Home » algemene planten

Categorie: algemene planten

Vingergrassen, meer dan je op één hand kan tellen

Voor wie denkt dat Vingergrassen bekend en saai zijn, lees vooral verder! Vingergrassen zijn rond deze tijd een van de meest algemene soorten in de stad. In het stedelijk gebied is Harig vingergras (Digitaria sanguinalis) veel algemener dan Glad vingergras (Digitaria ischaemum) en in mijn omgeving is Glad vingergras zelfs zeldzaam te noemen. Ik heb ook gemerkt dat dit in andere biotopen en andere gebieden andersom kan zijn. Ondanks dat beide soorten niet oorspronkelijk inheems zijn, zijn ze al vóór 1500 in Nederland terecht gekomen. In het verleden zijn echter veel meer soorten gevonden, maar deze worden tegenwoordig niet meer gevonden, hoe kan dat?

De belangrijkste kenmerken om Vingergrassen te determineren, zitten in de aartjes (de bloemen). Om te determineren dien je te kijken naar de lengte van het aartje en naar de nervatuur en de lengteverhouding van de kelkkafjes en het lemma. Dit is behoorlijk lastig omdat de aartjes erg klein zijn (2 tot 3,5 mm). Voor een uitgebreide determinatiesleutel verwijs ik naar deze website: Manual of the Alien Plants of Belgium. Onderstaande illustratie laat zien hoe Harig vingergras en Glad vingergras verschillen in lengte van de aartjes en lengteverhouding van kelkkafjes en lemma.

De aartjes van Harig en Glad vingergras

Wat is nu de valkuil? Om Harig vingergras en Glad vingergras te onderscheiden, hoef je niet naar de minuscule aartjes te gaan kijken, je kan ook gewoon kijken naar de beharing van de bladschijf en bladschede. Harig vingergras is namelijk veel sterker behaard dan Glad vingergras. Dit kenmerk is aardig betrouwbaar, maar ook vrij variabel. Bovendien kan de beharing afwezig lijken wanneer je met verkeerde lichtomstandigheden en de verkeerde hoek naar de plant kijkt. Maar wat nog veel belangrijker is, is dat je op deze manier nooit de andere soorten zal ontdekken. Blijf daarom altijd kijken naar de aartjes!

Digitaria sanguinalis subsp. pectiniformis (foto: Tim van de Vondervoort, Den Haag).

Recent werd een bijzondere ontdekking in Amersfoort gedaan door Margreet Heslinga. Margreet had de plant correct herkend als Harig vingergras. Met een snelle duik in een determinatiesleutel,  bleek het om een zeldzame ondersoort van Harig vingergras te gaan (Digitaria sanguinalis subsp. pectiniformis). Typerend voor deze ondersoort is de aanwezigheid van lange borstelharen op de onderste kelkkafjes. Ik liet de vondst aan een aantal vrienden zien en  een week later dook een tweede vondst op, deze maal door Tim van de Vondervoort in Den Haag. Ik denk dat er nog veel te ontdekken valt. De planten zijn nu nog volop te vinden, zoeken jullie mee? Kijk ook buiten het stedelijk gebieden in biotopen als maïsakkers en ruderale, verstoorde terreintjes en wie weet kunnen we deze bijzondere soorten herontdekken of zelfs nieuwe soorten ontdekken.

Wat een naam!

Tijdens mijn dagelijkse ronde als postbode in Gouda kom ik dit plantje gedurende bijna het hele jaar tegen, Harig knopkruid (Galinsoga quadriradiata). Nu is er al een heleboel geschreven door mijn medeauteurs over Harig knopkruid dus over de plant zelf gaat dit keer het artikel niet. Wel over de wetenschappelijke naam. Niet de Latijnse naam zoals iedereen zegt, want vaak is de oorsprong van de naam ook Grieks, Italiaans, Arabisch etc.

