Home » Archieven voor Erik van der Hoeven » Pagina 2

Auteur: Erik van der Hoeven

Ergens in mijn jeugd is het begonnen: het plukken en drogen van 'leuke' plantjes. Het stelde allemaal niet zoveel voor totdat ik in de jaren'60 de colleges van prof. H.C.D. de Wit (hoogleraar algemene plantensystematiek en -geografie) in Wageningen ging volgen. Wat een fantastische wereld opende zich. Vooral tijdens vakanties in verre en minder verre landen genoot ik van de wondere wereld der planten.
Maar pas na het einde van mijn loopbaan als biologiedocent ben ik er wat serieuzer naar gaan kijken.
In mijn woonplaats Breda ben ik actief in de plantenwerkgroep van de KNNV en ik ben mede-auteur van 'Stadsplanten van Breda'.

Een fasci(n)erende Italiaan

De walstroleeuwenbek (Linaria purpurea) wordt met zekere regelmaat in de stad gevonden. Het is een overblijvende plant die tot de weegbreefamilie behoort. Dat laatste is nog steeds even wennen. Vroeger was het namelijk een helmkruidachtige. De soort komt oorspronkelijk uit Italië en is sinds 1990 vooral in de westelijke helft van ons land ingeburgerd. De plant wordt regelmatig aangeboden als tuinplant en omdat hij veel zaad produceert zal hij gemakkelijk ontsnappen. Vooral op matig voedselrijke, stenige en zandige plaatsen kan deze Italiaan uit de voeten. De plant wordt 30 tot 90 cm hoog en heeft blauw-paarse tot roze bloemen in een tros in de maanden juli en augustus.

De Nederlandse naam ‘walstroleeuwenbek’ is te danken aan de bladstand onder aan de stengel. Die groeien in een krans en dat is net als bij walstro (Galium). De wetenschappelijke naam ‘Linaria’ komt van het Latijnse woord ‘linum’ dat vlas betekent. De bladeren doen aan vlas denken.

Maar ook roze bloemen komen voor

De soortaanduiding ‘purpurea’ betekent purperkleurig, maar de bloemen zijn zoals vermeld ook wel eens roze.

In een westelijke wijk van Breda, Princenhage, vonden we een uitzonderlijk exemplaar in de berm: één met een zeer afwijkende dikke steel en bloeiwijze. Dat verschijnsel heet fasciatie of bandvorming. Het kan verschillende oorzaken hebben: een hormonale onbalans in het delende weefsel of genetische veranderingen (mutaties). Ook bacteriële of virale infecties vormen een mogelijke oorzaak.

fasciatie of bandvorming

 

Vioolkrullen op straat

Het jaar begon goed aan de Teteringsedijk in Breda. Een plaatselijke florist ontdekte kleine gele bloemetjes langs een gloednieuwe rotonde. Er zaden waarschijnlijk zaden van dit plantje in de opgebrachte grond. Als je heel goed kijkt naar de bovenstaande foto dan zie je ze. Het is Amsinckia micrantha. De Nederlandse naam is ‘kleinbloemige amsinckia’. De Engelstalige naam van het geslacht klinkt meer als muziek in de oren: ‘fiddleneck’. Deze naam is afgeleid van de bloeiwijze. De stengel draagt een groot aantal kleine bloempjes en buigt aan de bovenzijde iets om op een manier die doet denken aan de hals en krul van een viool. Zo’n bloeiwijze noemen we een schicht, net als die van de kromhals in een vorige bericht.

Duidelijk te zien: een ruwbladige

De kleinbloemige amsinckia behoort tot de familie van de ruwbladige. Van oorsprong komt de plant voor in het westen van Noord-Amerika. In het begin van de vorige eeuw is hij, waarschijnlijk met graantransporten, in ons land terecht gekomen. Je kunt hem vinden op akkers, in bermen, op opengewerkte grond en in de duinen.

De wetenschappelijke naam van het geslacht komt van Wilhelm Amsinck (1752-1831, burgemeester van Hamburg en beschermheer van de botanische tuin aldaar. ‘Micrantha’ betekent ‘kleinbloemig’.

Kleine gele bloemen

Normaal gesproken bloeit deze plant in mei, juni en juli. De exemplaren bij de rotonde waren een beetje dolgedraaid.

