Home » voedselgewassen

Categorie: voedselgewassen

Mariadistel

Een braakliggend terrein in de wijk Heuvel in Breda is een ‘lustoord’ voor stadsplantenliefhebbers.  Twee jaar geleden stonden er nog flats met mooie achtertuinen. Uit zaden en worteldelen van voormalige tuinplanten kwam en komt na de sloop van alles tevoorschijn. Zie ook de bijdrage van 8 maart jl. over tuinbingelkruid.  In april ontdekte ik daar een Mariadistel (Silybum marianum). Niet helemaal nieuw voor Breda want in 2013 was er al een exemplaar gevonden in de omgeving van het station. Zie https://www.stadsplantenbreda.nl/.

Hele plant half april

De mariadistel behoort niet tot onze inheemse flora. In de Heukels wordt de plant als adventief aangemerkt. Het is een uit Zuid-Europa afkomstige composiet. De mariadistel geniet vooral bekendheid in de kruidengeneeskunde. Uit de vruchtwand van het nootje worden stoffen voor medicinaal gebruik gewonnen. De stof ‘silymarine’ wordt gebruikt bij chronische leverkwalen. In de literatuur kun je veel uiteenlopende toepassingen tegenkomen.  In het boek ‘Lexicon der geneeskruiden’ van M. Uyldert staat het volgende: “Het kruid doet de koorts zakken en opent alle kanalen”. Dat is dus oppassen geblazen. Behalve als geneeskruid wordt de Mariadistel ook als voedsel gebruikt. Jonge bladeren kunnen op dezelfde manier als spinazie gegeten worden en jonge stengels op dezelfde manier als asperges. Het bloemhoofdje kan, net als artisjokken, ook gegeten worden.  In verschillende landen, waaronder Frankrijk, wordt de plant akkerbouwmatig geteeld. Soms wordt de mariadistel als sierplant gebruikt.Normaal bloeit de mariadistel in juli en augustus. Dat ‘ons’ exemplaar al in april bloeide heeft wellicht te maken met de zachte winter. Intussen heeft dit exemplaar al rijpe zaden.

Uitgebloeid eind juli

De naam van de plant heeft te maken met de legende dat de witte vlekken op de bladeren veroorzaakt zouden zijn door de melk van de Heilige Maagd.

 

Wilde cichorei – Witlof,een kopje koffie en een middagdutje

Als je op zoek bent naar Wilde cichorei (Cichorium intybus ) kun je rustig in de auto op de toegestane snelheid langs de bermen in de stad rijden. Vanuit de auto kun je de frisblauwe bloemen niet missen. Je moet dat dan wel in de ochtend doen want vanaf het middaguur sluiten de bloemen om in de ruststand te gaan.

Wilde cichorei kan wel twee meter hoog worden en maakt een rommelige indruk door een groot aantal takken met een rijkdom aan fel lichtblauw gekleurde bloemen

Nieuwsgierig als ik ben wilde ik graag weten of de bloemen van vandaag, die rond het middaguur in de ruststand gaan, de volgende ochtend weer vrolijk open zouden gaan. De literatuur zegt er niets over. De oplossing was eenvoudig. Rond elf uur ’s morgens een aantal bloeiende bloemen gemarkeerd. Om drie uur alle bloemen gecheckt en kunnen vaststellen dat ze allemaal gesloten waren. De volgende dag opnieuw gaan kijken en toen vastgesteld dat de gemarkeerde bloemen niet opnieuw open waren. Ook kunnen vaststellen dat niet per definitie de volgende bloemknop op de stengel in bloei komt.

Cichorei kan fors uitgroeien. Door de spaarzaam aanwezige bladeren en de bezemachtige vertakkingen van de taaie stengels maakt de plant een rommelige indruk. De bloemen zijn lichtblauw van kleur en vallen op door de lintbloemen die in een cirkelvormig vlak zijn uitgespreid.

In het hart van de bloem staan de meeldraadkokertjes met de stijlen van de lintbloemen.

In het hart van de bloem staan de meeldraadkokertjes met de stijlen van de lintbloemen. De rozetbladeren, op de top van een stevige penwortel, doen denken aan de rozetbladeren van de Paardenbloem en Biggenkruid. Als je oudere literatuur er op na slaat wordt vrijwel altijd aangegeven dat het een typische plant van rivierdijken is en in mindere mate in bermen langs wegen. Ook binnen de stad vind je Cichorei meestal in bermen die een afscheiding vormen tussen bv. de weg en het fietspad.

