Home » gevaarlijke planten

Categorie: gevaarlijke planten

Van nederzettingenflora naar stadsflora

De roots van onze stadsflora liggen in een ver verleden. De introductie van allerlei ‘vreemde’ soorten vindt sinds mensenheugenis plaats. Cultuurgewassen gingen daarbij voorop; al in de Nederlandse Prehistorie – van 5400 v.C. tot 12 v.C. – maakten ze hun entree met onbedoeld ook hun begeleidende onkruiden. In oude bodems ligt de identiteit van deze ‘eerste- uurs-nutsplanten’ opgesloten in de vorm van plantenresten. Die bleven behouden, veelal in verkoolde, maar nog wel herkenbare toestand. Soms zorgen met water verzadigde gronden en verstening (fossilisatie) voor conservering. De oude, gefixeerde plantenresten kunnen in principe bij elke opgraving aan het licht komen. Het opsporen en herkennen van botanische resten is een volwaardige discipline; het werk van een archeobotanicus.

Emmer Triticum dicoccum De Tournefort’s (1719) Institutiones Rei Herbariae

Uit dit specialistisch onderzoek weten we deels hoe het er rond 5400 v.C. aan toe ging. Onze eerste boeren teelden op lössgronden. Ze woonden in grote, goed gebouwde boerderijen en teelden granen als: Emmer (Triticum dicoccum) en Eenkoorn (Triticum monococcum), alsook peulvruchten: Erwt (Pisum sativum) en Linze (Lens culinaris) en oliehoudende zaden: Lijnzaad (Linum usitatissimum) en Maanzaad oftewel Slaapbol (Papaver somniferum). De vlasplant leverde daarnaast vezels. Al deze planten, met uitzondering van het maanzaad, komen oorspronkelijk uit het Nabije Oosten, waar ze enkele millennia eerder uit hun daar in het wild voorkomende voorouders, waren ontstaan. De eerste boeren woonden dicht op elkaar. De boeren hadden in die tijd al te kampen met onkruid en wel met een assortiment waarin Dreps, Melganzenvoet, Zwaluwtong en Akkerkool een hoofdrol speelden. Dreps hoort tegenwoordig tot onze zeldzaamste akkeronkruiden.

Bilzekruid in breed historisch perspectief

De Romeinse tijd [i] – van 12 v.C tot begin 5e eeuw – bracht nauwelijks nieuwe voedingsgewassen, maar wel ‘luxe’ zaken: fruit, groenten, kruiden en enkele sierplanten waaronder Muurbloem (Erysimum cheiri). Het is ook de periode waarin de kennis van medicinale wilde planten − uit de eigen omgeving – groeit en die in de Middeleeuwen tot volle wasdom komt. Tot onze vroegste geneeskruiden horen: Sint-Janskruid, Groot kaasjeskruid, Gewone smeerwortel, IJzerhard en Bilzekruid. Het zaad van Bilzekruid met een geestverruimende werking, werd in vroegere tijden onder meer gebruikt als slaapmiddel en als ‘heksenzalf’. Volksnamen, die hieraan refereren zijn Dolkruid en Malwillempjeskruid. Bij opgravingen van het West-Friese dorpje Almersdorp, dat eind van de Middeleeuwen verdween, werden in een laag met verkoolde graanresten opvallend veel zaden van Bilzekruid gevonden met in mindere mate ook Melganzenvoet, Zwarte mosterd en Kleine brandnetel. Mogelijk werd de soort bewust gekweekt, maar het zou ook als onkruid kunnen zijn opgekomen. Het waren betere tijden voor Bilzekruid; tegenwoordig is het zeldzaam, bedreigd en  een Rode Lijstsoort.

