijen. Maar op de vlinderstruik is meer te zien dan alleen dagvlinders, ook nachtvlinders komen er graag: gamma-uil, koperuil, goudvenstertje, huismoeder, witstipgrasuil en nog veel meer nachtvlinders zijn er op te vinden.

Vlinderstruik in de stad

De struik heeft nog een aanpassing aan insectenbestuiving: van een onbestoven bloem is het hartje geel, en daarmee goed zichtbaar voor insecten. Na bestuiving wordt het rood, een kleur die insecten slecht zien.

De geslachtsnaam ‘Buddleja’ is afgeleid van de Engelse botanicus Adam Buddle. De soortaanduiding ‘davidii’ verwijst naar pater Armand David, een Franse missionaris in China, die echter ook bioloog was en een groot aantal nieuwe planten en dieren ontdekte. Zijn bekendste ontdekking is het Pater-Davidshert.

Vergelijking van twee raketten

“Ik zie veel vaker Hongaarse dan Oosterse raket” vertelden diverse floristen mij. Dat verbaasde me want mijn ervaring is precies omgekeerd: in Rotterdam vind ik in vrijwel ieder kilometerhok Oosterse raket (Sisymbrium orientale), en af en toe ook Hongaarse raket (Sisymbrium altissimum). Ik vroeg me af of mensen de twee soorten soms verwisselden; het zijn ten slotte allebei raketten met opvallend lange hauwen (vruchten). Maar, dat is niet heel waarschijnlijk want er zijn veel verschillen; als je ze een beetje kent zijn ze makkelijk uit elkaar te houden.

Hongaarse raket (Sisymbrium altissimum)

De Heukels flora geeft als belangrijkste verschillen:

  • Kelkbladen | Hongaarse: ver afstaand | Oosterse: rechtopstaand
  • Stengelbeharing | Hongaarse: onderaan ruw, bovenaan kaal | Oosterse: overal zachtbehaard
  • Bovenste bladeren | Hongaarse: met 2-5 paar smalle slippen | Oosterse: enkelvoudig of met 1 paar slippen
Oosterse raket (Sisymbrium orientale)

Dus keek ik maar eens naar de verspreidingskaartjes van beide raketten. Beide zijn exoten, maar wel ingeburgerd; ze doken ergens tussen 1850 en 1950 voor het eerst op in Nederland. Hongaarse raket kwam hier vanuit Oost Europa, hetgeen gelijk zijn Nederlandse naam verklaard; Oosterse raket uit het Middellandse zeegebied en de regio’s daaromheen,  dus vooral uit zuidelijke richting. Hoewel het beide pioniers zijn die houden van open, droge zandgrond, verschillen ze toch in standplaatsvoorkeur. Oosterse raket houdt ook van stenige standplaatsen. Dat verklaart dat hij zich makkelijker tussen de straatstenen nestelt en het goed doet in het stedelijk gebied. Hongaarse raket wordt in Nederland vooral gevonden langs spoorwegen, op industrieterreinen en in de duinen.

 

Verspreiding van Hongaarse en Oosterse raket in Nederland. De kaartjes tonen de km-hokken waar ze tussen 1990-2019 zijn gevonden. In de legenda zie je dat Hongaarse raket in ruim 3000 hokken was gevonden en Oosterse in nog geen 600 hokken.

Het rechter kaartje laat zien dat Oosterse raket tot nu toe een duidelijke voorkeur heeft voor randstedelijk gebied terwijl Hongaarse raket veel ruimer verspreid is. Den Haag, Rotterdam, Dordrecht en Amsterdam zijn goed op de rechter kaart te herkennen. Hongaarse raket is in vijf keer zo veel hokken aangetroffen. Dit maakt het aannemelijk dat mensen buiten de randstad vaker Hongaarse raket zien dan Oosterse raket.

Maar verklaren de kaartjes dan ook dat ik in Rotterdam meer Oosterse dan Hongaarse raket vind? Oosterse raket lijkt rond Rotterdam wel iets meer gevonden dan Hongaarse raket, maar het verschil op het kaartje is niet zo groot. Toen ik nog wat verder zocht vond ik waarschijnlijk de oorzaak van mijn ervaring: de trend van deze twee soorten.

Links zien we dat Hongaarse raket zijn hoogtepunt had rond 1995 en nu sterk afneemt. Oosterse raket fluctueert sterk, maar toont geen afnemende trend.

Tot mijn verrassing blijkt Hongaarse raket op zijn retour in Nederland; rond 1995 had hij een hoogtepunt en in 2018 was hij ten opzichte van 1990 met zo’n 75% afgenomen. Floristen met twintig jaar ervaring of meer hebben dus het hoogtepunt van de Hongaarse raket meegemaakt. Maar, ik inventariseer pas sinds 2011 en heb die piek dus niet meegemaakt en ervaar alleen de huidige situatie. Als we focussen op de laatste paar jaar zien de verspreidingskaartjes er zo uit:

Verspreidingskaartjes van Hongaarse en Oosterse raket van waarnemingen in alleen de jaren 2015-2019. Het meer Randstedelijke karakter van Oosterse raket is hier heel zichtbaar.

