Home » algemene planten

Categorie: algemene planten

Vergelijking van twee raketten

“Ik zie veel vaker Hongaarse dan Oosterse raket” vertelden diverse floristen mij. Dat verbaasde me want mijn ervaring is precies omgekeerd: in Rotterdam vind ik in vrijwel ieder kilometerhok Oosterse raket (Sisymbrium orientale), en af en toe ook Hongaarse raket (Sisymbrium altissimum). Ik vroeg me af of mensen de twee soorten soms verwisselden; het zijn ten slotte allebei raketten met opvallend lange hauwen (vruchten). Maar, dat is niet heel waarschijnlijk want er zijn veel verschillen; als je ze een beetje kent zijn ze makkelijk uit elkaar te houden.

Hongaarse raket (Sisymbrium altissimum)

De Heukels flora geeft als belangrijkste verschillen:

  • Kelkbladen | Hongaarse: ver afstaand | Oosterse: rechtopstaand
  • Stengelbeharing | Hongaarse: onderaan ruw, bovenaan kaal | Oosterse: overal zachtbehaard
  • Bovenste bladeren | Hongaarse: met 2-5 paar smalle slippen | Oosterse: enkelvoudig of met 1 paar slippen
Oosterse raket (Sisymbrium orientale)

Dus keek ik maar eens naar de verspreidingskaartjes van beide raketten. Beide zijn exoten, maar wel ingeburgerd; ze doken ergens tussen 1850 en 1950 voor het eerst op in Nederland. Hongaarse raket kwam hier vanuit Oost Europa, hetgeen gelijk zijn Nederlandse naam verklaard; Oosterse raket uit het Middellandse zeegebied en de regio’s daaromheen,  dus vooral uit zuidelijke richting. Hoewel het beide pioniers zijn die houden van open, droge zandgrond, verschillen ze toch in standplaatsvoorkeur. Oosterse raket houdt ook van stenige standplaatsen. Dat verklaart dat hij zich makkelijker tussen de straatstenen nestelt en het goed doet in het stedelijk gebied. Hongaarse raket wordt in Nederland vooral gevonden langs spoorwegen, op industrieterreinen en in de duinen.

 

Verspreiding van Hongaarse en Oosterse raket in Nederland. De kaartjes tonen de km-hokken waar ze tussen 1990-2019 zijn gevonden. In de legenda zie je dat Hongaarse raket in ruim 3000 hokken was gevonden en Oosterse in nog geen 600 hokken.

Het rechter kaartje laat zien dat Oosterse raket tot nu toe een duidelijke voorkeur heeft voor randstedelijk gebied terwijl Hongaarse raket veel ruimer verspreid is. Den Haag, Rotterdam, Dordrecht en Amsterdam zijn goed op de rechter kaart te herkennen. Hongaarse raket is in vijf keer zo veel hokken aangetroffen. Dit maakt het aannemelijk dat mensen buiten de randstad vaker Hongaarse raket zien dan Oosterse raket.

Maar verklaren de kaartjes dan ook dat ik in Rotterdam meer Oosterse dan Hongaarse raket vind? Oosterse raket lijkt rond Rotterdam wel iets meer gevonden dan Hongaarse raket, maar het verschil op het kaartje is niet zo groot. Toen ik nog wat verder zocht vond ik waarschijnlijk de oorzaak van mijn ervaring: de trend van deze twee soorten.

Links zien we dat Hongaarse raket zijn hoogtepunt had rond 1995 en nu sterk afneemt. Oosterse raket fluctueert sterk, maar toont geen afnemende trend.

Tot mijn verrassing blijkt Hongaarse raket op zijn retour in Nederland; rond 1995 had hij een hoogtepunt en in 2018 was hij ten opzichte van 1990 met zo’n 75% afgenomen. Floristen met twintig jaar ervaring of meer hebben dus het hoogtepunt van de Hongaarse raket meegemaakt. Maar, ik inventariseer pas sinds 2011 en heb die piek dus niet meegemaakt en ervaar alleen de huidige situatie. Als we focussen op de laatste paar jaar zien de verspreidingskaartjes er zo uit:

Verspreidingskaartjes van Hongaarse en Oosterse raket van waarnemingen in alleen de jaren 2015-2019. Het meer Randstedelijke karakter van Oosterse raket is hier heel zichtbaar.

