Home » Bijzondere planten » Pagina 2

Categorie: Bijzondere planten

Plat beemdgras aan de Wellekade

Plat maar toch niet in de beemd

Beemd is een Nederlands begrip dat ver teruggaat in de geschiedenis en volgens het etymologisch woordenboek een samenvoegsel is van ‘ban’ en ‘made’. Niet meer gebruikte woorden voor respectievelijk rechtsgebied en weide. Dat samengevoegd wordt het een gemeenschappelijke weide, meestal gelegen naast een waterloop (bron: etymologiebank.nl).

Beemd is echter ook een deel van een geslachtsnaam, te weten Beemdgras als Nederlandse naam en Poa voor de wetenschappelijke aanduiding. Poa is een vrij groot geslacht met ca. 500 soorten die vooral in de gematigde streken van beide halfronden te vinden zijn. Veelvuldig in die beemden, denk aan Ruw beemdgras en Veldbeemdgras. Nu is beemd niet direct een landschapstype dat je in de stad vind. Toch zijn er diverse soorten die geregeld in de stad te vinden zijn. Straatgras (Poa annua) is de bekendste.  Het is een eenjarig beemdgras en werkelijk overal te vinden.

Er zijn ook meerjarige beemdgrassen; één daarvan is Plat beemdgras (Poa compressa). De soort is gebonden aan matig voedselrijke, basische en kalkhoudende, vaak stenige grond. Limburg en langs de rivieren, zijn de plaatsen waar Plat beemdgras te vinden is. En op spoorwegen en in steden. In steden is het o.a. op muren te vinden.

Plat beemdgras verdraagt maaien slecht en dat is nu net wat er op de meeste muren niet echt gebeurd. In Deventer zijn diverse plaatsen te vinden waar Plat beemdgras soorten als de Muurbloem (Erysimum cheiri) en Muurvaren (Asplenium ruta-muraria) begeleidt. O.a. aan de Wellekade, de kademuur waar ook de IJssel regelmatig, bij hoog water, zijn invloed doet gelden. Ook op en naast het ballastbed van een deel van een oude spoorlijn is veel Plat beemdgras te vinden.

Detail van bladschede van Plat beemdgras
Detail van bladschede van Plat beemdgras

Het herkennen van grassen wordt over het algemeen als moeilijk ervaren en sommige floristen wagen zich dan ook niet aan grassen. Plat beemdgras is m.i.

Plat beemdgras
Plat beemdgras (habitus) op een stoeprandje naast een oude spoorweg.

toch wel één van de gemakkelijk te herkennen soorten, zeker binnen het geslacht Poa. Plat beemdgras is te herkennen aan de blauwachtige kleur en zeker aan de bloeistengel, die sterk is afgeplat. Verder is de bloeiwijze vrij compact, met korte aren. Opvallend is ook dat bladschede van het bovenste blad even lang of langer is dan het blad.

Plat beemdgras is inheems in Eurasië en gedraagt zich buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied als een invasieve exoot, althans volgens USDA. Andere bronnen zijn meer lovend over de soort die in de VS en Canada ‘Canada bleugrass’ wordt genoemd. Zo wordt het uitgezaaid samen met vlinderbloemigen om voormalige mijnbouwgrond te herplanten en tevens wordt het gebruikt als plant om erosie langs wegen, dammen en recreatiegebieden tegen te gaan. Die andere, meestal niet zo goed zichtbare, eigenschap van Plat beemdgras wordt dus zeer gewaardeerd. Plat beemdgras vormt namelijk een dichte wortelmat en er zijn blijkbaar prima ervaringen opgedaan ter voorkoming van erosie. Ondanks dat het een invasieve soort is in de VS en Canada, is de Fire Effects Information System wel te spreken over Plat beemdgras.

Van nederzettingenflora naar stadsflora

De roots van onze stadsflora liggen in een ver verleden. De introductie van allerlei ‘vreemde’ soorten vindt sinds mensenheugenis plaats. Cultuurgewassen gingen daarbij voorop; al in de Nederlandse Prehistorie – van 5400 v.C. tot 12 v.C. – maakten ze hun entree met onbedoeld ook hun begeleidende onkruiden. In oude bodems ligt de identiteit van deze ‘eerste- uurs-nutsplanten’ opgesloten in de vorm van plantenresten. Die bleven behouden, veelal in verkoolde, maar nog wel herkenbare toestand. Soms zorgen met water verzadigde gronden en verstening (fossilisatie) voor conservering. De oude, gefixeerde plantenresten kunnen in principe bij elke opgraving aan het licht komen. Het opsporen en herkennen van botanische resten is een volwaardige discipline; het werk van een archeobotanicus.

