Home » algemene planten

Categorie: algemene planten

Hop

Onlangs viel mij tijdens mijn werk als postbode natuurlijk weer een plantje op. Dit keer niet de echte bloemen maar het gevolg daarvan, de typische hopbellen. Laat ik beginnen bij het begin. Hop (Humulus lupulus) is een plant uit de hennepfamilie (Cannabaceae) maar de Hop hoef je niet in een sigaret te proberen; het is uitsluitend familie. Hop is een vaste plant die overwintert als wortelstok. Hop is geen zelfhechtende slingerplant maar heeft een gastheer nodig om omhoog te groeien. Hop is een rechtswindende slingerplant waarvan de stengels zich tegen de zon in naar boven werken.

De plant is een zogenaamde hemikryptofyt. Dat is een levensvorm van tweejarige- of vaste plant met de knoppen op of iets onder de grond, zodat ze worden beschermd door de strooisellaag. De knoppen bevinden zich vaak in basale delen van scheuten van het voorgaande jaar. Zo kunnen de planten een ongunstige periode, zoals een winter, hete zomer of periode met schaduw, overleven.

De naam hemikrypofyt komt uit het Grieks/Latijn. Hemi betekent “half”, krypto betekent “verscholen/verborgen” en phyte betekent “plant”. Dus totaal “half verscholen plant”.

De hopplant is een tweehuizige plant wat betekent dat er óf mannelijke óf vrouwelijke bloemen zitten aan de hopstruiken. Nooit samen. Juist deze mannelijke bloemen wilde ik fotograferen. Maar in tegenstelling tot veel andere bloemen zijn de mannelijke hopbloemen heel snel uitgebloeid. Dus wachten op mooi weer met niet al te veel wind is niet altijd een optie. En aangezien ze ook nog eens onopvallend zijn loop je er snel voorbij. Mij is het nog niet gelukt. U zult het dus moeten doen met een mooie botanische illustratie. De vrouwelijke bloemen zijn heel belangrijk want zij vormen de hopbellen. En juist aan deze bellen herken je de plant meteen. Anders heb je alleen met het blad te doen en dan wordt Hop snel uitgemaakt voor een of andere klimplant ontsnapt uit de tuin.

Mocht u toch iets meer willen weten over de het uiterlijk van deze plant dan is hier een korte omschrijving. Uiteraard is deze ook te vinden in elke flora of op internet. De stengel is knobbelig en daardoor ruw. De bladeren zijn tegenoverstaand, lang gesteeld met steunblaadjes aan basis van de bladsteel, en hebben een hartvormige voet en gezaagde rand. Meestal zijn ze gelobd, met drie, soms vijf lobben. De bladeren aan de top van de stengel kunnen ongedeeld zijn.

De bloemen, die verschijnen van juli tot september, groeien in pluimen in de bladoksels, bij de mannelijke bloeiwijzen staan de bloemen afzonderlijk aan het eind van de pluimsteeltjes, bij de vrouwelijke bloeiwijzen staan aan het eind van de pluimstelen aartjes met meer bloemen. Hieruit ontwikkelen zich de karakteristieke  eivormige vruchtkegels = hopbellen, die in augustus/september aan de vrouwelijke plant groeien.

De hopbellen worden al sinds de 9-de  eeuw gebruikt voor de productie van bier, daar kent iedereen ze van. Daarvoor als medische of culinaire toepassing. Hieronder dus die mooie botanische illustratie.

uit: Franz Eugen Köhler, Köhler’s Medizinal-Pflanzen / Public domain

Linksboven zijn de hangende vrouwelijke bloemen te zien die later zullen uitgroeien tot de typische hopbellen. Rechtsboven is te zien hoe de mannelijke bloemen zich hebben gevormd

Muurvaren

Het is altijd leuk om muurplanten tegen te komen. In Zoetermeer is dat niet heel vaak. Dat komt omdat Zoetermeer als een nieuwe stad weinig oude muren heeft. Oude muren hebben spleten en gaten waar planten zich in kunnen vestigen, en ouderwets, vaak zachter cement.

Je zou misschien denken dat wij hier dan helemaal geen planten op muren zien, toch valt dat mee. Relatief nieuwe muren van zo’n 20 à 30 jaar oud, kunnen prima begroeid zijn. Het gaat dan om vochtige en schaduwrijke muren, zoals bv. kademuren.

Maar ik wil het hebben over de Muurvaren, Asplenium ruta-muraria, naast Mannetjesvaren de meest geziene varen op muren. Ik was blij verrast hem onlangs aan te treffen op de muurtjes rond de Oude Kerk uit 1783, in Zoetermeer. Doorgaans worden deze muren heel goed ‘schoongehouden’. Misschien dat men vanwege de renovatiewerkzaamheden aan de kerk hier al een tijdje niet aan toegekomen is. Het betekent dat muurvaren zich niet zo makkelijk laat wegpoetsen, al lijkt dat net na een boenbeurt wel zo.
De Muurvaren is een winterharde plant, dus in deze tijd van het jaar prima te vinden. Draai het blad dan ook even om, zelfs de sporenhoopjes aan de onderzijde van het blad zijn nu aanwezig.