Rond het middaguur gaan de bloemen van Cichorei in de ruststand

Vooral bij de ouderen onder ons is de naam cichorei meer verbonden met een cultuurvariant van deze plantensoort dan met de composiet uit wegbermen of op rivierdijken. In gecultiveerde vorm bestaan er twee soorten Cichorium intybus var. sativum en Cichorium intibus var. foliosum. Cichorium intybus var. sativum is bekend als cichorei als vervanger voor koffie. In de negentiende eeuw was een drankje, gemaakt van gemalen en gebrande wortel van de cichoreiplant populair. Het was enigszins bitter van smaak en leek op de smaak van koffie. Ook rond de Tweede Wereldoorlog, toen koffie niet of nauwelijks te krijgen was, werd cichorei opnieuw als surrogaat koffie gedronken. Toen na de oorlog koffie weer beschikbaar kwam voegde men vaak een “schepje Buisman” toe. Buisman was gebrande suiker die de koffie een iets scherpere smaak gaf waardoor de smaak meer in overeen kwam met de koffiecichorei die men gewend was. Een tweede voordeel van het gebruik van Buisman was dat je minder dure koffiebonen nodig had om toch een pittig kopje koffie te kunnen maken.

De tweede cultuurvariant is Cichorium intibus var. foliosum  bij iedereen bekend als Witlof. De productie van Witlof is een tweetrapsraket. In het eerste jaar worden uit zaad planten gekweekt. Het gaat daarbij vooral om het laten groeien van de penwortels van de plant. In het tweede jaar worden de wortels in het donker aangeplant en in het donker gehouden. Het bladgewas kan door het ontbreken van licht geen chlorofyl vormen waardoor de bladspruiten wit blijven en als witlof op ons bord  verschijnen.

Ook Andijvie behoort tot de cichoreifamilie

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

 

 

Winterpostelein

Op relatief veel plaatsen in de stad, in ieder geval in Breda, woekert Winterpostelein (Claytonia perfoliata). Meestal in perken van het openbaar groen en in brandgangen. Soms op onverwachte plaatsen, zoals muren en de voeten van laanbomen. Soms zelfs wat hoger op de stam. Je zou denken dat het een epifyt was. En eigenlijk is dat ook wel zo. Volgens een al wat oudere versie van de Heukels uit 1990 kan dat wel kloppen. Daar staat de vermelding “soms als epifyt op Vlier en andere houtgewassen”. In diezelfde versie van de Heukels heet bedoelde soort ’Witte winterpostelein’. Die naam werd waarschijnlijk ingevoerd omdat er sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw een andere winterpostelein bezig was in te burgeren: de Roze winterpostelein (Claytonia sibirica). Maar gek genoeg heet de meest voorkomende, witbloeiende soort in de Heukels van 2005, en ook in de allernieuwste druk, gewoon weer ‘Winterpostelein’.

Groeiend op de stam

Winterpostelein hoort oorspronkelijk thuis in het westen van Noord-Amerika. Als groente is hij in andere delen van de wereld ingevoerd. In Nederland is de plant sinds de tweede helft van de 19e eeuw bekend. De soort wordt in West-Europa verbouwd als winterharde groente, maar komt in al deze landen ook verwilderd voor. Vanwege de route via Cuba waarlangs de plant in Europa arriveerde, wordt de plant in Duitsland ‘Kubaspinat’ genoemd. De plant is 15-40 cm hoog en tijdens de bloei gemakkelijk te herkennen aan de schotelvormige bladeren, waar de stengel door heen lijkt te groeien. Het betreft hier een tweetal bladeren, die tezamen vergroeid zijn. Het lijkt op een schoteltje. De gewone blaadjes eronder zijn ruitvormig.
De zaden zijn gitzwart en hebben een wit mierenbroodje. Dit olie- en vetrijke aanhangsel maakt de zaden aantrekkelijk voor mieren. Die verslepen de zaden in de richting van het nest en verliezen onderweg een deel van de lading. Zo verspreiden ze het zaad van de plant. Overigens gaat het maar om kleine afstanden, vaak niet meer dan zo’n twee meter. Winterpostelein kan zich op deze manier massaal op een bepaalde plek uitbreiden. Soms kiemen de zaden al in het voorjaar, maar vaak al in de herfst. De jonge plantjes kunnen goed tegen winterse omstandigheden en hebben daardoor een voorsprong op allerlei éénjarige planten.