Emmer Triticum dicoccum De Tournefort’s (1719) Institutiones Rei Herbariae

Uit dit specialistisch onderzoek weten we deels hoe het er rond 5400 v.C. aan toe ging. Onze eerste boeren teelden op lössgronden. Ze woonden in grote, goed gebouwde boerderijen en teelden granen als: Emmer (Triticum dicoccum) en Eenkoorn (Triticum monococcum), alsook peulvruchten: Erwt (Pisum sativum) en Linze (Lens culinaris) en oliehoudende zaden: Lijnzaad (Linum usitatissimum) en Maanzaad oftewel Slaapbol (Papaver somniferum). De vlasplant leverde daarnaast vezels. Al deze planten, met uitzondering van het maanzaad, komen oorspronkelijk uit het Nabije Oosten, waar ze enkele millennia eerder uit hun daar in het wild voorkomende voorouders, waren ontstaan. De eerste boeren woonden dicht op elkaar. De boeren hadden in die tijd al te kampen met onkruid en wel met een assortiment waarin Dreps, Melganzenvoet, Zwaluwtong en Akkerkool een hoofdrol speelden. Dreps hoort tegenwoordig tot onze zeldzaamste akkeronkruiden.

Bilzekruid in breed historisch perspectief

De Romeinse tijd [i] – van 12 v.C tot begin 5e eeuw – bracht nauwelijks nieuwe voedingsgewassen, maar wel ‘luxe’ zaken: fruit, groenten, kruiden en enkele sierplanten waaronder Muurbloem (Erysimum cheiri). Het is ook de periode waarin de kennis van medicinale wilde planten − uit de eigen omgeving – groeit en die in de Middeleeuwen tot volle wasdom komt. Tot onze vroegste geneeskruiden horen: Sint-Janskruid, Groot kaasjeskruid, Gewone smeerwortel, IJzerhard en Bilzekruid. Het zaad van Bilzekruid met een geestverruimende werking, werd in vroegere tijden onder meer gebruikt als slaapmiddel en als ‘heksenzalf’. Volksnamen, die hieraan refereren zijn Dolkruid en Malwillempjeskruid. Bij opgravingen van het West-Friese dorpje Almersdorp, dat eind van de Middeleeuwen verdween, werden in een laag met verkoolde graanresten opvallend veel zaden van Bilzekruid gevonden met in mindere mate ook Melganzenvoet, Zwarte mosterd en Kleine brandnetel. Mogelijk werd de soort bewust gekweekt, maar het zou ook als onkruid kunnen zijn opgekomen. Het waren betere tijden voor Bilzekruid; tegenwoordig is het zeldzaam, bedreigd en  een Rode Lijstsoort.

Botanische tekening Bilekruid / Bron: Franz Eugen Köhler, Köhler’s Medizinal-Pflanzen

Bilzekruid; bedreigde stadsplant

Bilzekruid huist in steden op verdwijnende plekken. De plant is gebonden aan zeer voedselrijke, kalkhoudende, verstoorde, stenige bodems. Het verpoost op puinplekken en in rommelige overhoeken, die meer en meer worden opgeruimd. In onze contreien komt Bilzekruid zeker sinds de Romeinse tijd, en vermoedelijk al langer, voor. De soort is in ons laagland altijd een bijzonderheid geweest, maar de laatste decennia gaat het gestaag achteruit. In binnensteden komt Bilzekruid her en der te voorschijn op plaatsen waar oudbouw is gesloopt. Het zijn kortdurende manifestaties. Een definitief verlies van deze fraaie soort in onze steden dreigt. Waar Bilzekruid in de verdrukking zit, is er perspectief voor Wit bilzekruid (Hyoscyamus albus). Het is een typisch mediterrane soort, die zich koestert in de zon op en aan muren. Het prefereert daarbij de muurvoet, waar het imposant opbloeit. Het is precies de plek waar hij zich bij ons tentoonspreidt. In 1980 was er een eerste vondst in Doetinchem, recent volgden Brussel, Amsterdam, Den Haag met Coevorden als laatste ‘toevoeging’. Op deze prille plekken zaait hij zich ook uit; het is wellicht de opmaat naar een echte doorbraak in onze steden.

