Home » algemene planten

Categorie: algemene planten

Het kruipt waar het (niet) gaan kan.

Eén van de meest voorkomende planten bij mij in de stad is het Kruipertje (Hordeum murinum). Het is een plant die voor veel mensen geen problemen zal opleveren met de determinatie. Ik denk dat het ook een plant is die weinig aandacht krijgt van floristen. Zelf merkte ik dat ik geen fatsoenlijk Kruipertje in mijn fotoverzameling heb terwijl daar toch zo langzamerhand honderden soorten in staan. Daarom vandaag maar even deze foto gemaakt:

Even wat “feiten” op een rij: Kruipertje is een Gerstsoort (Hordeum), er groeien in ons land nog vijf andere gerstsoorten waaronder Kwispelgerst. Dat laatste vind ik wel erg grappig omdat Kruipertje bij hondenbezitters slecht staat aangeschreven, de naalden van de kafjes komen soms in de oren of ogen van de hond en kunnen daar lelijke ontstekingen veroorzaken. Daar valt dus weinig bij te kwispelen en kennelijk heeft Kwispelgierst dat niet …
In het verleden (of nog steeds?) werd het Kruipertje ook gebruikt om anderen te plagen. De aar of deel daarvan werd bovenin de trui gestopt en begon daar een langzame tocht naar beneden. Naar boven ging niet vanwege de weerhaakjes. Het slachtoffer moest dan de trui wel uit doen om de aar kwijt te raken.
Kruipertje is groen gekleurd, maar vaak tref je ook rood gekleurde exemplaren aan, die ik persoonlijk een stuk mooier vind. In de aar zitten steeds drie aartjes bij elkaar die ongeveer even lang zijn, de middelste is wat breder. Aan de bladvoet zitten oortjes en bovenop het blad groeien afstaande haartjes. Zie foto.

Oortjes

Ik zei het al, Kruipertje is een plant die niet zo tot de verbeelding spreekt. Op zo’n moment springen floristen de plant te hulp: er zijn ondersoorten. In ieder geval twee stuks: subsp. leporinum en subsp. glaucum. Ik kwam daar achter via een bericht op Twitter. Het ging daar om subsp. leporinum die door iemand gevonden was. Ik kende de ondersoort niet en besloot op zoek te gaan naar deze plant. In ieder geval leek deze ondersoort rood te zijn. Gelukkig trof ik al gauw een prachtige groep rode Kruipertjes aan. Helaas bleken dat gewoon Kruipertjes te zijn. Korte tijd later had ik succes en vond ik de ondersoort in Rijswijk.

“Gewone” rode Kruipertjes.

Het onderscheid tussen soort en ondersoort is op zich wel duidelijk, maar je moet er even de loep voor pakken. Het middelste aartje van leporinum is een stuk korter dan de twee buitenste en daarnaast heeft het middelste aartje van leporinum een steeltje van meer dan 0,6 mm. Op de foto’s is het aardig te zien.

Middelste aartje van Hordeum murinum ss leporinum is kleiner dan de buitenste twee.
Het steeltje van leporinum is groter dan 0,6 mm.

Kortom, ik raad iedereen eens op zoek te gaan naar Hordeum murinum subsp. leporinum. De plant kruipt daar waar hij gaan kan.

 

Boompjes

Elk jaar gebeurt er in de meimaand iets dat niemand doorheeft. En juist in de tijd dat iedereen weer buiten in de tuin gaat klussen. De hogedrukspuit wordt weer van stal gehaald en alle voegen worden met een straal water van 380 liter per uur en met een kracht van 120 bar schoongespoten. Zonde! Want juist in deze maand begint de Veldereprijs (Veronica arvensis) te bloeien, in elk denkbare voeg of hoekje waar iets zou kunnen groeien. Eerst vormt zich een soort boompje met groene blaadjes. En als bonus krijgen deze boompjes aan de top een fel  blauw bloemetje. Alleen goed te zien als je door de knieën gaat. Want anders is er niets noemenswaardigs te zien. En juist die moeite doen deze ijverige schoonmakers niet. Daarom zien zij alleen een groen onkruidje tussen hun net gekochte superstrakke tuintegels. Ook de medewerkers van de gemeente met hun maaimachines om goed bij de paaltjes, lantarenpalen e.d. te kunnen, ontzien dit plantje niet. Jammer!

Veldereprijs groeit als een kleine boom.