Aan de boomvoet omhoog

Nog even terug naar die exemplaren die hoger in bomen groeien. Hoe zouden die zaden daar terecht komen? Zouden mieren zaden zomaar naar boven slepen? Ze hebben daar geen nest denk ik. Hoe dan wel? Menselijke activiteiten?
Winterpostelein kan gegeten worden als salade en ook als stamppot. De plant bevat mineralen als calcium, magnesium, en ijzer. En ook nog vitamine C. In salade is het lekker knapperig en de smaak is zacht.
De geslachtsnaam ‘Claytonia’ komt van John Clayton een botanicus uit de 17e eeuw. De soortaanduiding ‘perfoliata’ wil letterlijk zeggen ‘door het blad’. Zoals hierboven uitgelegd, lijkt de stengel het bovenste blad te doorboren. De Nederlandse naam ‘winterpostelein ’is gegeven vanwege de gelijkenis met postelein (Portulaca oleracea), een soort die al vóór 1500 werd ingevoerd in Nederland. En heb je ook nog waterpostelein (Lythrum portula). Om het makkelijk te maken: de drie soorten met ‘postelein’ in de naam behoren tot nogal verschillende plantenfamilies.

Ook als muurplant

Daslook – uien in het wild

Op de één of andere manier heeft Daslook mij altijd gefascineerd. De helder witte kleur en de vorm van de bloemen zorgden er voor dat de plant bij mij zeker in het lijstje van favoriete voorjaarsbloeiers staat. Daarnaast triggert de naam “look” altijd mijn nieuwsgierigheid. Wie het woord “look” hoort denkt onmiddellijk aan uien maar verwacht niet onmiddellijk dat de plant behoort tot het geslacht Allium uit de narcissenfamilie.

Daslook tussen Zevenblad en Gele dovenetel in een groenstrookje langs een wandelpad tussen de huizen

Bij alle ui-achtige planten is het overduidelijk dat er sprake is van bollen. Uien, bieslook, daslook, knoflook, sjalot, bosui maar ook prei horen tot dezelfde familie. Ze hebben in ieder geval één ding gemeen: als je de bladeren fijn wrijft of de bollen snippert is er een sterke uienlucht. Deze wordt veroorzaakt door zwavelverbindingen die er ook voor kunnen zorgen dat de tranen over je wangen rollen. Een uitzondering is Look zonder look. Een plant die ook in het voorjaar rijkelijk aanwezig is in bermen en groenstroken. Als je het blad van Look zonder look fijn wrijft ruik je overduidelijk een uienlucht maar de plant is totaal verschillend van de planten die deel uit maken van de narcissenfamilie en behoort tot de kruisbloemige. Het is dus eigenlijk een plant die naar uien ruikt maar geen ui is – Look zonder look.

Hoewel Daslook tot het geslacht Allium (uien) hoort vormt het niet echte bollen. Duidelijk is ook te zien dat Daslook slechts één blad per stengel heeft.

Als we nog even kijken naar het rijtje “look planten” ui, bieslook, sjalot, knoflook, bosui en prei dan kunnen we onderscheid maken tussen soorten met zeer uitgesproken bollen zoals ui, knoflook en sjalot . Bij prei, bosui en bieslook is minder sprake van een overduidelijke bolvorming maar eerder van een langwerpige verdikking. Bij die planten snipperen we in de keuken niet alleen de voet van de planten maar ook het blad. Bij ui, knoflook en sjalot versnipperen we alleen de bollen en niet het blad. Daslook kan zeker in de keuken worden gebruikt maar bij Daslook gaat het dan om het blad. Daarbij moet wel enige voorzichtigheid in acht worden genomen. Als de plant geen bloemen heeft en de determinatie alleen kan gebeuren aan de hand van het blad is er een groot risico. Het blad lijkt sterk op het blad van Lelietje-van-dalen en dat blad is giftig. Hoewel de bladeren sterk op elkaar lijken is het toch niet moeilijk de twee plantensoorten uit elkaar te houden. Als je het blad van Daslook fijn wrijft ruikt het naar uien. Bij Lelietje-van-dalen is dat niet het geval. Daslook heeft één blad per stengel, Lelietje-van-dalen twee á drie bladeren per stengel.

