Home » Amsterdam

Tag: Amsterdam

Trilgras

Dit bericht is van de hand van Peter Wetzels die Ton Denters vervangt vanwege diens werkzaamheden aan zijn nieuwe boek over stadsplanten in Nederland en Vlaanderen.

In de vorige stadsplantenbijdrage besprak ik slanke naaldaar (Setaria parviflora). De vindplaats is het KNSM-eiland, wat samen met het Java-eiland in het oostelijk havengebied van Amsterdam al decennia een hotspot is voor bijzondere plantvondsten. De twee eilanden, eigenlijk schiereilanden, waren ooit dé plek voor havenactiviteiten, maar die vielen in de loop der jaren weg door de opkomst van de luchtvaart en het stilvallen van de handel op de Oost. Dit desolate gebied werd vanaf het einde van de jaren zeventig in bezit genomen door krakers, kunstenaars en stadsnomaden. Nog geen 15 jaar later werd alles herontwikkeld tot een woonwijk.

Ondanks deze veranderingen bleef deze omgeving een plek om bijzondere soorten te spotten. Was ooit de scheepvaart de reden voor bijzondere vondsten, later gaf het massaal braakliggen genoeg plek voor allerhande soorten. Tegenwoordig wonen er mensen die geen behoefte hebben aan een steriel, schoongespoten en dito geborstelde straatbeeld. Integendeel; rijen plantenpotten en dito bakken, geveltuinen en overhoekjes geven wilde en verwilderde planten alle ruimte.

De gekste verwilderingen zijn hier te vinden alsmede de voorhoede van warmteminnende soorten uit het zuiden. Maar ik beperk me nu tot de grassen.

Aartje van groot trilgras

Zo worden er op deze twee schiereilanden naast slanke naaldaar meer bijzondere grassen gevonden zoals laksteeltje (Catapodium marinum), plat beemdgras (Poa compressa), knolbeemdgras (Poa bulbosa), rattenstaartgras (Sporobolus indicus), met duizenden exemplaren klein fakkelgras (Rostraria cristata) en al heel lang kransgras (Polypogon viridis). Kransgras is tegenwoordig niet meer zeldzaam te noemen, maar pas in deze eeuw begon de opmars in Nederland met het Java-eiland als een van de startpunten.

Groot trilgras gedijt ook op houten balken

Tenslotte wordt er ook nog groot trilgras (Briza maxima) gevonden. Deze soort is eigenlijk de enige bijzondere grassoort hier die een verwildering is. Ruim 20 jaar geleden ontsnapte deze soort uit plantenbakken en wist zich op straat en kademuur te vestigen. Net zoals ons inheems trilgras, bevertjes (Briza media), heeft het korte en afgeplat brede aartjes hangend aan dunne stelen die in bij het minste briesje al trillen: vandaar de namen. Ook de wetenschappelijk naam Briza houdt met het trillen verband. ‘Briza’ komt van het Griekse ‘brithó’ = ik balanceer, vanwege de zeer beweeglijke aartjes. Groot trilgras is in alles een maatje forser dan bevertjes, maar verder erg gelijkend. Het is een vroege bloeier die begin juni al geheel is verdord. Als plantelijkjes zijn ze echter tot in de herfst te vinden. Groot trilgras komt massaal voor op de kaderand, vooral tussen het straatmeubilair van de woonbootbewoners. Fietsrekken zijn ook een fijne en veilige plek. Ook op de houten balk, die voor de kademuur als stootrand fungeert, en op de dukdalven komt het weelderig voor.

En het groeit in spleten

Ooit ontsnapt uit plantenpotten, komt het in potten nu spontaan op als gewenst onkruid. De groeiplaats is een kleine 200 meter lang en vertoont al jaren geen uitbreiding. Het milieu lijkt verderop langs de kade identiek, maar wellicht zit het verschil in de bodem. Deze eilanden waren oorspronkelijk golfbrekers en zijn voornamelijk met slib uit de vaargeul verbreed en  opgehoogd. Het was ook een mooie plek om overtollige grond kwijt te raken en mijn vermoeden is dat op de groeiplaats andere grond is gestort en de bodem ter plekke wat kalkrijker is. Groot trilgras kwam tot eind de vorige eeuw alleen voor langs de kusten van de Middellandse Zee en de Atlantische kust tot in Frans Baskenland, met een paar voorposten in Normandië. Waarschijnlijk door de toepassing als siergras wordt de soort tegenwoordig sporadisch gevonden in een groot deel van Europa. Maar alleen in Engeland, Wales en Nederland lijken er bestendige populaties te zijn ontstaan.

Maar met vondsten in slechts 40 atlasblokken zijn dat er in Nederland nog niet veel.

