Home » Archieven voor Rutger Barendse

Auteur: Rutger Barendse

Wat mij vooral bezighoudt is de flora in mijn directe woonomgeving. Een verhuizing af en toe is daarom ook geen enkel probleem. Sinds 2016 botaniseer ik in en rond Genk en probeer ik ook een Plantenwerkgroep leven in te blazen. We gaan sinds 2016 tweewekelijks op zondag op stap. Ik botaniseerde als vrijwilliger 15 jaar rond Balen en Mol (België, provincie Antwerpen en Limburg) en 10 jaar rond Nijmegen. Mijn jeugd bracht ik door in Noord-Holland en ook toen leerde ik via de Jeugdbond voor Natuurstudie al heel wat planten kennen. Ik werkte 10 jaar als veldmedewerker planten voor de Provincie Noord-Brabant en doe en deed als kleine zelfstandige vele opdrachten voor met name de Provincie Limburg (Nederland).

Zomaar ineens een nieuwe Flora

Wie op zoek is naar de naam van een plant gebruikte vroeger een Flora, een boek met sleutels naar planten, of ging op stap met een ‘wandelende Flora’; een persoon die dat boek van buiten kende en wist toe te passen.  Dat is zeker nog steeds een goed idee, maar na de opkomst van de e-mail en internet zijn er nu waarnemingen-sites, fora, herkennings-apps  die het van thuis uit een stuk gemakkelijker maken en boeken wat op de achtergrond drukken.  Omdat ik de Flora’s, wandelend of thuis op de plank, nog steeds harder aanbeveel wil ik graag de stadsplantenliefhebbers op de hoogte brengen van een bijzonder feit; in 2020 is er al een 3e , na de Heukels’ Flora en Stadsflora van de Lage Landen, Nederlandstalige serieuze Flora uitgekomen: Natuur.Flora.

De schrijver Hans Vermeulen kennen ingewijden als natuureducator in hart en nieren met een passie voor paddenstoelen en planten. In 1999 verscheen van zijn hand de dikke pil Paddenstoelen, Schimmels, Slijmzwammen van Vlaanderen.  650 pagina’s met sleutels van de grootste naar de onbeduidendste ooit aangetroffen zwammetjes. Het bleek geen succesverhaal – er kwam geen tweede editie- en kreeg kritiek van andere kenners. Toch is het een verdienstelijke poging geweest die zeer veel inzicht wierp op de toenmalige rijkdom en meestal toch juist beschreven verschillen.

Ook dit nieuwe boek Natuur.Flora (660 pagina’s) zullen vele kenners aanvankelijk met vreemde ogen bekijken. Hoe kan er opeens een complete Flora bijkomen?  Vermeulen heeft het schrijven van sleutels in ieder geval goed in de vingers en heeft ervoor gekozen vrijwel ALLE soorten na 1950, uit Nederland en België en omgeving, zoals in de Belgische Flora van Verloove en Lambinon, uit te sleutelen. Dus inclusief de verwilderde, adventieven en minimaal veel voorkomende, niet verwilderde, tuinplanten.  Verwacht geen plaatjes, verwacht ook niet al te veel uitleg bij het determineren;  het is een hardcore sleutelboek. Dat uitleg en plaatjes grotendeels ontbreken is wat vreemd omdat is geschreven met  een natuureducatiemissie. En in de natuureducatie worden uitleg en plaatjes juist uitermate veel gebruikt.  Aan de andere kant is er wel grote behoefte geuit door velen naar sleutels waar ‘alles’ in staat en de amateurbotanisten bij een mysteriesoort niet iedere keer 10 boeken op tafel moeten toveren. Sommigen denken vast met weemoed, tot 1983, aan een oudere Geïllustreerde Flora van Nederand door Heimans, Heinsius en Thijsse, waar ook veel tuinplanten in stonden en het leven nog simpel was. Qua sleutels is Natuur.Flora een boek dat daar bij in de buurt komt.

Aristolochia tomentosa , hier op Texel, is al een 5-tal jaar bekend in Nederland als verwilderde tuinplant, maar er zijn ook gelijkende soorten in cultuur; Bijv. A. moupinensis en A. manshuriensis. Ook Natuur.Flora biedt nog geen oplossing; ze houdt het bij 2 soorten.