Wie Daslook in de keuken wil gebruiken moet er voor oppassen niet per ongeluk het giftige blad van Lelietje-van-dalen te mee te nemen. Daslook heeft maar één blad per stengel; – Lelietje-van-dalen twee of meer.

Daslook is eigenlijk een bosplant die houdt van voedsel- en humusrijke, kalkhoudende grond. De plant was zeldzaam en had jarenlang een beschermde status. Die situatie is de laatste jaren veranderd doordat de plant door het storten van tuinafval op steeds meer plekken zich heeft weten te vestigen in groenstroken binnen de stadsgrenzen. Ook is de plant veel aangeplant als stinzenplant.

De meeste soorten binnen het geslacht Allium (bolgewassen) vermenigvuldigen zich door de vorming van nevenbollen. Bij Daslook is dat in veel mindere mate het geval. Er vindt overvloedige zaadvorming plaats die een belangrijke bijdrage levert aan de verspreiding van de plant.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

 

 

Hop

Onlangs viel mij tijdens mijn werk als postbode natuurlijk weer een plantje op. Dit keer niet de echte bloemen maar het gevolg daarvan, de typische hopbellen. Laat ik beginnen bij het begin. Hop (Humulus lupulus) is een plant uit de hennepfamilie (Cannabaceae) maar de Hop hoef je niet in een sigaret te proberen; het is uitsluitend familie. Hop is een vaste plant die overwintert als wortelstok. Hop is geen zelfhechtende slingerplant maar heeft een gastheer nodig om omhoog te groeien. Hop is een rechtswindende slingerplant waarvan de stengels zich tegen de zon in naar boven werken.

De plant is een zogenaamde hemikryptofyt. Dat is een levensvorm van tweejarige- of vaste plant met de knoppen op of iets onder de grond, zodat ze worden beschermd door de strooisellaag. De knoppen bevinden zich vaak in basale delen van scheuten van het voorgaande jaar. Zo kunnen de planten een ongunstige periode, zoals een winter, hete zomer of periode met schaduw, overleven.

De naam hemikrypofyt komt uit het Grieks/Latijn. Hemi betekent “half”, krypto betekent “verscholen/verborgen” en phyte betekent “plant”. Dus totaal “half verscholen plant”.

De hopplant is een tweehuizige plant wat betekent dat er óf mannelijke óf vrouwelijke bloemen zitten aan de hopstruiken. Nooit samen. Juist deze mannelijke bloemen wilde ik fotograferen. Maar in tegenstelling tot veel andere bloemen zijn de mannelijke hopbloemen heel snel uitgebloeid. Dus wachten op mooi weer met niet al te veel wind is niet altijd een optie. En aangezien ze ook nog eens onopvallend zijn loop je er snel voorbij. Mij is het nog niet gelukt. U zult het dus moeten doen met een mooie botanische illustratie. De vrouwelijke bloemen zijn heel belangrijk want zij vormen de hopbellen. En juist aan deze bellen herken je de plant meteen. Anders heb je alleen met het blad te doen en dan wordt Hop snel uitgemaakt voor een of andere klimplant ontsnapt uit de tuin.

Mocht u toch iets meer willen weten over de het uiterlijk van deze plant dan is hier een korte omschrijving. Uiteraard is deze ook te vinden in elke flora of op internet. De stengel is knobbelig en daardoor ruw. De bladeren zijn tegenoverstaand, lang gesteeld met steunblaadjes aan basis van de bladsteel, en hebben een hartvormige voet en gezaagde rand. Meestal zijn ze gelobd, met drie, soms vijf lobben. De bladeren aan de top van de stengel kunnen ongedeeld zijn.