Krom in Breda

Kromhals (Anchusa arvensis) is nou niet meteen een typische stadsplant. Toch stond deze plant de afgelopen zomer, ondanks de lichte handicap, fier overeind op een historische plek in het centrum van Breda: bij het Spanjaardsgat. Dit ‘gat’, in feite een waterpoort, wordt vaak in verband gebracht met de list met het Turfschip van Breda in 1590. Door soldaten in het ruim van een turfschip te verstoppen kon Breda door prins Maurits worden heroverd op de Spanjaarden. De bewuste waterpoort is echter pas in 1610 gebouwd. Een voorbeeld van kromme praat dus.

Kromhals behoort tot de familie van de ruwbladigen. Bekende vertegenwoordigers van die familie zijn de gewone smeerwortel, alle soorten vergeet-mij-nietjes en overblijvende ossentong. De laatstgenoemde is een bekende stadsplant. Zoals een goede ruwbladige betaamt is de kromhals stijf behaard (zie foto hieronder). De bloeiwijze is een schicht: de zijassen ontspringen beurtelings links en rechts van de vorige as. De bloemen blijven in dezelfde verticale as en zijn gewoonlijk naar één zijde gebogen. Dat klinkt ingewikkeld en dat is ook zo.

De kromhals is een éénjarige plant die vooral op zonnige plaatsen op omgewerkte, bemeste grond kan worden aangetroffen. Vroeger was het vooral een akkerplant. Vandaar de soortaanduiding ‘arvensis’ in de wetenschappelijke naam Anchusa arvensis. De Nederlandse naam dankt de kromhals aan de kromme kroonbuis. je kunt dit eenvoudig vaststellen als je de kroon voorzichtig van de plant trekt. Vanwege deze kromme buis hebben insecten met een lange tong een voordeel bij het zoeken naar voedsel. Ze worden dan ook vooral door hommels bezocht.

Langparkeerflora

Je vraagt je soms af wat er zal gebeuren wanneer een straat niet meer bereden wordt en ook niet meer geborsteld wordt. Dat kun je mooi zien wanneer een voertuig heel lang op dezelfde plaats blijft staan. Op de foto zie je een prachtige ontwikkeling van straatflora. Er zijn zachte berken te zien, canadese fijnstraal, bleekgele droogbloem, smalle weegbree, grote weegbree, klein streepzaad en kropaar.

Enkele dagen later was alles weg en de auto stond gewoon aan de overkant.

Sieraad van stoep en straat

 

Vooral tussen donkere bestrating zijn de zich voorzichtig uitbreidende geelgroene matjes van kaal breukkruid ( Herniaria glabra) prachtig om te zien. Het is een echte tredplant. Toen we in Breda in 2011 begonnen met stadsplanten was het waarnemen van kaal breukkruid nog iets bijzonders. Door de jaren heen is het steeds gewoner geworden. Gezien de gegevens op de verspreidingsatlas van Floron breidt het plantje zich in het gehele land nogal uit. De toename is dus niet alleen te wijten aan het beter gaan kijken. Aanvankelijk was kaal breukkruid een begeleider van grote en kleine rivieren. Het plantje groeide op  zandige oevers. De omstandigheden langs de rivieren veranderde, o.a. door kanalisatie, waardoor de vindplaatsen daar afnamen. De waarnemingen  verplaatsten  zich naar spoorwegterreinen en later naar het stedelijk gebied.

Kaal breukkruid groeit stervormig

Het natuurlijk verspreidingsgebied van kaal breukkruid omvat een groot deel van Europa met West-Azië en het Atlasgebied, maar ontbreekt grotendeels in Noordwest-Europa.

Kaal breukkruid behoort tot de Anjerfamilie. Daarbinnen is dit plantje nauw verwant aan andere zich over het oppervlak uitbreidende pareltjes als grondster (Illecebrum verticillatum) en riempjes (Corrigiola litoralis). Kaal breukkruid kan 5 tot 15 cm hoog worden en bloeit van juni tot oktober. De erg kleine bloemen groeien in een dichte tros in de oksels van de bladeren. De bloemen hebben witte kroonbladen, maar de groengele kelkbladen domineren, wat het effect van de opvallend gelige kleur van de hele plant versterkt.

de bloemen zijn geelgroen

Tot voor kort, zeg tot in de jaren 80 van de vorige eeuw, werd kaal breukkruid eenvoudigweg ‘breukkruid’ genoemd omdat er eigenlijk maar één soort van dit geslacht in Nederland werd gevonden. Tegenwoordig wordt zijn ‘broertje’, behaard breukkruid (Herniaria hirsuta), ook in ons land aangetroffen. Als zeldzaamheid. Een vondst ervan in Oosterhout in september jl. door de Plantenwerkgroep van de KNNV-afdeling Breda leidde tot een uitbarsting van vreugde onder de deelnemers. Het verschil tussen de twee soorten is niet erg moeilijk te zien. Bij kaal breukkruid moet je heel goed zoeken om haren te vinden en bij die andere zie je het met je blote oog.