Bron: https://www.verspreidingsatlas.nl/5612

Ook uitgedroogd, is groot trilgras nog te herkennen.

Zeven nieuwelingen in Amsterdam met een vreemd helmkruid in de hoofdrol

Amsterdam verdient als het om stadsplanten gaat het predicaat: ‘trendwatch-city’. In de afgelopen twintig jaar konden er in Amsterdam 100 soorten worden bijgeschreven; gemiddeld vijf per jaar. Voor de recente jaren valt het aantal hoger uit; zo heeft 2016 zeven nieuwe soorten opgeleverd. Het meest aansprekend zijn: Prunella grandiflora, Cymbalaria muralis subsp. visianii, Verbascum speciosum en Scrophularia peregrina. Ze ontberen nog een Nederlandse naam, maar toepasselijk zijn: Grote brunel, Donsmuurleeuwenbek, Hongaarse toorts en Vreemd helmkruid.

Het meest bijzonder was wel de vondst van Vreemd helmkruid, met zijn fraaie, kleine, bruinrode bloemen. Dit helmkruid kwam tevoorschijn in de Amsterdamse Zeeheldenbuurt, waar een tiental planten opbloeide langs heg en in een boomspiegel. Aanvankelijk werden ze aangezien voor Knopig helmkruid, een soort die in urbaan gebied geen onbekende is. Omdat de planten anders oogde volgde er een nadere check. Op grond van de afstaande, spitse kelkbladen, die na de bloei de vruchten stervormig omkransen, werd duidelijk dat het iets speciaals betrof. Alle vier inheemse helmkruiden hebben aanliggende, afgeronde kelkbladen, die de vruchten nauw omsluiten. Uiteindelijk kwam Scrophularia peregrina uit de bus.

Vreemd helmkruid is een mediterrane plant die tot in West-Frankrijk voorkomt. De soort is te typeren als cultuurvolger; hij komt voor op verstoorde, ook stenige bodems, langs wegen, in bebouwd gebied, zelfs op muren. In Nederland is hij eenmaal eerder in 1965 in een wegrand in Leiden ontdekt.  De soortaanduiding ‘Peregrina’ betekent ‘vreemd’, vandaar Vreemd helmkruid. Er zijn diverse Engelse namen in omloop: ‘Mediterranean’, ‘Brown’ en ‘Nettle-leaved figwort’. Namen die allemaal iets vertellen over de herkomst en uiterlijk van deze soort. Als Nederlandse naam circuleerde even Netelhelmkruid, maar omdat ook onze overige helmkruiden netelachtig ogen, is die niet verkozen.

De onderste bladeren hebben een netelachtig uiterlijk.
De onderste bladeren hebben een netelachtig uiterlijk.
De bloemen van Vreemd helmkruid zijn fraai bruinrood.
De bloemen van Vreemd helmkruid zijn fraai bruinrood.

De Tapijtbloem

Soms kom ik een plant op straat tegen die er bekend uitziet maar waar ik zo snel even niet de naam van weet. Als ik dan thuis op mijn balkon sta zie ik die plant opeens in de plantenbak staan. Het blijkt de Tapijtbloem of Bacopa te zijn, of wat deftiger Chaenostoma cordatum. Ik vraag me dan af of dit nou een stadsplant is of niet. Na wat googlen blijkt de Tapijtbloem genoemd te worden op de Manual of the Alien Plants of Belgium. “A rare but increasing escape from cultivation” wordt hij genoemd. Zeldzaam terwijl hij in grote getale verkocht wordt in tuincentra en onze balkons verfraait.

Als ik iets verder zoek blijkt hij al sinds 2002 ingeburgerd te zijn in Amsterdam. Dat blijft een stad van Flower Power als je ziet wat Ton Denters daar allemaal vindt. Maar het gaat verder, de Tapijtbloem wordt ook genoemd bij de Verspreidingsatlas, daar heet hij echter “niet ingeburgerd/adventief” en wordt hij vooral bij mij in de buurt gevonden. Ik kan hem ook via waarneming.nl melden wat ik natuurlijk gelijk gedaan heb. Altijd leuk om een zeldzame plant te melden, ja weer zeldzaam, want die melding kreeg ik toen ik de melding wilde opslaan.

Zo zal dat wel vaker gaan met stadsplanten. Een paar weken geleden was ik in Gent. Daar barst het echt van de Vlinderstruiken. Toch zullen die ook ooit als zeldzaam of niet ingeburgerd te boek hebben gestaan. Dus over een paar jaar staan onze stoepen vol met Tapijtbloem, een plant die dan zijn naam dan eer aandoet.