De bloemen, die verschijnen van juli tot september, groeien in pluimen in de bladoksels, bij de mannelijke bloeiwijzen staan de bloemen afzonderlijk aan het eind van de pluimsteeltjes, bij de vrouwelijke bloeiwijzen staan aan het eind van de pluimstelen aartjes met meer bloemen. Hieruit ontwikkelen zich de karakteristieke  eivormige vruchtkegels = hopbellen, die in augustus/september aan de vrouwelijke plant groeien.

De hopbellen worden al sinds de 9-de  eeuw gebruikt voor de productie van bier, daar kent iedereen ze van. Daarvoor als medische of culinaire toepassing. Hieronder dus die mooie botanische illustratie.

uit: Franz Eugen Köhler, Köhler’s Medizinal-Pflanzen / Public domain

Linksboven zijn de hangende vrouwelijke bloemen te zien die later zullen uitgroeien tot de typische hopbellen. Rechtsboven is te zien hoe de mannelijke bloemen zich hebben gevormd

Zonnetjes in de stad

Op een braakliggend terrein in het centrum van Breda stond in september een flink aantal stijve zonnebloemen te bloeien. Op hetzelfde terrein stonden op een meter afstand vergelijkbare planten nog in knop. Bij nader inzien bleek het te gaan om een forse groep aardperen. In de praktijk worden die twee soorten, beide behorend tot het geslacht Helianthum, weleens door elkaar gehaald. De wetenschappelijke naam van de aardpeer is Helianthum tuberosus en die van de stijve zonnebloem H. laetiflorus. Sommige auteurs plaatsen een vermenigvuldigingsteken tussen de geslachtsnaam en de soortaanduiding. Zo dus: Helianthum x laetiflorus. Dat betekent dat de auteur veronderstelt dat het gaat om een kruising, een hybride, tussen twee soorten. Volgens de Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden tussen H.laetiflorus en H.rigidus. De laatstgenoemde heeft een mooie Nederlandse naam: ‘stijve aardpeer’.

Wortelknollen aardpeer

Beide soorten zijn afkomstig uit Noord-Amerika. De aardpeer, ook wel topinamboer of Jeruzalemartisjok genoemd, werd al ruim voor de komst van Europeanen door de indianen gebruikt als voedsel. De stijve zonnebloem wordt alleen als sierplant gebruikt. Beide soorten ontsnappen van tijd tot tijd uit siertuinen en moestuinen. Ze kruipen soms gewoon onder muurtjes de straat op.

Stijve zonnebloem kruipt onder muur door

Het verschil tussen de aardpeer en de stijve zonnebloem is niet heel groot, maar toch wel duidelijk: de aardpeer heeft wortelknollen, het blad is sterk getand en de bladsteel is 1-4 cm lang. De  stijve zonnebloem heeft géén wortelknollen, de bladrand is gaaf/enigszins getand en de bladsteel is korter dan 1 cm. De aardpeer heeft sterker behaarde stengels dan de stijve zonnebloem.

Aardpeer: meer behaard, lange bladsteel
Stijve zonnebloem: weinig behaarde steel, korte bladsteel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als je de bloeiwijzen vergelijkt dan valt op dat bij de aardpeer de omwindselblaadjes afstaand zijn en bij de stijve zonnebloem aanliggend.

Links: stijve zonnebloem. Rechts: aardpeer.

De aardpeer kan gemiddeld wat hoger worden dan de stijve zonnebloem: respectievelijk 2,40 m en 2,00 meter. Aan dat laatste verschil heb je natuurlijk niet zo veel.

Of de bloemhoofden net als bij de ‘gewone’ zonnebloem de richting van de zon aan de hemel volgen heb ik niet gecontroleerd.

Snoep- en snackplanten

Snacken is misschien niet goed voor de gezondheid, maar wel leuk voor de stadsflora, ten minste als je noten en vruchten snoept. In 2002 schreef Remko Andeweg in ‘Vreemde planten in Rotterdam’ al over de tomaat op straat als bijproduct van ‘broodjes gezond’.  Appelbomen die opkomen uit weggeworpen klokhuizen is ook een bekend fenomeen; zoals de oude appelboom op de kade van de Wijnhaven in Rotterdam. Maar er zijn nog veel meer voorbeelden van planten die dankzij ons snoepgedrag een geschikt plekje hebben weten te bemachtigen tussen de stoeptegels of in een plantsoen, zoals:

