Home » Portulaca oleracea

Tag: Portulaca oleracea

Postelein - bloeiwijze

Postelein, eten van twee walletjes

Deze bijdrage over Postelein had zomaar als subtitel ‘eetbaar’ op straat kunnen hebben’. Immers de wetenschappelijke soortaanduiding voor Postelein (Portulaca oleracea), ‘oler acea’ betekent letterlijk ‘als groente te gebruiken’. Dat is ook wat er gebeurt, en dan met name in het Middellandse Zeegebied waar Postelein een zeer gewaardeerde groente is. Hij kan op diverse manieren gegeten worden. Als salade, bijvoorbeeld een Griekse versie waarbij postelein vergezeld gaat met tomaat, ui, oregano, knoflook, feta en olijfolie, of klaargemaakt als spinazie. De smaak is lichtzurig door oxaal- en malaatzuur, hierover later meer.

Postelein staat ondermeer beschreven in de Stadsflora van de Lage Landen, waar vermeld wordt dat warme zomers zorgen voor meer Postelein. Dan tiert de plant welig zoals in de Oecologische Flora 1:177 staat. Dat zou wel eens kunnen kloppen, hij was werkelijk overal te zien de afgelopen jaren. In Deventer heb ik Postelein vanaf de zomer van 2017 in diverse straten zien verschijnen.

De bloemen van Postelein zijn maar een deel van de dag te bewonderen en wel slechts een uur of vijf op zonnige voormiddagen.
Postelein is een plant met een gaffelvormig vertakte stengel die matten vormt op de grond, het ‘grondstermodel’. Afgebroken stengelstukken kunnen opnieuw wortelen. Standplaatsen zijn hakvruchtakkers, moestuinen, ruderale plaatsen, droogvallende rivieroevers, grindpaden en het stedelijk gebied. Voorwaarden zijn goed doorlatende, warme plaatsen.

Postelein - habitus
Postelein – habitus

Postelein is eigenlijk een heel bijzondere plant. Postelein beschikt namelijk over twee mechanismen om te ‘leven van de lucht’. Deze mechanismen komen veel voor bij soorten uit tropische en subtropische gebieden. Bekend is C4 als mechanisme bij veel grassen. CO2 wordt daarbij vastgelegd in een molecuul met vier koolstofatomen, dit in vergelijking met C3 waarbij, jawel CO2 in een 3-tallig koolstofatoom wordt vastgelegd.
C4 werkt alleen goed als er veel lichtenergie beschikbaar is, wat over het algemeen ook neerkomt op hogere temperaturen. Naast C3 en C4 hebben vooral de vetplanten nog een mechanisme, te weten CAM (Crassulacean Acid Metabolism). Dit werkt vooral ‘s nachts als vetplanten hun huidmondjes openen om CO2 op te nemen zodat vochtverlies overdag zo veel mogelijk wordt beperkt. CO2 wordt bij dit proces gebonden aan een appelzuur genaamd malaat. Dat verklaard ook de zurige smaak van Postelein.
Het bijzondere van Postelein is dat het van C4 naar CAM overgaat in tijden van droogte. Dit is duidelijk een mechanisme om extreme omstandigheden te overleven en geeft een groot voordeel ten opzichte van soorten die slechts C3 of C4 als mechanisme hebben. Er zijn weinig soorten die beide mechanismen gebruiken om suikers te maken. Meestal is het namelijk één van de mechanismen: vandaar eten van twee walletjes.

Postelein op warme plekken in een straat

De informatie over Postelein op waarneming.nl en op verspreidingsatlas vermeldt dat de soort ‘algemeen gekweekt wordt als groente en nu en dan, echter zeldzaam, verwilderd kan worden gevonden’. Twee tabbladen verder (de kaart) laat een ander beeld zien, niet zeldzaam zou ik zeggen en toch best duidelijk gebonden aan stedelijke gebieden. Je zou het onbestendig kunnen noemen vanwege het feit dat de soort het vooral goed doet in warme zomers. Zeker de laatste tien jaar is Postelein verre van zeldzaam, zo kan uit het kaartmateriaal worden opgemaakt. Alleen in het noordelijk zeekleigebied is Postelein een zeldzame verschijning en daar hoofdzakelijk gebonden aan het stedelijke gebied.

Het gaat overigens niet om een duidelijk afgebakende soort maar om een groep van microsoorten. Dumortiera 106 uit 2015 geeft een mooie overzicht en verder leesmateriaal voor de op dat moment bekende microsoorten van P. oleracea agg. in België. Als je hiervoor gaat, dan is het vooral zaak om de zaden goed te besturen.

Ter info, op de site ‘vakartikels‘ staat een lijst met de betekenis, verklaring en oorsprong van Latijnse/ wetenschappelijke plantennamen.

Bronnen: