Op wandelingen met de hond door de duinen heb ik de veldhondstong, Cynoglossum officinale, in alle stadia goed leren kennen. De plant behoort tot de familie van de Ruwbladigen (boraginaceae). De duinstreek en Zuid-Limburg vormen het belangrijkste verspreidingsgebied. De plant is hier algemeen. Elders komt hij sporadisch voor.
Bloei en blad
De veldhondstong is twee- tot meerjarig. In het eerste jaar vormt hij alleen bladrozetten, die aan het einde van dat jaar afsterven. In het tweede jaar komt hij tot bloei. De plant bloeit in mei-juli met roodpaarse tot bruinrode bloemen, met vijf kroonbladeren, die met elkaar zijn vergroeid en een trechter vormen. De bloemen bloeien in een schicht. De plant is vrij hoog: 0,25-0,75 meter en de bloemen vallen dus goed op. Bestuiving vindt plaats via bijen en hommels, maar zelfbestuiving is ook mogelijk.

De bladeren staan verspreid langs de stengel en zijn lancetvormig en langwerpig, met zachte beharing. Het blad is lang en de breedte neemt naar de top iets toe, wat enigszins vergeleken kan worden met de vorm van een hondentong. Dit verklaart de naam van de plant.
Geur van de plant
Het viel mij op dat mijn hond naar de plant toetrekt om eraan te ruiken.Weeda en Westra noemen in Nederlandse Oecologische Flora de onaangename geur van de plant; maar een hond kan die uiteraard anders ervaren. Waarneming.nl specificeert de geur als onaangenaam en muisachtig. Elders kwam ik de kwalificatie ruikend als hondenurine tegen (specerijen.blogspot.com van Fred de Vries), wat de aantrekkingskracht op de hond helemaal zou verklaren.
Giftigheid en gebruik van de plant
De veldhondstong bevat giftige alkaloïden en werd vroeger gebruikt als geneesmiddel tegen ontstekingen. Planten en hun naam, botanisch lexicon voor de Lage Landen van H. Kleijn, vermeldt dat de plant gebruikt werd om ratten en muizen te verdrijven. Wanneer zij in aanraking zouden komen met deze plant, zouden zij sterven aan verlammingen. Kleijn meldt dat de plant in Duitsland ook wel Raddekraut (rattenkruid) en Raddefluch (rattenvlucht) wordt genoemd.

De plant wordt aangevreten door de snuitkever Ceutorhynchus cruciger en ook wel door het motvlindertje Ethmia bipunctella en de mineervlieg Agromyza albiens. Het motvlindertje eet een beperkt stukje van een blad en gaat daarna verder naar een ander blad, mogelijk afgestoten door gifitge stoffen die de plant produceert.
Na de bloei
In de late zomer vormt de plant vruchtjes, die nootjes worden en voorzien zijn van weerhaakjes waardoor ze gemakkelijk in de vacht van dieren kunnen worden meegenomen. Met name konijnen zijn voor de verspreiding van belang, maar in Zuid-Limburg hebben ook schapen een rol gespeeld.

In de nazomer kan ik na een wandeling met de hond wel 10 tot 20 vruchtjes uit de vacht verwijderen. Merkbaar is dat deze klitten. De nootjes blijven het hele jaar aan de dode plant en kunnen een volgend jaar ontkiemen.
Bronnen:
Nederlandse Oecologische Flora, wilde planten en hun relaties, drs, e.j. weeda, r. westra, ch. westra en t. westra, 1999 (herdruk)
Planten en hun naam. Botanisch lexicon van de Lage Landen, H.Kleijn, Meulenhoff 1970
Floravannederland.nl
Waarneming.nl
Specerijen.blogspot.com