Info: bloeitijd / zeldzaam & achteruitgaand / hoogte / archeofyt / stadsafhankelijk (Uit: Stadsflora van de Lage Landen, Fontaine uitgevers 2020)

De verschillen: Bilzekruid heeft zittende, onderin iets gesteelde bladeren. De bloemkroon is eenkleurig geel, met paasachtige adering. De bladeren bij Wit bilzekruid zijn alle gesteeld, de bloemkroon crèmekleurig tot lichtgeel zonder gekleurde adering.

Wit bilzekruid / Foto Rutger Barendse

[i] Voor Nederland begint de Romeinse periode in 12 v.Chr. toen heel het land door Druses, generaal onder keizer Augustus, was onderworpen, een heerschappij die tot het begin van de 5e eeuw duurde.

Avant-garde

Planten zijn een beetje mijn dada. De dada van mijn dada zijn deze die onverwacht komen te groeien in de stad, fabrieksterreinen, autostrades, puinhopen ..… Planten waarvan men graag zegt: “die horen hier niet thuis”. Het feit dat ze er gezond en wel groeien, bewijst het tegendeel.

Naar Fijn venushaar was ik al lang heimelijk op zoek. Hij was reeds gevonden in Gent, Antwerpen, Veurne …. maar ik bleef op mijn honger zitten. Gisteren kneep ik in Brugge ter hoogte van een gevel van een statig herenhuis, de remmen dicht voor een verwilderde Tuinlobelia -ook mooi- en toen werden mijn ogen alsmaar groter voor iets dat in het keldergat groeide. Fijn venushaar (Adiantum raddianum).  Een betere naam is amper mogelijk voor deze plantgeworden elegantie.

Tuinlobelia

Fobie voor exoten is mij vreemd, tenzij ze van een andere planeet zouden komen. Een status quo in de evolutie bestaat enkel in de hoofden van mensen. Een status quo is voor reservaten. Ik heb respect voor reservaten. Alhoewel, ze doen mij ook een beetje te veel denken aan indianenreservaten.

Geef mij maar natuur die zich géén ballen aantrekt van al te theoretische afbakeningen. Het is zó veel boeiender en eigenlijk zó veel echter. Voor wie wil, dit is fascinerende lectuur : “Reizend groen” van Stefano Manusco. Onder andere.  De manier waarop planten en dieren in het menselijk vehikel dé ideale transportgelegenheid zien is al een fascinerende gebeurtenis op zich.

Terug naar het Fijn venushaar. Waar komt dit plantje oorspronkelijk vandaan ? In ieder geval van onze planeet. Beetje concreter : uit Zuid-Amerika ! Heeft zich ondertussen over alle tropische gebieden van de wereld verspreid. En het lukt ook in onze steden, die, naar het voorkomen van andere soorten te zien, vaak fungeren als subtropische oases binnen onze koelere streken. Hoewel, de laatste tijd zijn ze wat minder koeler, onze streken.

Fijn venushaar op een onverwachte plek

Wikipedia is ondertussen hopeloos achterhaald : “De soort is in België en Nederland verwilderd aangetroffen, onder andere op oude muren, zoals in Antwerpen, Brussel, Gent, Delft en mogelijk in Utrecht. “ Het groeit dus wel degelijk ook in Brugge !  Echt venushaar (Adiantum capillus-veneris) is ook te vinden in Brugge. Op de muur van een spoorwegbrug. Tamelijk open en bloot. Ze werd er voor het eerst gevonden door Filip Verloove. Sindsdien ga ik er wel eens op bedevaart.

Voor de verschillen tussen beide soorten verwijs ik naar de vakliteratuur. Het zit ‘m in de vorm van de sporenhoopjes én de plaats waar de nerven eindigen aan de bladrand.  Qua habitat komen ze ook overeen : op de bodem of op steen, maar Fijn venushaar heeft wel een voetje voor omdat het ook kan groeien op silicaatrijke gesteenten zoals graniet. Echt venushaar heeft daar dus blijkbaar wat moeite mee. In Brugge althans zijn de groeiplaatsen van de beide soorten echt wel verschillend. Hoe dan ook, ze groeien.

Met dank aan de wilde Tuinlobelia.