Veldereprijs is een van de vele ereprijzen waarvan je in de stad ook kunt zien: Draadereprijs, Gewone ereprijs, Tijmereprijs en soms een typische stadsplant als zoals Aarereprijs.

Het woord ‘veld’ in Veldereprijs doet vermoeden dat dit plantje alleen midden in het veld te vinden is. Hier klopt natuurlijk niks van. Een betere naam zou zoiets als Vroege ereprijs kunnen zijn. Het woord ereprijs is ontleend aan Duits Ehrenpreis ‘ereprijs’ [15e eeuw], een samenstelling van Ehre ‘eer’  en een afleiding van preisen ‘prijzen, loven’. Geneeskrachtige planten als de ereprijs worden vaak geroemd om hun werking.

Maar ondanks, dat dit voor beginnende floristen een geslacht is dat vele soorten kent en dus verwarrend kan zijn, is dit juist zo’n leuk plantje. Het groeit waarschijnlijk naast de voordeur.

Hertshoornweegbree, van zoutminner naar… stadsminner, naar …sterrengras

Hertshoornweegbree op een verlaten spoor
Hertshoornweegbree op een heringericht industrieterrein in de binnenstad van Deventer

In haar bijdrage van februari 2020 heeft Willemien Troelstra de term Stoeptegelspleetplant geïntroduceerd. Een groot aantal stedelijke soorten behoort tot deze categorie planten. Er is immers geen andere verbinding met de ondergrond mogelijk anders dan de voegen tussen de diverse soorten bekleding. Hertshoornweegbree (Plantago coronopus) is er ook vaak te vinden zoals hier langs een oud deel van een spoorbaan op een reeds lang verlaten industrieterrein in de binnenstad van Deventer. Het terrein, met aan de rechterkant industriële complexen, is onderdeel van het gebied waartoe ook het vermaarde Pothoofd behoorde.

Een typische Natura-2000 soort volgens verspreidingsatlas. Kensoort van de Zeevetmuur-klasse, die de pionier plantengemeenschappen omvat die voorkomen op de grens van zout/nat en zoet/droog in het kustgebied (Bron: verspreidingsatlas).

bladeren Hertshoornweegbree
Bladeren Hertshoornweegbree

Sinds het grootschalig gebruik van pekelzout, ergens vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw, heeft deze soort van de kust kans gezien het binnenland te bereiken. Net als enkele anders soorten uit de genoemde pioniergemeenschappen. Deens lepelblad is een ander voorbeeld.

Hertshoornweegbree heeft het echter wat rustiger aan gedaan in vergelijking met die Deens lepelblad. Althans, daar lijkt het op. Ik heb niet dezelfde analyse gedaan, maar Hertshoornweegbree lijkt veel later het binnenland te hebben gekoloniseerd en langzamer. Echter wel een stuk rigoureuzer, afgaande op de verspreidingskaartjes. Waar Deens lepelblad alleen direct langs de grotere wegen voorkomt is, Hertshoornweegbree vrijwel overal in de stad te vinden. Tot in het stadscentrum van Deventer, de Brink aan toe. Hertshoornweegbree kan eigenlijk overal wel worden gevonden, is de ervaring. Ook op plekken waar naar verwachting niet met zout wordt gestrooid, zoals plekken direct langs de rivier waar geen gemotoriseerd verkeer kan komen.

Hertshoornweegbree is zoals gezegd een weegbree, Plantago dus. De bloeiwijze vertoont veel gelijkenis met die van de veel gewonere Grote weegbree (Plantago major) en Smalle weegbree (Plantago lanceolata). Ook de gelijkenis met de veel zeldzamere Zeeweegbree (Plantago maritima) is groot.

In alle gevallen is ze gemakkelijk te herkennen aan de bladeren die zeker als ze wat groter zijn, voorzien zijn van zijslippen, die soms ook weer van zijslippen zijn voorzien, waardoor ze veerspletig zijn. De zijslippen geven hem zijn wetenschappelijke naam. Coronopus is latijn voor kraaienpoot wat in combinatie met Plantago (=voetzool) een bijzondere combinatie geeft, de zool van een kraaienpoot! De bladeren zijn het hele jaar door te vinden en vormen vaak rozetten die als groene sterren te vinden zijn.  De planten kunnen op onbetreden plaatsen best groot: in de breedte zomaar met een diameter van 30 cm, en tot 30 cm hoog worden.
Verspreidingsatlas stelt dat de planten ‘met mate betreding verdragen’, toch is deze overal te vinden, zelfs op druk belopen/bereden stukken. Groot wordt Hertshoornweegbree dan niet. Soms moet je door de knieën om hem te herkennen, zo klein zijn de plantjes dan.