Hier is goed zichtbaar dat Oosterse raket in Rotterdam in de periode 2015-2019 veel vaker is gevonden dan Hongaarse raket. Het klopt dus dat buiten de randstad Hongaarse raket nog steeds algemener is dan Oosterse, want in dezelfde periode in twee keer zo veel hokken aangetroffen, maar het verschil is wel veel kleiner geworden. Veel floristen moeten waarschijnlijk wel hun beeld bijstellen over de algemeenheid van Hongaarse raket.

Oosterse raket (Sisymbrium orientale)

Een ster op straat en toch zo gewoon gebleven.

Gisteren kreeg ik een mail van de Aad, de coördinator van dit mooie blog: Zondag as. ben jij aan de beurt. Lukt dat nog? Ik was het helemaal vergeten maar beloofde hem op donderdag met een verhaal te komen. Dat werd snel een onderwerp verzinnen. Zouden er vergeten planten zijn? In zekere zin wel. Tussen al die stadsplanten die we hier bespraken ontbreekt een plant die heel veel voorkomt: Gewoon varkensgras (Polygonum aviculare).

Liggende stengels

Gewoon varkensgras is niet alleen een stadsplant, ook buiten de stad komt hij veel voor. Toch is het echt wel een plant die hoort bij de stad omdat het een tredplant is: hij vindt het heerlijk om betreden te worden. En dan zit je in de stad goed, vooral op de stoep en daar vinden we Gewoon varkensgras dan ook vaak. Hij groeit vanuit een voeg en breidt zich dan stervorming uit. De stengels wortelen niet op de knopen waardoor het dus als een los geheel op de stoep ligt. Die stengels kunnen ook nog aardig lang worden.

Hoewel de stengels van Gewoon varkensgras vaak over de grond kruipen is dat niet altijd het geval. Ze kunnen soms ook meer rechtop staan en dan tot 40 cm hoog worden. Eigenlijk is Gewoon varkensgras een zeer variabele plant waarbij ik het soms niet kan geloven dat het één en dezelfde plant is. De plant varieert sterk in grootte, soms zeer klein op plekken waar veel gelopen wordt tot vrij groot op voedzame plekken als bermen. Die variatie geldt alle onderdelen, dus ook voor de bloemen en de bladeren. De plant kan heel compact zijn maar ook het tegenovergestelde kom je tegen, waarbij er veel ruimte zit tussen de bladeren.

Veel ruimte tussen de bladeren

Gewoon varkensgras hoort tot de Duizendknopen. Dat betekent dat de plant tuitjes heeft, een vliezige structuur op de plek waar de bloemen aan de steel zitten. Die bloemen kunnen wit zijn maar ook rood en soms groenig. Ook hier dus variatie. Op de plek van de bloemen komen later de donkere vruchtjes.

De naam van de plant is wat vreemd, Gewoon varkensgras is helemaal geen gras. Volgens de website plantennamen.info werd de plant in de 16e eeuw veel gebruikt om varkens te genezen die niet wilden eten. Mogelijk werd ze samen met gras aangeboden. Ook werd een aftreksel daarvan gebruikt als middel tegen wormen. Ook nu nog wordt de plant als medicijn gebruikt.
De wetenschappelijke naam ‘Polygonum aviculare’ verwijst naar andere dieren, namelijk vogels (aviculare). ‘Polypogon’ betekent ‘veelknopig’. De Duitse naam past hier goed bij: Vogel-Knöterich.

De bloemen

Toch lijkt Gewoon varkensgras minder eenvoudig te zijn als het lijkt, er worden in de literatuur verschillende ondersoorten genoemd, de website van waarneming.nl noemt er zelfs vijf. Ik hou het voorlopig maar eenvoudig en laat dat splitsen maar over aan onze sterfloristen.

Eind van de middag na de regen loop ik nog even over straat om eventueel een extra foto te maken. Ik kan de plant echter zo gauw niet vinden, kennelijk geen echte overwinteraar. Tijdens de laatste Eindejaarsplantenjacht wordt hij nog maar op 6% van de lijsten gevonden.