Het systeem van de zogenaamde dubbele nomenclatuur (naamgeving), zoals bij Galinsoga quadriradiata,  is bedacht door Carl Linnaeus. Hij werd geboren in 23 mei 1707 in Uppsala in Zweden. Dankzij die wetenschappelijke naamgeving is het nu mogelijk zonder woordenboek of meertalige flora internationaal te praten/chatten of appen over dezelfde plant. Want deze plant heeft in elk land zijn eigen naam. Bijvoorbeeld:  

Engeland:    Shaggy-soldier, Fringed quickweed

Frankrijk:      Galinsoga ciliée

Duitsland:     Behaartes Franzosenkraut

Italië:             Galinsoga ispida

Sweden:        Hårgängel

Noorwegen:   Nesleskjelfrø

Denemarken: Kirtel-Kortstråle

De uitleg wat deze namen betekenen vindt u op https://www.plantennamen.info/nederlandse-namen/harig-knopkruid-galinsoga-quadriradiata.   Linnaeus heeft bij planten goed gekeken naar uiterlijke eigenschappen, stengel, aantal kroonblaadjes, hoeveelheid stampers etc. Natuurlijk heeft hij dit niet in een keer bedacht. Het was een heel proces met best veel tegenwerking van kerk, wetenschap en concurrenten. Er zijn vele boeken over hem geschreven. Eentje wil ik graag noemen. Een boek dat ik in een museumwinkel kocht. Het heet ‘Linnaeus.De ordening van plant en dier’ ISBN 9789085710721.

Linnaeus ontkwam er niet aan mensen te eren die op floristisch gebied iets extra’s had gedaan. Zoals Galinsoga, het eerste deel van de wetenschappelijke naam. Dit komt van Ignacio Mariano de Galinsoga (1766-1797). Deze Spaanse arts aan het hof was ook beheerder van de botanische tuinen in Madrid.  Een ander voorbeeld is de Waterlobelia (Lobelia dortmanna). Deze plant is vernoemd naar de Franse botanist Matthias de L’obel, een inwoner van Lille, hij stierf in Londen in 1616. Dortmanna komt van de Groningse apotheker die de plant ontdekt heeft, Jan Dortman. Twee eerbewijzen in één plantennaam! Ook kon plant vernoemd worden naar een heilige. Linneaus was als wetenschapper toch gelovig. Een voorbeeld is, overigens een echte stadsplant,  Robertskruid (Geranium robertianum) Deze naam komt van de heilige Robert de Molesme of Ruprecht, de stichter van de Cistercienorde in de elfde eeuw (1098). Dit omdat hij op de geneeskrachtige werking (bloedstelpend) van de plant geattendeerd heeft.

Dan het tweede gedeelte van de naam: de soortaanduiding. Quadriradiata komt van quadrirem (Latijn) en betekent “met vier rijen” dat zou duiden op vier straalbloemen. Echter Knopkruid heeft altijd vijf straalbloemen, dus waarom dit is weet ik niet en is ook nergens vermeld. Linneaus zag niet goed of hij bedoelde iets anders. Als iemand het weet, mag die het zeggen.

Wilde cichorei – Witlof,een kopje koffie en een middagdutje

Als je op zoek bent naar Wilde cichorei (Cichorium intybus ) kun je rustig in de auto op de toegestane snelheid langs de bermen in de stad rijden. Vanuit de auto kun je de frisblauwe bloemen niet missen. Je moet dat dan wel in de ochtend doen want vanaf het middaguur sluiten de bloemen om in de ruststand te gaan.

Wilde cichorei kan wel twee meter hoog worden en maakt een rommelige indruk door een groot aantal takken met een rijkdom aan fel lichtblauw gekleurde bloemen

Nieuwsgierig als ik ben wilde ik graag weten of de bloemen van vandaag, die rond het middaguur in de ruststand gaan, de volgende ochtend weer vrolijk open zouden gaan. De literatuur zegt er niets over. De oplossing was eenvoudig. Rond elf uur ’s morgens een aantal bloeiende bloemen gemarkeerd. Om drie uur alle bloemen gecheckt en kunnen vaststellen dat ze allemaal gesloten waren. De volgende dag opnieuw gaan kijken en toen vastgesteld dat de gemarkeerde bloemen niet opnieuw open waren. Ook kunnen vaststellen dat niet per definitie de volgende bloemknop op de stengel in bloei komt.

Cichorei kan fors uitgroeien. Door de spaarzaam aanwezige bladeren en de bezemachtige vertakkingen van de taaie stengels maakt de plant een rommelige indruk. De bloemen zijn lichtblauw van kleur en vallen op door de lintbloemen die in een cirkelvormig vlak zijn uitgespreid.

In het hart van de bloem staan de meeldraadkokertjes met de stijlen van de lintbloemen.

In het hart van de bloem staan de meeldraadkokertjes met de stijlen van de lintbloemen. De rozetbladeren, op de top van een stevige penwortel, doen denken aan de rozetbladeren van de Paardenbloem en Biggenkruid. Als je oudere literatuur er op na slaat wordt vrijwel altijd aangegeven dat het een typische plant van rivierdijken is en in mindere mate in bermen langs wegen. Ook binnen de stad vind je Cichorei meestal in bermen die een afscheiding vormen tussen bv. de weg en het fietspad.