Hertshoornweegbree tussen de kinderkopjes
Hertshoornweegbree tussen de kinderkopjes

Hertshoornweegbree kan zeer goed worden gegeten. In de Italiaanse keuken wordt het Erba Stella, Herba Stella of Minutina genoemd.  Het wordt geroemd om zijn mild notige smaak en een knapperige structuur. Het doet denken aan peterselie, spinazie of groene kool. De volksnaam is vrij vertaald ‘sterrengras’.
Vanaf 1586 wordt het genoemd als een groente. Het is een typische onderdeel van salades bestaande uit wilde en gecultiveerde groenten die bekend is onder de naam misticanza, ofwel wilde groenten, uit de Marche regio in het midden van Italië aan de Adriatische zee.

Het is een ideaal gewas om in onverwarmde kassen of zelfs in de volle grond in de wat koelere delen van de wereld te telen. Het verdraagt matige vorst en kan gedurende de hele winter in gematigde streken worden verbouwd.

De soort is inheems in Eurazië en Noord-Afrika en sinds de kolonisatie van Amerika ook in daar een voorkomende soort. De kolonisten gebruikten Hertshoornweegbree als medicinale plant tegen ‘koortsen’ en gebruikten de bladeren in gelatines.

Bron: seedaholic, motherearthnews

 

 

Olijven in stad

Iedereen kent de haagliguster (Ligustrum ovalifolium). Vroeger zag je hem meer, maar met de opkomst van de lage heggen, heeft de buxus vaak zijn plaats ingenomen. Maar er gloort hoop voor de liguster sinds het verschijnen van de buxusmot.

Ovaal blad haagliguster

Wat niet iedereen zal weten is dat liguster tot de olijffamilie behoort. Proefondervindelijk is dat tegenwoordig ook zelf vast te stellen. In veel steden staan olijfbomen in grote kuipen. In Tilburg staan er in de Stationsstraat. Dat is de straat die vanuit de binnenstad recht op de hoofdingang van het NS-station uitkomt. Sommige van die bomen dragen zwarte olijven. Steek een olijf in je mond en kauw erop. Bah, wat bitter! Zoek dan een liguster met bessen en steek een bes in je mond. Bah wat bitter! Beide vruchten hebben een harde pit, de blaadjes een vergelijkbare vorm. Die smaken trouwens ook bitter.

Dat laatste zal ook wel een van de redenen reden zijn waarom de liguster al zo lang als haag voldoet: het vee vreet niet aan de bladen.

Bitter als olijven

Wie zijn ligusterhaag vlijtig knipt zal geen bloemen zien; dat is echter wel zonde. De bloemen ruiken heerlijk en bloeien lang. Zelf hebben wij in de tuin een enkele liguster als boompje uit laten groeien en die bloeit heel rijk. Er komen dagvlinders en bijen op af, en ook nachtvlinders. Voor een aantal soorten nachtvlinder zijn zelfs de bladen voedsel voor de rups. De bekendste daarvan is de mooie ligusterpijlstaart.

In de winter komt de merel de ligusterbessen eten. Kortom, een bloeiende liguster draagt bij aan de biodiversiteit van de omgeving. Zelfs bij een haag kun je op een hoek een plant door laten groeien.

De haagliguster komt uit Japan en er wordt aangenomen dat deze niet verwildert. Daar twijfel ik aan. In onze tuin is spontaan een haagliguster verschenen. Dan moet je toch aannemen dat het een zaailing is.

Blad van de wilde liguster is veel langer

Er bestaat ook een wilde, inlandse liguster (Ligustrum vulgare). Die vind je vooral op kalkhoudende grond: in de duinen en op klei. Toch kun je hem verwilderd aantreffen in plantsoenen, ruderale stukjes, bermen.

Het verschil tussen beide ligusters is tamelijk makkelijk. Het blad van de wilde liguster is veel langer. In de wetenschappelijke naam van de haagliguster wordt dat ook al aangegeven: ‘ovalifolium’ = ovaalvormig blad; in tegenstelling dus tot het langwerpige blad van de wilde liguster. Ovaal is hier tweemaal zo lang als breed. Langwerpig: viermaal zolang als breed.