Botanische tekening Bilekruid / Bron: Franz Eugen Köhler, Köhler’s Medizinal-Pflanzen

Bilzekruid; bedreigde stadsplant

Bilzekruid huist in steden op verdwijnende plekken. De plant is gebonden aan zeer voedselrijke, kalkhoudende, verstoorde, stenige bodems. Het verpoost op puinplekken en in rommelige overhoeken, die meer en meer worden opgeruimd. In onze contreien komt Bilzekruid zeker sinds de Romeinse tijd, en vermoedelijk al langer, voor. De soort is in ons laagland altijd een bijzonderheid geweest, maar de laatste decennia gaat het gestaag achteruit. In binnensteden komt Bilzekruid her en der te voorschijn op plaatsen waar oudbouw is gesloopt. Het zijn kortdurende manifestaties. Een definitief verlies van deze fraaie soort in onze steden dreigt. Waar Bilzekruid in de verdrukking zit, is er perspectief voor Wit bilzekruid (Hyoscyamus albus). Het is een typisch mediterrane soort, die zich koestert in de zon op en aan muren. Het prefereert daarbij de muurvoet, waar het imposant opbloeit. Het is precies de plek waar hij zich bij ons tentoonspreidt. In 1980 was er een eerste vondst in Doetinchem, recent volgden Brussel, Amsterdam, Den Haag met Coevorden als laatste ‘toevoeging’. Op deze prille plekken zaait hij zich ook uit; het is wellicht de opmaat naar een echte doorbraak in onze steden.

Info: bloeitijd / zeldzaam & achteruitgaand / hoogte / archeofyt / stadsafhankelijk (Uit: Stadsflora van de Lage Landen, Fontaine uitgevers 2020)

De verschillen: Bilzekruid heeft zittende, onderin iets gesteelde bladeren. De bloemkroon is eenkleurig geel, met paasachtige adering. De bladeren bij Wit bilzekruid zijn alle gesteeld, de bloemkroon crèmekleurig tot lichtgeel zonder gekleurde adering.

Wit bilzekruid / Foto Rutger Barendse

[i] Voor Nederland begint de Romeinse periode in 12 v.Chr. toen heel het land door Druses, generaal onder keizer Augustus, was onderworpen, een heerschappij die tot het begin van de 5e eeuw duurde.

Gevlekte scheerling verlaat de snelweg

In september 2011 vond ik, in Rotterdam op een zandige vlakte onder de A20 de verdroogde resten van een 2 meter hoge schermbloem. Op basis van de grootte en de bolle vruchtjes met ribbelrandjes was me snel duidelijk dat het de Gevlekte scheerling moest zijn, een soort die zich in een stevig tempo via de middenberm van ons snelwegennet uitbreidt. Gevlekte scheerling komt al van oudsher voor in Nederland; vrij algemeen in Zuid-Limburg, de duinen en het rivierengebied, elders zeldzaam. Dit verspreidingspatroon past bij zijn voorkeur voor warme, stikstofrijke, omgewerkte plekken op kalkhoudende bodems.  Het verspreidingspatroon bleef tot 2004 ongeveer hetzelfde. Daarna breidde de soort zich snel uit via de middenbermen van snelwegen. FLORON schreef daar juni 2020 een mooi natuurbericht over.

verspreidingskaartjes Gevlekte scheerling voor twee periodes
Verspreidingskaartjes Gevlekte scheerling (Conium maculatum) voor de periode 1800-2004 en 2005-2020. Het is duidelijk dat het snelwegpatroon pas van de laatste vijftien jaar is.

In 2016 kwam ik Gevlekte scheerling weer in Rotterdam tegen, nu op een grote groeiplek onder de Van Brienenoordbrug. Mijn beide vindplaatsen pasten in het snelwegpatroon, het zaad was alleen niet in de middenberm gekiemd maar had een verdieping lager een geschikte groeiplek gevonden. Beide groeiplekken waren al lang bekend toen ik ze tegenkwam: de eerste vondst van Gevlekte scheerling in Rotterdam was in 1995 onder de A20 door stadsecoloog Remko Andeweg, op de plek waar ik hem 25 jaar later ook vond. De locatie bij de Van Brienenoordbrug werd voor het eerst in 2001 gemeld.

Gevlekte scheerling dankt zijn naam aan de paars gevlekte stengel en bladsteel. Rechts de Gevlekte scheerling aan de oever van de Rotte op 18 mei.