Hier is goed zichtbaar dat Oosterse raket in Rotterdam in de periode 2015-2019 veel vaker is gevonden dan Hongaarse raket. Het klopt dus dat buiten de randstad Hongaarse raket nog steeds algemener is dan Oosterse, want in dezelfde periode in twee keer zo veel hokken aangetroffen, maar het verschil is wel veel kleiner geworden. Veel floristen moeten waarschijnlijk wel hun beeld bijstellen over de algemeenheid van Hongaarse raket.

Oosterse raket (Sisymbrium orientale)

Een ster op straat en toch zo gewoon gebleven.

Gisteren kreeg ik een mail van de Aad, de coördinator van dit mooie blog: Zondag as. ben jij aan de beurt. Lukt dat nog? Ik was het helemaal vergeten maar beloofde hem op donderdag met een verhaal te komen. Dat werd snel een onderwerp verzinnen. Zouden er vergeten planten zijn? In zekere zin wel. Tussen al die stadsplanten die we hier bespraken ontbreekt een plant die heel veel voorkomt: Gewoon varkensgras (Polygonum aviculare).

Liggende stengels

Gewoon varkensgras is niet alleen een stadsplant, ook buiten de stad komt hij veel voor. Toch is het echt wel een plant die hoort bij de stad omdat het een tredplant is: hij vindt het heerlijk om betreden te worden. En dan zit je in de stad goed, vooral op de stoep en daar vinden we Gewoon varkensgras dan ook vaak. Hij groeit vanuit een voeg en breidt zich dan stervorming uit. De stengels wortelen niet op de knopen waardoor het dus als een los geheel op de stoep ligt. Die stengels kunnen ook nog aardig lang worden.

Hoewel de stengels van Gewoon varkensgras vaak over de grond kruipen is dat niet altijd het geval. Ze kunnen soms ook meer rechtop staan en dan tot 40 cm hoog worden. Eigenlijk is Gewoon varkensgras een zeer variabele plant waarbij ik het soms niet kan geloven dat het één en dezelfde plant is. De plant varieert sterk in grootte, soms zeer klein op plekken waar veel gelopen wordt tot vrij groot op voedzame plekken als bermen. Die variatie geldt alle onderdelen, dus ook voor de bloemen en de bladeren. De plant kan heel compact zijn maar ook het tegenovergestelde kom je tegen, waarbij er veel ruimte zit tussen de bladeren.

Veel ruimte tussen de bladeren

Gewoon varkensgras hoort tot de Duizendknopen. Dat betekent dat de plant tuitjes heeft, een vliezige structuur op de plek waar de bloemen aan de steel zitten. Die bloemen kunnen wit zijn maar ook rood en soms groenig. Ook hier dus variatie. Op de plek van de bloemen komen later de donkere vruchtjes.

De naam van de plant is wat vreemd, Gewoon varkensgras is helemaal geen gras. Volgens de website plantennamen.info werd de plant in de 16e eeuw veel gebruikt om varkens te genezen die niet wilden eten. Mogelijk werd ze samen met gras aangeboden. Ook werd een aftreksel daarvan gebruikt als middel tegen wormen. Ook nu nog wordt de plant als medicijn gebruikt.
De wetenschappelijke naam ‘Polygonum aviculare’ verwijst naar andere dieren, namelijk vogels (aviculare). ‘Polypogon’ betekent ‘veelknopig’. De Duitse naam past hier goed bij: Vogel-Knöterich.

De bloemen

Toch lijkt Gewoon varkensgras minder eenvoudig te zijn als het lijkt, er worden in de literatuur verschillende ondersoorten genoemd, de website van waarneming.nl noemt er zelfs vijf. Ik hou het voorlopig maar eenvoudig en laat dat splitsen maar over aan onze sterfloristen.

Eind van de middag na de regen loop ik nog even over straat om eventueel een extra foto te maken. Ik kan de plant echter zo gauw niet vinden, kennelijk geen echte overwinteraar. Tijdens de laatste Eindejaarsplantenjacht wordt hij nog maar op 6% van de lijsten gevonden.

