Home » Archieven voor Rutger Barendse

Auteur: Rutger Barendse

Wat mij vooral bezighoudt is de flora in mijn directe woonomgeving. Een verhuizing af en toe is daarom ook geen enkel probleem. Sinds 2016 botaniseer ik in en rond Genk en probeer ik ook een Plantenwerkgroep leven in te blazen. We gaan sinds 2016 tweewekelijks op zondag op stap. Ik botaniseerde als vrijwilliger 15 jaar rond Balen en Mol (België, provincie Antwerpen en Limburg) en 10 jaar rond Nijmegen. Mijn jeugd bracht ik door in Noord-Holland en ook toen leerde ik via de Jeugdbond voor Natuurstudie al heel wat planten kennen. Ik werkte 10 jaar als veldmedewerker planten voor de Provincie Noord-Brabant en doe en deed als kleine zelfstandige vele opdrachten voor met name de Provincie Limburg (Nederland).

Ipomoea op transport

In Genk (B) vonden we op een met baggerspecie uit de Schelde opgehoogd terrein een hele lading bijzondere uitheemse planten.  Sommige planten duidden erop dat ze meegekomen zijn met sojatransport, andere leken te zijn verwilderd uit tuinen en nog weer anderen kwamen uit semitropische delen van de aarde en zelfs een, een kruidachtige Pelargonium, had een reis overleefd vanuit Zuid-Afrika.  Opvallend genoeg waren de meeste vreemdelingen beperkt tot enkele families. Dit duidt ook op onkruidvervuiling bij zaadtransporten.  Het meest in het oog springend bleken de Ipomoea’s.  Het zijn klimplanten met opvallende bloemen uit de windefamilie (Convolvulaceae)Ipomoea’s houden van een warm klimaat en komen dus alleen in bloei als ze langere tijd flink wat warmte hebben gehad. Dat kan dus duren tot de late zomer.  De vijf gevonden Ipomoea’s te Genk kwamen allen in bloei in september en oktober. Geen van hen zal de winter overleven.

 

De Dagbloem (Ipomoea purpurea)

De Dagbloem (Ipomoea purpurea) werd buiten het genoemde terrein in Genk in verwilderde toestand gevonden. Het is een populaire tuinplant met grote bloemen die soms verwildert na te zijn weggegooid.

 

Scharlakenwinde (Ipomoea coccinea)

De mooiste Ipomoea op de baggerspecie bleek toch wel Ipomoea coccinea. Ze heeft voorlopig de Nederlandse naam Scharlakenwinde. Het blad heeft opvallende extra punten op de bladrand en is dan dus zonder bloei ook te herkennen. De bloemen zijn prachtig mooi rood en door hun langere kelkbuis extra delicaat.

 

Klimopwinde (Ipomoea hederacea)

We vonden er ook redelijk wat Ipomoea hederacea. Heel belangrijk is te kijken naar de kelkbladen bij de als Klimopwinde bekend staande plant. Als deze flink behaard zijn én omgekruld dan heb je waarschijnlijk steeds met deze soort te maken. Er zijn twee variaties van Ipomoea hederacea. De een heeft een klimopachtig ingesneden behaard blad, de ander een meer driehoekig gelobd en behaard blad.

 

‘Wit ochtendgloren’ (Ipomoea lacunosa)

Een wat minder opvallende was Ipomoea lacunosa. Deze heeft kleinere witte bloemen. Het blad is veel kaler en de bladrand is mooi donkerrood gelijnd.  De kelktanden zijn meer aanliggend. Als we de Engelse naam vertalen zou de plant Wit ochtendgloren gaan heten.

 

‘Roze ochtendgloren’ (Ipomoea x leucantha)

Voor de echte kenners bleek er ook een kruising te vinden zijn die we voorlopig als Ipomoea x leucantha determineerden. Dat is een kruising tussen I. lacunosa en I. trichocarpa. Ook hier zijn de kelktanden aanliggend, de bloemkleur is roze/lichtpaars en de bladeren kunnen aan een plant zowel klimopachtig als bijna rond zijn.  Mocht men een naam mogen verzinnen: Roze ochtendgloren.