Geel walstro – geschikt voor de bereiding van kaas of gebruik in de wieg

Normaal is Geel walstro geen plant die je snel in de stedelijke omgeving zult vinden. Het is een plant die gevonden kan worden in de duinen, in de bermen van wegen, weilanden, dijkhellingen en droge zandgronden. De laatste jaren wordt Geel walstro echter vaak in de stad aangetroffen. Dat komt omdat in toenemende mate wegbermen in steden worden ingezaaid met zaadmengsels die voor kleurrijke, bloemrijke wegbermen moeten zorgen. In veel van die zaadmengsels is Geel walstro opgenomen. Het blijkt dat Geel walstro zich vaak goed handhaaft in bermen waarin niet langer ieder jaar gezaaid wordt maar wel aan het eind van het jaar gemaaid wordt. Daarmee wordt het op sommige plekken toch een stadsplant.

De meest bekende walstrosoorten zijn Glad walstro, Ruw walstro, Geel walstro en Moeraswalstro. Zij behoren tot de “walstro- of sterbladigenfamilie”. Deze plantensoorten hebben als belangrijkste veldkenmerk dat de smalle bladeren in een krans om de stengel zijn ingepland. Die van Glad walstro en Geel walstro eindigen in een puntje. De stengels zijn rond en voorzien van vier fijne ribben.

Bij de walstrofamilie zijn de smalle bladeren in kransen rond de stengel ingepland

Bekende andere plantensoorten die wel behoren tot de walstrofamilie maar niet de naam “walstro” dragen zijn Kleefkruid en Lievevrouwebedstro.

Vanuit de berm zoekt Geel walstro zijn weg naar de straat

Geel walstro bevat een stremsel dat gebruikt kan worden bij de bereiding van kaas. Maar niet alleen het stremsel uit de plant wordt gebruikt bij het maken van kaas. Uit de bloemen worden kleurstoffen gewonnen die ook worden gebruikt in de kaasmakerij. In het Engelse graafschap Gloucestershire wordt een middelharde kaas gemaakt met de naam “Double Gloucester”. Deze kaas wordt gekleurd met kleurstoffen uit de bloemen van Geel walstro.

De naam ‘walstro’ is te herleiden tot het gebruik van walstro in het verleden in wiegen. Wal heeft dezelfde betekenis als wieg.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Mensenvriend

In een beetje ruig hoekje in de stad kom je het steevast tegen. Op zo’n plek waar je ook Brandnetels vindt, en Fluitenkruid: voedselrijke plekken. In praktisch elk kilometerhok in Nederland is het te vinden, en het is over de hele wereld verspreid, extreme omstandigheden uitgezonderd: Kleefkruid.

Je zou denken: iedereen kent het wel. Toch zijn er altijd wel weer mensen verrast als je demonstreert hoe Kleefkruid aan zijn naam komt. Hier hoef ik dat niet uit te leggen toch?

De wetenschappelijke naam is Galium aparine. Galium komt van het Griekse ‘gala’ en betekent ‘melk’. De planten van het geslacht Galium schijnen vroeger gebruikt te zijn om melk te stremmen. Kleefkruid werd vroeger ook wel door de verse melk gehaald om daar ongerechtigheden uit te vissen: alles blijft er immers aan vastzitten. Aparine komt ook uit het Grieks ‘apairo’ en betekent grijpen. Eigenlijk zou grijpkruid een betere naam zijn dan kleefkruid: er zit immers niets kleverigs aan de plant!

Kleefkruid behoort tot de Sterbladigenfamilie, evenals Lievevrouwebedstro en de walstrosoorten. De bladeren staan in kransen rond de stengel, meestal een krans van zes.

De bloemen zijn klein, ze worden hooguit twee mm. Iets opvallender zijn de ronde vruchtjes, met als bijnaam: hanenklootjes. Als je een vruchtje pelt, komen er ronde zaden als harde witte pareltjes tevoorschijn. Deze worden later zwart.

De vruchtjes met haakjes om zich te verspreiden door mee te liften met wie of wat dan ook.

Met zijn weerhaakjes die netjes één kant uit gericht zijn kan Kleefkruid vrij hoog klimmen, tussen struiken door bijvoorbeeld. Vindt hij geen steun om omhoog te klimmen, dan blijven de stengels laag en vormen zo een soort tapijt over de lage planten.

De stengels zijn gemakkelijk te breken en los te trekken, maar ik verbaas me er altijd over hoe vast de wortel in de grond zit. In het najaar zie je al jonge planten verschijnen, die in de winter prima overleven om het volgend jaar weer bloemetjes te geven.

Het zou goed kunnen dat klittenband uitgevonden is door naar deze plant te kijken maar daar zou je ook de vruchten van Geel nagelkruid, Groot heksenkruid of Klitten voor kunnen bekijken.