 

 

Mariadistel

Een braakliggend terrein in de wijk Heuvel in Breda is een ‘lustoord’ voor stadsplantenliefhebbers.  Twee jaar geleden stonden er nog flats met mooie achtertuinen. Uit zaden en worteldelen van voormalige tuinplanten kwam en komt na de sloop van alles tevoorschijn. Zie ook de bijdrage van 8 maart jl. over tuinbingelkruid.  In april ontdekte ik daar een Mariadistel (Silybum marianum). Niet helemaal nieuw voor Breda want in 2013 was er al een exemplaar gevonden in de omgeving van het station. Zie https://www.stadsplantenbreda.nl/.

Hele plant half april

De mariadistel behoort niet tot onze inheemse flora. In de Heukels wordt de plant als adventief aangemerkt. Het is een uit Zuid-Europa afkomstige composiet. De mariadistel geniet vooral bekendheid in de kruidengeneeskunde. Uit de vruchtwand van het nootje worden stoffen voor medicinaal gebruik gewonnen. De stof ‘silymarine’ wordt gebruikt bij chronische leverkwalen. In de literatuur kun je veel uiteenlopende toepassingen tegenkomen.  In het boek ‘Lexicon der geneeskruiden’ van M. Uyldert staat het volgende: “Het kruid doet de koorts zakken en opent alle kanalen”. Dat is dus oppassen geblazen. Behalve als geneeskruid wordt de Mariadistel ook als voedsel gebruikt. Jonge bladeren kunnen op dezelfde manier als spinazie gegeten worden en jonge stengels op dezelfde manier als asperges. Het bloemhoofdje kan, net als artisjokken, ook gegeten worden.  In verschillende landen, waaronder Frankrijk, wordt de plant akkerbouwmatig geteeld. Soms wordt de mariadistel als sierplant gebruikt.Normaal bloeit de mariadistel in juli en augustus. Dat ‘ons’ exemplaar al in april bloeide heeft wellicht te maken met de zachte winter. Intussen heeft dit exemplaar al rijpe zaden.

Uitgebloeid eind juli

De naam van de plant heeft te maken met de legende dat de witte vlekken op de bladeren veroorzaakt zouden zijn door de melk van de Heilige Maagd.

 

Buitenbeentje moerasanemoon

Van sommige planten is op het eerste gezicht duidelijk dat het een buitenbeentje is. Mijn collegaspeurder stadsplanten riep: cornus! Dat is helemaal niet zo gek, want de bloem met dat merkwaardige wit en het verheven centrum, doen denken aan Cornus causa. Zelf had ik twijfels en kouwde op een halfvergeten herinnering. Thuis was het raadsel betrekkelijk snel opgelost: moerasanemoon (Houttuynia cordata). Ik was hem jaren geleden al eens tegengekomen, ook al op een vreemde beschaduwde plek, waar niets anders wilde groeien. Tot mijn verbazing is de plant nu opgenomen in de nieuwe Heukels met de aanduiding ‘invasief 3’. Dit houdt in dat hij op Global Invasive Species Database (GISD) staat.

Bloemen steken opvallend af tegen het blad

Een korte speurtocht op internet naar de verschrikkingen van deze plant, leverde vooral klaagzangen op van tuineigenaren die de plant niet meer verwijderd kregen. Kent u zevenblad? De moerasanemoon heeft een vergelijkbare truc in huis: elk worteldeeltje kan weer uitgroeien. Daarbij heeft de plant nog twee andere sterke punten: hij kan zowel in water als op land groeien en in de schaduw en in de zon.

Ik heb een paar landen gevonden waar hij lastig is buiten de tuinen: Engeland, Noord-Amerika en Zuid-Afrika.

Verspreidt zich via wortelstokken

De moerasanemoon behoort tot de kleine familie Saururaceae met maar zes soorten. Als u vindt dat de plant er primitief uitziet, heeft u helemaal gelijk. Hij behoort tot de groep waar ook de magnolia’s bij horen, en dat zijn zo ongeveer de eerste bloemplanten.

De familienaam ‘saururaceae’ komt van ‘saura’= hagedis en ‘oura’ = staart. De naamgever heeft een blijkbaar een ander familielid voor ogen gehad. De geslachtsnaam ‘Houttuynia’ verwijst naar M. Houttuyn (Hoorn 1720-1794) die ‘Systema Natura’ van Linnaeus in het Nederlands vertaalde. De soortaanduiding ‘cordata’ = hart en verwijst naar het onmiskenbaar hartvormige blad.