Onderkant van het blad met de sporen.

De plant is goed te herkennen aan de bladeren, waaiervormig met een getand randje. De bladschijf in zijn geheel is driehoekig tot ruitvormig. De soortaanduiding: ‘ruta-muraria’ betekent: op muren groeiende ‘ruta’, waarbij ‘ruta’ staat voor ruit. Ik denk dat dit verwijst naar de vorm van de deelblaadjes, maar eerlijk gezegd vind ik de blaadjes van Ruta (wijnruit) best iets weghebben van de blaadjes van Muurvaren. Dat zal komen door de textuur, glimmend, beetje leerachtig.

Het begin is er!

De geslachtsnaam ‘Asplenium’ komt van het Latijnse ‘splen’, dat milt betekent. Deze varens werden ooit gebruikt bij ziekten van de milt. Of dat voor alle vertegenwoordigers van dit geslacht geldt? Geen idee.
Je vindt Muurvaren dus op muurtjes. Ook op wat zonniger kanten. Waar geen muren zijn, groeit de varen op kalkrijke rotsen.
Hij stelt geen hoge eisen aan z’n standplaats. Bij de bouw van stenen steden kon hij moeiteloos ‘overstappen’, en een echte stadsplant worden.

Stoeptegelspleetplant

“Is dat een plantje? Ik dacht dat het een mos was.” Ik hoor dit regelmatig als ik iemand wijs op die groene sterretjes  tussen de stoeptegels. Ik begrijp dat helemaal want het is een van de kleinste landplanten van Nederland en Liggende vetmuur (Sagina procumbens) bloeit lang niet overal altijd. Daarnaast nestelen zich ook mossen in diezelfde stoeptegelspleten, zoals Smaragdsteeltje en Zilvermos. Maar, Liggende vetmuur is dus wel degelijk een plantje. Als je het tussen de stenen uitpeutert kun je zien dat de blaadjes niet doorschijnend zijn, want meer dan een cellaag dik, en dat de plantjes worteltjes hebben. Als je een exemplaar treft in bloei of vrucht is het helemaal duidelijk.

Typisch Liggende vetmuur, als stoeptegelspleetplant tussen de mosjes

Maar, waarom groeit Liggende vetmuur tussen die stoeptegels en die andere planten niet? In de eerste plaats omdat hij klein genoeg is om in die spleten weg te kruipen en zijn dunne worteltjes passen in de spleten. Ook verder biedt een stoeptegelspleet een omgeving waar dit plantje kan gedijen: stikstofrijk, zonnig maar toch wat vochtig zonder concurrentie van andere planten. Er zijn weinig andere planten die het daar ook uithouden en zo kan de Liggende vetmuur de stoeptegelspleten mooi koloniseren. Behalve tussen de stoeptegels groeit Liggende vetmuur ook op open zandige plekjes.

Liggende vetmuur bloeit met tere beige-groene viertallige bloemetjes. Met dat viertallige zijn de vetmuren een uitzondering in de Anjerfamilie waar de bloemen standaard vijftallig zijn zoals bij hoornbloemen en koekoeksbloemen. Maar, als je goed kijkt, vind je wel de typerende bloeiwijze van gevorkt bijscherm van de Anjerfamilie: bij iedere splitsing staat een bloemetje tussen de twee takken.

Liggende vetmuur – Sagina procumbens

Liggend-donker-uitstaand

Voordat je nu alle groene sterretjes Liggende vetmuur noemt, wijs ik nog even op Donkere en Uitstaande vetmuur die in de stad ook regelmatig voorkomen. Liggende vetmuur kruipt meer en vormt wortelende uitlopers. Ook zijn tijdens de bloei groene rozetten aanwezig. Donkere en Uitstaande vetmuur vormen geen uitlopers, als ze de kans krijgen groeien ze meer rechtop. Tijdens de bloei is hun bladrozet vaak al verschrompeld. De verschillen tussen Donkere en Uitstaande vetmuur zijn:

  • Uitstaande vetmuur: veel kelkbladeren hebben roze randjes en staan na de bloei af. De doosvrucht steekt ruim buiten de kelk uit.
  • Donkere vetmuur: kelkbladeren hebben witte randjes en liggen na de bloei tegen de vrucht aan. De doosvrucht steekt <10% buiten de kelk uit. Donkere vetmuur is wat tengerder dan Uitstaande.
Donkere vetmuur (links) en Liggende vetmuur (rechts) – Sagina apetala en Sagina procumbens.