Wordt Gevlekte scheerling een stadsplant?

Ik zag Gevlekte scheerling eigenlijk niet als stadsplant, zo sterk waren mijn vindplaatsen gebonden aan de snelweg. Maar, begin april van dit jaar vond ik langs de Rotte een paar planten met schermbloemblad waarvan ik dacht “Dat is geen Fluitenkruid”. Het is wat donkerder en glanzender en iets meer geplooid; ik vermoedde gevlekte scheerling en werd daarin bevestigd door de vlekken op de bladsteel. Deze groeiplek is 100 meter van de snelweg, waardoor ik verwacht dat deze soort zich nog wel eens veel verder kan gaan verspreiden. Ik denk wel dat hij sterk beperkt zal worden doordat op veel plekken gemaaid wordt voordat hij zaad kan zetten en hij afhankelijk blijft van de aanvoer van de zaden vanaf plekken waar hij ongestoord rijpe zaden kan produceren zoals in de snelwegmiddenberm. We zullen het zien.

Toen ik op 13 april voor de tweede keer langs de Gevlekte scheerling in de berm van de Rotte liep zag ik tot mijn grote verbazing al een bloeiwijze in de scheerling zitten. Dat hoort helemaal niet, want Gevlekte scheerling bloeit veel later. Even beter kijken verklaarde de verwarring: er groeide Fluitenkruid dwars door de Gevlekte scheerling heen :-).

Bingelkruid uit de tuin

Tot voor kort stonden er ongeveer 70 jaar oude woonblokken in de Hudsonstraat in Breda. Met de sloop in 2019 verdween een mooie populatie steenbreekvarens. Op de overgebleven kale vlakte verschijnen intussen planten die waarschijnlijk in de achtertuinen hebben gestaan. Een mooi voorbeeld is Tuinbingelkruid (Mercurialis annua). In januari stonden zij al of nog in bloei. Aanvankelijk had ik me niet zo in die plant verdiept en dacht dat sommige exemplaren in bloei stonden en anderen niet. Na enige tijd drong tot me door dat de duidelijke bloeiende exemplaren mannelijke planten waren en die anderen de vrouwelijke planten. Die vrouwen bloeien gewoon minder opvallend; de bloemen zitten wat verstopt onder en tussen de bladeren in de bladoksels.

Tuinbingelkruid, detail vrouwelijke plant

Tuinbingelkruid behoort tot de wolfsmelkfamilie. Dat is een familie waarvan de meeste soorten melksap bezitten. Dat melksap staat onder druk en bij beschadiging van de plant komt het meteen naar buiten. Het sap is meestal sterk tot dodelijk giftig en dient voor de plant als wondafdekking en bescherming tegen vraat. Tuinbingelkruid bezit echter geen melksap, maar is wel giftig. De zaden en de wortels bevatten stoffen die diarree, bloed in de urine en verlamming van blaas- en darmspieren kunnen veroorzaken. Zoals met zoveel giftige planten, werd ook deze plant medicinaal gebruikt en wel als purgeermiddel. Eén van de volksnamen in Frankrijk is dan ook ‘caquenlit’. Denk hierbij ook maar aan ‘pissenlit’, de Franse naam voor paardenbloem. In Frankrijk gebeurt de narigheid kennelijk meestal in bed.

Tuinbingelkruid, mannelijke plant

Er is nog een andere soort bingelkruid, namelijk Bosbingelkruid (Mercurialis perennis), vroeger ook wel Overblijvend bingelkruid genoemd. Bij deze soort zitten de vrouwelijke bloemen aan een lange steel. In tegenstelling tot tuinbingelkruid heeft deze soort uitlopers in de grond.
Bingelkruid komt van een woord uit de oudheid namelijk “bongo” wat “knol” betekent. Dit vanwege de vorm van de vruchten. De geslachtsnaam ‘Mercurialis’ komt van Mercurius. Mercurius is de god van de handel en reizigers en daarom zegt een Franse bron dat de vernoeming komt vanwege de zaden die door schoenen worden verspreid. Een Duitse bron zegt dat Mercurius de heilzame werking van het kruid heeft ontdekt. De soortaanduiding ‘annua’ betekent ‘eenjarig’.