Geel walstro – geschikt voor de bereiding van kaas of gebruik in de wieg

Normaal is Geel walstro geen plant die je snel in de stedelijke omgeving zult vinden. Het is een plant die gevonden kan worden in de duinen, in de bermen van wegen, weilanden, dijkhellingen en droge zandgronden. De laatste jaren wordt Geel walstro echter vaak in de stad aangetroffen. Dat komt omdat in toenemende mate wegbermen in steden worden ingezaaid met zaadmengsels die voor kleurrijke, bloemrijke wegbermen moeten zorgen. In veel van die zaadmengsels is Geel walstro opgenomen. Het blijkt dat Geel walstro zich vaak goed handhaaft in bermen waarin niet langer ieder jaar gezaaid wordt maar wel aan het eind van het jaar gemaaid wordt. Daarmee wordt het op sommige plekken toch een stadsplant.

De meest bekende walstrosoorten zijn Glad walstro, Ruw walstro, Geel walstro en Moeraswalstro. Zij behoren tot de “walstro- of sterbladigenfamilie”. Deze plantensoorten hebben als belangrijkste veldkenmerk dat de smalle bladeren in een krans om de stengel zijn ingepland. Die van Glad walstro en Geel walstro eindigen in een puntje. De stengels zijn rond en voorzien van vier fijne ribben.

Bij de walstrofamilie zijn de smalle bladeren in kransen rond de stengel ingepland

Bekende andere plantensoorten die wel behoren tot de walstrofamilie maar niet de naam “walstro” dragen zijn Kleefkruid en Lievevrouwebedstro.

Vanuit de berm zoekt Geel walstro zijn weg naar de straat

Geel walstro bevat een stremsel dat gebruikt kan worden bij de bereiding van kaas. Maar niet alleen het stremsel uit de plant wordt gebruikt bij het maken van kaas. Uit de bloemen worden kleurstoffen gewonnen die ook worden gebruikt in de kaasmakerij. In het Engelse graafschap Gloucestershire wordt een middelharde kaas gemaakt met de naam “Double Gloucester”. Deze kaas wordt gekleurd met kleurstoffen uit de bloemen van Geel walstro.

De naam ‘walstro’ is te herleiden tot het gebruik van walstro in het verleden in wiegen. Wal heeft dezelfde betekenis als wieg.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Mensenvriend

In een beetje ruig hoekje in de stad kom je het steevast tegen. Op zo’n plek waar je ook Brandnetels vindt, en Fluitenkruid: voedselrijke plekken. In praktisch elk kilometerhok in Nederland is het te vinden, en het is over de hele wereld verspreid, extreme omstandigheden uitgezonderd: Kleefkruid.

Je zou denken: iedereen kent het wel. Toch zijn er altijd wel weer mensen verrast als je demonstreert hoe Kleefkruid aan zijn naam komt. Hier hoef ik dat niet uit te leggen toch?

De wetenschappelijke naam is Galium aparine. Galium komt van het Griekse ‘gala’ en betekent ‘melk’. De planten van het geslacht Galium schijnen vroeger gebruikt te zijn om melk te stremmen. Kleefkruid werd vroeger ook wel door de verse melk gehaald om daar ongerechtigheden uit te vissen: alles blijft er immers aan vastzitten. Aparine komt ook uit het Grieks ‘apairo’ en betekent grijpen. Eigenlijk zou grijpkruid een betere naam zijn dan kleefkruid: er zit immers niets kleverigs aan de plant!

Kleefkruid behoort tot de Sterbladigenfamilie, evenals Lievevrouwebedstro en de walstrosoorten. De bladeren staan in kransen rond de stengel, meestal een krans van zes.

De bloemen zijn klein, ze worden hooguit twee mm. Iets opvallender zijn de ronde vruchtjes, met als bijnaam: hanenklootjes. Als je een vruchtje pelt, komen er ronde zaden als harde witte pareltjes tevoorschijn. Deze worden later zwart.

De vruchtjes met haakjes om zich te verspreiden door mee te liften met wie of wat dan ook.

Met zijn weerhaakjes die netjes één kant uit gericht zijn kan Kleefkruid vrij hoog klimmen, tussen struiken door bijvoorbeeld. Vindt hij geen steun om omhoog te klimmen, dan blijven de stengels laag en vormen zo een soort tapijt over de lage planten.

De stengels zijn gemakkelijk te breken en los te trekken, maar ik verbaas me er altijd over hoe vast de wortel in de grond zit. In het najaar zie je al jonge planten verschijnen, die in de winter prima overleven om het volgend jaar weer bloemetjes te geven.

Het zou goed kunnen dat klittenband uitgevonden is door naar deze plant te kijken maar daar zou je ook de vruchten van Geel nagelkruid, Groot heksenkruid of Klitten voor kunnen bekijken.

Ik hoor vaak dat mensen een hekel hebben aan Kleefkruid, maar ik las dat Dodonaeus, een 16e-eeuwse plantkundige en arts, schreef: men noemt deze plant een mensenvriend, omdat hij aan iedereen blijft vastkleven. Tja, zo kun je het ook bekijken!

De bloem heeft puntige kroonbladen. De bladeren staan in kransen. Alles voorzien van weerhaakjes.