Rond het middaguur gaan de bloemen van Cichorei in de ruststand

Vooral bij de ouderen onder ons is de naam cichorei meer verbonden met een cultuurvariant van deze plantensoort dan met de composiet uit wegbermen of op rivierdijken. In gecultiveerde vorm bestaan er twee soorten Cichorium intybus var. sativum en Cichorium intibus var. foliosum. Cichorium intybus var. sativum is bekend als cichorei als vervanger voor koffie. In de negentiende eeuw was een drankje, gemaakt van gemalen en gebrande wortel van de cichoreiplant populair. Het was enigszins bitter van smaak en leek op de smaak van koffie. Ook rond de Tweede Wereldoorlog, toen koffie niet of nauwelijks te krijgen was, werd cichorei opnieuw als surrogaat koffie gedronken. Toen na de oorlog koffie weer beschikbaar kwam voegde men vaak een “schepje Buisman” toe. Buisman was gebrande suiker die de koffie een iets scherpere smaak gaf waardoor de smaak meer in overeen kwam met de koffiecichorei die men gewend was. Een tweede voordeel van het gebruik van Buisman was dat je minder dure koffiebonen nodig had om toch een pittig kopje koffie te kunnen maken.

De tweede cultuurvariant is Cichorium intibus var. foliosum  bij iedereen bekend als Witlof. De productie van Witlof is een tweetrapsraket. In het eerste jaar worden uit zaad planten gekweekt. Het gaat daarbij vooral om het laten groeien van de penwortels van de plant. In het tweede jaar worden de wortels in het donker aangeplant en in het donker gehouden. Het bladgewas kan door het ontbreken van licht geen chlorofyl vormen waardoor de bladspruiten wit blijven en als witlof op ons bord  verschijnen.

Ook Andijvie behoort tot de cichoreifamilie

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

 

 

Het kruipt waar het (niet) gaan kan.

Eén van de meest voorkomende planten bij mij in de stad is het Kruipertje (Hordeum murinum). Het is een plant die voor veel mensen geen problemen zal opleveren met de determinatie. Ik denk dat het ook een plant is die weinig aandacht krijgt van floristen. Zelf merkte ik dat ik geen fatsoenlijk Kruipertje in mijn fotoverzameling heb terwijl daar toch zo langzamerhand honderden soorten in staan. Daarom vandaag maar even deze foto gemaakt:

Even wat “feiten” op een rij: Kruipertje is een Gerstsoort (Hordeum), er groeien in ons land nog vijf andere gerstsoorten waaronder Kwispelgerst. Dat laatste vind ik wel erg grappig omdat Kruipertje bij hondenbezitters slecht staat aangeschreven, de naalden van de kafjes komen soms in de oren of ogen van de hond en kunnen daar lelijke ontstekingen veroorzaken. Daar valt dus weinig bij te kwispelen en kennelijk heeft Kwispelgierst dat niet …
In het verleden (of nog steeds?) werd het Kruipertje ook gebruikt om anderen te plagen. De aar of deel daarvan werd bovenin de trui gestopt en begon daar een langzame tocht naar beneden. Naar boven ging niet vanwege de weerhaakjes. Het slachtoffer moest dan de trui wel uit doen om de aar kwijt te raken.
Kruipertje is groen gekleurd, maar vaak tref je ook rood gekleurde exemplaren aan, die ik persoonlijk een stuk mooier vind. In de aar zitten steeds drie aartjes bij elkaar die ongeveer even lang zijn, de middelste is wat breder. Aan de bladvoet zitten oortjes en bovenop het blad groeien afstaande haartjes. Zie foto.

Oortjes

Ik zei het al, Kruipertje is een plant die niet zo tot de verbeelding spreekt. Op zo’n moment springen floristen de plant te hulp: er zijn ondersoorten. In ieder geval twee stuks: subsp. leporinum en subsp. glaucum. Ik kwam daar achter via een bericht op Twitter. Het ging daar om subsp. leporinum die door iemand gevonden was. Ik kende de ondersoort niet en besloot op zoek te gaan naar deze plant. In ieder geval leek deze ondersoort rood te zijn. Gelukkig trof ik al gauw een prachtige groep rode Kruipertjes aan. Helaas bleken dat gewoon Kruipertjes te zijn. Korte tijd later had ik succes en vond ik de ondersoort in Rijswijk.

“Gewone” rode Kruipertjes.