De geslachtsnaam ‘liguster’ komt van ‘ligure’ = binden, vlechten. Twijgen voor vlechtwerk.

 

 

 

 

 

 

 

Winterpostelein

Op relatief veel plaatsen in de stad, in ieder geval in Breda, woekert Winterpostelein (Claytonia perfoliata). Meestal in perken van het openbaar groen en in brandgangen. Soms op onverwachte plaatsen, zoals muren en de voeten van laanbomen. Soms zelfs wat hoger op de stam. Je zou denken dat het een epifyt was. En eigenlijk is dat ook wel zo. Volgens een al wat oudere versie van de Heukels uit 1990 kan dat wel kloppen. Daar staat de vermelding “soms als epifyt op Vlier en andere houtgewassen”. In diezelfde versie van de Heukels heet bedoelde soort ’Witte winterpostelein’. Die naam werd waarschijnlijk ingevoerd omdat er sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw een andere winterpostelein bezig was in te burgeren: de Roze winterpostelein (Claytonia sibirica). Maar gek genoeg heet de meest voorkomende, witbloeiende soort in de Heukels van 2005, en ook in de allernieuwste druk, gewoon weer ‘Winterpostelein’.

Groeiend op de stam

Winterpostelein hoort oorspronkelijk thuis in het westen van Noord-Amerika. Als groente is hij in andere delen van de wereld ingevoerd. In Nederland is de plant sinds de tweede helft van de 19e eeuw bekend. De soort wordt in West-Europa verbouwd als winterharde groente, maar komt in al deze landen ook verwilderd voor. Vanwege de route via Cuba waarlangs de plant in Europa arriveerde, wordt de plant in Duitsland ‘Kubaspinat’ genoemd. De plant is 15-40 cm hoog en tijdens de bloei gemakkelijk te herkennen aan de schotelvormige bladeren, waar de stengel door heen lijkt te groeien. Het betreft hier een tweetal bladeren, die tezamen vergroeid zijn. Het lijkt op een schoteltje. De gewone blaadjes eronder zijn ruitvormig.
De zaden zijn gitzwart en hebben een wit mierenbroodje. Dit olie- en vetrijke aanhangsel maakt de zaden aantrekkelijk voor mieren. Die verslepen de zaden in de richting van het nest en verliezen onderweg een deel van de lading. Zo verspreiden ze het zaad van de plant. Overigens gaat het maar om kleine afstanden, vaak niet meer dan zo’n twee meter. Winterpostelein kan zich op deze manier massaal op een bepaalde plek uitbreiden. Soms kiemen de zaden al in het voorjaar, maar vaak al in de herfst. De jonge plantjes kunnen goed tegen winterse omstandigheden en hebben daardoor een voorsprong op allerlei éénjarige planten.

Aan de boomvoet omhoog

Nog even terug naar die exemplaren die hoger in bomen groeien. Hoe zouden die zaden daar terecht komen? Zouden mieren zaden zomaar naar boven slepen? Ze hebben daar geen nest denk ik. Hoe dan wel? Menselijke activiteiten?
Winterpostelein kan gegeten worden als salade en ook als stamppot. De plant bevat mineralen als calcium, magnesium, en ijzer. En ook nog vitamine C. In salade is het lekker knapperig en de smaak is zacht.
De geslachtsnaam ‘Claytonia’ komt van John Clayton een botanicus uit de 17e eeuw. De soortaanduiding ‘perfoliata’ wil letterlijk zeggen ‘door het blad’. Zoals hierboven uitgelegd, lijkt de stengel het bovenste blad te doorboren. De Nederlandse naam ‘winterpostelein ’is gegeven vanwege de gelijkenis met postelein (Portulaca oleracea), een soort die al vóór 1500 werd ingevoerd in Nederland. En heb je ook nog waterpostelein (Lythrum portula). Om het makkelijk te maken: de drie soorten met ‘postelein’ in de naam behoren tot nogal verschillende plantenfamilies.

Ook als muurplant

Daslook – uien in het wild

Op de één of andere manier heeft Daslook mij altijd gefascineerd. De helder witte kleur en de vorm van de bloemen zorgden er voor dat de plant bij mij zeker in het lijstje van favoriete voorjaarsbloeiers staat. Daarnaast triggert de naam “look” altijd mijn nieuwsgierigheid. Wie het woord “look” hoort denkt onmiddellijk aan uien maar verwacht niet onmiddellijk dat de plant behoort tot het geslacht Allium uit de narcissenfamilie.