In iedere straat, maar niet tussen iedere tegel

Liggende vetmuur is heel algemeen. Hij is in bijna iedere straat wel ergens te vinden tussen de stoeptegels of de klinkers. Maar, niet iedere steenspleet voldoet. Ik hoopte dat Liggende vetmuur de ruimte tussen de stenen in mijn achtertuin zou koloniseren, maar dat deed hij niet; waarschijnlijk is mijn tuin te schaduwrijk.

Liggend vetmuur – Sagina procumbens. Zelden heb ik zo’n mooi bloeiend plukje gezien, gevonden naast een lantaarnpaal nabij station Schiedam.

 

Sla, niet alle soorten zijn geschikt voor salade

In Nederlandse zijn diverse soorten Sla te vinden. In onze salade zitten meestal alleen maar variëteiten van Sla (Lactuca sativa). Er zijn echter diverse andere Slasoorten uit hetzelfde geslacht en ook nog diverse soorten uit andere geslachten. De soorten uit de andere geslachten worden vanwege hun gelijkenis ook Sla genoemd, maar zijn dit zeker niet. Denk hier bijvoorbeeld aan Muursla (Mycelis muralis), Veldsla (Valerianella lucusta), Korensla (Arnoseris minima), Watersla (Pistia stratiotes) en Grote bergsla (Cicerbita macrophylla). Op Veldsla na, een soort die ook wel gecultiveerd wordt, zijn deze soorten niet eetbaar.

Er zijn ook vijf “echte” Slasoorten, soorten uit het geslacht Lactuca. Vroeger kwam Wilgsla (Lactuca saligna) voor in het kustgebied en langs de Maas in Zuid-Limburg. Deze soort is voor het laatst in 1982 gevonden. Deze soort dankt haar naam aan de smalle, gaafrandige stengelbladen. Zeer sporadisch  wordt de adventieve soort Strandsla (Lactuca tatarica) aangetroffen, de enige soort uit het geslacht met blauwpaarse bloemen. Deze soort dankt haar naam aan de vindplek (Rottumeroog) waar de soort een tijd lang ingeburgerd is geweest. De soort is hier inmiddels weer verdwenen, maar is nog een vijftal keer aangetroffen in het binnenland. Verder komt de zeer algemene Kompassla (Lactuca serriola) in het gehele land voor, al was deze voor 1960 nog zeer zeldzaam. Kenmerkend aan deze soort is dat de stengelbladen een kwartslag draaien, waardoor de plant de vorm krijgt van een “richtingbord”. Op elk blad zou je de naam van een dorp/stad kunnen schrijven waar het blad naar toe wijst. Mogelijk dankt de soort hier haar naam aan, ik weet het niet, ik kon het niet vinden. Er worden twee vormen onderscheiden, een vorm met veerdelig ingesneden blad (forma. serriola) en een vorm met normaal blad (forma. integrifolia). Kompassla kan relatief gemakkelijk met Sla kruisen en vormt dan een fertiele (vruchtzettende) hybride.

Een prachtig rozet van Gifsla, hier met een diameter van ongeveer 60 cm.

Dan kom ik uiteindelijk aan bij de laatste soort, Gifla (Lactuca virosa), een zeldzame, maar toenemende soort. Deze soort duikt op diverse plekken in het land op, maar is inmiddels ingeburgerd op bepaalde plekken in de duinen, voornamelijk Meijendel en Texel,  en in oude steden. Zo is de soort inmiddels te vinden in Nijmegen, Wageningen, Groningen, Den Haag, Maastricht, Leiden en Breda. Gifsla is een soort die tijdens bloei sterk op Kompassla lijkt en in rozetvorm vaak niet herkend wordt. De soort is daarom mogelijk op meer plekken nog te ontdekken. De plant maakt gigantische rozetten die de gehele winter aanwezig blijven. Twee weken geleden ,tijdens een Eindejaars Plantenjacht, ontdekte ik een nieuwe vindplek in Nijmegen, waarbij ik maar liefst 45 rozetten telde. Het grootste rozet had een diameter van zo’n 80 cm. Behalve de grootte van de rozetten, verschilt Gifsla van Kompassla door de niet-gedraaide stengelbladen, de kleinere stekels op de middennerf van de bladonderzijde en door de andere vorm en kleur van de nootjes (de vruchten/zaadjes). De nootjes zijn groter (4-5 x 1,5-2 mm) dan bij Kompassla (3 x 1 mm), donker paarszwart (niet lichtbruin), breed gerand (niet smal gerand) en volledig kaal (niet kort behaard aan de top). Met een beetje ervaring zijn de twee soorten echter met relatief gemak te onderscheiden. In het jaar 2000 is de soort gemeld in 32 km-hokken, inmiddels is de soort gemeld in 166 km-hokken. Ik ben benieuwd of de soort nog sterker toe gaat nemen de komende jaren. Doe de soort echter niet in je salade, want het melksap heeft een vergelijkbare werking als opium en is in hoge dosis giftig.