Behaard breukkruid is behaard

Blauw op straat

 

Salvia nemorosa (Bossalie) is een populaire tuinplant die zo af en toe genoeg heeft van de border en dan kom je hem op straat tegen.

‘Salvia’ komt van salvus , behouden, ongedeerd, nog in leven, en is dus verwijzing naar de helende werking van de plant, al gaat het in dat geval om een ander lid van het geslacht. ‘Nemus’ is bos en ‘amorosa’ is minnend, dus ‘nemorosa’ wil zeggen dat deze plant zich thuis voelt in het bos.

Bloeiwijze Bossalie

Het natuurlijk verspreidingsgebied is Zuidwest-Azië en Zuidoost-Europa en hier en daar nog verspreid in de zuidelijke Alpen. De plant is ingeburgerd in o.a. Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Noorwegen en Zweden. In Nederland is het een verwilderende plant. De naam ‘Bossalie’ is een beetje misleidend omdat de plant zich voornamelijk op zonnige plaatsen op droge, voedselrijke en kalkrijke grond thuis voelt. De Duitse naam is dan ook ‘Steppen-Salbei’, maar in Frankrijk is het dan toch ‘Sauge des Forêts’.

Bloeiende Veldsalie op straat in Antwerpen

Salie behoort tot de familie van de Lipbloemen. De familie dankt haar naam aan de typische vorm van de kroonbladeren, die samengegroeid zijn tot een boven- en onderlip. Vaak zijn de stengels vierkant, zo ook bij het geslacht Salie.

Een andere soort Salie die je in de stad tegen kunt komen is de Veldsalie (Salvia pratensis), een soort die tot onze wilde flora behoort. Je kunt hem aantreffen in de bermen van dijken en wegen, vooral langs de rivieren. Soms wordt Veldsalie in zaadmengsels gebruikt die in bermen in de bebouwde kom worden uitgestrooid.

De naam ‘salie’ is vooral bekend door Salvia officinalis, de echte salie. Die komt af en toe ook verwilderd voor. Deze plant wordt vooral gebruikt als kruid en is met name bekend uit de mediterrane keuken.

Aan de schrijver Potgieter hebben we het personage ‘Jan Salie’ te danken, een personificatie van de 19de-eeuwse lamlendigheid. Het verband tussen salie en lamlendigheid schijnt te maken te hebben met de rustgevende werking van melk waarin salie is meegekookt.

 

Een ongewenste vreemdeling

 

De naam ‘Alsemambrosia’ klinkt mij sprookjesachtig in de oren. En ook wel lieflijk. ‘Ambrosia’ is het Griekse woord voor voedsel voor de goden, waardoor ze eeuwig leven. In werkelijkheid blijkt het echter een gemene heks te zijn die met het verstrooien van een onschuldig uitziend poeder een deel van de mensheid in het ongeluk stort. Het stuifmeel geeft heftige hooikoortsreacties. De plant produceert ook niet zo’n beetje stuifmeel: tot 1 miljard korrels per plant! De plant scheidt coronopiline uit. Deze stof is de oorzaak van de allergie, maar heeft voor de producent het nuttig effect dat het de groei van andere soorten planten belemmert. Een manier van chemische oorlogsvoering.

Ambrosia artemisiifolia is een eenjarige plant uit de composietenfamilie die afkomstig is uit Noord-Amerika en wordt beschouwd als een invasieve exoot. De plant komt vooral voor op zonnige, open plekken op opengewerkte grond. Je vindt hem vooral op braakliggende grond, open plekken langs bermen, in akkers, op ruderale plaatsen en op industrie- en haventerreinen. Omdat de plant niet vorstbestendig is hij na een jaar meestal weer verdwenen. Voor kieming moet de bodem eerst losgemaakt worden. De zaden blijven  zeker 40 jaar kiemkrachtig.