Een boek waar ‘alles’ in staat is natuurlijk onmogelijk, maar toch zou het boek ook stadsfloristen kunnen bekoren.  Puur op het aantal uitgesleutelde taxa wint de flora het van de anderen: Geranium 24 , Hypericum 20,  Festuca 22 , Trifolium 37 taxa. In de Heukels’ Flora 2020 zijn dit er resp. 18, 15, 16 en 21 en in de Nouvelle Flore de Belgique 18, 12, 23, 26. Natuur.Flora beschrijft wel een veel groter gebied, maar doordat de andere flora’s de soorten soms wel vermelden, maar niet opnemen in de sleutels, zijn de aantallen al direct beduidend later. Links en rechts ontbreken er overigens ook wel wat verwilderde soorten in Natuur.Flora.  ‘Alles’ is kennelijk toch niet altijd geheel te bereiken. De ontwikkelingen gaan de laatste decennia ook wel heel erg snel.

Natuurlijk moet het ook over de kwaliteit gaan.  Over de inhoud van de sleutels  kan ik iedereen alvast gerust stellen; die is over het algemeen prima en volgt eigenlijk de vele klassiekere sleutels en de veel beproefde andere flora’s.  Soms is het wat kort door de bocht en er zijn wel voorbeelden te vinden die in eerste instantie wat vreemd voorkomen, maar het essentiële is vrijwel altijd vermeld. Meer dan de sleutels, waarin in code een beschrijving van de zeldzaamheid, is er niet, dus de overige kwaliteit: bredere uitleg, tekeningen, foto’s, is in de andere flora’s te zoeken. Natuur.Flora neemt ook een voorsprongetje op de pas uitgekomen lijst Nederlandse namen voor tuinplanten door NAK en vermeldt heel wat nog niet officiële Nederlandse namen. Ze worden voorafgegaan met een *. Het is een eigen verzameling namen, samengesteld uit diverse volgens mij valide bronnen en dat is ook al een reuzenwerk geweest!, die op heel wat punten afwijkt van de NAK-lijst.

Bamboe onbekend te Genk. De lijsten met bamboesoorten die gekweekt worden zijn nagenoeg eindeloos en vaak weet je niet waar je moet beginnen met determineren van dat ‘rare spul’ dat ook buiten tuinen steeds vaker opduikt. Natuur.Flora maakt een waardevol begin met een sleutel naar heel wat algemener voorkomende soorten in cultuur.

Als deze flora ook echt gaat aanslaan en ook critici feedback willen geven is er natuurlijk ook een tweede verbeterde editie mogelijk en zal het boek nog meer waarde krijgen. Dat communicatie over het boek en de inhoud zeer gewaardeerd wordt blijkt al uit het feit dat de sleutels ook online ter beschikking worden gesteld bij de soortinfo (genusnaam spec.) op Waarnemingen.be en Waarneming.nl.  Ik maakte in overleg met Hans Vermeulen reeds enkele voorbeelden. Zie Hypericum en Mazus .

Ik vermoed dat er relatief weinig wilde of verwilderde planten te vinden zullen zijn die niet in deze flora zijn uitgesleuteld en men zal zelfs ook nieuwe ontdekkingen, meestal ontsnapte tuinplanten, kunnen doen. Er staan heel wat algemeen gekweekte tuinplanten in: neem bijvoorbeeld een lange serie bamboesoorten die officieel nog niet verwilderd zijn vastgesteld en het is al interessant om te lezen dat ze veel worden gekweekt en interessanter; hoe ze dan verschillen van ons wel bekende. En al bij al zal de diversiteit in de Flora’s ook bijdragen aan de kennis over onze wilde en verwilderde planten.

Gestreepte winde zet niet door

Gestreepte winde (Convolvulus sylvaticus) op Sicilië in 2007

Hedendaagse floristen houden hun literatuur goed bij om de laatste noviteiten ook zelf te kunnen onderscheiden en ook zelf op nieuwe plaatsen te ontdekken. Als iemand een sterk gelijkende nieuwe soort vindt en erover schrijft, dan slurpen ze de kenmerken langzaam op in hun geheugen om bij een ontmoeting met de gelijkende plant het eens extra goed te bekijken.