Kiwi – Actinidea deliciosa, aangetroffen op het Afrikaanderplein dat als marktplein functioneert | foto: Dick Hoek
  • Vijgen (Ficus carica): eind zeventiger jaren is de eerste verwilderde vijg in Nederland gevonden, nu duikt hij overal in het stedelijk gebied op, in Rotterdam zijn al tientallen waarnemingen van Vijg. Door de gestegen stadstemperatuur in Nederland kan de vijg hier nu goed overleven en we consumeren vast meer vijgen op straat dan vijftig jaar geleden.
  • Kiwi (Actinidia deliciosa): in 2005 werd Kiwi voor het eerst in Nederland verwilderd aangetroffen, door Remko Andeweg in Rotterdam. De afgelopen jaren kwamen daar een stuk of twintig waarnemingen bij. Juli 2019 vond onze Rotterdamse Florawerkgroep een Kiwi op het Afrikaanderplein; gevolg van de wekelijkse markt. Eerder vonden we Kiwi tussen de treinsporen van Rotterdam centraal. Hiervoor is het kiwizaad waarschijnlijk eerst een darmkanaal gepasseerd, dus past hij eigenlijk niet helemaal in dit verhaal.

    Kiemlingen van Dadelpalm – Phoenix dactylifera in plantenbakken met Buxusstruikjes rond de ingang van een moskee in Gouda, 2017
  • Dadels (Phoenix dactylifera): In 2017 vonden we tijdens een FLORON-stadsplantenexcursie in Gouda in diverse plantenbakken en tussen de straatstenen kiemlingen van Dadelpalm. Het zal geen toeval zijn dat dit vlakbij een moskee was. Moskeebezoekers zoeken na het nuttigen van een dadel een plek voor de pit en wat is er dan logischer dan die in een plantenbak duwen. De kiemlingen overleven in ons huidige klimaat de winter niet, dus een volwassen dadelpalm zit er voorlopig niet in.
  • Perzik (Prunus persica): In juni 2019 vonden we met de Rotterdamse Florawerkgroep een Perzikkiemplant in een plantenbak in Rotterdam-zuid. Perzik is waarschijnlijk ook een populaire strandsnack, want behalve waarnemingen in steden en langs de rivieren zijn er diverse planten bij strandopgangen aangetroffen.
  • Chia (Salvia hispanica): Chiazaad werd in korte tijd populair als superfood. In 2013 werden in Amsterdam en Groningen de eerste exemplaren van Chia tussen de straatstenen gevonden; intussen zijn er tientallen waarnemingen, vrijwel allemaal in het stedelijk gebied. Chia is een soort salie, een lipbloemige dus. De stengel is dan ook in doorsnee vierkant met opvallende, ronde hoekribben. Tot nu toe zijn er geen waarnemingen van bloeiende planten. Wel zijn er twee waarnemingen waarin bloeiwijzen te zien zijn; beiden uit november; chiazaad oogsten uit deze verwilderde planten zal er dus in het Nederlandse klimaat voorlopig nog niet in zitten.

    Perzik – Prunus persica opgekomen in een plantenbak in Rotterdam Zuid | foto: Josée van Oers

En waarom vinden we nou wel tomaat en geen komkommer op straat? Dat komt omdat we komkommers onrijp eten en omdat telers tegenwoordig rassen gebruiken met alleen vrouwelijke bloemen die niet bevrucht worden. Ik ben benieuwd welke aanvullingen op de snoep- en snackplantencollectie we de komende jaren nog tegen zullen komen.

Zie ook:

Cultuur in de stad

Nee het gaat hier niet over een balletvoorstelling of de laatste voorstelling van Andre Rieu, maar over cultuurplanten die ik tegenwoordig vaak zie in de stad. Officieel is de definitie voor deze planten als volgt: een cultuurgewas of cultuurplant is een plantensoort die voor menselijk gebruik wordt geteeld en uit wilde planten is veredeld. De reden daarvoor is de toepassing voor  voedsel of medicijnen.
Er bestaat ook zoiets als secundaire cultuurgewassen. Dit zijn planten die als on- of bijkruiden werden meegecultiveerd met andere cultuurgewassen en later zelf ook werden gebruikt als cultuurgewassen. Voorbeelden zijn haver, rogge, tomaat, maanzaad en huttentut.