De plant is in de meeste gevallen in Europa terecht gekomen door de aanvoer van kippen- en vogelvoer. Tuinen met veel vetbollen kunnen zomaar vol gaan staan met Alsemambrosia. Vanaf de eeuwwisseling is het aantal waarnemingen van Alsemambrosia enorm toegenomen. De verwachting is dat de plant zich verder in Nederland zal vestigen en verspreiden. Daarom startte de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, nu vooral bekend van de eierkwestie, in 2011 een campagne voor de bestrijding van Alsemambrosia. Zie www.ambrosiavrij.nu

De gemeente Breda weet ook van aanpakken

In een aantal Europese landen is het inmiddels bij wet verboden voer te importeren indien daaruit niet de zaden van de Alsemambrosia zijn verwijderd. Soms is het zelfs verboden de plant in de tuin te hebben en is het voorgeschreven om deze te verwijderen. Hierbij wordt aangeraden bij het verwijderen handschoenen aan te trekken en het loof niet te deponeren in de gft-container maar in de vuilcontainer, zodat het verbrand wordt.

Kosmopolitische kogels

Kosmopolitische kogels

Voor mensen die van verre reizen houden is het zoeken naar stadsplanten een welkome hobby. Vaak beland je, al of niet gepland, in een stedelijke omgeving. Op busstations, treinstations en vliegvelden is genoeg te vinden. Maar ook lopend op weg van je hotel naar een museum, naar een restaurant of naar een stadion gaat er een hele nieuwe plantenwereld voor je open. Een voordeel voor stadsplanten in de Derde Wereld is dat de steden vaak minder goed onderhouden worden. De planten op naam brengen is niet altijd mogelijk. Flora’s ontbreken vaak. Het is daarom wel fijn dat er kosmopolieten zijn. Die maken dat je je toch niet helemaal verloren voelt. Bekende voorbeelden zijn fijnstralen, amarant-soorten, knopkruid (kaal en behaard), straatgras, enz.

Een goed herkenbare is de kogelduizendknoop (Persicaria capitata). De elliptisch tot eironde bladeren hebben een opvallende donkere V-vormige vlek.  In Nederland is deze uit Centraal- en Zuidoost-Azië afkomstige plant vooral in de randstad aangetroffen. Drie jaar geleden ontdekten we in Breda de eerste kogelduizendknoop. Als de plant eenmaal op je netvlies zit dan begint hij op allerlei plaatsen op te vallen. In Antwerpen en in Lissabon kwam ik hem ook tegen. En toen ook verder van huis: Bogota (Colombia) en Fianarantsoa (Madagaskar).

kogelduizendknoop in Fianarantsoa

Kogelduizendknoop wordt veel verkocht als tuinplant en als bewoner van ‘hanging baskets’. Vanuit tuinen en plantenbakken gaat hij de straat op door zaden uit te strooien en door het maken van uitlopers. Tussen de stenen voelt hij zich prima thuis.

Intussen wordt dit mooie plantje op de meest uiteenlopende plekken op onze aardbol aangetroffen: België, Groot-Brittannië, Australië, Nieuw-Zeeland, La Réunion, Nieuw Caledonië, Zuid-Afrika, Zimbabwe, Verenigde Staten, El Salvador, Costa Rica, Argentina, Brazilië, Hawaï en Japan.

kogelduizendknoop in Antwerpen

‘Persicaria’ wil zeggen dat de bladeren de vorm hebben van het blad van een perzik en ‘capitata’ betekent ‘vorm van een hoofd’. Dat laatste slaat op de vorm van de bloeiwijze.

In China schijnt de plant gebruikt te worden om problemen met de urinewegen op te lossen.

Er is een verwante soort, Persicaria nepalensis, die hetzelfde gedrag begint te vertonen. Bij onze zuiderburen worden in het plaatsje Averbode pogingen gedaan om deze soort binnen de perken te houden. Zie: http://alienplantsbelgium.be/content/persicaria-nepalensis.

kogelduizendknoop in Lissabon
kogelduizendknoop in Bogota

Boekje open over boekweit

Bij boekweit (Fagopyrum esculentum) denk je niet meteen aan stadsplanten. Het lijkt meer iets voor heemkundekringen en voor bijenhouders. Toch trof ik in de zomer van 2016 een boekweitplant aan op een stoep in het centrum van Breda. Hoogstwaarschijnlijk daar terecht gekomen door een zaadje uit een pak vogelvoer.

Ooit was boekweit een belangrijk gewas op de arme zand- en veengronden, bijvoorbeeld in de Peel. In Deurne bereikte de teelt van boekweit qua omvang een hoogtepunt in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het gewas was, als alles meezat, makkelijk te verbouwen. Het leverde meel op, dat geschikt was om er pap en pannenkoeken van te maken.  Voor de teelt van boekweit op veengrond werd de bovenste laag van de grond, nadat deze in het voorjaar gedroogd was, verbrand waardoor voedingsstoffen vrijkwamen. Dit ‘boekweitbranden’ gaf een enorme rookontwikkeling. In de twintigste eeuw steeg de productie graangewassen als tarwe en rogge enorm door grondverbetering en bemesting. Het rendement van boekweit ging juist achteruit. Na de Tweede Wereldoorlog was het zo goed als afgelopen met de boekweitcultuur.