Het onderscheid tussen soort en ondersoort is op zich wel duidelijk, maar je moet er even de loep voor pakken. Het middelste aartje van leporinum is een stuk korter dan de twee buitenste en daarnaast heeft het middelste aartje van leporinum een steeltje van meer dan 0,6 mm. Op de foto’s is het aardig te zien.

Middelste aartje van Hordeum murinum ss leporinum is kleiner dan de buitenste twee.
Het steeltje van leporinum is groter dan 0,6 mm.

Kortom, ik raad iedereen eens op zoek te gaan naar Hordeum murinum subsp. leporinum. De plant kruipt daar waar hij gaan kan.

 

Boompjes

Elk jaar gebeurt er in de meimaand iets dat niemand doorheeft. En juist in de tijd dat iedereen weer buiten in de tuin gaat klussen. De hogedrukspuit wordt weer van stal gehaald en alle voegen worden met een straal water van 380 liter per uur en met een kracht van 120 bar schoongespoten. Zonde! Want juist in deze maand begint de Veldereprijs (Veronica arvensis) te bloeien, in elk denkbare voeg of hoekje waar iets zou kunnen groeien. Eerst vormt zich een soort boompje met groene blaadjes. En als bonus krijgen deze boompjes aan de top een fel  blauw bloemetje. Alleen goed te zien als je door de knieën gaat. Want anders is er niets noemenswaardigs te zien. En juist die moeite doen deze ijverige schoonmakers niet. Daarom zien zij alleen een groen onkruidje tussen hun net gekochte superstrakke tuintegels. Ook de medewerkers van de gemeente met hun maaimachines om goed bij de paaltjes, lantarenpalen e.d. te kunnen, ontzien dit plantje niet. Jammer!

Veldereprijs groeit als een kleine boom.

Veldereprijs is een van de vele ereprijzen waarvan je in de stad ook kunt zien: Draadereprijs, Gewone ereprijs, Tijmereprijs en soms een typische stadsplant als zoals Aarereprijs.

Het woord ‘veld’ in Veldereprijs doet vermoeden dat dit plantje alleen midden in het veld te vinden is. Hier klopt natuurlijk niks van. Een betere naam zou zoiets als Vroege ereprijs kunnen zijn. Het woord ereprijs is ontleend aan Duits Ehrenpreis ‘ereprijs’ [15e eeuw], een samenstelling van Ehre ‘eer’  en een afleiding van preisen ‘prijzen, loven’. Geneeskrachtige planten als de ereprijs worden vaak geroemd om hun werking.

Maar ondanks, dat dit voor beginnende floristen een geslacht is dat vele soorten kent en dus verwarrend kan zijn, is dit juist zo’n leuk plantje. Het groeit waarschijnlijk naast de voordeur.

Hertshoornweegbree, van zoutminner naar… stadsminner, naar …sterrengras

Hertshoornweegbree op een verlaten spoor
Hertshoornweegbree op een heringericht industrieterrein in de binnenstad van Deventer

In haar bijdrage van februari 2020 heeft Willemien Troelstra de term Stoeptegelspleetplant geïntroduceerd. Een groot aantal stedelijke soorten behoort tot deze categorie planten. Er is immers geen andere verbinding met de ondergrond mogelijk anders dan de voegen tussen de diverse soorten bekleding. Hertshoornweegbree (Plantago coronopus) is er ook vaak te vinden zoals hier langs een oud deel van een spoorbaan op een reeds lang verlaten industrieterrein in de binnenstad van Deventer. Het terrein, met aan de rechterkant industriële complexen, is onderdeel van het gebied waartoe ook het vermaarde Pothoofd behoorde.

Een typische Natura-2000 soort volgens verspreidingsatlas. Kensoort van de Zeevetmuur-klasse, die de pionier plantengemeenschappen omvat die voorkomen op de grens van zout/nat en zoet/droog in het kustgebied (Bron: verspreidingsatlas).

bladeren Hertshoornweegbree
Bladeren Hertshoornweegbree

Sinds het grootschalig gebruik van pekelzout, ergens vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw, heeft deze soort van de kust kans gezien het binnenland te bereiken. Net als enkele anders soorten uit de genoemde pioniergemeenschappen. Deens lepelblad is een ander voorbeeld.