Blad is onmiskenbaar hartvormig

In de handel zijn ook vormen met bont blad. Overweegt u de plant in uw tuin te zetten, dan kan het geen kwaad de wortels in te sluiten, zoals bij bamboe. U kunt ook nog proberen hem weg te eten. De jonge scheuten worden gegeten en hij staat op de lijst van van permacultuur. U heeft er hoe dan ook een buitenbeentje bij.

Vorm met bont blad

Kruidenthee uit de straat

Het was mij al opgevallen dat de citroenmelisse in de tuin het de laatste jaren steeds beter deed. Hij zaaide zich zelfs spontaan uit, ook naast het schuurtje. En als je er dan op gaat letten, ja dan zie je hem steeds vaker – bekend verschijnsel-, ook buiten de tuin. Sinds 1990 is de plant onopvallend een echte stadsplant aan het worden (volgens ‘Stadsflora’ van Ton Denters).

Dat onopvallende tekent de citroenmelisse. Het is een lipbloemige, met kleine, onopvallende witte bloemen, die in halve kransen om de stengels staan, zie de eerste afbeelding. De jonge planten worden in het voorjaar wel eens voor brandnetel versleten, even voelen en even ruiken en je weet het goede antwoord. Als de citroenmelisse niet is afgemaaid, blijven de bloeistengels heel lang stevig overeind staan, daar kun je hem in het voorjaar ook wel aan herkennen. In een later stadium verschijnen talloze zijtakken met veel kleinere bladeren, en nog later de bloemkransjes. Vanaf half juni kun je de roomwitte, in knop wat gelige bloemen verwachten. Z’n wortelstok is best stevig te noemen.

Jonge citroenmelisse.

De Melissa officinalis is een geneeskrachtige plant, hetgeen al eeuwenlang bekend is. De naam ‘officinalis’ duidt daarop, want dat verwijst naar apotheek. De plant is dan ook via kloosters naar West Europa gekomen, hij komt oorspronkelijk, zoals zoveel stadsplanten, uit warmere streken. De monniken maakten er ‘Karmelietenwater’ van, dat beschouwd werd als een wondermiddel voor buikpijn, hoofdpijn, nervositeit en zwaarmoedigheid. Nog steeds is ‘melissegeest’ te koop. De etherische olie uit melisse moet je zien te vangen in een destillaat, vandaar dat ‘geest’.

‘Melissa’ komt uit het Grieks en betekent honingbij, het was de oude Grieken al opgevallen dat honingbijen erg van deze plant houden. En dan gaat het niet alleen om de nectar, een nieuwe kast voor de bijen wrijven imkers vaak in met citroenmelisse, de bijen voelen zich er dan snel thuis. Vooral van belang als je een bijenzwerm wilt huisvesten. In het boek ‘Groene genade’ beschrijft Jan Graafland hoe citroenmelisse je steviger in je vel laat zitten.

Zo kom ik weer bij de geneeskracht van de melisse. Het werkt ontspannend en kalmerend, kan ingezet worden bij angsten, depressie, en slapeloosheid. Ook is het ontkrampend voor maag en darmen, vooral bij klachten met een nerveuze oorsprong: denk aan buikpijn hebben van de zenuwen. Ook handig: het is werkzaam tegen het herpes-virus van de koortslip.

Later in het jaar komen de zijtakjes met kleinere bladeren.

Thee zet je het best van de jonge bladeren, vooral als het je om de heilzame werking gaat. Gedroogd verliezen de bladeren veel van hun aroma en verminderen de geneeskrachtige eigenschappen omdat die vooral in die vluchtige olie zitten.

Als het je wat teveel is geworden, al die kruidengeneeskunde, neem dan gerust een kopje citroenmelissethee om te kalmeren, het groeit misschien al in je eigen straat.

Gestreepte winde zet niet door

Gestreepte winde (Convolvulus sylvaticus) op Sicilië in 2007

Hedendaagse floristen houden hun literatuur goed bij om de laatste noviteiten ook zelf te kunnen onderscheiden en ook zelf op nieuwe plaatsen te ontdekken. Als iemand een sterk gelijkende nieuwe soort vindt en erover schrijft, dan slurpen ze de kenmerken langzaam op in hun geheugen om bij een ontmoeting met de gelijkende plant het eens extra goed te bekijken.