De donkere, paarszwarte, breedgerande nootjes van Gifsla.
De onderzijde van de middennerf bevat kleine stekelhaartjes.

Ondergronds

Straks als de winter ten einde is, met deze temperaturen al snel, zie je overal de eerste planten tevoorschijn komen. Vaak zijn het stinsenplanten die als eerste bloeien. In elke stad is wel een heemtuin of iets dergelijks te vinden waar deze planten voorkomen. En ik kom hier in Gouda ook regelmatig in de berm een stinsenplant tegen. Wat stinsenplanten precies zijn daar zijn boeken over vol geschreven. Een beknopte omschrijving staat op https://www.plantennamen.info/nader-uitgelegd/wat-zijn-stinzenplanten Maar daar gaat het hier niet om. Er verschijnen Sneeuwklokjes op plekken waar ze helemaal niet gepoot zijn! Ook bijvoorbeeld Vogelmelk (Ornitholagum umbellatum) of Daslook (Allium ursinum) lijkt overal heen te wandelen. Zeker de beginnende plantenliefhebber snapt hier niks van. Ik kom soms stinsenplanten tegen waar ik ze nog nooit gezien had. De verspreiding van planten vindt toch plaats met behulp van insecten? Ja, heel vaak wel. En een beetje nee.

 

Daslook bloeit in het voorjaar

Het antwoord is al snel gevonden op internet, het mierenbroodje! Wikipedia zegt het volgende: aan de onderzijde van de zaden zit soms een vlezig aangroeisel dat mierenbroodje wordt genoemd. Mierenbroodjes komen bij veel meer plantenvruchten voor. In België en Nederland zijn zo’n 200 plantensoorten bekend die zaden met een mierenbroodje hebben. Zij bevatten een olieachtige stof die zeer aantrekkelijk is voor mieren. De mieren slepen de zaadjes mee en leveren zo een bijdrage aan de verspreiding van de planten.

 

Mieren zijn dus voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de verspreiding van onze flora. Natuurlijk zijn die insecten zeer belangrijk en moeten wij oprecht ons zorgen maken over de zeer snel afnemende hoeveelheid daarvan. Maar er zijn verschillende manieren voor een plant om zich te verspreiden.

De volgende lijst geeft ongeveer een beeld van de mogelijkheden:

  • Met behulp van insecten. Veel Lipbloemige en veel Schermbloemige.
  • Door middel van klitten of kleven. Denk bijv. aan Grote klit of Kleefkruid.
  • Door de lucht. Bijv. de Paardenbloem of de Gele morgenster.
  • Via spijsvertering van dieren. Bijvoorbeeld Heideplanten of Maretakken.
  • Springen of schieten Een invasieve exoot Springbalsemien maar ook Ooievaarsbek is een voorbeeld.
  • Over water. Bijv. Gele lis of de Witte waterlelie.
  • Het mierenbroodje. De hierboven genoemde Sneeuwklokjes maar ook de Paarse dovenetel (https://www.stadsplanten.nl/2019/01/paarse-dovenetel-gesloten-bloemen-en-mierenbroodjes/)
  • Klimmen/ranken. Denk aan Haagwinde of Heggenrank
  • Vegetatieve vermeerdering. Bijv. Heermoes of de zeer agressieve Japanse duizendknoop

 En dan zijn veel plantenzaden ook nog eens beperkt kiemkrachtig. Van enkele maanden tot meer jaren. Als je dan ook nog eens ziet dat de grond waar dit zaad neerkomt ook nog eens geschikt moet zijn qua bodemgesteldheid en de aanwezigheid van de juiste schimmels (zie mijn vorige stukje, Stadsschoonheden https://www.stadsplanten.nl/2019/02/__trashed-2/) dan mag het wonder heten dat planten zich verspreiden. Waar ik nieuwsgierig naar ben is of de insectenuitsterving bovengronds net zo erg is als ondergronds. Is hier ooit onderzoek naar gedaan? Het mierenbroodje blijkt best belangrijk. Ik heb meer keren gelezen dat zo’n 200 plantensoorten profijt hebben van deze verspreiding.

Van kust naar binnenland

Van kust naar binnenland.

Wat heeft dat met de stad te maken kan worden afgevraagd? Onder binnenland valt ook binnenstad. Wat betreft Deventer ligt dat behoorlijk ver in het binnenland. Wat betreft planten zijn een aantal typisch kustsoorten tot in de binnenstad te vinden.  Denk bijvoorbeeld aan een typische kustsoort als Deens lepelblad.
Voor de nog uit te geven Stadsflora van de Lage landen had de schrijver mij gevraagd om eens wat gegevens te gaan bekijken van een aantal soorten, waaronder Deens lepelblad (Cochlearia danica). Uiteindelijk is deze soort als een van de soorten die wat extra aandacht krijgen uit de selectie gevallen. Ik was echter al aan de slag gegaan en vond het zonde om die inspanning niet om te zetten in, bijvoorbeeld, een bijdrage aan deze blog.
Deens lepelblad is in Deventer al bijna in de oude binnenstad aanwezig, zoals de volgende foto laat zien.