Hertshoornweegbree heeft het echter wat rustiger aan gedaan in vergelijking met die Deens lepelblad. Althans, daar lijkt het op. Ik heb niet dezelfde analyse gedaan, maar Hertshoornweegbree lijkt veel later het binnenland te hebben gekoloniseerd en langzamer. Echter wel een stuk rigoureuzer, afgaande op de verspreidingskaartjes. Waar Deens lepelblad alleen direct langs de grotere wegen voorkomt is, Hertshoornweegbree vrijwel overal in de stad te vinden. Tot in het stadscentrum van Deventer, de Brink aan toe. Hertshoornweegbree kan eigenlijk overal wel worden gevonden, is de ervaring. Ook op plekken waar naar verwachting niet met zout wordt gestrooid, zoals plekken direct langs de rivier waar geen gemotoriseerd verkeer kan komen.

Hertshoornweegbree is zoals gezegd een weegbree, Plantago dus. De bloeiwijze vertoont veel gelijkenis met die van de veel gewonere Grote weegbree (Plantago major) en Smalle weegbree (Plantago lanceolata). Ook de gelijkenis met de veel zeldzamere Zeeweegbree (Plantago maritima) is groot.

In alle gevallen is ze gemakkelijk te herkennen aan de bladeren die zeker als ze wat groter zijn, voorzien zijn van zijslippen, die soms ook weer van zijslippen zijn voorzien, waardoor ze veerspletig zijn. De zijslippen geven hem zijn wetenschappelijke naam. Coronopus is latijn voor kraaienpoot wat in combinatie met Plantago (=voetzool) een bijzondere combinatie geeft, de zool van een kraaienpoot! De bladeren zijn het hele jaar door te vinden en vormen vaak rozetten die als groene sterren te vinden zijn.  De planten kunnen op onbetreden plaatsen best groot: in de breedte zomaar met een diameter van 30 cm, en tot 30 cm hoog worden.
Verspreidingsatlas stelt dat de planten ‘met mate betreding verdragen’, toch is deze overal te vinden, zelfs op druk belopen/bereden stukken. Groot wordt Hertshoornweegbree dan niet. Soms moet je door de knieën om hem te herkennen, zo klein zijn de plantjes dan.

Hertshoornweegbree tussen de kinderkopjes
Hertshoornweegbree tussen de kinderkopjes

Hertshoornweegbree kan zeer goed worden gegeten. In de Italiaanse keuken wordt het Erba Stella, Herba Stella of Minutina genoemd.  Het wordt geroemd om zijn mild notige smaak en een knapperige structuur. Het doet denken aan peterselie, spinazie of groene kool. De volksnaam is vrij vertaald ‘sterrengras’.
Vanaf 1586 wordt het genoemd als een groente. Het is een typische onderdeel van salades bestaande uit wilde en gecultiveerde groenten die bekend is onder de naam misticanza, ofwel wilde groenten, uit de Marche regio in het midden van Italië aan de Adriatische zee.

Het is een ideaal gewas om in onverwarmde kassen of zelfs in de volle grond in de wat koelere delen van de wereld te telen. Het verdraagt matige vorst en kan gedurende de hele winter in gematigde streken worden verbouwd.

De soort is inheems in Eurazië en Noord-Afrika en sinds de kolonisatie van Amerika ook in daar een voorkomende soort. De kolonisten gebruikten Hertshoornweegbree als medicinale plant tegen ‘koortsen’ en gebruikten de bladeren in gelatines.

Bron: seedaholic, motherearthnews

 

 

Olijven in stad

Iedereen kent de haagliguster (Ligustrum ovalifolium). Vroeger zag je hem meer, maar met de opkomst van de lage heggen, heeft de buxus vaak zijn plaats ingenomen. Maar er gloort hoop voor de liguster sinds het verschijnen van de buxusmot.

Ovaal blad haagliguster

Wat niet iedereen zal weten is dat liguster tot de olijffamilie behoort. Proefondervindelijk is dat tegenwoordig ook zelf vast te stellen. In veel steden staan olijfbomen in grote kuipen. In Tilburg staan er in de Stationsstraat. Dat is de straat die vanuit de binnenstad recht op de hoofdingang van het NS-station uitkomt. Sommige van die bomen dragen zwarte olijven. Steek een olijf in je mond en kauw erop. Bah, wat bitter! Zoek dan een liguster met bessen en steek een bes in je mond. Bah wat bitter! Beide vruchten hebben een harde pit, de blaadjes een vergelijkbare vorm. Die smaken trouwens ook bitter.

Dat laatste zal ook wel een van de redenen reden zijn waarom de liguster al zo lang als haag voldoet: het vee vreet niet aan de bladen.