Een nieuweling, al zeker 25 jaar geleden, die het waarschijnlijk heel goed ging doen, was de op Haagwinde gelijkende Gestreepte winde Convolvus silvaticus . Toen nog Calystegia sylvatica. Er werden enkele populaties aantroffen langs de grote rivieren in Nederland en waarschijnlijk hadden we er al heel wat over het hoofd gezien. Maar 25 jaar later ben ik nog altijd op zoek naar een eigen te ontdekken exemplaar in de Lage Landen.  Het verschil is niet in de grote witte bloemen te zien, bij Gestreepte winde zit er wel vaker wat roze in,  maar voornamelijk in de kort op de bloem staande grotere steelbladeren die eruitzien als een extra kelk . Het ene steelblad vouwt zich in een mooie bocht om het tegenoverstaande andere blad. Bij Haagwinde zijn het wat aarzelende klappende handjes; de steelbladen raken elkaar wel hier en daar, maar zijn vlak en hoekig.

Gestreepte winde werd/wordt waarschijnlijk in tuinen gezet door mensen die Haagwinde verder niet kennen. Als ze dat wel deden, zouden ze er niet aan denken. Er bestaat geen tegeltje van, maar het volgende zou wel een aardige zijn: wie Haagwinde wil trekken, is miserie aan het stekken. Je kunt allicht ook Haagwinde vervangen door soorten als Japanse duizendknoop en er mee op de markt gaan staan. Een geheel gratis idee!  Ik heb in ieder geval mensen eens de grond in hun hele voortuin zien zeven om Haagwinde kwijt te raken. Die wortels zijn dun en draadvormig gekromd en breken gemakkelijk, dus daar ben je wel een weekje mee bezig.

Niet alle roze winde is Gestreepte winde. Hier een roze Haagwinde (Convolvulus sepium) te Antwerpen in 2010

De eerste keer dat ik Gestreepte winde zelf ontdekte was na 12 jaar Haagwinde controleren in Nederland en België, in 2007 op Sicilië. Daar groeide het werkelijk op iedere straathoek, en was een heel vreemde gewaarwording ; Ik kon daar helemaal geen Haagwinde vinden. Nu ik goed wist hoe het er uit zag, moet het toch gaan lukken thuis, maar nu, weer 13 jaar later nog altijd geen succes. Natuurlijk keek ik ook mee met de meldingen van anderen en de 16 recentere hokjes in Nederland en 18 in voornamelijk westelijk België, laten ook duidelijk zien: dit is voorlopig nog geen doorzetter.

Gevlekte scheerling verlaat de snelweg

In september 2011 vond ik, in Rotterdam op een zandige vlakte onder de A20 de verdroogde resten van een 2 meter hoge schermbloem. Op basis van de grootte en de bolle vruchtjes met ribbelrandjes was me snel duidelijk dat het de Gevlekte scheerling moest zijn, een soort die zich in een stevig tempo via de middenberm van ons snelwegennet uitbreidt. Gevlekte scheerling komt al van oudsher voor in Nederland; vrij algemeen in Zuid-Limburg, de duinen en het rivierengebied, elders zeldzaam. Dit verspreidingspatroon past bij zijn voorkeur voor warme, stikstofrijke, omgewerkte plekken op kalkhoudende bodems.  Het verspreidingspatroon bleef tot 2004 ongeveer hetzelfde. Daarna breidde de soort zich snel uit via de middenbermen van snelwegen. FLORON schreef daar juni 2020 een mooi natuurbericht over.

verspreidingskaartjes Gevlekte scheerling voor twee periodes
Verspreidingskaartjes Gevlekte scheerling (Conium maculatum) voor de periode 1800-2004 en 2005-2020. Het is duidelijk dat het snelwegpatroon pas van de laatste vijftien jaar is.

In 2016 kwam ik Gevlekte scheerling weer in Rotterdam tegen, nu op een grote groeiplek onder de Van Brienenoordbrug. Mijn beide vindplaatsen pasten in het snelwegpatroon, het zaad was alleen niet in de middenberm gekiemd maar had een verdieping lager een geschikte groeiplek gevonden. Beide groeiplekken waren al lang bekend toen ik ze tegenkwam: de eerste vondst van Gevlekte scheerling in Rotterdam was in 1995 onder de A20 door stadsecoloog Remko Andeweg, op de plek waar ik hem 25 jaar later ook vond. De locatie bij de Van Brienenoordbrug werd voor het eerst in 2001 gemeld.