Ik hoor vaak dat mensen een hekel hebben aan Kleefkruid, maar ik las dat Dodonaeus, een 16e-eeuwse plantkundige en arts, schreef: men noemt deze plant een mensenvriend, omdat hij aan iedereen blijft vastkleven. Tja, zo kun je het ook bekijken!

De bloem heeft puntige kroonbladen. De bladeren staan in kransen. Alles voorzien van weerhaakjes.

 

 

Kleine liefde

Wie in deze tijd naar buiten gaat en in de voegen van de straat naar planten speurt, zal het al snel opvallen, zeker in de stad, dat daar allerlei grasjes groeien die er in het begin van het jaar nog niet te vinden waren. Het zijn profiteurs van warm weer en komen vaak overgewaaid uit moestuinen en ander kweekgedoe, oorspronkelijk zelfs waarschijnlijk uit de landbouw of graanoverslag.  Deze kleine grassen worden platgelopen, afgebrand, afgeborsteld en doodgespoten, maar veel tijd hebben ze niet nodig om zich in groot aantal voort te planten. Ook liefdegrassen zijn hier meester in.

 

2400 vruchtjes per plant is bij Klein liefdegras geen uitzondering

Klein liefdegras Eragrostis minor met haar aren, die uit 8-20 bloemen, en dus vruchtjes bestaan, is een van de twee algemenere liefdegrassen in Nederland en België. De andere is Straatliefdegras. De aren van Klein liefdegras vallen makkelijk uiteen en profiteren van elke beweging die wij ze geven.  Aangezien elke tak van de plant al snel meer dan 30 aartjes heeft en elke plant als snel vier takken heeft, zijn 2400 vruchtjes per plant geen uitzondering.

Klein liefdegras blijft in verspreiding beperkt tot stenige habitats

Daarmee lijkt Klein liefdegras al snel niet meer zo lief en klein, maar ook met deze overweldigende hoeveelheid zaad is de verspreiding van de plant nog altijd relatief beperkt. Ze blijft redelijk beperkt tot straatrandjes en andere stenige habitats zoals spoorbeddingen. In moestuinen is het waarschijnlijk vaak te rijk.  In wegbermen en gazons is waarschijnlijk te veel concurrentie.

Wie met een loep de plant bekijkt zal de aartjes van klein liefdegras zeker waarderen. Als er op een schoolplaat een mooi compleet aartje getoond moet worden dan zou ik Klein liefdegras kiezen. Als men toch een loep ter hand neemt is het ook aan te raden de bladrand, aan de basis, af te speuren op de merkwaardige klierknobbels. Een soort zwarte punten. Wie dat ziet weet ook meteen zeker dat het geen Straatliefdegras is. Die heeft trouwens nog kleinere aartjes.

Cultuur in de stad

Nee het gaat hier niet over een balletvoorstelling of de laatste voorstelling van Andre Rieu, maar over cultuurplanten die ik tegenwoordig vaak zie in de stad. Officieel is de definitie voor deze planten als volgt: een cultuurgewas of cultuurplant is een plantensoort die voor menselijk gebruik wordt geteeld en uit wilde planten is veredeld. De reden daarvoor is de toepassing voor  voedsel of medicijnen.
Er bestaat ook zoiets als secundaire cultuurgewassen. Dit zijn planten die als on- of bijkruiden werden meegecultiveerd met andere cultuurgewassen en later zelf ook werden gebruikt als cultuurgewassen. Voorbeelden zijn haver, rogge, tomaat, maanzaad en huttentut.

Om te beginnen is er Hop (Humulus lupulus). Meestal valt deze plant niet op. De stengelbladeren zitten verstopt tussen ander groen en ook lijken deze bladeren op die van de braam. En dan bedoel ik de cultuurbraam die in vele varianten in tuinen staat. Hop werd en word veel gekweekt voor de bierproductie. De plant valt ook dan pas op als de typische hopbellen verschijnen.

Ook een plant die ik regelmatig in de stad tegenkom is Cichorei (Cichorium intybus). Officieel komt de plant komt voor in wegbermen Hieraan dankt Cichorei de Nederlands/Duitse volksnaam Wegenwachter. Maar de plant komt ook voor langs dijken en in droog grasland. Cichorei is waarschijnlijk door de Romeinen meegebracht. We kennen de plant ten eerste goed van het gebruik als koffiesurrogaat. Ten tweede is er een variant van Cichorei, andijvie. Dus als andijvie gaat bloeien krijg je ook die fantastische mooi blauwe bloemen. Tegenwoordig wordt een variant van de plant gekweekt voor de productie van insuline.