De in augustus bloeiende boekweit is een goede bijenplant. De voormalige boekweitvelden vormden voor de imkers een ideale plek om hun korven te plaatsen vóórdat de oogst van de heidehoning enkele weken later kon beginnen.  Boekweithoning heeft een specifieke intense smaak en is donker van kleur.

boekweit op de stoep

De laatste decennia wint boekweit weer enigszins aan populariteit. Boekweit wordt toegepast in het agrarisch natuurbeheer bij de aanleg van bloemrijke akkerranden en wildweides.

In de gezondheidsvoedingsbranche wordt boekweit aangeprezen vanwege de aanwezigheid van belangrijke mineralen en van zogeheten fytonutriënten. Daarnaast wordt een afvalproduct van de verwerking van boekweit, de ‘boekweitdoppen’, gebruikt voor de vulling van gezondheidskussens. Zo’n boekweitkussen schijnt therapeutisch te werken.

En dan is er natuurlijk de toepassing van boekweit in vogelvoer en in lokaas in de karpervisserij.

Boekweit (Fagopyrum esculentum) is een plant uit de duizendknoopfamilie. De plant is waarschijnlijk afkomstig uit Centraal- of Oost-Azië. Over de gevolgde route naar Europa bestaan uiteenlopende verklaringen. Uit pollenonderzoek is gebleken dat boekweit al voor het begin van onze jaartelling in ons land voorkwam.

De naam ‘boekweit’ betekent simpelweg ‘beuktarwe’. De vruchten hebben de vorm van beukennootjes. Ook de wetenschappelijk geslachtsnaam ‘Fagopyrum’ betekent ‘beuktarwe’. Fagus is beuk en ‘puros’ tarwe. De soortaanduiding ‘esculentum’ wil zeggen ‘eetbaar’.

 

Ontsnapte klokjes

In het stedelijk gebied zijn een aantal Campanula-soorten allang geen bezienswaardigheid meer. Het kruipklokje (C. poscharskyana) woekert langs gevels, op muren en in brandgangen en zowel het akkerklokje (C. rapunculoides) als het prachtklokje (C. persicifolia) kom je met grote regelmaat tegen in de stad.

Maar intussen beginnen ook enkele andere soorten klokjes te ontsnappen uit tuinen en uit plantenbakken. Een eerste voorbeeld is het breed klokje (C. latifolia). in Nederland wordt deze soort beschouwd als een stinsenplant. Het natuurlijk verspreidingsgebied bestaat uit West-Azië en grote delen van Noordwest-, Midden- en Oost-Europa. De meest noordwestelijke vindplaatsen zijn de Eifel en het Sauerland. Het is een populaire tuinplant die het goed doet in de halfschaduw op vochthoudende grond. In Breda was de plant er in geslaagd om vanuit een tuin onder de stoep door naar de straat te kruipen.

Campanula latifolia
breed klokje

Een tweede  voorbeeld is het karpatenklokje (C. carpatica). Dit prachtige plantje komt van oorsprong, de naam zegt het al, uit een berggebied en is dan ook geschikt voor de rotstuin als ‘voegenvuller’ in de stapelmuur of tussen de stenen. Een plant voor zonnige plekjes met een goed doorlatende bodem. Plaatsen waar een muur grenst aan de stoep voldoet aan deze voorwaarden. In Breda vond ik er ééntje tussen de stenen tegen een  garagemuur en in Antwerpen (Deurne) enkele exemplaren op de stoep langs gevels.

Campanula carpatica in Breda
Karpatenklokje in Breda

Het laatste voorbeeld is het kluwenklokje (C. glomerata). In een rustige villawijk van Breda stond een beetje zielig ogend exemplaar midden op de stoep. Het is niet duidelijk hoe hij daar terecht is gekomen. Van de als tuinplant verkochte cultivar ‘Superba’, en daar leek deze op, is bekend dat hij door zijn worteluitlopers enorm kan gaan woekeren. Een klein stukje verderop in dezelfde straat stond nog een forse pol in de spiegel van een laanboom. Die pol zou daar weleens door een liefhebber geplant kunnen zijn.

 

Campanula glomerata in boomspiegel
kluwenklokje in boomspiegel