Een nieuweling, al zeker 25 jaar geleden, die het waarschijnlijk heel goed ging doen, was de op Haagwinde gelijkende Gestreepte winde Convolvus silvaticus . Toen nog Calystegia sylvatica. Er werden enkele populaties aantroffen langs de grote rivieren in Nederland en waarschijnlijk hadden we er al heel wat over het hoofd gezien. Maar 25 jaar later ben ik nog altijd op zoek naar een eigen te ontdekken exemplaar in de Lage Landen.  Het verschil is niet in de grote witte bloemen te zien, bij Gestreepte winde zit er wel vaker wat roze in,  maar voornamelijk in de kort op de bloem staande grotere steelbladeren die eruitzien als een extra kelk . Het ene steelblad vouwt zich in een mooie bocht om het tegenoverstaande andere blad. Bij Haagwinde zijn het wat aarzelende klappende handjes; de steelbladen raken elkaar wel hier en daar, maar zijn vlak en hoekig.

Gestreepte winde werd/wordt waarschijnlijk in tuinen gezet door mensen die Haagwinde verder niet kennen. Als ze dat wel deden, zouden ze er niet aan denken. Er bestaat geen tegeltje van, maar het volgende zou wel een aardige zijn: wie Haagwinde wil trekken, is miserie aan het stekken. Je kunt allicht ook Haagwinde vervangen door soorten als Japanse duizendknoop en er mee op de markt gaan staan. Een geheel gratis idee!  Ik heb in ieder geval mensen eens de grond in hun hele voortuin zien zeven om Haagwinde kwijt te raken. Die wortels zijn dun en draadvormig gekromd en breken gemakkelijk, dus daar ben je wel een weekje mee bezig.

Niet alle roze winde is Gestreepte winde. Hier een roze Haagwinde (Convolvulus sepium) te Antwerpen in 2010

De eerste keer dat ik Gestreepte winde zelf ontdekte was na 12 jaar Haagwinde controleren in Nederland en België, in 2007 op Sicilië. Daar groeide het werkelijk op iedere straathoek, en was een heel vreemde gewaarwording ; Ik kon daar helemaal geen Haagwinde vinden. Nu ik goed wist hoe het er uit zag, moet het toch gaan lukken thuis, maar nu, weer 13 jaar later nog altijd geen succes. Natuurlijk keek ik ook mee met de meldingen van anderen en de 16 recentere hokjes in Nederland en 18 in voornamelijk westelijk België, laten ook duidelijk zien: dit is voorlopig nog geen doorzetter.

Nieuwe stadsplanten in de nieuwe Heukels’ Flora

 

Breed lampenpoetsergras (Cenchrus purpurascens) uit de tuinprairie ontsnapt. Hier tussen de stoeptegels te Antwerpen in 2011.

In februari ontvingen de botanici een cadeautje van Naturalis en Leni Duistermaat; een zelf aan te schaffen nieuwe Heukels’ Flora, 24ste druk. Er zat 15 jaar tussen deze en de vorige druk en er is heel veel toegevoegd. En dan voor een aanzienlijk deel natuurlijk de immer veranderende en qua diversiteit toenemende stadsflora.

In deze digitale tijden is het de vraag of een papieren versie nog wel nodig is, maar ik ga daar dan snel op antwoorden: ja! In de wereld van de floristen is een ‘standstill’, en dat is zo’n standaardwerk feitelijk, noodzakelijk om alles op orde te stellen. Voor vele databases, de streeplijsten, de rode lijsten en de wettelijke beschermde soorten is het handig dat niet alles in constante beweging is. Het is natuurlijk nuttig om te weten dat er iets gaat veranderen, maar een tussenstand, de standaardflora of een standaardlijst, is nodig om te weten dat het daadwerkelijk veranderd is. En dan kunnen we weer even wennen aan deze nieuwe situatie. Dat een boek ook fijn is om vast te houden, om in een stoel of onder een boom eens te hand te nemen en om er desgewenst een blaadje of bloemetje tussen te steken, dat spreekt voor zich.

Japanse hulst (Ilex crenata), een onderhoudsvriendelijk struik. Hier ontsnapt in een bosrand te Genk in 2020

Welke rol de stadsflora in het boek speelt is op zich een hele studie waard en niet direct te vatten in een bondig zondags bericht. Welke stadsflora er überhaupt is, is een extra boek en website waard, en niet toevallig zijn deze er, maar ik hoop een paar voorbeelden te noemen waardoor blijkt dat de nieuwe Heukels’ Flora voor een belangrijk deel ook verandert dankzij de stadsflora.