Om te beginnen is er Hop (Humulus lupulus). Meestal valt deze plant niet op. De stengelbladeren zitten verstopt tussen ander groen en ook lijken deze bladeren op die van de braam. En dan bedoel ik de cultuurbraam die in vele varianten in tuinen staat. Hop werd en word veel gekweekt voor de bierproductie. De plant valt ook dan pas op als de typische hopbellen verschijnen.

Ook een plant die ik regelmatig in de stad tegenkom is Cichorei (Cichorium intybus). Officieel komt de plant komt voor in wegbermen Hieraan dankt Cichorei de Nederlands/Duitse volksnaam Wegenwachter. Maar de plant komt ook voor langs dijken en in droog grasland. Cichorei is waarschijnlijk door de Romeinen meegebracht. We kennen de plant ten eerste goed van het gebruik als koffiesurrogaat. Ten tweede is er een variant van Cichorei, andijvie. Dus als andijvie gaat bloeien krijg je ook die fantastische mooi blauwe bloemen. Tegenwoordig wordt een variant van de plant gekweekt voor de productie van insuline.

Raapzaad/koolzaad

Soms zie je op onverwachte plekken graan groeien. Dit gewas is al 7000 jaar bekend bij de mensheid. Dus niet zo gek al je dit in een stad tegenkomt. Graan is een verzamelnaam voor de vele planten die gebruikt worden voor de productie van voedsel zoals Rogge, Haver, Gerst etc.

De Slaapbol en de verwante Papaver zijn natuurlijk bekend. De zaden kunnen prima verwerkt worden als maanzaad of voor het maken van tafelolie en verfolie maar iedereen kent de plant natuurlijk voor de productie van opiumpreparaten. Het is in ieder geval een prachtige plant die overal plotseling kan opduiken.

De Aardappel/Tomaat/Paprika/Aubergine plant. Deze staan bij elkaar genoemd want ze behoren alle tot dezelfde familie. Je komt ze in ieder geval vaak tegen.

Een hele mooie maar ook beruchte plant is de Hennep. Wereldwijd in veel steden te zien. Hennep is meer bekend onder zijn wetenschappelijke naam: Cannabis sativa. Deze plant wordt vandaag de dag maar voor één reden gekweekt: weed.

In het voorjaar kleurt alles geel. Een grote verantwoordelijke voor deze kleur is Kool/Raapzaad. Beide planten lijken zo op elkaar dat ik ze in een adem noem. Ze worden geteeld voor de olieproductie, al sinds 2000 jaar, en de stad staat er vol mee.

De kiwi is relatief kort in Nederland. De kiwi of Chinese kruisbes (Actinidia chinensis) kennen wij pas pas zo’n 100 jaar. In 1906 werden de eerste zaden uit China gehaald. De plant heette toen nog Chinese kruisbes. Pas in 1956 werd het in Nieuw-Zeeland een succesvol exportproduct. Sindsdien heet de plant Kiwi. Toch kom je de plant zo hier en daar in de stad tegen.

De vijgenboom of vijg (Ficus carica). Dat is er ook een die mij de laatste tijd opvalt. Of het nu door klimaatverandering komt of dat mensen gaan inzien dat je voor de deur je eigen voedsel kan verbouwen weet ik niet. Maar deze boom valt mij steeds vaker op, mede door zijn enorme stengelbladeren. Die kennen wij ook van de bekende Ficus-kamerplant.

Ik besef heel goed dat deze lijst lang niet compleet is. Maar deze cultuurgewassen zie ik vaak tijdens mijn ronde als postbode.

Het is maar schijn

De naam zegt het al, en Peter Hegi noemde het kortgeleden ook in zijn bijdrage: schijnaardbei lijkt op een aardbei, maar is het niet.
Veel mensen hebben moeite met het onderscheid tussen de bosaardbei (Fragaria vesca) en de schijnaardbei (Potentilla indica), door sommigen ook hardnekkig Indische aardbei genoemd. Een paar jaar geleden vroegen wij, plantenwerkgroep in Zoetermeer,  middels een krantenbericht of mensen ons door wilden geven waar Bosaardbeien groeiden. Prompt kwam er een reactie van een tuingroep die meldde dat ze die Bosaardbei maar een lastige woekeraar vonden. Je raadt het al, het bleek de Schijnaardbei te zijn. Als mensen de Schijnaardbei wel kennen, vinden ze het meestal geen fijne plant, hoewel het een leuke bodembedekker is. Hij verspreidt zich snel, bloeit lang door en maakt mooie rode vruchtjes. Helaas zijn deze nogal waterig van smaak. Sommigen noemen ze zelfs giftig, maar dat is gelukkig niet waar.