Deens Lepelblad
Deens Lepelblad op de rand van het stadscentrum (Handelskade) in Deventer. 500 meter in de kijkrichting is de singel rondom het centrum van Deventer.

Data over verspreiding van Deens lepelblad

De vraag van de schrijver van de Stadsflora van de Lage Landen was: is het mogelijk om verspreidingskaatjes van soorten te maken in zowel Nederland als Vlaanderen? De Stadsflora van de Lage landen behandelt naast Nederlandse stand ook een aantal steden in Vlaanderen. Aanvullende vraag was: is het mogelijk om een aantal overzichtskaartjes te maken van de verspreiding in de tijd van die soort in zowel Nederland als Vlaanderen? Dat zijn de leuke vragen voor een florist met GIS ervaring. Maar waar haal je de data vandaan? Eigenlijk is er maar een bron die open data beschikbaar maakt en dat is de GBIF, ofwel de Global Biodiversity Information Facility. Via GBIF is het mogelijk om gegevens van een bepaalde soort te downloaden voor een bepaalde periode voor een opgegeven interessegebied. Nu, Nederland en Vlaanderen dan maar. Tot mijn verbazing gaan de oudste gegevens terug tot 1850 voor Vlaanderen. Die standaardisatie heeft als voordeel dat alles geüniformeerd is, dus ook het coördinaatstelsel. Hier wordt verder niet op ingegaan omdat dat totaal niets met de soort te maken heeft, maar het maakt voor het maken van kaartjes nogal wat uit, het maak het gemakkelijker.

Die gegevens maken het mogelijk om in de tijd te gaan kijken wat er gebeurd in termen van verspreiding. Deze optie is ook in de verspreidingsatlas te vinden is. Met het schuifje aan de linkerkant van de kaart is het mogelijk door de ‘tijd te lopen’. Alleen ben je als gebruiker dan wel afhankelijk van wat er in Nederland gebeurd. Goed, als je een beetje handig bent is het mogelijk om dat van de soort over de hele wereld te doen, of zoals in dit geval, voor Vlaanderen en Nederland. Dan valt op dat Deens lepelblad rond 1900 alleen aan de kust werd gevonden. In Nederland alleen op Texel en vanaf 1850 zijn waarneming in de GBIF database voor Vlaanderen beschikbaar.

Alle kaartjes toevoegen aan deze blog is een beetje saai. Echter een aantal kaartjes achter elkaar geplakt, maakt een filmpje. Ik geloof het eerste filmpje op deze blog. Planten bewegen, zij het in de tijd en niet als individu, maar als soort.
Hieronder een video van de verspreiding van Deens lepelblad over Nederland en Vlaanderen van 1900-2020.

Eigenlijk gebeurd er de eerste 60 jaar niet veel. Een paar waarnemingen langs de kust. Dan gaat het snel. Vanaf 1970 is op grote schaal gladheidsbestrijding gestart met als gevolg dat het voor planten, met een zekere zouttolerantie, mogelijk wordt om naar het binnenland te migreren. Dat geldt ook voor Deens lepelblad.
Er is slechts een maar aan die data van GBIF. De gegevens zijn geaggregeerd naar 4 km resolutie. Ofwel, eigenlijk zie je de snelwegen er niet echt goed uitkomen, dat is wel een beetje jammer. Als wordt ingelogd op verspreidingsatlas.nl en er wordt naar 1 km hok niveau geschakeld, dan is heel duidelijk te zien dat verspreiding langs snelwegen gaat, zoals bijgaande figuur laat zien.

Verspreidingskaartje Deens Lepelblad
Verspreidingskaartje Deens Lepelblad (1975-1999)

De soort

Deze laagblijvende en witte kruisbloemige kwam tot voor 1950 vrijwel uitsluitend voor langs de kust. Deens lepelblad is door zijn standplaats, voedselrijke, iets zilte, vaak kalkhoudende grond, van de twee andere soorten lepelblad de meest voorkomende. Echt lepelblad (Cochlearia officinalis subs. officinalis) en Engels lepelblad (Cochlearia officinalis subs. anglica) hebben striktere eisen en gaan vooral achteruit door verzoeting (Bron: verspreidingsatlas).

In het kustgebied is het mogelijk de drie soorten tegelijk aan te treffen. Dan is het zaak goed te kijken naar de kenmerken, die hieronder in een tabel zijn samengevat (bron verspreidingsatlas.nl).

Zoutplant of zouttolerant?