De nieuwe soorten in de nieuwste Heukels’ Flora, een 500-tal hetgeen maar liefst 20% toename betekent, zijn voor een aanzienlijk deel ingeburgerde of beter; inburgerende soorten. Dat inburgeren gebeurt in eerste instantie veelal in of nabij bebouwing. Natuurlijk zijn er ook een select aantal ingeburgerde soorten die ‘in de natuur’ hun best doen en eventueel ook voor schade en soms grote schade zorgen, maar de meeste daarvan kenden we al uit de vorige editie van de flora.  De meer tijdelijke soorten, ook wel bekend als adventieven,  zijn grotendeels niet opgenomen. Dan zou het aantal soorten in de Heukels’ Flora al snel verdubbelen van 2500 naar 5000!

Chia (Salvia hispanica) is een van de nieuwe ‘Toiletplanten’. Hier op rioolslib te Genk in 2019

Over welke extra inburgerende soorten hebben we het? Een overzicht van de nieuwe soorten staat op pag 825 van de Heukels’ Flora. Heel veel van die soorten kennen we uit de tuinen. Wat te denken van het fenomeen prairietuinen en hun impact op de omgeving? Er zijn nu zeker vier soorten lampenpoetsersgras (Cenchrus) die buiten hun perkjes teruggevonden worden. Onze drang naar onderhoudsvriendelijk tuinen met de nodige traaggroeidende, al dan niet groenblijvende struikjes vertaalt zich in een lange serie toegevoegde dwergmispels (Cotoneasters) en bijvoorbeeld de alternatieven voor buxus; Japanse hulst (IIex crenata) en buxuskamperfoelie (Lonicera nitida). Maar er zijn in de lijst van nieuwe soorten ook verbanden te leggen naar onze tuinvijvercultuur, vogelvoercultuur, begraafplaatsen(bloemen-op-het-graf-)cultuur, bloemenweide(berm-)cultuur, bloemenakker(braakliggende-grond-inzaai-)cultuur en zelfs onze afvalwatercultuur.

Bij die laatste cultuurvorm is de nieuwe cultuurvolger chia (Salvia hispanica) als voorbeeld te noemen. Dat is, zeker gedeeltelijk, een ‘toiletplant‘ , zoals een vriend van me die laatst noemde.  Planten volgen je dus echt tot in het kleinste kamertje.. De nieuwe Heukels’ met daarin dergelijke nieuwe cultuurvolgers zullen in ieder geval veel inspiratie geven op het Stadsplantenblog.

Kerstrozen en nieskruiden

Kerstroos op een begraafplaats te Aachen. Nog vroeger dan Krokus.

In de winter, en zeker zo’n zachte als deze van 2019-2020, komen de Kerstrozen al weer boven de grond met als eerste hun bloeistengel.  Maar zijn meer wintervroege Helleborussen, nieskruiden. Een beetje tuinliefhebber heeft ook een Nieskruid (Helleborus) in de tuin en sommigen zelfs meer soorten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er wel eens eentje verwildert en dan vooral in het mildere klimaat in en rond de steden. Botanisten staan dan al gauw met de mond vol tanden. Dat het een nieskruid is dat weten ze wel, maar welke?

Stinkend nieskruid. Verwilderd bij Borgloon. De plant heeft vele gewone bladeren langs de overblijvende bovengrondse stengels.

Het geluk bij deze kwestie is dat bijna alle échte soorten, we laten nu de vele gekweekte hybriden even buiten beschouwing, in Europa  voorkomen en dat daar ook een zeer degelijke flora voor bestaat: Flora Europaea. Bovendien is dat het recentste boek, 1993,  uit deze 5-delige serie en het enige gereviseerde deel. Dat lijkt oud, maar er zijn heel wat oudere delen ook.  Ik vertaalde de sleutel en voegde wat extra info toe om het iedereen wat gemakkelijker te maken: https://waarneming.nl/soort/info/196853 . Lees ook graag de eerdere Stadplantenpost De-a-van-aquilegia-akelei  als het gaat om het updaten van dergelijke soortbeschrijvingen.

Wrangwortel, hier in het wild bij Esneux, heeft ook alleen echt blad, hier nog samengevouwen, aangehecht op de ondergrondse delen. De rest van het bladeren die je ziet zijn schutbladeren.

