Home » Archieven voor Gerrit Hendriksen » Pagina 2

Auteur: Gerrit Hendriksen

Vanaf de jaren 90 ben ik wisselend fanatiek bezig met floristisch onderzoek. De laatste jaren houd ik mij o.a. in en rond Deventer bezig met flora in zowel stad als landelijk gebied. Vooral de herinrichtingen van de diverse beken rondom de stad en het dynamische van zowel stad als de uiterwaarden van de rivier de IJssel leveren altijd leuke vondsten op. Verder houd ik me bezig met natuurfotografie, wat goed te verenigen is met deze hobby.

Hard gras

Jarenlang ben ik langs de plek gelopen zonder dat het me direct was opgevallen. Het was de route die ik wel eens liep als ik de kinderen naar de basisschool bracht en haalde. Een keer was ik wat te vroeg bij het ophalen en keek ik eens goed in de hoeken en gaten van wat straten. Wat ik zag was rood aangelopen gras zo in de nazomer. Raar zag dat eruit zeg. Stukje gepakt, voelde stug aan. In mijn zak gedaan om thuis te determineren. Niet een heel lastig gras om te determineren, bleek al snel. Het bleek om Stijf hardgras (Catapodium rigidum) te gaan. Achteraf, verschrikkelijk veel op geslapen, op de camping in Zuid-Frankrijk.

Best wel trots met deze melding van een gras dat vooral in de Zuid-Limburg van nature voorkomt en verder nogal eens wordt gemeld in het westen van het land, waar het zich, naar het schijnt uitbreidt. Het lijkt een echte urbane soort te gaan worden.

Stijf hardgras langs een muurtje

Het plekje heeft sindsdien mijn warme belangstelling en ook mijn waakzame blik. Op een zaterdag, onderweg naar de supermarkt, zag ik dat de bewoners van het huis waar het grootste deel van de populatie staat, ‘onkruid’ aan het weghalen waren. Alvast excuses voor de stereotypering. Een man met ontbloot bovenlijf en vol met tatoeages was daar naast de ‘wilde rozenstruik’ en de hogere kruiden ook de complete populatie Stijf hardgras aan het verwijderen. Gelukkig was ie net begonnen met de ‘makkelijk’ te verwijderen soorten: Canadese fijnstraal en de hogere grassen. Ik knoopte een praatje aan en wees hem op het gras. Tot mijn verbazing -nooit oordelen is het devies- was hij heel geïnteresseerd en vond het leuk dat er een bijzondere soort stond en zou het zeker laten staan. Eigenlijk was hij best wel trots en blij dat ik hem erop  had gewezen.

Daarmee was de bedreiging nog niet geweken, bleek even later. Ik werd namelijk via via benaderd door een ecoloog die een ‘quickscan’ in mijn wijk aan het uitvoeren was. Delen van de bestrating in de wijk zouden namelijk ‘gerenoveerd’ worden en hij vroeg mij of ik bijzondere elementen kon aanwijzen. Nou dat kon ik wel en dan met name deze populatie Stijf hardgras.

Een paar weken later kreeg ik van de stadsecoloog een schrijven met daarin het plan voor het gebied waar het hardgras staat. Het plan was de tegels te verwijderen, de toplaag en vooral het zand tussen de voegen apart te houden en er na bestrating weer overheen te strooien. Dit alles, ruim na de zaadzetting te realiseren.
Dit is inmiddels alweer ruim jaar een geleden, én het staat er weer, bijna net zoveel als voor de ingreep.
Tegenover deze bewuste plek bleek nog veel meer Stijf hardgras staan. Altijd stond daar namelijk een auto; althans als ik er langs kwam. Toen deze eens weg was zag ik nog eens honderden planten staan. En verderop in een onbeduidend gangetje nog meer, een voor mij nieuw onderdeel van de populatie.

Het mooie aan dit verhaal is dat ‘wetenschap van het volk’ , citizen science zoals dat zo mooi heet, ten goede en tevens zichtbaar gebruikt wordt voor het behoud van bijzondere elementen.

Met de mantel der …

Het spreekwoord kent u waarschijnlijk allemaal wel. Er is ook een groep planten met mantel in de naam, de mantelanjers. Niet dat er veel te bedekken valt door deze mantels: ze zijn nogal ijl.

Het muurtje, daar is ie weer, zoek maar op ‘muur’ op deze blog, waarop het onderwerp staat, bestaat uit basaltblokken.  Dat is ook te zien aan de korstmossen. Deze  blokken vormen een afscheiding tussen twee delen van een wijkje die op verschillende niveaus liggen. In eerste instantie herkende ik niet direct wat ik zag.  Ok, anjer, dat was vrij snel. En toen …. vaag kwam er wat boven van een van de bergwandelingen die ik had gedaan. Zwitserse flora erbij, en ja hebbes, Petrorhagia saxifraga (Steinbrech-Felsennelke) vertelde mij de flora. In het Nederlands de Kleine mantelanjer.

Kleine mantelanjer tussen basaltblokken

Ze zijn in Nederland niet algemeen, buiten de tuincentra om, schijnbaar.
Van een afstandje valt vooral de sprieterige habitus op. De lichtroze bloempjes zag ik eigenlijk pas toen ik wat dichterbij kwam.
In de directe nabijheid (< 5 meter) geen tuinen, wel twee straten die via een trottoir gescheiden zijn van het muurtje/taludje van basaltblokken. De begroeiing van het muurtje is nogal mager, naast wat Uitstaand vetmuur, Kruipertje vooral veel korstmossen en bladmossen.  Helaas de soorten zijn me onbekend, en dan deze mantelanjer. Een leuke aanwinst voor Deventer en wederom de bevestiging dat het loont om die muurtjes en taludjes toch vooral niet links te laten liggen.