Sla, niet alle soorten zijn geschikt voor salade

In Nederlandse zijn diverse soorten Sla te vinden. In onze salade zitten meestal alleen maar variëteiten van Sla (Lactuca sativa). Er zijn echter diverse andere Slasoorten uit hetzelfde geslacht en ook nog diverse soorten uit andere geslachten. De soorten uit de andere geslachten worden vanwege hun gelijkenis ook Sla genoemd, maar zijn dit zeker niet. Denk hier bijvoorbeeld aan Muursla (Mycelis muralis), Veldsla (Valerianella lucusta), Korensla (Arnoseris minima), Watersla (Pistia stratiotes) en Grote bergsla (Cicerbita macrophylla). Op Veldsla na, een soort die ook wel gecultiveerd wordt, zijn deze soorten niet eetbaar.

Er zijn ook vijf “echte” Slasoorten, soorten uit het geslacht Lactuca. Vroeger kwam Wilgsla (Lactuca saligna) voor in het kustgebied en langs de Maas in Zuid-Limburg. Deze soort is voor het laatst in 1982 gevonden. Deze soort dankt haar naam aan de smalle, gaafrandige stengelbladen. Zeer sporadisch  wordt de adventieve soort Strandsla (Lactuca tatarica) aangetroffen, de enige soort uit het geslacht met blauwpaarse bloemen. Deze soort dankt haar naam aan de vindplek (Rottumeroog) waar de soort een tijd lang ingeburgerd is geweest. De soort is hier inmiddels weer verdwenen, maar is nog een vijftal keer aangetroffen in het binnenland. Verder komt de zeer algemene Kompassla (Lactuca serriola) in het gehele land voor, al was deze voor 1960 nog zeer zeldzaam. Kenmerkend aan deze soort is dat de stengelbladen een kwartslag draaien, waardoor de plant de vorm krijgt van een “richtingbord”. Op elk blad zou je de naam van een dorp/stad kunnen schrijven waar het blad naar toe wijst. Mogelijk dankt de soort hier haar naam aan, ik weet het niet, ik kon het niet vinden. Er worden twee vormen onderscheiden, een vorm met veerdelig ingesneden blad (forma. serriola) en een vorm met normaal blad (forma. integrifolia). Kompassla kan relatief gemakkelijk met Sla kruisen en vormt dan een fertiele (vruchtzettende) hybride.

Een prachtig rozet van Gifsla, hier met een diameter van ongeveer 60 cm.

Dan kom ik uiteindelijk aan bij de laatste soort, Gifla (Lactuca virosa), een zeldzame, maar toenemende soort. Deze soort duikt op diverse plekken in het land op, maar is inmiddels ingeburgerd op bepaalde plekken in de duinen, voornamelijk Meijendel en Texel,  en in oude steden. Zo is de soort inmiddels te vinden in Nijmegen, Wageningen, Groningen, Den Haag, Maastricht, Leiden en Breda. Gifsla is een soort die tijdens bloei sterk op Kompassla lijkt en in rozetvorm vaak niet herkend wordt. De soort is daarom mogelijk op meer plekken nog te ontdekken. De plant maakt gigantische rozetten die de gehele winter aanwezig blijven. Twee weken geleden ,tijdens een Eindejaars Plantenjacht, ontdekte ik een nieuwe vindplek in Nijmegen, waarbij ik maar liefst 45 rozetten telde. Het grootste rozet had een diameter van zo’n 80 cm. Behalve de grootte van de rozetten, verschilt Gifsla van Kompassla door de niet-gedraaide stengelbladen, de kleinere stekels op de middennerf van de bladonderzijde en door de andere vorm en kleur van de nootjes (de vruchten/zaadjes). De nootjes zijn groter (4-5 x 1,5-2 mm) dan bij Kompassla (3 x 1 mm), donker paarszwart (niet lichtbruin), breed gerand (niet smal gerand) en volledig kaal (niet kort behaard aan de top). Met een beetje ervaring zijn de twee soorten echter met relatief gemak te onderscheiden. In het jaar 2000 is de soort gemeld in 32 km-hokken, inmiddels is de soort gemeld in 166 km-hokken. Ik ben benieuwd of de soort nog sterker toe gaat nemen de komende jaren. Doe de soort echter niet in je salade, want het melksap heeft een vergelijkbare werking als opium en is in hoge dosis giftig.