 

Zure klavertjes

Klaverzuring is er in het wit en komt wild in vochtige bossen voor. Je hebt er ook geelbloeiende van en die groeien inmiddels zo’n beetje overal. De kleine kruipende geelbloeiende klaverzuring is Gehoornde klaverzuring en zelfs daarvan zijn er twee types. De meest bekende is het type met donker, roodachtig blad. De wetenschappelijke naam daarvan luidt Oxalis corniculata var. atropurpurea.

Veel tuinliefhebbers zullen Gehoornde klaverzuring kennen en allicht ook verfoeien. Het is praktisch onuitroeibaar. Je krijgt het kleine plantje nauwelijks uitgetrokken en als je even niet oplet springen de zaadjes van het plantje in het rond. Klaverzuring heeft een zelfde mechanisme in de vruchten als springzaad. Een lichte aanraking en de rijpe zaadjes worden weggeslingerd. In open grond en tussen de straattegels kunnen deze klaverzurinkjes vervolgens uitgebreide tapijten vormen. De kruipende plantjes lopen ook op elk knoopje uit, ook al ontdoe je het van alle blaadjes en bijna alle worteltjes. Je zou er verzuurd van kunnen worden!

Gehoornde klaverzuring ,hier de variatie corniculata, is een kruipend plantje met vaak geknikte vruchtstelen

Het tweede type van Gehoornde klaverzuring (Oxalis corniculata var. corniculata) heeft gewoon groen blad. Het is dan wat moeilijker te onderscheiden van de meestal rechtopstaand groeiende Stijve klaverzuring, maar je kun er wat zekerder van worden door te kijken naar de aanwezigheid van vliezige steunblaadjes. Bij Stijve klaverzuring ontbreken die. Ook zitten er bij Gehoornde klaverzuring vaak knikken in de vruchtstelen, bij Stijve staan de vruchtstelen rechtop.

Er is ook een ,behalve de kleur van het blad, ander opvallend en mooi onderscheid tussen de twee typen van Gehoornde klaverzuring. Het type met de donkere, roodachtige blaadjes heeft in de bloem een mooi oranje-rood bandje. Dat ontbreekt bij het groene type.

Bij de variatie atropurpurea zit er een oranje-rood bandje in de bloem

Geïntrigeerd door deze verschillen zijn beide typen genetisch onderzocht en is het goed mogelijk dat we binnenkort van twee aparte soorten kunnen spreken. Behalve de plant willen bestrijden is de inspanning die je kunt doen om te weten welk type er in je tuin, straat, dorp, stad staat ook een genoeglijke bezigheid. En vind je beide types ? Mogelijk wordt je waarneming van een daarvan later nog eens beloond met een gratis extra soort!

Rotsooievaarsbek; de tuinstortoverlever !

Rotsooievaarsbek is een plant uit montane gebieden, die het uitstekend blijkt te doen in tuinen. De plant bloeit overvloedig maar vooral; stoelt geweldig uit en kan ook tegen enige droogte. Schaduw is ook geen probleem en zo kan deze soort in een tuin al snel overheersend zijn. Wie weinig geweten heeft, graaft de overbodige planten uit en gooit ze weg in de ‘natuur’. De overkant van de straat is favoriet maar men maakt er ook speciaal een ommetje voor. Even weggooien ergens langs de weg waar het makkelijk met de auto stoppen is.

Rotsooievaarsbek kan eenmaal in de natuur gegooid snel grotere plaatsen innemen.

Zo zie je langs allerlei parkeerplaatsjes ook regelmatig Rotsooievaarsbek opduiken. Soms zit er nog een bolletje van een Gewoon sneeuwklokje of een Boshyacint tussen en vaak vindt je er ook andere overbodig geachte tuinplanten als Klimop, Kleine maagdenpalm en Bonte gele dovenetel. Het assortiment overlevers is opvallend vaak hetzelfde. Mocht men er een woord voor willen maken, noem het dan ‘tuinstortoverlevers’.