Toch zijn de verschillen niet zo moeilijk.
Als ze bloeien is het meteen duidelijk: de Bosaardbei heeft witte bloemen, de Schijnaardbei gele. Bovendien heeft de Schijnaardbei vrij grote bijkelkbladeren, die breed uitsteken onder de bloemen. Dit zie je ook al duidelijk bij de knoppen.

In de vruchtperiode is het ook makkelijk. De Bosaardbeitjes hangen omlaag, de Schijnaardbeitjes staan omhoog. Door de bijkelkbladen er onder lijkt het een aardbei op een schoteltje.
Maar ook de bladeren verschillen. Draai een blad maar eens om: de onderkant van de bosaardbeibladeren is zilverig wit, terwijl het blad van de Schijnaardbei aan de onderkant groen is.

Bosaardbei, Fragaria vesca

 

Schijnaardbei, Potentilla indica

Van bovenaf gezien vind ik de Schijnaardbei ‘groenere’ bladeren hebben, die sterker getand zijn.

Ook de uitlopers zijn anders: De Bosaardbei werpt zijn kleintjes als het ware door de lucht om ze ‘ergens’ verderop neer te laten komen. De Schijnaardbei schuift een nieuw plantje met korte uitlopers over de grond, zodat ze niet ver van de moederplant wortelen.

 

Misschien wel de beste manier om ze uit elkaar te leren houden, is om ze allebei in je tuin te zetten, zodat je heel goed het verschil kunt leren. In de tuin waar ik werk kweken we Bosaardbeien, en ik heb me altijd verwonderd over het feit dat de Schijnaardbeien lijken te weten waar ze relatief ongestoord kunnen groeien, nl. in het aardbeienbed. Verstopt totdat de bloemkleur ze verraadt.

Bos- en Schijnaardbeien door elkaar: zoek de verschillen!

Straprika

In de afgelopen herfst vond ik aan het begin van de straat waar ik woon een plant die, gelet op de bloemen, duidelijk tot de Nachtschadefamilie behoorde. Hij stond in een kier tussen een stoeptegel en de gevel van een winkel. Enkele weken later begonnen zich vruchten te ontwikkelen. Waren dat pepers of paprika’s? De eigenaar van de winkel had geen idee hoe die plant daar gekomen was. Omdat de plant in zo’n klein kiertje stond is het zeer onwaarschijnlijk dat iemand hem daar had geplant. Er moet dus iemand een zaadje hebben laten vallen.

Nu de vraag ‘paprika of peper?’. Het zijn verschillende rassen van dezelfde soort, namelijk Capsicum annuum. Het betreft hier wellicht een zogenaamde ‘puntpaprika’. De meeste paprika’s die we in de winkel aantreffen zijn  ‘blokpaprika’s’. De paprika die hier in Breda zomaar op straat groeit is volgens de literatuur een echte kasplant die een temperatuur nodig heeft van 16 tot 25 graden Celsius. Paprika’s werden al voor de tijd van Columbus in Midden- en Zuid-Amerika gekweekt. Veel mensen denken dat de paprika afkomstig is uit Hongarije. Dat is niet zo gek want het woord ‘paprika’stamt uit het Hongaars en betekent ‘peper’. En paprika’s vormen een wezenlijk onderdeel van goulash.

Niet alle kleurige pepers behoren tot de soort C. annuum. De beroemde, en ook wel beruchte Madame Jeanette uit Suriname, behoort tot de soort Capsicum chinensis. Een onverwachte soortaanduiding voor een geslacht uit Midden- en Zuid-Amerika.

Intussen is onze straatpaprika verdwenen. Het schijnt een meerjarige plant te zijn, dus wie weet kan ik er volgend jaar wel van eten. Dat was ik nu vergeten.