Raapzaad/koolzaad

Soms zie je op onverwachte plekken graan groeien. Dit gewas is al 7000 jaar bekend bij de mensheid. Dus niet zo gek al je dit in een stad tegenkomt. Graan is een verzamelnaam voor de vele planten die gebruikt worden voor de productie van voedsel zoals Rogge, Haver, Gerst etc.

De Slaapbol en de verwante Papaver zijn natuurlijk bekend. De zaden kunnen prima verwerkt worden als maanzaad of voor het maken van tafelolie en verfolie maar iedereen kent de plant natuurlijk voor de productie van opiumpreparaten. Het is in ieder geval een prachtige plant die overal plotseling kan opduiken.

De Aardappel/Tomaat/Paprika/Aubergine plant. Deze staan bij elkaar genoemd want ze behoren alle tot dezelfde familie. Je komt ze in ieder geval vaak tegen.

Een hele mooie maar ook beruchte plant is de Hennep. Wereldwijd in veel steden te zien. Hennep is meer bekend onder zijn wetenschappelijke naam: Cannabis sativa. Deze plant wordt vandaag de dag maar voor één reden gekweekt: weed.

In het voorjaar kleurt alles geel. Een grote verantwoordelijke voor deze kleur is Kool/Raapzaad. Beide planten lijken zo op elkaar dat ik ze in een adem noem. Ze worden geteeld voor de olieproductie, al sinds 2000 jaar, en de stad staat er vol mee.

De kiwi is relatief kort in Nederland. De kiwi of Chinese kruisbes (Actinidia chinensis) kennen wij pas pas zo’n 100 jaar. In 1906 werden de eerste zaden uit China gehaald. De plant heette toen nog Chinese kruisbes. Pas in 1956 werd het in Nieuw-Zeeland een succesvol exportproduct. Sindsdien heet de plant Kiwi. Toch kom je de plant zo hier en daar in de stad tegen.

De vijgenboom of vijg (Ficus carica). Dat is er ook een die mij de laatste tijd opvalt. Of het nu door klimaatverandering komt of dat mensen gaan inzien dat je voor de deur je eigen voedsel kan verbouwen weet ik niet. Maar deze boom valt mij steeds vaker op, mede door zijn enorme stengelbladeren. Die kennen wij ook van de bekende Ficus-kamerplant.

Ik besef heel goed dat deze lijst lang niet compleet is. Maar deze cultuurgewassen zie ik vaak tijdens mijn ronde als postbode.

Gele helmbloem – een stinsenplant op de muur

De Gele helmbloem (Pseudofumaria lutea) is van oorsprong inheems in het zuidelijke deel van de Alpen. De plant is in de negentiende eeuw in Nederland ingevoerd als stinsenplant. Stinsenplanten zijn planten die naar Nederland zijn gebracht om tuinen van kastelen, landgoederen en grote boerderijen kleur te geven. Vanuit die omgeving is de plant verwilderd. Aanvankelijk kwam Gele helmbloem alleen in het zuidelijk deel van Nederland voor met een voorkeur voor een kalkrijke, stenige ondergrond en voor de mergelomgeving van Limburg.

Gele helmbloem behoort tot de papaverfamilie waar ook Klaproos en Stinkende gouwe deel van uitmaken. De plant was zeldzaam en kwam in de vorige eeuw voor op de rode lijst van beschermde plantensoorten. Sinds 2017 heeft de plant zijn beschermde status verloren.

Gele helmbloem komt hoofdzakelijk voor op oude muren en wordt door de uitbundige groeiwijze vaak al van verre opgemerkt. In de stad groeit de Gele helmbloem vooral op oude stadsmuren, muren rond kerkhoven en kademuren.

De helder gele bloemen lijken met enige fantasie op een Romeinse helm en vormen rijke trossen. De bloemen zijn tweezijdig symmetrisch, wat betekent dat je de bloem maar op één manier kunt doorsnijden om te bereiken dat de twee bloemhelften elkaars spiegelbeeld zijn.

Gele helmbloem is tweezijdig symmetrisch. Je kunt de bloem maar op één manier doorsnijden om een spiegelbeeld van de linker en rechter helft te krijgen.