Rotsooievaarsbek is er in het wit, donkerpaars en roze. De bladeren zijn vrij groot , tot zo’n 10 centimeter in doorsnede, en redelijk behaard. Een gelijkende plant is de kruising van Rotsooievaarsbek met Geranium dalmaticum, genaamd Geranium x cantabrigiense. Ook deze wordt gekweekt en vervolgens in het bos gegooid, dus opgepast met al te snelle determinaties. Geranium x cantabrigiense heeft kleiner en meer afgerond blad in omtrek en de beharing op het blad is ook veel minder.

Ook in het wit en net zo makkelijk uit de tuin verwijderd en in de natuur terug te vinden

Eenmaal geïntroduceerd blijkt Rotsooievaarsbek ook op zijn nieuwe plek weinig last te hebben van aanpassingsproblemen. Moeiteloos palmt de plant al snel enkele vierkante meters in. Na enkele jaren kunnen het serieus grote plekken worden. Mocht je een kuur tegen brandnetels en bramen zoeken; Rotsooievaarsbek bedekt de grond de volle 100%!

Of we blij moeten zijn met dergelijke introducties is zeer de vraag en ook de manier waarop Rotsooievaarsbek steeds opnieuw en op nieuwe plekken weggegooid wordt is toch ook reden je af te vragen of de mentaliteit van veel van deze tuinierders wel in orde is. Een beetje gewetensvolle tuinier composteert zijn overbodige groen, brengt het naar de gemeentestort of schenkt het aan een geïnteresseerde. Rotsooievaarsbek blijft een mooie plant natuurlijk, maar liefst zie je deze in de bergen op de natuurlijke standplaats.

Rotsooievaarsbek in een montaan weitje in Italië, Monte Baldo bij Verona

Steenhoornbloem; voorjaar tussen de stenen

Steenhoornbloem te Geel (België) langs het spoor

Hoornbloemen hebben na de bloei een bruinvliezige ‘tuit’ uit de kelk steken. Het is de vrucht in de vorm van een hoorn. Dat is ook het geval bij één van de meer tot de verbeelding sprekende hoornbloemen; de Steenhoornbloem (Cerastium pumilum). In Nederland is dit een heel zeldzame plant en voornamelijk bekend uit Limburg, maar vermoedelijk wordt hij, door onbekendheid met de plant, ook over het hoofd gezien. Net over de grens in België, en dan over de gehele lengte van die grens, wordt de Steenhoornbloem al meer gezien en in sommige regio’s daar is ze zelfs niet echt zeldzaam. Op stenige plaatsen, zoals ballastbedden van sporen, maar ook langs kanalen, op terrils en op plekken waar puin is verwerkt, bijvoorbeeld bij opritten, is deze plant geregeld te vinden.

Steenhoornbloemen op stenig materiaal langs het Albertkanaal te Eindhout (België)

Om de plant goed te herkennen is bloei nodig en moet je ook redelijk vroeg in het seizoen op pad. Begin april komen de eerste planten al tot bloei. De bloei valt tegelijk met die van Zandhoornbloem en er is ook enige gelijkenis. Over het algemeen is de bloem van Steenhoornbloem veel regelmatiger ingesneden, zijn de bloemen groter, zijn er minder klieren aanwezig en maken de bloem- en vruchtstelen een boogje ten opzichte van de stengel. Ze zijn dus niet teruggeslagen zoals bij Zandhoornbloem. Steenhoornbloem is eenjarig. Dat is een belangrijk verschil met de wel wat gelijkende Gewone hoornbloem. Eenjarigheid is te controleren door de afwezigheid van nietbloeiende spruiten en de los- en rechtopstaande habitus en het vrij los in de grond zittende kleine wortelstelsel.

Steenhoornbloem aan de voet van de terril te Genk (België)

Steenhoornbloem is een heel mooie plant want de bloemen zijn, eenmaal open, relatief groot. Het is altijd weer een genoegen deze sterretjes waar te nemen. Natuurlijk moet de plant ook in dit opzicht niet verward worden met die andere sterretjes, als Sterrenmuur, te weten de volksnaam voor Gewone vogelmuur.