Kleine mantelanjer met sprieterige habitus
Akkergeelster (Gagea vilosa)

Sterren zoeken

Deventer en geelsterren

Heerlijk om het floraseizoen te beginnen met een rondgang langs bekende groeiplaatsen van geelsterren en hopelijk nog onbekende groeiplaatsen te vinden. De Akkergeelster (Gagea vilosa) met zijn prozaïsche Engelse naam Field star-of-Bethlehem en de weidegeelster (Gagea pratensis) zijn beiden best nog veel te vinden in de IJsselstreek, als “je maar op de juiste plek zoekt” (Flora van Nederland, 4, blz. 277). Het geslacht is vernoemd naar de Engelse botanicus Thomas Gage (1781-1820).

Als je de verspreidingskaartjes van akkergeelster en weidegeelster bekijkt, dan ligt Deventer redelijk in het centrum van het zwaartepunt van de verspreiding. Voor de weidegeelster zijn ook nog de duinen van belang en voor de akkergeelster Limburg.
Bermen, grasland o.a. beschaduwde grasvelden, akkers , tuinen, begraafplaatsen, heggen, aan de voet van rivierdijken, op glooiingen van zandkoppen in uiterwaarden, rivierduinen met rivierduinbosjes en de binnenduinrand zijn volgens de ecologie van de weidegeelster de groeiplaatsen (Flora van Nederland). Gezien deze plaatsen is de weidegeelster in Deventer een zeldzaamheid. Deventer kent echter een aantal zeer oude parken waar de weidegeelster, nou ik kan rustig zeggen, welig tiert, met enige duizenden exemplaren. En veelal in de boomspiegel rondom tot 200 jaar oude Beuken, Eiken en Platanen in de parken. Zelfs vanuit de trein is een groengele boomvoet te zien, zoveel staan er soms.

Een van de Deventer Beuken (Foto G. Hendriksen)
Een van de Deventer Beuken (Foto G. Hendriksen)
Weidegeelster (Gagea pratensis) Foto. G. Hendriksen
Weidegeelster (Gagea pratensis) Foto. G. Hendriksen 2017

Op de rivierduinen zijn hier een daar wat populaties weidegeelsterren te vinden, echter het beheer (‘gedoseerde bodemverstoring’) is niet echt gericht op de instandhouding van die populaties. Wonen op een rivierduin is topprioriteit. Echter dat wat er is, laat in ieder geval zien dat de soort vitaal is, eigenlijk door heel Deventer heen. Naast de parken zijn vooral ook diverse wegbermen van de wat ‘oudere’ wegen van groot belang. Rondom boomvoeten van platanen en eiken staan op tientallen plaatsen groepen van 1 – 50 exemplaren weidegeelsterren.

 

Akkergeelsterren zijn er altijd veel minder gemeld. Tot 2017 maar van twee plekken bekend. Nader onderzoek en wel net na het hoogtepunt van de bloei van de weidegeelsterren laat zien dat er tientallen plaatsen zijn in plaats van enkele en op dezelfde standplaats als de weidegeelsterren. Inclusief een begraafplaats en een van de parken.
Weide- en akkelgeelster zijn uit elkaar houden gaat het meest gemakkelijk door te kijken naar de mate van beharing. Weidegeelsterren hebben alleen aan de bladvoet soms enkele ‘wimpers’, terwijl de akkergeelster ‘donzig’ behaard is. Bij Akkergeelsterren vormen tot 15 bloemstelen een scherm. Bij de weidegeelster is dat tot 4 bloemstelen.

Akkergeelster (Gagea vilosa) Foto. G. Hendriksen
Akkergeelster (Gagea vilosa) Foto. G. Hendriksen

 

Een nieuwe varen voor Deventer

Zo nu en dan gebeurd het dat ineens iets opvalt. Jarenlang ben ik er al langs gelopen en opeens een paar glanzende donkergroene blaadjes op een tuinmuurtje op het noorden begroeid met mos. Het blijkt een varentje te zijn, niet heel groot, maar anders dan de andere varens die ik ken. Een uitdaging, soorten in deze groep, moet ik zeggen. Deze kwam me zelfs niet bekend voor. Altijd is de camera beschikbaar, hetzij van de telefoon – want waarnemingen voor waarneming.nl moeten altijd gedaan kunnen worden, nietwaar?- hetzij mijn spiegelreflexcamera voor het betere werk. Foto gemaakt en op zoek naar de naam. Na vruchteloos zoeken op de vertrouwde bronnen (verspreidingsatlas.nl, wilde-planten en nederlandsesoorten) niet direct een hit. Of toch wel, het lijkt op een schildvaren van het geslacht Polystichum, maar eeeh, deze staat er niet bij.
Een post op het forum van waarneming.nl levert op dat dit een atypische , nogal kleine versie van een soort is die nog niet lang in Nederland voorkomt , te weten Polystichum polyblepharum, de soort heeft nog geen officiële Nederlandse naam, zie het voorkomen zoals verspreidingsatlas dat laat zien.

Bijgaande foto is de originele post op waarneming.nl. Het is een aanvulling van de lijst van soorten voor Deventer.