De donkere, paarszwarte, breedgerande nootjes van Gifsla.

De onderzijde van de middennerf bevat kleine stekelhaartjes.

Hemel of hel

Een aantal jaren geleden werd hier ter stede alarm  geroepen over de hemelboom (Ailanthus altissima). De reden was dat de gemeente Breda op een grote uitvalsweg nogal wat van die bomen in de middenberm plaatste. Naast het onloochenbare feit dat het hier een exoot betrof, zou deze ook nog invasief zijn.

Bomen groeien niet tot in de hemel en de hemelboom is daarop geen uitzondering. Zijn naam kreeg hij van de Engelsman Ph. Miller. Die beschreef in de achttiende eeuw de boom die hij gezien had in China. Hij noemde hem ‘hemelboom’. De geslachtsnaam ‘Ailanthus’ komt van het Maleise ‘aylanto’, dat boom van de hemel betekent. Onbekend is wat de boom hemels maakt. Wellicht vanwege het gebruik in de zijderupsteelt.

De Latijnse soortnaam ‘altissima’ betekent ‘de allerhoogste’. In feite wordt deze boom niet zo hoog, slechts 20 – 25 meter. Kortom, de naamgeving munt niet uit in adequaatheid.

Het meest opvallend aan de hemelboom zijn wel de bladeren. Die zijn 40 – 90 cm lang, oneven geveerd met 13 – 40 smalle, elliptische blaadjes, aan de voet grof getand. Van de blaadjes wordt beweerd dat ze onaangenaam ruiken. Dat hebben we bij de Bredase bomen niet kunnen vaststellen bij oudere bomen. Bij jonge bomen wel, en de geur heeft wel wat weg van aangebrande melk.

Groot, geveerd blad

De bladstengel is zacht behaard en bevat oranje merg. De schors is glad met lichte lengtestrepen.

De bloemen zijn klein, geelachtig wit in rechtopstaande pluimen en bloeien in juni-juli. Ook van de bloemen wordt beweerd dat ze stinken. Andere bronnen reppen van een vliergeur. Het vermoeden van demonisering door hemelboomhaters dringt zich op, want die zijn er.

De vruchten zijn gevleugelde nootjes, in grote, oranjekleurige trossen.

 

Vrolijk gekleurde vruchtjes in de nazomer

De hemelboom is tweehuizig. Man en vrouw wonen in aparte huizen. De bomen zijn dus eenslachtig, net als wilgen of hulst. De boom groeit ook verder uit wortelopslag en vanuit de stronk na kap.

Deelblad met zeer karakteristieke tand aan de voet.

In 1750 wordt hij voor het eerst ingevoerd in Frankrijk en van daaruit raakt hij verspreid over Europa.

In Nederland wordt hij als straat- en parkboom aangeplant. De boom heeft namelijk geen last van luchtvervuiling. Vooral Rotterdam is koploper geweest in het aanplanten van de hemelboom. Daar dragen de zaailingen zelf al weer vrucht.

De hemelboom vertoont dus alle trekken van een moderne stadsplant: mondiale verspreiding, snelle groeier, taai, thuis op verschillende grondsoorten en milieus, omstreden, maar onmiskenbaar aanwezig in onze wereld en een blijver.

Niettemin valt de woekering van de boom in Breda reuze mee: geen hemel en geen hel; meer iets er tussenin: een vagevuurboom.