Bitter als olijven

Wie zijn ligusterhaag vlijtig knipt zal geen bloemen zien; dat is echter wel zonde. De bloemen ruiken heerlijk en bloeien lang. Zelf hebben wij in de tuin een enkele liguster als boompje uit laten groeien en die bloeit heel rijk. Er komen dagvlinders en bijen op af, en ook nachtvlinders. Voor een aantal soorten nachtvlinder zijn zelfs de bladen voedsel voor de rups. De bekendste daarvan is de mooie ligusterpijlstaart.

In de winter komt de merel de ligusterbessen eten. Kortom, een bloeiende liguster draagt bij aan de biodiversiteit van de omgeving. Zelfs bij een haag kun je op een hoek een plant door laten groeien.

De haagliguster komt uit Japan en er wordt aangenomen dat deze niet verwildert. Daar twijfel ik aan. In onze tuin is spontaan een haagliguster verschenen. Dan moet je toch aannemen dat het een zaailing is.

Blad van de wilde liguster is veel langer

Er bestaat ook een wilde, inlandse liguster (Ligustrum vulgare). Die vind je vooral op kalkhoudende grond: in de duinen en op klei. Toch kun je hem verwilderd aantreffen in plantsoenen, ruderale stukjes, bermen.

Het verschil tussen beide ligusters is tamelijk makkelijk. Het blad van de wilde liguster is veel langer. In de wetenschappelijke naam van de haagliguster wordt dat ook al aangegeven: ‘ovalifolium’ = ovaalvormig blad; in tegenstelling dus tot het langwerpige blad van de wilde liguster. Ovaal is hier tweemaal zo lang als breed. Langwerpig: viermaal zolang als breed.

De geslachtsnaam ‘liguster’ komt van ‘ligure’ = binden, vlechten. Twijgen voor vlechtwerk.

 

 

 

 

 

 

 

Winterpostelein

Op relatief veel plaatsen in de stad, in ieder geval in Breda, woekert Winterpostelein (Claytonia perfoliata). Meestal in perken van het openbaar groen en in brandgangen. Soms op onverwachte plaatsen, zoals muren en de voeten van laanbomen. Soms zelfs wat hoger op de stam. Je zou denken dat het een epifyt was. En eigenlijk is dat ook wel zo. Volgens een al wat oudere versie van de Heukels uit 1990 kan dat wel kloppen. Daar staat de vermelding “soms als epifyt op Vlier en andere houtgewassen”. In diezelfde versie van de Heukels heet bedoelde soort ’Witte winterpostelein’. Die naam werd waarschijnlijk ingevoerd omdat er sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw een andere winterpostelein bezig was in te burgeren: de Roze winterpostelein (Claytonia sibirica). Maar gek genoeg heet de meest voorkomende, witbloeiende soort in de Heukels van 2005, en ook in de allernieuwste druk, gewoon weer ‘Winterpostelein’.

Groeiend op de stam

Winterpostelein hoort oorspronkelijk thuis in het westen van Noord-Amerika. Als groente is hij in andere delen van de wereld ingevoerd. In Nederland is de plant sinds de tweede helft van de 19e eeuw bekend. De soort wordt in West-Europa verbouwd als winterharde groente, maar komt in al deze landen ook verwilderd voor. Vanwege de route via Cuba waarlangs de plant in Europa arriveerde, wordt de plant in Duitsland ‘Kubaspinat’ genoemd. De plant is 15-40 cm hoog en tijdens de bloei gemakkelijk te herkennen aan de schotelvormige bladeren, waar de stengel door heen lijkt te groeien. Het betreft hier een tweetal bladeren, die tezamen vergroeid zijn. Het lijkt op een schoteltje. De gewone blaadjes eronder zijn ruitvormig.
De zaden zijn gitzwart en hebben een wit mierenbroodje. Dit olie- en vetrijke aanhangsel maakt de zaden aantrekkelijk voor mieren. Die verslepen de zaden in de richting van het nest en verliezen onderweg een deel van de lading. Zo verspreiden ze het zaad van de plant. Overigens gaat het maar om kleine afstanden, vaak niet meer dan zo’n twee meter. Winterpostelein kan zich op deze manier massaal op een bepaalde plek uitbreiden. Soms kiemen de zaden al in het voorjaar, maar vaak al in de herfst. De jonge plantjes kunnen goed tegen winterse omstandigheden en hebben daardoor een voorsprong op allerlei éénjarige planten.