Gevlekte scheerling dankt zijn naam aan de paars gevlekte stengel en bladsteel. Rechts de Gevlekte scheerling aan de oever van de Rotte op 18 mei.

Wordt Gevlekte scheerling een stadsplant?

Ik zag Gevlekte scheerling eigenlijk niet als stadsplant, zo sterk waren mijn vindplaatsen gebonden aan de snelweg. Maar, begin april van dit jaar vond ik langs de Rotte een paar planten met schermbloemblad waarvan ik dacht “Dat is geen Fluitenkruid”. Het is wat donkerder en glanzender en iets meer geplooid; ik vermoedde gevlekte scheerling en werd daarin bevestigd door de vlekken op de bladsteel. Deze groeiplek is 100 meter van de snelweg, waardoor ik verwacht dat deze soort zich nog wel eens veel verder kan gaan verspreiden. Ik denk wel dat hij sterk beperkt zal worden doordat op veel plekken gemaaid wordt voordat hij zaad kan zetten en hij afhankelijk blijft van de aanvoer van de zaden vanaf plekken waar hij ongestoord rijpe zaden kan produceren zoals in de snelwegmiddenberm. We zullen het zien.

Toen ik op 13 april voor de tweede keer langs de Gevlekte scheerling in de berm van de Rotte liep zag ik tot mijn grote verbazing al een bloeiwijze in de scheerling zitten. Dat hoort helemaal niet, want Gevlekte scheerling bloeit veel later. Even beter kijken verklaarde de verwarring: er groeide Fluitenkruid dwars door de Gevlekte scheerling heen :-).

Olympisch hertshooi

Het geslacht Hypericum (Hertshooi) kent in Nederland maar liefst 10 wilde soorten. Sint-Janskruid (Hypericum perforatum) is hiervan de meest bekende en meest algemene soort, zeker wanneer je over stadsflora praat. Er zijn echter diverse uitheemse soorten die als tuinplant toegepast worden en sporadisch tot frequent weten te verwilderen. Van de uitheemse soorten is Mansbloed (Hypericum androsaemum) de meest bekende soort, al betreffen de meeste waarnemingen kruising Hypericum x inodorum. Al met al zijn er zo’n 18 soorten uit het geslacht te ontdekken in Nederland. Een van deze nieuwkomers zou zich zomaar kunnen gaan ontwikkelen tot typische stadsplant.

De bloemen van Hypericum olympicum hebben een diameter van 5-6 cm.

Gisterochtend moest ik naar de kaakchirurg om twee verstandskiezen te laten verwijderen. Gelukkig viel het verwijderen erg mee, maar het was nog steeds bepaald geen pretje. Als beloning voor mijn dapperheid werd ik op de terugweg getrakteerd op een voor mij nieuwe stadsplant: Olympisch hertshooi (Hypericum olympicum). Deze soort is ondanks haar geringe grootte erg opvallend vanwege de gigantische bloemen (5-6 cm in diameter) en de blauwgroene stengelbladen. De soort lijkt sterk op Hypericum polyphyllum, mogelijk betreft zelfs een deel van de vondsten zelfs deze soort. Maar dat is een klusje voor de winter, eerst maar weer lekker op pad gaan!

De stengelbladen van Hypericum olympicum zijn opvallend blauwgroen van kleur. De stengelbladen kunnen relatief smal zijn zoals hier, maar ook een stuk breder zijn. Net als bij Sint-Janskruid zit het blad vol met kleine gaatjes.

De soort is inheems in Zuid-Oost Europa, o.a. Servië, Griekenland, Bulgarije en Turkije, en staat hier op zandige tot stenige biotopen. De plant kan verder goed tegen droogte en groeit prima op voedselarme bodems. De soort is inmiddels 14 keer verwilderd aangetroffen, waarvan 13 vondsten in het stedelijk gebied. Met klimaatverandering verwacht ik dat de soort vaker gaat opduiken en mogelijk zelfs plaatselijk zal gaan inburgeren.

De kelkbladen van Hypericum olympicum zijn breed en spits.

Oosterse raket in drukwerk

Ik werd begin deze eeuw gebeld door een fervente vogelaar of ik met hem naar een rare plant wilde kijken. Dit was heel bijzonder want planten vond hij tot dan toe alleen interessant indien eetbare het groente betrof.