Net geen Zevenblad

Een bloeiend Zevenblad in oktober? Als je dat ziet een advies; toch even van naderbij bekijken. In Genk bleek het van afstand geschatte Zevenblad een rariteit: Chaerophyllum byzantinum. Eerder werd deze plant Chaerophyllum aromaticum genoemd, maar nadere beschouwing leverde op dat het toch de zeer gelijkende  Chaerophyllum byzantinum moest zijn. Het is moeilijk om het predicaat zeldzaam toe te passen op dergelijke vondsten. Chaerophyllum byzantinum was slechts eenmaal eerder gevonden in België; te Luik. In Nederland is er nog geen melding.  In Genk is de plant waarschijnlijk op een of andere manier geïntroduceerd. Een uitheemse soort dus. De plant groeide in overdaad aan de rand van een tuin, in de aanliggende wegranden en op een omgewoelde plaats van een gesloopt huis. Een echt stads plekje.

DSCN9572

Chaerophyllum byzantinum is een witte schermbloem waar er vele gelijkende van zijn. De plant heeft grotere deelblaadjes en dat is al een goed kenmerk om een groot deel van de schermbloemen uit te sluiten. Veel schermbloemen hebben namelijk fijnslippige bladeren. De vrucht van de gevonden planten bleken langwerpig en dat geeft Chaerophyllum al direct een goede kans. Van deze specifieke soort is verder de geur, iets tussen anijs en selderij in , de vele omwindselblaadjes en de roodachtige gevlekte stengel van belang. Het gelijkende Zevenblad is onbehaard, heeft ronde vruchten, een onbeduidende geur en alle stengels zijn groen.

DSCN9566

Chaerophyllum byzantinum is een soort uit Turkije met enkele voorposten in de Balkan. Ze onderscheid zich van de zeer gelijkende Chaerophyllum aromaticum door de vorm van de blaadjes. Bij Chaerophyllum aromaticum zijn deze lang gepunt en hebben een wigvormige bladvoet. Bij Chaerophyllum byzantinum is de bladvoet afgerond en de bladpunt stomper. Chaerophyllum byzantinum is mogelijk met opzet geïntroduceerd uit Turkije en heeft mogelijk ook een culinaire functie.  Ook in Duitsland (Dortmund) is de soort al vastgesteld en mogelijk betreft een vondst uit Parijs ook deze soort. Op internet staan foto’s van C. aromaticum die toch C. byzantinum lijken.  In de Flora van Turkije wordt vermeld dat beide soorten mogelijk eerder ondersoorten zijn van dezelfde soort, dus de verwarring tussen de soorten is begrijpelijk.

Binnen de familie schermbloemen duiken met regelmaat ook nog nieuwe inheems te noemen soorten op in Nederland en België. Dat heeft veel te maken met het feit dat ook botanisten er makkelijk overheen kunnen kijken. Stel je een berm voor vol met Fluitenkruid en je weet ook direct waarom.

Een Aziatisch kleinood

Sommige plantjes zijn zo klein, fragiel en mooi, dat je er geen kwaad woord over zou willen horen. Mazus pumilus, een uitheemse plant nog zonder Nederlandse naam, heeft leeuwenbekachtige, zachtpaarse bloemetjes met een gele tekening en wordt niet hoger dan 10 centimeter. Ze wordt niet gekweekt maar lijkt een verstekeling te zijn bij tuinplanten. De plant is oorspronkelijk inheems in Azië, onder andere in Japan en China. Sinds enige jaren groeit ze met tientallen, in 2016 met honderden, op een droogvallende oever van een grindplas langs de Grensmaas. Mogelijk is ze er ooit eens aangespoeld. In de Maas, die in een deel van haar stroomgebied een tamme stadsrivier genoemd kan worden, is nog steeds veel afval te vinden. Veel mensen vinden het bijvoorbeeld nog heel gewoon om hun tuinafval er in te storten. Op deze manier kunnen planten, ook uitheemse, zich makkelijk verspreiden.