Daslook tussen Zevenblad en Gele dovenetel in een groenstrookje langs een wandelpad tussen de huizen

Bij alle ui-achtige planten is het overduidelijk dat er sprake is van bollen. Uien, bieslook, daslook, knoflook, sjalot, bosui maar ook prei horen tot dezelfde familie. Ze hebben in ieder geval één ding gemeen: als je de bladeren fijn wrijft of de bollen snippert is er een sterke uienlucht. Deze wordt veroorzaakt door zwavelverbindingen die er ook voor kunnen zorgen dat de tranen over je wangen rollen. Een uitzondering is Look zonder look. Een plant die ook in het voorjaar rijkelijk aanwezig is in bermen en groenstroken. Als je het blad van Look zonder look fijn wrijft ruik je overduidelijk een uienlucht maar de plant is totaal verschillend van de planten die deel uit maken van de narcissenfamilie en behoort tot de kruisbloemige. Het is dus eigenlijk een plant die naar uien ruikt maar geen ui is – Look zonder look.

Hoewel Daslook tot het geslacht Allium (uien) hoort vormt het niet echte bollen. Duidelijk is ook te zien dat Daslook slechts één blad per stengel heeft.

Als we nog even kijken naar het rijtje “look planten” ui, bieslook, sjalot, knoflook, bosui en prei dan kunnen we onderscheid maken tussen soorten met zeer uitgesproken bollen zoals ui, knoflook en sjalot . Bij prei, bosui en bieslook is minder sprake van een overduidelijke bolvorming maar eerder van een langwerpige verdikking. Bij die planten snipperen we in de keuken niet alleen de voet van de planten maar ook het blad. Bij ui, knoflook en sjalot versnipperen we alleen de bollen en niet het blad. Daslook kan zeker in de keuken worden gebruikt maar bij Daslook gaat het dan om het blad. Daarbij moet wel enige voorzichtigheid in acht worden genomen. Als de plant geen bloemen heeft en de determinatie alleen kan gebeuren aan de hand van het blad is er een groot risico. Het blad lijkt sterk op het blad van Lelietje-van-dalen en dat blad is giftig. Hoewel de bladeren sterk op elkaar lijken is het toch niet moeilijk de twee plantensoorten uit elkaar te houden. Als je het blad van Daslook fijn wrijft ruikt het naar uien. Bij Lelietje-van-dalen is dat niet het geval. Daslook heeft één blad per stengel, Lelietje-van-dalen twee á drie bladeren per stengel.

Wie Daslook in de keuken wil gebruiken moet er voor oppassen niet per ongeluk het giftige blad van Lelietje-van-dalen te mee te nemen. Daslook heeft maar één blad per stengel; – Lelietje-van-dalen twee of meer.

Daslook is eigenlijk een bosplant die houdt van voedsel- en humusrijke, kalkhoudende grond. De plant was zeldzaam en had jarenlang een beschermde status. Die situatie is de laatste jaren veranderd doordat de plant door het storten van tuinafval op steeds meer plekken zich heeft weten te vestigen in groenstroken binnen de stadsgrenzen. Ook is de plant veel aangeplant als stinzenplant.

De meeste soorten binnen het geslacht Allium (bolgewassen) vermenigvuldigen zich door de vorming van nevenbollen. Bij Daslook is dat in veel mindere mate het geval. Er vindt overvloedige zaadvorming plaats die een belangrijke bijdrage levert aan de verspreiding van de plant.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

 

 

Herderstasje, een deugniet onder de planten.

Het is weer enige tijd geleden toen een eminent florist mij toevertrouwde dat zelfs ervaren floristen soms de fout ingaan het het Herderstasje (Capsella bursa-pastoris). Dat is natuurlijk een grote troost voor een beginnend florist maar nu ik wat verder ben valt het me regelmatig op dat hij gelijk heeft. Tenzij de plant volledig ontwikkelde vruchten heeft is hij soms lastig te determineren. Eerst maar eens een foto van de hele plant, het is maar een kleintje maar alles zit er op en er aan.

Ik zal nu vervolgens de onderdelen van deze plant de revue laten passeren, van beneden naar boven.

De wortels:

De plant heeft duidelijke penwortels, het is dan ook een eenjarige plant die, met een beetje moeite, uit de grond te trekken is. De wortels hebben volgens mij geen waarde voor de determinatie.