Hij woonde bij de verbindingsdam naar het KNSM-eiland in de Oostelijke Eilanden in Amsterdam waar de plant in de flink vergraven berm stond. Het was een koolzaadachtige en met de Heukels was ik er vlot uit: oosterse raket. De plant heeft een habitus als gewone raket en lange hauwen als Hongaarse raket. De hauwsteel is net zo dik als de vrucht en de fijnbehaarde kelkbladen en hauw maken deze plant makkelijk herkenbaar.

De hauwsteel is net zo dik als de vrucht

Deze soort was voor mij nieuw. Hij blij, ik blij. De volgende kennismaking met deze soort was met het project DNA-BARcoding van FlORON in 2011. Van alle vaatplanten in Nederland werden exemplaren verzameld om een DNA- profiel te maken. Ik koos onder meer de oosterse raket uit. Via waarneming.nl wist ik dat er een waarneming was bij de nieuwe hoofdvestiging van de bibliotheek in Amsterdam. Het was nog flink zoeken want de planten groeiden op de rand van de kade, goed verstopt achter een schakelkast. Ik tevreden naar huis fietsen en halverwege op het Zeeburgerpad zag ik opeens langs de gevel van de bedrijfsgebouwen tientallen oosterse raketten staan. Nu ik het zoekbeeld had vielen ze me opeens op. De oosterse raket groeide er pluksgewijs over een lengte van een kilometer en dat doet het er nog steeds.

De kelkbladen en hauw zijn fijnbehaard

In Amsterdam, Den Haag en Rotterdam heeft de soort sinds 1990 stevige bolwerken gevormd. Het oorspronkelijke areaal is het Middellandse Zeegebied en werd in Nederland voor het eerst gevonden in 1877; in Vlaanderen pas in 1973.

oosterse raket in voeg tussen muur en plaveisel

Ik documenteer me voor mijn blogjes met verschillende bronnen waaronder de Stadsplanten van Ton Denters.Voor de Covid-19 uitbraak had ik het idee om deze aflevering van stadsplanten te wijden aan de nieuwe Stadsflora van Ton Denters. Deze week zou dit boek, ‘Stadsflora van de lage landen’ verschijnen en het leek me leuk om over mijn eerste indrukken te verhalen aan de hand van een soort zoals de oosterse raket. Nu is alles anders. Bijna. Ik heb een aantal hoofdstukken digitaal mogen inzien en ik kreeg een goede indruk. Dit boek is meer dan een opvolger van de gids ‘Stadsplanten’ uit 2011. Het behandelde gebied is vergroot: Vlaanderen is nu meegenomen en dat levert steden op met een rijke flora zoals Gent en Antwerpen. Het betekent dat wel dat de steden in Noord- en Oost-Nederland ontbreken. Met Vlaanderen er bij is er natuurlijk ook meer te kiezen en in het Zuidwesten zijn de steden rijker aan bijzondere soorten. Het aantal behandelde soorten is gestegen van 700 naar 800, waarvan 80 nieuwkomers. Een aantal algemeen voorkomende soorten, die niet zo specifiek aan de stad zijn gebonden zoals blaartrekkende boterbloem, die in Stadsplanten stonden zijn afwezig in de Stadsflora. De opmaak is anders. De tekst is tweekoloms en dat leest prettiger. Hoewel digitaal lezen en een echt boek vasthouden niet helemaal te vergelijken zijn. De soortteksten zijn herschreven, soms is het alleen anders geformuleerd, maar vaker met een andere invalshoek.

Vanzelfsprekend zijn de beschrijvingen geactualiseerd.  Dit wordt mooi geïllustreerd door de oosterse raket. De soort heeft sinds het verschijnen van de Stadsplanten 14 jaar geleden de straat veroverd: eerst vooral ruderale terreinen als vestigingsplaats en nu ook gevelvoeten volgens de Stadsflora. Exact wat mijn ervaring is. De beschrijvingen van de flora in de steden van onze zuiderburen in de Stadsflora doen mij zeer verlangen naar stedentripjes in het Vlaamse land. Struinen in een minder bekende omgeving, met een andersoortige ruimtelijke ordening met een andere sfeer en taal en dan af te sluiten met een lokaal biertje… Als de Corona voorbij is, als…

te vinden in rommelhoekjes