 

 

 

 

 

vagevuurboom

Roestige melk

Ergens in het voorjaar meende ik een voor mij onbekende plantensoort te hebben ontdekt op korte afstand van spoorlijn aan de oostzijde van Breda. Ik maakte wat foto’s en stuurde die naar onze Floron-coördinator Jacques Rovers. Ik kreeg per ommegaande antwoord: roest op heksenmelk. Je moet er maar opkomen. Toen ik nog eens goed naar de foto’s keek zag ik het ook: overduidelijke vruchtlichamen van een roest. Roesten zijn schimmels met vaak een zeer ingewikkelde levenscyclus .Gelukkig heb ik het boek ‘Roesten van Nederland’ van Termorshuizen en Swertz in huis en kon ik vaststellen dat het zeer waarschijnlijk gaat om Uromyces fischeri-eduardi.

Maar het moet hier natuurlijk over de stadsplant gaan en niet over een schimmel. Heksenmelk (Euphorbia esula) komt in Nederland vooral voor langs de grote rivieren, maar staat ook bekend als spoorwegbegeleider. In Breda klopt dat dus. De plant heeft een stevige, vertakte wortelstok waaraan diverse stengeltjes van 30-60 cm hoog met langwerpige bladeren verschijnen. Bij afplukken van de stengel komt er, net bij de meeste leden van de wolfsmelkfamilie, wit melksap tevoorschijn. Het sap heeft een bijtend en branderig effect op huid en ogen en de wolf werd ooit gezien als de veroorzaker. Een wolf heeft geen positieve reputatie en een heks al helemaal niet.

Vruchtlichamen van heksenmelk

Het geslacht Euphorbia telt wereldwijd ruim 2000 soorten. Voor de wetenschappelijke naam van het geslacht bestaan twee verklaringen. De eerste is dat de naam verwijst naar ene Euphorbus, een lijfarts van een koning van een Berberrijk aan het begin van onze jaartelling. De tweede verklaring is dat het woord is samengesteld uit ‘eu’ =goed en ‘pherboo’=voeden. Het melksap schijnt ooit gebruikt te zijn ter genezing van teringlijders.
De soortaanduiding ‘esula’ betekent bijtend. Dat slaat op het melksap.

Heksenmelk met roest

De bloeiwijze van de leden van het geslacht Euphorbia wordt cyathium genoemd. Dit bestaat uit een buitenste bekervormig orgaan met randstandige hoefijzervormige klieren, waarbinnen een krans van uit één meeldraad bestaande mannelijke bloemen en in het midden de vrouwelijke bloem, bestaande uit een gesteeld vruchtbeginsel met vertakte stempels. Dat klinkt ingewikkeld en dat is het ook. De bloeitijd van heksenmelk is van mei tot eind augustus. De vrucht bestaat uit drie hokken met elk één zaad.

De plant komt in heel Europa en grote stukken van Azië voor. In de VS wordt heksenmelk als een invasieve exoot gezien. Je kunt hem beter niet in je tuin zetten, want voor je het weet neemt hij heel veel plaats in.

Behalve een plant is heksenmelk ook nog de naam van het vocht dat weleens door de tepels van pasgeboren baby’s wordt afgescheiden.

Gele helmbloem – een stinsenplant op de muur

De Gele helmbloem (Pseudofumaria lutea) is van oorsprong inheems in het zuidelijke deel van de Alpen. De plant is in de negentiende eeuw in Nederland ingevoerd als stinsenplant. Stinsenplanten zijn planten die naar Nederland zijn gebracht om tuinen van kastelen, landgoederen en grote boerderijen kleur te geven. Vanuit die omgeving is de plant verwilderd. Aanvankelijk kwam Gele helmbloem alleen in het zuidelijk deel van Nederland voor met een voorkeur voor een kalkrijke, stenige ondergrond en voor de mergelomgeving van Limburg.

Gele helmbloem behoort tot de papaverfamilie waar ook Klaproos en Stinkende gouwe deel van uitmaken. De plant was zeldzaam en kwam in de vorige eeuw voor op de rode lijst van beschermde plantensoorten. Sinds 2017 heeft de plant zijn beschermde status verloren.