Aan de boomvoet omhoog

Nog even terug naar die exemplaren die hoger in bomen groeien. Hoe zouden die zaden daar terecht komen? Zouden mieren zaden zomaar naar boven slepen? Ze hebben daar geen nest denk ik. Hoe dan wel? Menselijke activiteiten?
Winterpostelein kan gegeten worden als salade en ook als stamppot. De plant bevat mineralen als calcium, magnesium, en ijzer. En ook nog vitamine C. In salade is het lekker knapperig en de smaak is zacht.
De geslachtsnaam ‘Claytonia’ komt van John Clayton een botanicus uit de 17e eeuw. De soortaanduiding ‘perfoliata’ wil letterlijk zeggen ‘door het blad’. Zoals hierboven uitgelegd, lijkt de stengel het bovenste blad te doorboren. De Nederlandse naam ‘winterpostelein ’is gegeven vanwege de gelijkenis met postelein (Portulaca oleracea), een soort die al vóór 1500 werd ingevoerd in Nederland. En heb je ook nog waterpostelein (Lythrum portula). Om het makkelijk te maken: de drie soorten met ‘postelein’ in de naam behoren tot nogal verschillende plantenfamilies.

Ook als muurplant

Daslook – uien in het wild

Op de één of andere manier heeft Daslook mij altijd gefascineerd. De helder witte kleur en de vorm van de bloemen zorgden er voor dat de plant bij mij zeker in het lijstje van favoriete voorjaarsbloeiers staat. Daarnaast triggert de naam “look” altijd mijn nieuwsgierigheid. Wie het woord “look” hoort denkt onmiddellijk aan uien maar verwacht niet onmiddellijk dat de plant behoort tot het geslacht Allium uit de narcissenfamilie.

Daslook tussen Zevenblad en Gele dovenetel in een groenstrookje langs een wandelpad tussen de huizen

Bij alle ui-achtige planten is het overduidelijk dat er sprake is van bollen. Uien, bieslook, daslook, knoflook, sjalot, bosui maar ook prei horen tot dezelfde familie. Ze hebben in ieder geval één ding gemeen: als je de bladeren fijn wrijft of de bollen snippert is er een sterke uienlucht. Deze wordt veroorzaakt door zwavelverbindingen die er ook voor kunnen zorgen dat de tranen over je wangen rollen. Een uitzondering is Look zonder look. Een plant die ook in het voorjaar rijkelijk aanwezig is in bermen en groenstroken. Als je het blad van Look zonder look fijn wrijft ruik je overduidelijk een uienlucht maar de plant is totaal verschillend van de planten die deel uit maken van de narcissenfamilie en behoort tot de kruisbloemige. Het is dus eigenlijk een plant die naar uien ruikt maar geen ui is – Look zonder look.

Hoewel Daslook tot het geslacht Allium (uien) hoort vormt het niet echte bollen. Duidelijk is ook te zien dat Daslook slechts één blad per stengel heeft.

Als we nog even kijken naar het rijtje “look planten” ui, bieslook, sjalot, knoflook, bosui en prei dan kunnen we onderscheid maken tussen soorten met zeer uitgesproken bollen zoals ui, knoflook en sjalot . Bij prei, bosui en bieslook is minder sprake van een overduidelijke bolvorming maar eerder van een langwerpige verdikking. Bij die planten snipperen we in de keuken niet alleen de voet van de planten maar ook het blad. Bij ui, knoflook en sjalot versnipperen we alleen de bollen en niet het blad. Daslook kan zeker in de keuken worden gebruikt maar bij Daslook gaat het dan om het blad. Daarbij moet wel enige voorzichtigheid in acht worden genomen. Als de plant geen bloemen heeft en de determinatie alleen kan gebeuren aan de hand van het blad is er een groot risico. Het blad lijkt sterk op het blad van Lelietje-van-dalen en dat blad is giftig. Hoewel de bladeren sterk op elkaar lijken is het toch niet moeilijk de twee plantensoorten uit elkaar te houden. Als je het blad van Daslook fijn wrijft ruikt het naar uien. Bij Lelietje-van-dalen is dat niet het geval. Daslook heeft één blad per stengel, Lelietje-van-dalen twee á drie bladeren per stengel.

Wie Daslook in de keuken wil gebruiken moet er voor oppassen niet per ongeluk het giftige blad van Lelietje-van-dalen te mee te nemen. Daslook heeft maar één blad per stengel; – Lelietje-van-dalen twee of meer.

Daslook is eigenlijk een bosplant die houdt van voedsel- en humusrijke, kalkhoudende grond. De plant was zeldzaam en had jarenlang een beschermde status. Die situatie is de laatste jaren veranderd doordat de plant door het storten van tuinafval op steeds meer plekken zich heeft weten te vestigen in groenstroken binnen de stadsgrenzen. Ook is de plant veel aangeplant als stinzenplant.