Vaak wordt de term zoutplant gebruik. Echter, zout is ronduit giftig voor alle organismen en er zal altijd voor gezorgd worden dat zout buiten de cellen blijft. Dat er dan toch planten kunnen groeien op plaatsen met veel zout, heeft te maken met verschillende strategieën die planten hebben om dat zout kwijt te raken of te voorkomen dat het vocht onttrekt aan de cellen.  Planten die dat goed kunnen hebben een voorsprong op andere planten waardoor hun concurrentiepositie toeneemt en deze soorten op plaatsen met zout net iets beter groeien en zich voortplanten dan andere soorten. Dat geldt zeker ook voor Deens lepelblad, gezien het succes tot ver in de binnenstad.

Klimopbij erbij

Klimop (Hedera helix) is een stadsplant die zich in mijn bijzondere belangstelling mag verheugen. Dat heeft alles te maken met mijn belangstelling voor insecten; wilde bijen en wespen in het bijzonder.

In de stad is klimop de laatste jaren toegenomen, is mijn indruk. De reden is dat klimop als onderdeel van tuinafscheiding in de mode is geraakt. Al heel simpel is wat betonijzer tussen twee palen gezet en dan klimop ertegenaan. Min of meer gelijktijdig arriveerde een zuidelijke bij, de klimopbij (Colletes hederae) in Limburg. We spreken over 10 jaar geleden. Vanuit Limburg begint de klimopbij een gestage opmars naar het Noorden. In 2017 trof een collega de eerste in een plantsoen in Breda aan. In 2018 vond ik de eerste in mijn tuin, en in dat zelfde jaar werden door mij en anderen tientallen klimopbijen in Breda gesignaleerd. De klimopbij is een forse bij, zo groot als een honingbij en lijkt er ook wel op. Je moet letten op de bandjes op het achterlijf. Die heeft de klimopbij wel en de honingbij niet.

De klimop moet wel bloeien voor veel insecten.

Klimop is uit ecologisch standpunt een belangrijke stadsplant. Vogels vinden er dekking in en vooral merels nestelen er graag in. Het is daar doorgaans veiliger voor katten dan in struiken en ook voor andere predatoren als eksters biedt klimop goede dekking.

Het is een waardplant voor het boomblauwtje, kolonies mieren lopen meters omhoog en omlaag om luizen te melken, er huizen vele soorten spinnen en kevers. Om klimop te laten bloeien moet je in ieder geval een deel niet snoeien. Bij voorkeur het deel dat in de zon staat, vaak de bovenkant.

Bloeit de klimop dan sta je verbaasd over de hoeveelheid insecten die wekenlang op de bloemen afkomt.

Het zoemt op zonnige dagen van jewelste: klimopbijen, blinde bijen, limonadewespen, hoornaars, diverse hommelsoorten, atalanta’s, aurelia’s, diverse graafwespen, sluipwespen, vleesvliegen, enz. In de winter tot in de vroege lente vormen de zwarte bessen voedsel voor lijsters en spreeuwen.

Heb je geluk, zoals ik, dan kun je in je eigen tuin ook nog de klimopbremraap scoren.

Klimopbremraap heeft een mooie, snel verwelkende bloem.
Klimopbremraap is ongeveer 10 cm hoog.

Trilgras

In de vorige stadsplantenbijdrage besprak ik slanke naaldaar (Setaria parviflora). De vindplaats is het KNSM-eiland, wat samen met het Java-eiland in het oostelijk havengebied van Amsterdam al decennia een hotspot is voor bijzondere plantvondsten. De twee eilanden, eigenlijk schiereilanden, waren ooit dé plek voor havenactiviteiten, maar die vielen in de loop der jaren weg door de opkomst van de luchtvaart en het stilvallen van de handel op de Oost. Dit desolate gebied werd vanaf het einde van de jaren zeventig in bezit genomen door krakers, kunstenaars en stadsnomaden. Nog geen 15 jaar later werd alles herontwikkeld tot een woonwijk.

Ondanks deze veranderingen bleef deze omgeving een plek om bijzondere soorten te spotten. Was ooit de scheepvaart de reden voor bijzondere vondsten, later gaf het massaal braakliggen genoeg plek voor allerhande soorten. Tegenwoordig wonen er mensen die geen behoefte hebben aan een steriel, schoongespoten en dito geborstelde straatbeeld. Integendeel; rijen plantenpotten en dito bakken, geveltuinen en overhoekjes geven wilde en verwilderde planten alle ruimte.

De gekste verwilderingen zijn hier te vinden alsmede de voorhoede van warmteminnende soorten uit het zuiden. Maar ik beperk me nu tot de grassen.

Aartje van groot trilgras

Zo worden er op deze twee schiereilanden naast slanke naaldaar meer bijzondere grassen gevonden zoals laksteeltje (Catapodium marinum), plat beemdgras (Poa compressa), knolbeemdgras (Poa bulbosa), rattenstaartgras (Sporobolus indicus), met duizenden exemplaren klein fakkelgras (Rostraria cristata) en al heel lang kransgras (Polypogon viridis). Kransgras is tegenwoordig niet meer zeldzaam te noemen, maar pas in deze eeuw begon de opmars in Nederland met het Java-eiland als een van de startpunten.