De plant bevat een giftige alkaloïde die bij paarden bv. ontstekingen en zweren kan veroorzaken in de bek, kan leiden tot koliek en zelfs tot de dood. De zwarte zaden zijn voorzien van een mierenbroodje. Dat maakt ze aantrekkelijk voor mieren die de zaden verslepen en zo bijdragen aan de verspreiding van de plant.

Gele helmbloem bevat een giftige alkaloïde die dodelijk kan zijn voor paarden

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Het is maar schijn

De naam zegt het al, en Peter Hegi noemde het kortgeleden ook in zijn bijdrage: schijnaardbei lijkt op een aardbei, maar is het niet.
Veel mensen hebben moeite met het onderscheid tussen de bosaardbei (Fragaria vesca) en de schijnaardbei (Potentilla indica), door sommigen ook hardnekkig Indische aardbei genoemd. Een paar jaar geleden vroegen wij, plantenwerkgroep in Zoetermeer,  middels een krantenbericht of mensen ons door wilden geven waar Bosaardbeien groeiden. Prompt kwam er een reactie van een tuingroep die meldde dat ze die Bosaardbei maar een lastige woekeraar vonden. Je raadt het al, het bleek de Schijnaardbei te zijn. Als mensen de Schijnaardbei wel kennen, vinden ze het meestal geen fijne plant, hoewel het een leuke bodembedekker is. Hij verspreidt zich snel, bloeit lang door en maakt mooie rode vruchtjes. Helaas zijn deze nogal waterig van smaak. Sommigen noemen ze zelfs giftig, maar dat is gelukkig niet waar.

Toch zijn de verschillen niet zo moeilijk.
Als ze bloeien is het meteen duidelijk: de Bosaardbei heeft witte bloemen, de Schijnaardbei gele. Bovendien heeft de Schijnaardbei vrij grote bijkelkbladeren, die breed uitsteken onder de bloemen. Dit zie je ook al duidelijk bij de knoppen.

In de vruchtperiode is het ook makkelijk. De Bosaardbeitjes hangen omlaag, de Schijnaardbeitjes staan omhoog. Door de bijkelkbladen er onder lijkt het een aardbei op een schoteltje.
Maar ook de bladeren verschillen. Draai een blad maar eens om: de onderkant van de bosaardbeibladeren is zilverig wit, terwijl het blad van de Schijnaardbei aan de onderkant groen is.

Bosaardbei, Fragaria vesca

 

Schijnaardbei, Potentilla indica

Van bovenaf gezien vind ik de Schijnaardbei ‘groenere’ bladeren hebben, die sterker getand zijn.

Ook de uitlopers zijn anders: De Bosaardbei werpt zijn kleintjes als het ware door de lucht om ze ‘ergens’ verderop neer te laten komen. De Schijnaardbei schuift een nieuw plantje met korte uitlopers over de grond, zodat ze niet ver van de moederplant wortelen.

 

Misschien wel de beste manier om ze uit elkaar te leren houden, is om ze allebei in je tuin te zetten, zodat je heel goed het verschil kunt leren. In de tuin waar ik werk kweken we Bosaardbeien, en ik heb me altijd verwonderd over het feit dat de Schijnaardbeien lijken te weten waar ze relatief ongestoord kunnen groeien, nl. in het aardbeienbed. Verstopt totdat de bloemkleur ze verraadt.

Bos- en Schijnaardbeien door elkaar: zoek de verschillen!

Kijk maar, er staat niet wat er staat.

Naamgeving aan planten is soms een lastige zaak. Het vergt veel creativiteit om steeds weer nieuwe namen te verzinnen. En soms lijkt dan de luiheid toe te slaan en worden planten vernoemd naar soorten die er op lijken. Zo lijkt de Schijnpapaver (Meconopsis cambrica) op een Klaproos (Papaver) maar is het niet. En de Schijnaardbei (Potentilla indica) lijkt op een aardbei (Fragaria) maar is het niet. Tenslotte lijkt de Rode schijnspurrie (Spergularia rubra), waar dit stukje over gaat, veel op een Spurrie (Spergula) maar is het dus niet. Hier lijken zelfs de wetenschappelijke  namen op elkaar. De geslachtsnamen komen van het Latijnse ‘spargere’ dat ‘uitstrooien’ betekent. Ze schijnen dus hun zaad gemakkelijk uit te strooien. ‘Rubra’ tenslotte, betekent rood.