Gele helmbloem komt hoofdzakelijk voor op oude muren en wordt door de uitbundige groeiwijze vaak al van verre opgemerkt. In de stad groeit de Gele helmbloem vooral op oude stadsmuren, muren rond kerkhoven en kademuren.

De helder gele bloemen lijken met enige fantasie op een Romeinse helm en vormen rijke trossen. De bloemen zijn tweezijdig symmetrisch, wat betekent dat je de bloem maar op één manier kunt doorsnijden om te bereiken dat de twee bloemhelften elkaars spiegelbeeld zijn.

Gele helmbloem is tweezijdig symmetrisch. Je kunt de bloem maar op één manier doorsnijden om een spiegelbeeld van de linker en rechter helft te krijgen.

De plant bevat een giftige alkaloïde die bij paarden bv. ontstekingen en zweren kan veroorzaken in de bek, kan leiden tot koliek en zelfs tot de dood. De zwarte zaden zijn voorzien van een mierenbroodje. Dat maakt ze aantrekkelijk voor mieren die de zaden verslepen en zo bijdragen aan de verspreiding van de plant.

Gele helmbloem bevat een giftige alkaloïde die dodelijk kan zijn voor paarden

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Explosieve exoot

Midden in oude binnenstad van Breda ligt het Begijnhof. Daar wordt een prachtige kruidentuin onderhouden. Vanwege de de bezoekers worden de paden rond de tuin schoongehouden van wilde planten en ontsnapte planten uit de perken. Heel soms ontkomt een zaadje aan het smoren in de wieg. In dit geval waarschijnlijk omdat het net binnen een privédomein terecht was gekomen, al blijft zoiets in een begijnhof, moeilijk af te bakenen.

veilig op privéterrein ?

De plant in kwestie is de springkommer (Ecballium elaterium). Hij behoort tot de komkommerfamilie, hetgeen ook aan de bloem is te zien.

komkommerachtiige bloem

De plant is thuis in het gehele gebied rond de Middellandse Zee. Wie daar wel eens is geweest, weet dat springkomkommer daar groeit als onkruid. Liefst op ruderale plekken, naast de weg, parkeerplaatsjes met steenslag, e.d.

De plant ontleent zijn naam aan het feit dat als de rijpe vrucht neerploft, de zaden explosief worden weggeslingerd. Veel leuker is, als de rijpe vrucht nog hangt, een kind te vragen in de vrucht te knijpen. Pang!

De vrucht is giftig, dus het kind moet wel gereinigd worden en een aai over de bol voor de schrik.

harige bladeren met hartvormige voet

De wetenschappelijke naam Ecballium elaterium betekent tweemaal ‘uitwerpen’ . Eenmaal in het Grieks en eenmaal in het Latijn.

 

 

Oranje boven

Voor iemand uit de gemeente Breda is het leuk een nieuwe plant tegen te komen die ‘Oranjeboompje’ heet. Breda noemt zich immers ‘Oranjestad’ omdat het huis van Oranje-Nassau zijn oorsprong heeft in Breda. De voormalige bierbrouwerij ‘Oranjeboom’ in Breda, heeft met die naam niets te maken, al wordt dat door sommigen wel kwaadsappig gesuggereerd.

Met een duidelijk herkenbare nachtschadebloem

Tijdens een planteninventarisatie in Wagenberg, een dorp ten noorden van Breda, kwamen we midden in dorp de plant tegen. Ingeklemd tussen een muur, een lantaarnpaal en een soort elektriciteitskastje; goed beschermd tegen branders en borstels. Je moet wat, als stadsplant. In Nederland is het een zeldzame stadsplant met ongeveer 20 vindplaatsen.

Het struikje is afkomstig uit de bergen van Ecuador en Peru en door de Portugezen als vroeg naar Europa gebracht. Daar was het allereerst een exclusieve sierplant voor de betere kringen. Nu is het boompje voor een breed publiek verkrijgbaar en worden er ook diverse cultuurvariëteiten aangeboden.