Groot trilgras gedijt ook op houten balken

Tenslotte wordt er ook nog groot trilgras (Briza maxima) gevonden. Deze soort is eigenlijk de enige bijzondere grassoort hier die een verwildering is. Ruim 20 jaar geleden ontsnapte deze soort uit plantenbakken en wist zich op straat en kademuur te vestigen. Net zoals ons inheems trilgras, bevertjes (Briza media), heeft het korte en afgeplat brede aartjes hangend aan dunne stelen die in bij het minste briesje al trillen: vandaar de namen. Ook de wetenschappelijk naam Briza houdt met het trillen verband. ‘Briza’ komt van het Griekse ‘brithó’ = ik balanceer, vanwege de zeer beweeglijke aartjes. Groot trilgras is in alles een maatje forser dan bevertjes, maar verder erg gelijkend. Het is een vroege bloeier die begin juni al geheel is verdord. Als plantelijkjes zijn ze echter tot in de herfst te vinden. Groot trilgras komt massaal voor op de kaderand, vooral tussen het straatmeubilair van de woonbootbewoners. Fietsrekken zijn ook een fijne en veilige plek. Ook op de houten balk, die voor de kademuur als stootrand fungeert, en op de dukdalven komt het weelderig voor.

En het groeit in spleten

Ooit ontsnapt uit plantenpotten, komt het in potten nu spontaan op als gewenst onkruid. De groeiplaats is een kleine 200 meter lang en vertoont al jaren geen uitbreiding. Het milieu lijkt verderop langs de kade identiek, maar wellicht zit het verschil in de bodem. Deze eilanden waren oorspronkelijk golfbrekers en zijn voornamelijk met slib uit de vaargeul verbreed en  opgehoogd. Het was ook een mooie plek om overtollige grond kwijt te raken en mijn vermoeden is dat op de groeiplaats andere grond is gestort en de bodem ter plekke wat kalkrijker is. Groot trilgras kwam tot eind de vorige eeuw alleen voor langs de kusten van de Middellandse Zee en de Atlantische kust tot in Frans Baskenland, met een paar voorposten in Normandië. Waarschijnlijk door de toepassing als siergras wordt de soort tegenwoordig sporadisch gevonden in een groot deel van Europa. Maar alleen in Engeland, Wales en Nederland lijken er bestendige populaties te zijn ontstaan.

Maar met vondsten in slechts 40 atlasblokken zijn dat er in Nederland nog niet veel.

Bron: https://www.verspreidingsatlas.nl/5612

Ook uitgedroogd, is groot trilgras nog te herkennen.

Vlinderstruik

Een regelmatig verwilderende struik in het stedelijk gebied is de vlinderstruik (Buddleja davidii). Iedereen kent hem tegenwoordig. Daar hebben de tuincentra en de Vlinderstichting in eendrachtige samenwerking wel voor gezorgd. Toch is deze exoot uit China pas een jaar of 20 zo alomtegenwoordig. Eind 19de eeuw is de struik naar Europa gehaald. Door kwekers is vooral na de tweede wereldoorlog een variëteit aan kleuren ontwikkeld en door vergrote afzet daalde de prijs van de struiken. Toen ook nog de Vlinderstichting de struik aanbeval als bijdrage aan het behoud van vlinders, werd daar door het publiek zeer ontvankelijk op gereageerd. In elke straat vind je nu wel een of twee vlinderstruiken. De plant zelf liet zich ook niet onbetuigd. Vanaf 1980 heeft de plant zich langs de spoorwegen en in de stad explosief vermeerderd.

Een struik die zijn biotoop vindt.

De vlinderstruik is een pionier van droge stenige terreinen en vormt daardoor nauwelijks een bedreiging voor inlandse planten. En inderdaad, de plant heeft bloemen die bij uitstek geschikt zijn voor vlinders. De bloembuis is lang en smal, waardoor alleen insecten met een lange tong bij de nectar kunnen. Vlinders hebben zo een lange roltong. De vlinders hebben dus geen hinder van zweefvliegen en honingbijen. Maar op de vlinderstruik is meer te zien dan alleen dagvlinders, ook nachtvlinders komen er graag: gamma-uil, koperuil, goudvenstertje, huismoeder, witstipgrasuil en nog veel meer nachtvlinders zijn er op te vinden.

Vlinderstruik in de stad

De struik heeft nog een aanpassing aan insectenbestuiving: van een onbestoven bloem is het hartje geel, en daarmee goed zichtbaar voor insecten. Na bestuiving wordt het rood, een kleur die insecten slecht zien.

De geslachtsnaam ‘Buddleja’ is afgeleid van de Engelse botanicus Adam Buddle. De soortaanduiding ‘davidii’ verwijst naar pater Armand David, een Franse missionaris in China, die echter ook bioloog was en een groot aantal nieuwe planten en dieren ontdekte. Zijn bekendste ontdekking is het Pater-Davidshert.