Het rozet:

Zoals veel kruisbloemigen heeft ook het Herderstasje een rozet. Het rozet is vrij variabel en leidt daarom niet altijd tot een vlotte determinatie. De rozetbladen kunnen gaafrandig tot veerdelig zijn en zijn in het onderste deel wigvormig versmald. Die versmalling is vaak behoorlijk lang zodat het lijkt alsof de rozetbladen gesteeld zijn; het lijkt vaak op een gevleugelde bladsteel. Opvallend is verder dat binnen hetzelfde rozet de vorm van de bladen kan verschillen. Dat zie je ook op bovenstaande foto. Op de rozetbladeren groeien meertakkige aangedrukte haren zoals te zien op onderstaande foto; vooral links boven. In mijn ervaring is de beharing van de rozetbladen ook vrij variabel en daarom soms ook niet bevorderlijk voor een vlotte determinatie. Als de plant uitgroeit verdwijnt vaak het rozet.

Beharing bovenkant rozetblad
Zo zie ik rozetten niet zo vaak

De stengel:

Over de stengel valt niet veel te melden. De stengel kan kaal zijn of wat behaard. De plant kan heel klein zijn maar ook wel tot 60 cm hoog. Hoge planten staan vaak in het gras, de lage tussen de stenen van de stoep.

Het stengelblad;

Ook de bebladering van de stengel is vrij variabel. Sommige planten hebben vrij veel blad, andere, met name de kleinere hebben bijna géén stengelblad. De stengelbladen zijn langwerpig en hebben een pijlvormige voet die de stengel omsluit. Vaak zijn de stengelbladen maar matig behaard maar soms ook sterk behaard. Zie onderstaande foto. De bloeistelen hebben over het algemeen geen bladeren.

Behaard stengelblad .

De vrucht:

De vrucht is het meest duidelijke determinatiekenmerk, hij is driehoekig en gesteeld waarbij hij afstaat van de stengel. Alleen als de vrucht nog niet geheel volgroeid is is determinatie soms lastig maar meestal verschijnt de specifieke vorm al snel.

De vrucht

De bloemen;

De bloemen zijn wat mij betreft weinig kenmerkend. De plant is een kruisbloemige wat betekent dat de plant vier kroonbladen heeft en zes meeldraden. Hier heb ik nog nooit een variatie op gezien maar wie weet? De vier kelkbladen zijn soms kaal, soms behaard.

De bloemen

De naam van de plant wordt bepaald door de vorm van de vruchten, zij zouden lijken op een tas van een herder die vroeger werd gebruikt. Tot nu toe heb ik nooit een plaatje gezien van zo’n herderstas maar hij moet op oude schilderijen te zien zijn. Misschien was zo’n tas ook zeer variabel?

Tenslotte, dit verhaal is een mengeling van gegevens uit de Heukels (2020) en persoonlijke ervaring. Aanvullingen of verbeteringen zijn van harte welkom. Het Herderstasje lacht in zijn vuistje omdat hij zoveel floristen aan het determineerwerk houdt. Een echte deugniet onder de planten.

Een kleintje tussen de stenen
Een grotere plant die groeide tussen het gras

Hop

Onlangs viel mij tijdens mijn werk als postbode natuurlijk weer een plantje op. Dit keer niet de echte bloemen maar het gevolg daarvan, de typische hopbellen. Laat ik beginnen bij het begin. Hop (Humulus lupulus) is een plant uit de hennepfamilie (Cannabaceae) maar de Hop hoef je niet in een sigaret te proberen; het is uitsluitend familie. Hop is een vaste plant die overwintert als wortelstok. Hop is geen zelfhechtende slingerplant maar heeft een gastheer nodig om omhoog te groeien. Hop is een rechtswindende slingerplant waarvan de stengels zich tegen de zon in naar boven werken.

De plant is een zogenaamde hemikryptofyt. Dat is een levensvorm van tweejarige- of vaste plant met de knoppen op of iets onder de grond, zodat ze worden beschermd door de strooisellaag. De knoppen bevinden zich vaak in basale delen van scheuten van het voorgaande jaar. Zo kunnen de planten een ongunstige periode, zoals een winter, hete zomer of periode met schaduw, overleven.

De naam hemikrypofyt komt uit het Grieks/Latijn. Hemi betekent “half”, krypto betekent “verscholen/verborgen” en phyte betekent “plant”. Dus totaal “half verscholen plant”.