De meeste soorten binnen het geslacht Allium (bolgewassen) vermenigvuldigen zich door de vorming van nevenbollen. Bij Daslook is dat in veel mindere mate het geval. Er vindt overvloedige zaadvorming plaats die een belangrijke bijdrage levert aan de verspreiding van de plant.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

 

 

Herderstasje, een deugniet onder de planten.

Het is weer enige tijd geleden toen een eminent florist mij toevertrouwde dat zelfs ervaren floristen soms de fout ingaan het het Herderstasje (Capsella bursa-pastoris). Dat is natuurlijk een grote troost voor een beginnend florist maar nu ik wat verder ben valt het me regelmatig op dat hij gelijk heeft. Tenzij de plant volledig ontwikkelde vruchten heeft is hij soms lastig te determineren. Eerst maar eens een foto van de hele plant, het is maar een kleintje maar alles zit er op en er aan.

Ik zal nu vervolgens de onderdelen van deze plant de revue laten passeren, van beneden naar boven.

De wortels:

De plant heeft duidelijke penwortels, het is dan ook een eenjarige plant die, met een beetje moeite, uit de grond te trekken is. De wortels hebben volgens mij geen waarde voor de determinatie.

Het rozet:

Zoals veel kruisbloemigen heeft ook het Herderstasje een rozet. Het rozet is vrij variabel en leidt daarom niet altijd tot een vlotte determinatie. De rozetbladen kunnen gaafrandig tot veerdelig zijn en zijn in het onderste deel wigvormig versmald. Die versmalling is vaak behoorlijk lang zodat het lijkt alsof de rozetbladen gesteeld zijn; het lijkt vaak op een gevleugelde bladsteel. Opvallend is verder dat binnen hetzelfde rozet de vorm van de bladen kan verschillen. Dat zie je ook op bovenstaande foto. Op de rozetbladeren groeien meertakkige aangedrukte haren zoals te zien op onderstaande foto; vooral links boven. In mijn ervaring is de beharing van de rozetbladen ook vrij variabel en daarom soms ook niet bevorderlijk voor een vlotte determinatie. Als de plant uitgroeit verdwijnt vaak het rozet.

Beharing bovenkant rozetblad
Zo zie ik rozetten niet zo vaak

De stengel:

Over de stengel valt niet veel te melden. De stengel kan kaal zijn of wat behaard. De plant kan heel klein zijn maar ook wel tot 60 cm hoog. Hoge planten staan vaak in het gras, de lage tussen de stenen van de stoep.

Het stengelblad;

Ook de bebladering van de stengel is vrij variabel. Sommige planten hebben vrij veel blad, andere, met name de kleinere hebben bijna géén stengelblad. De stengelbladen zijn langwerpig en hebben een pijlvormige voet die de stengel omsluit. Vaak zijn de stengelbladen maar matig behaard maar soms ook sterk behaard. Zie onderstaande foto. De bloeistelen hebben over het algemeen geen bladeren.

Behaard stengelblad .

De vrucht:

De vrucht is het meest duidelijke determinatiekenmerk, hij is driehoekig en gesteeld waarbij hij afstaat van de stengel. Alleen als de vrucht nog niet geheel volgroeid is is determinatie soms lastig maar meestal verschijnt de specifieke vorm al snel.

De vrucht

De bloemen;

De bloemen zijn wat mij betreft weinig kenmerkend. De plant is een kruisbloemige wat betekent dat de plant vier kroonbladen heeft en zes meeldraden. Hier heb ik nog nooit een variatie op gezien maar wie weet? De vier kelkbladen zijn soms kaal, soms behaard.

De bloemen

De naam van de plant wordt bepaald door de vorm van de vruchten, zij zouden lijken op een tas van een herder die vroeger werd gebruikt. Tot nu toe heb ik nooit een plaatje gezien van zo’n herderstas maar hij moet op oude schilderijen te zien zijn. Misschien was zo’n tas ook zeer variabel?

Tenslotte, dit verhaal is een mengeling van gegevens uit de Heukels (2020) en persoonlijke ervaring. Aanvullingen of verbeteringen zijn van harte welkom. Het Herderstasje lacht in zijn vuistje omdat hij zoveel floristen aan het determineerwerk houdt. Een echte deugniet onder de planten.

Een kleintje tussen de stenen
Een grotere plant die groeide tussen het gras