Heel veel vruchten

De wetenschappelijke naam is Solanum pseudocapsicum. De geslachtsnaam ‘Solanum’ betekent zoveel als ‘verlichtend’ vanwege de pijnstillend werking van een aantal soorten uit dit geslacht, o.a. doornappel. Denk ook aan het woord ‘soelaas’. De soortaanduiding ‘pseudocapsicum’ betekent letterlijk ‘neppeper’, van pseudo = schijn, en capsicum = Spaanse peper.

 

Doornappel

Het is al even geleden dat ik een krantenbericht las over Doornappel (Datura stramonium).  Mensen kennen de vrij algemene  plant ondertussen ook wel en weten ook wat van zijn giftigheid. Toch was het niet zo lang geleden dat er verontrustende berichten te lezen waren over zeldzame Mexicaanse gifplanten die zomaar waren opgedoken in de tuin van een onschuldige burger. Ook zijn de ziekenhuisopnames van mensen, voornamelijk jongeren, die met Doornappel een ‘trip’ probeerden te maken, ofwel niet meer nieuwswaardig, ofwel  tot nul gereduceerd.  Het nieuws gaat mogelijk ook snel de ronde dat de plant hiervoor ook niet geschikt is.  De plant is gewoon verdomd giftig en onberekenbaar.

Doornappel heeft grote gedoornde zaaddozen met talrijke grote zwarte zaden

Doornappel komt oorspronkelijk niet voor in Europa, maar werd uit Amerika ernaartoe gebracht, aanvankelijk expres, en kon zich gemakkelijk uitbreiden. In de grote zaaddozen zitten talrijke grote zwarte zaden die lang kiemkrachtig blijven.

In een dichte grasmat ontkiemen Doornappels moeilijker

Doornappel staat voornamelijk op verstoorde grond, bijvoorbeeld in opgebrachte grond in tuinen, langs wegen met nieuwe bermen en in bredere zin op allerlei braakliggende gronden. De zaden vallen op de grond uit de langzaam opengaande vruchten en kunnen bij hernieuwde omwerking van de grond (en verplaatsing!), ook dus pas jaren later, vervolgens ontkiemen. In een dichte grasmat gaat dit moeilijker.

Een ongestekelde forma van Doornappel.

De naam van de plant komt van de stekelige vruchten. Die zijn nagenoeg rond en met dikke stekels bezet. Ze lijken wel wat op de bolsters van Paardenkastanje. De bloemen zijn meestal wit, trechtervormig en vaak wel 10 cm lang.  De planten bloeien voornamelijk ‘s nachts. Vandaar dat je overdag vaak alleen maar verwelkte bloemen aantreft.  Er zit wel wat variatie in de uiterlijke kenmerken van de plant. Zo heb je planten die paarsig-roze bloeien genaamd var. tatula. Bij zowel de witbloeiende (var. stramonium) als de paarsige variatie kunnen de vruchten ongestekeld zijn.  Dit zijn de forma’s inermis.  Zo heeft een ongestekelde paarsig bloeiende Doornappel de volgende lange naam: Datura stramonium var. tatula f. inermis.

Datura ferox, een andere soort doornappel, heeft nog grotere stekels op de vruchten

Er zijn een aantal andere soorten Datura, Doornappels, die nog geen vaste voet aan wal hebben gezet in Nederland en België.  De ene soort onderscheidt zich voornamelijk door nog grotere stekels op de vruchten.  Het is Datura ferox.  Het is een adventief die mogelijk alleen voorkomt door verwildering uit vervuild geïmporteerd vogelzaad.

Door de geknikte vruchtsteel hangt de vrucht naar beneden bij Datura innoxia.

De andere soort onderscheidt zich voornamelijk door de geknikte vruchtsteel.  Die heet Datura innoxia. Mogelijk komt ook de gelijkende Datura wrightii nog voor. Die onderscheidt zich van de geknikte innoxia door aanliggende klierloze haren. Altijd dus even de loep bovenhalen bij Datura innoxi. En daarna natuurlijk heel goed je handen wassen.