De stengels
De stengels

De Rode schijnspurrie groeit in de stad; vooral in de voegen. Veel mensen zullen er overheen lopen zonder hem te zien en ook veel floristen lijken hem niet te zien,  gezien het beperkt aantal meldingen in Den Haag. Toch is het een plant die vrij makkelijk te herkennen is; maar zoals zo vaak moet je hem eerst een keer gezien hebben. Hij valt op door donkergroene liggende stengels met licht gekleurde steunblaadjes op regelmatige afstand van elkaar. De plant heeft donkerroze bloemen, vaak met een lichter gekleurd hart, met vijf kroonbladen en vijf groene kelkbladen. Zelf vind ik het een prachtig bloemetje. Het is een vrij algemene plant; aan de kust komt hij wat minder voor.

De Rode schijnspurrie lijkt dus op een Spurrie.  In ons land zijn dat de Gewone spurrie (Spergula arvensis) en de Heidespurrie (Spergula morisonii). Deze laatste hebben de bladeren in een soort krans staan terwijl de bij de Rode schijnspurrie de bladeren in paren tegenover elkaar staan.

Bloem met stengel
Bloem met stengel

In ons land komen nog twee soorten Schijnspurrie voor die ook weer erg op elkaar lijken: de Gerande schijnspurrie (Spergularia media) en de Zilte schijnspurrie (Spergularia salina). Deze laatste twee Schijnspurries hebben een meer vlezig blad, terwijl de Rode schijnspurrie een stekelpunt heeft aan het blad, iets dat de andere twee soorten niet hebben. De Zilte en Gerande schijnspurrie worden bijna niet gezien in Den Haag, de grootste kans daarop is in Scheveningen en ik ga dan ook proberen de soort op die plek aan te treffen. Anders moet ik hem weer treffen op Texel, maar dat is een schijnoplossing.

Paard

Een heel oud geslacht dat bij veel tuinliefhebbers grote irritatie kan oproepen is Heermoes (Equisetum arvense). Dit komt o.a doordat als de wortels van Heermoes stuk worden geschoffeld, deze stukjes weer in staat zijn nieuwe planten te vormen. Eigenlijk gedraagt Heermoes zich precies zoals een agressieve exoot zoals bijvoorbeeld Japanse duizendknoop (Fallopia japonica). Als je bij Google Heermoes in typt is de eerste zoeksuggestie dus ook “heermoes bestrijden” en gaan veel zoekresultaten hier ook over.

Waarom dit stukje ‘Paard’ heet is als volgt. Heermoes is onderdeel van het geslacht van de Paardenstaarten De Equisetaceae. Een geslacht dat al miljoenen jaren bestaat op de wereld. Toen de mensheid er nog lang niet was: namelijk 350 miljoen jaar geleden toen de dinosauriërs nog rondliepen, werden deze planten boomhoog! Het gaat om de gelijkenis. Equisetaceae is afgeleid van Equisetum en komt van Equus (Latijn) en dat betekent “paard”, en Seta (Latijn) en dat betekent “borstel/haren”. 

Deze groep planten behoort tot de sporenplanten. Dus als je denkt aan een stengel met bladeren, een bloem met kroonbladeren, stamper, meeldraden etc. dan lijkt Heermoes hier totaal niet op. Elk voorjaar als de lente echt is begonnen komen eerst bleke bladgroenloze stengels verdeeld in  gelijke stukken (leden). Op elke overgang van twee leden, een zogenaamde knoop, bevindt zich een krans van vergroeide schubben met tanden en aan de top van de stengel een langwerpig-eivormige kop met sporenaren erboven op. Het ziet er eigenlijk niet uit vergeleken met andere opkomende planten en elke beginnende florist denk zoiets van “wat is dat nu weer!”. Enkele weken later als deze merkwaardige stengels verdord zijn, verschijnen er groene stengels met zijtakken in kransen om heen. Pas dan wordt deze plant herkend als een van de Paardenstaarten.

De bladen van Heermoes zijn kransstandig om de knopen geplaatst

De verspreiding vindt in eerste instantie plaats door middel van de sporen. Die in de lente door de wind rond worden geblazen. Maar de grootste verspreiding  vindt onder de grond plaats. Zoals ik al schreef in het begin, de wortels groeien meters onder de grond!