Vergelijking van twee raketten

“Ik zie veel vaker Hongaarse dan Oosterse raket” vertelden diverse floristen mij. Dat verbaasde me want mijn ervaring is precies omgekeerd: in Rotterdam vind ik in vrijwel ieder kilometerhok Oosterse raket (Sisymbrium orientale), en af en toe ook Hongaarse raket (Sisymbrium altissimum). Ik vroeg me af of mensen de twee soorten soms verwisselden; het zijn ten slotte allebei raketten met opvallend lange hauwen (vruchten). Maar, dat is niet heel waarschijnlijk want er zijn veel verschillen; als je ze een beetje kent zijn ze makkelijk uit elkaar te houden.

Hongaarse raket (Sisymbrium altissimum)

De Heukels flora geeft als belangrijkste verschillen:

  • Kelkbladen | Hongaarse: ver afstaand | Oosterse: rechtopstaand
  • Stengelbeharing | Hongaarse: onderaan ruw, bovenaan kaal | Oosterse: overal zachtbehaard
  • Bovenste bladeren | Hongaarse: met 2-5 paar smalle slippen | Oosterse: enkelvoudig of met 1 paar slippen
Oosterse raket (Sisymbrium orientale)

Dus keek ik maar eens naar de verspreidingskaartjes van beide raketten. Beide zijn exoten, maar wel ingeburgerd; ze doken ergens tussen 1850 en 1950 voor het eerst op in Nederland. Hongaarse raket kwam hier vanuit Oost Europa, hetgeen gelijk zijn Nederlandse naam verklaard; Oosterse raket uit het Middellandse zeegebied en de regio’s daaromheen,  dus vooral uit zuidelijke richting. Hoewel het beide pioniers zijn die houden van open, droge zandgrond, verschillen ze toch in standplaatsvoorkeur. Oosterse raket houdt ook van stenige standplaatsen. Dat verklaart dat hij zich makkelijker tussen de straatstenen nestelt en het goed doet in het stedelijk gebied. Hongaarse raket wordt in Nederland vooral gevonden langs spoorwegen, op industrieterreinen en in de duinen.

 

Verspreiding van Hongaarse en Oosterse raket in Nederland. De kaartjes tonen de km-hokken waar ze tussen 1990-2019 zijn gevonden. In de legenda zie je dat Hongaarse raket in ruim 3000 hokken was gevonden en Oosterse in nog geen 600 hokken.

Het rechter kaartje laat zien dat Oosterse raket tot nu toe een duidelijke voorkeur heeft voor randstedelijk gebied terwijl Hongaarse raket veel ruimer verspreid is. Den Haag, Rotterdam, Dordrecht en Amsterdam zijn goed op de rechter kaart te herkennen. Hongaarse raket is in vijf keer zo veel hokken aangetroffen. Dit maakt het aannemelijk dat mensen buiten de randstad vaker Hongaarse raket zien dan Oosterse raket.

Maar verklaren de kaartjes dan ook dat ik in Rotterdam meer Oosterse dan Hongaarse raket vind? Oosterse raket lijkt rond Rotterdam wel iets meer gevonden dan Hongaarse raket, maar het verschil op het kaartje is niet zo groot. Toen ik nog wat verder zocht vond ik waarschijnlijk de oorzaak van mijn ervaring: de trend van deze twee soorten.

Links zien we dat Hongaarse raket zijn hoogtepunt had rond 1995 en nu sterk afneemt. Oosterse raket fluctueert sterk, maar toont geen afnemende trend.

Tot mijn verrassing blijkt Hongaarse raket op zijn retour in Nederland; rond 1995 had hij een hoogtepunt en in 2018 was hij ten opzichte van 1990 met zo’n 75% afgenomen. Floristen met twintig jaar ervaring of meer hebben dus het hoogtepunt van de Hongaarse raket meegemaakt. Maar, ik inventariseer pas sinds 2011 en heb die piek dus niet meegemaakt en ervaar alleen de huidige situatie. Als we focussen op de laatste paar jaar zien de verspreidingskaartjes er zo uit:

Verspreidingskaartjes van Hongaarse en Oosterse raket van waarnemingen in alleen de jaren 2015-2019. Het meer Randstedelijke karakter van Oosterse raket is hier heel zichtbaar.

Hier is goed zichtbaar dat Oosterse raket in Rotterdam in de periode 2015-2019 veel vaker is gevonden dan Hongaarse raket. Het klopt dus dat buiten de randstad Hongaarse raket nog steeds algemener is dan Oosterse, want in dezelfde periode in twee keer zo veel hokken aangetroffen, maar het verschil is wel veel kleiner geworden. Veel floristen moeten waarschijnlijk wel hun beeld bijstellen over de algemeenheid van Hongaarse raket.

Oosterse raket (Sisymbrium orientale)