De hopplant is een tweehuizige plant wat betekent dat er óf mannelijke óf vrouwelijke bloemen zitten aan de hopstruiken. Nooit samen. Juist deze mannelijke bloemen wilde ik fotograferen. Maar in tegenstelling tot veel andere bloemen zijn de mannelijke hopbloemen heel snel uitgebloeid. Dus wachten op mooi weer met niet al te veel wind is niet altijd een optie. En aangezien ze ook nog eens onopvallend zijn loop je er snel voorbij. Mij is het nog niet gelukt. U zult het dus moeten doen met een mooie botanische illustratie. De vrouwelijke bloemen zijn heel belangrijk want zij vormen de hopbellen. En juist aan deze bellen herken je de plant meteen. Anders heb je alleen met het blad te doen en dan wordt Hop snel uitgemaakt voor een of andere klimplant ontsnapt uit de tuin.

Mocht u toch iets meer willen weten over de het uiterlijk van deze plant dan is hier een korte omschrijving. Uiteraard is deze ook te vinden in elke flora of op internet. De stengel is knobbelig en daardoor ruw. De bladeren zijn tegenoverstaand, lang gesteeld met steunblaadjes aan basis van de bladsteel, en hebben een hartvormige voet en gezaagde rand. Meestal zijn ze gelobd, met drie, soms vijf lobben. De bladeren aan de top van de stengel kunnen ongedeeld zijn.

De bloemen, die verschijnen van juli tot september, groeien in pluimen in de bladoksels, bij de mannelijke bloeiwijzen staan de bloemen afzonderlijk aan het eind van de pluimsteeltjes, bij de vrouwelijke bloeiwijzen staan aan het eind van de pluimstelen aartjes met meer bloemen. Hieruit ontwikkelen zich de karakteristieke  eivormige vruchtkegels = hopbellen, die in augustus/september aan de vrouwelijke plant groeien.

De hopbellen worden al sinds de 9-de  eeuw gebruikt voor de productie van bier, daar kent iedereen ze van. Daarvoor als medische of culinaire toepassing. Hieronder dus die mooie botanische illustratie.

uit: Franz Eugen Köhler, Köhler’s Medizinal-Pflanzen / Public domain

Linksboven zijn de hangende vrouwelijke bloemen te zien die later zullen uitgroeien tot de typische hopbellen. Rechtsboven is te zien hoe de mannelijke bloemen zich hebben gevormd

Muurvaren

Het is altijd leuk om muurplanten tegen te komen. In Zoetermeer is dat niet heel vaak. Dat komt omdat Zoetermeer als een nieuwe stad weinig oude muren heeft. Oude muren hebben spleten en gaten waar planten zich in kunnen vestigen, en ouderwets, vaak zachter cement.

Je zou misschien denken dat wij hier dan helemaal geen planten op muren zien, toch valt dat mee. Relatief nieuwe muren van zo’n 20 à 30 jaar oud, kunnen prima begroeid zijn. Het gaat dan om vochtige en schaduwrijke muren, zoals bv. kademuren.

Maar ik wil het hebben over de Muurvaren, Asplenium ruta-muraria, naast Mannetjesvaren de meest geziene varen op muren. Ik was blij verrast hem onlangs aan te treffen op de muurtjes rond de Oude Kerk uit 1783, in Zoetermeer. Doorgaans worden deze muren heel goed ‘schoongehouden’. Misschien dat men vanwege de renovatiewerkzaamheden aan de kerk hier al een tijdje niet aan toegekomen is. Het betekent dat muurvaren zich niet zo makkelijk laat wegpoetsen, al lijkt dat net na een boenbeurt wel zo.
De Muurvaren is een winterharde plant, dus in deze tijd van het jaar prima te vinden. Draai het blad dan ook even om, zelfs de sporenhoopjes aan de onderzijde van het blad zijn nu aanwezig.

Onderkant van het blad met de sporen.

De plant is goed te herkennen aan de bladeren, waaiervormig met een getand randje. De bladschijf in zijn geheel is driehoekig tot ruitvormig. De soortaanduiding: ‘ruta-muraria’ betekent: op muren groeiende ‘ruta’, waarbij ‘ruta’ staat voor ruit. Ik denk dat dit verwijst naar de vorm van de deelblaadjes, maar eerlijk gezegd vind ik de blaadjes van Ruta (wijnruit) best iets weghebben van de blaadjes van Muurvaren. Dat zal komen door de textuur, glimmend, beetje leerachtig.

Het begin is er!

De geslachtsnaam ‘Asplenium’ komt van het Latijnse ‘splen’, dat milt betekent. Deze varens werden ooit gebruikt bij ziekten van de milt. Of dat voor alle vertegenwoordigers van dit geslacht geldt? Geen idee.
Je vindt Muurvaren dus op muurtjes. Ook op wat zonniger kanten. Waar geen muren zijn, groeit de varen op kalkrijke rotsen.
Hij stelt geen hoge eisen aan z’n standplaats. Bij de bouw van stenen steden kon hij moeiteloos ‘overstappen’, en een echte stadsplant worden.

Stoeptegelspleetplant

“Is dat een plantje? Ik dacht dat het een mos was.” Ik hoor dit regelmatig als ik iemand wijs op die groene sterretjes  tussen de stoeptegels. Ik begrijp dat helemaal want het is een van de kleinste landplanten van Nederland en Liggende vetmuur (Sagina procumbens) bloeit lang niet overal altijd. Daarnaast nestelen zich ook mossen in diezelfde stoeptegelspleten, zoals Smaragdsteeltje en Zilvermos. Maar, Liggende vetmuur is dus wel degelijk een plantje. Als je het tussen de stenen uitpeutert kun je zien dat de blaadjes niet doorschijnend zijn, want meer dan een cellaag dik, en dat de plantjes worteltjes hebben. Als je een exemplaar treft in bloei of vrucht is het helemaal duidelijk.

Typisch Liggende vetmuur, als stoeptegelspleetplant tussen de mosjes

Maar, waarom groeit Liggende vetmuur tussen die stoeptegels en die andere planten niet? In de eerste plaats omdat hij klein genoeg is om in die spleten weg te kruipen en zijn dunne worteltjes passen in de spleten. Ook verder biedt een stoeptegelspleet een omgeving waar dit plantje kan gedijen: stikstofrijk, zonnig maar toch wat vochtig zonder concurrentie van andere planten. Er zijn weinig andere planten die het daar ook uithouden en zo kan de Liggende vetmuur de stoeptegelspleten mooi koloniseren. Behalve tussen de stoeptegels groeit Liggende vetmuur ook op open zandige plekjes.

Liggende vetmuur bloeit met tere beige-groene viertallige bloemetjes. Met dat viertallige zijn de vetmuren een uitzondering in de Anjerfamilie waar de bloemen standaard vijftallig zijn zoals bij hoornbloemen en koekoeksbloemen. Maar, als je goed kijkt, vind je wel de typerende bloeiwijze van gevorkt bijscherm van de Anjerfamilie: bij iedere splitsing staat een bloemetje tussen de twee takken.

Liggende vetmuur – Sagina procumbens

Liggend-donker-uitstaand

Voordat je nu alle groene sterretjes Liggende vetmuur noemt, wijs ik nog even op Donkere en Uitstaande vetmuur die in de stad ook regelmatig voorkomen. Liggende vetmuur kruipt meer en vormt wortelende uitlopers. Ook zijn tijdens de bloei groene rozetten aanwezig. Donkere en Uitstaande vetmuur vormen geen uitlopers, als ze de kans krijgen groeien ze meer rechtop. Tijdens de bloei is hun bladrozet vaak al verschrompeld. De verschillen tussen Donkere en Uitstaande vetmuur zijn:

  • Uitstaande vetmuur: veel kelkbladeren hebben roze randjes en staan na de bloei af. De doosvrucht steekt ruim buiten de kelk uit.
  • Donkere vetmuur: kelkbladeren hebben witte randjes en liggen na de bloei tegen de vrucht aan. De doosvrucht steekt <10% buiten de kelk uit. Donkere vetmuur is wat tengerder dan Uitstaande.
Donkere vetmuur (links) en Liggende vetmuur (rechts) – Sagina apetala en Sagina procumbens.

In iedere straat, maar niet tussen iedere tegel

Liggende vetmuur is heel algemeen. Hij is in bijna iedere straat wel ergens te vinden tussen de stoeptegels of de klinkers. Maar, niet iedere steenspleet voldoet. Ik hoopte dat Liggende vetmuur de ruimte tussen de stenen in mijn achtertuin zou koloniseren, maar dat deed hij niet; waarschijnlijk is mijn tuin te schaduwrijk.

Liggend vetmuur – Sagina procumbens. Zelden heb ik zo’n mooi bloeiend plukje gezien, gevonden naast een lantaarnpaal nabij station Schiedam.