Terug naar die onbekende Nieskruiden. De algemeenste in Nederland en België zijn Wrangwortel en Stinkend nieskruid. Deze worden nogal door elkaar gehaald, maar het onderscheid is vrij gemakkelijk. Wrangwortel heeft geen stengelbladeren en in de winter geen blijvende bovengrondse delen. Stinkend nieskruid wel. De bloemen van Wrangwortel zijn groot en eenkleurig groen en staan vrij wijd uiteen. Die van Stinkend nieskruid zijn geclusterd en meestal overhangend, klokvormig en vaak rood gerand. Overigens zijn beide soorten inheems in België ,vooral Wallonië, en uitheems in Nederland.   Beide soorten zijn in Nederland niet echt stadsplanten, maar eerder stinzenplanten.

Helleborus orientalis agg. , hier bij Landen (B.), is er in vele kleuren. Van wit, groen, tot rood, paars en donkerbruin.

In potten, maar ook recht in de grond in vele tuinen en bijvoorbeeld op begraafplaatsen, is in deze tijd van het jaar de bloeiende Kerstroos te vinden. Ze valt op door de grote witte bloemen, maar vooral door het enkelvoudige steunblad. Daarmee vallen vele andere soorten Helleborus af. Echt verwilderen doet Kerstroos niet, maar ze wil nog wel eens in een bosrandje staan waar iemand tuinafval kwijt moest. Daar kun je ook planten vinden die gerekend worden tot Helleborus orientalis agg.  Dit is een lastig complex omdat kwekers deze planten nogal onder handen namen. Er zijn er met dubbele bloemen en in vele kleurschakeringen en de overgangen tussen wat kruisingen Helleborus x hybridus en de echte Helleborus orientalis lijken te zijn, zijn vrij algemeen.

Helleborus lividus in Antwerpen tussen de tegels. Hier mogelijk de ondersoort lividus vanwege de minder getande bladeren.

Als je daadwerkelijk rond de stadstuinen en stadsparken gaat neuzen kun je nog vreemdere soorten vinden. Tussen de tegels in steegjes vind je dan nog wel eens Helleborus lividus. Het blad is overblijvend, dik, glimmend groen, staat langs bovengronds blijvende stengels. Er bestaan twee ondersoorten. De meeste in Nederland en België behoren  tot subsp. corsicus vanwege de steevast zeer sterk getande bladrand. Recent (in 2010) is ook een andere vreemde vogel opgedoken in Nederland:  Helleborus cyclophyllus . Dit vereist studie van de vruchten, geur van de bloemen en natuurlijk ook van de bloeiwijze en het blad en schutblad. Dat er in de toekomst nog een aantal soorten zouden kunnen verwilderen is niet ondenkbaar en hopelijk helpt de sleutel van nies!kruid (gezondheid!) daar een beetje mee.

 

De A van Aquilegia – Akelei

De titel zou het begin kunnen zijn van een mooie rijm, maar het is een opmaat naar een onbeschaamde oproep en de bespreking van de Wilde akelei, Aquilegia vulgaris.

We kennen allemaal hopelijk de wat obscene bloemen van de akelei wel. Het zijn violet-blauwe, opvallende geknikte bloemen met zijn gekromde sporen. De plant is op een paar plaatsen in Oost-Gelderland en Zuid-Limburg gewoon wild in Nederland, in België alleen in Wallonië, maar dankzij zijn sierwaarde en aanplant in tuinen komt ze in beide landen er meer als verwilderde plant voor. Ook in steden. Je vindt dan vaak planten met afwijkende kleuren zoals wit en roze maar zelfs ook met dubbele bloemen of exemplaren zonder sporen. Aangezien de plant van vochtige omstandigheden en enige schaduw houdt en ook nog eens goed tussen en op de rotsen, in haar natuurlijke omgeving, kan groeien zijn veel stadse plaatsen goede vestigingsplaatsen. Denk aan steegjes, tijdelijke bouwplaatsen tussen de huizen, bosrandjes die overgaan in de stoep etc. Eenmaal gevestigd tolereren we zo’n mooie plant ook. Zo lopen bedoelde en onbedoelde introducties door elkaar heen.

De blaadjes zijn mooi afgerond, soms rood gerand, donkergroen en in de winter blijven ze mooi zichtbaar. Als je in standaard florataal wilt schrijven moet je vermelden dat de bladeren dubbel drietallig opgedeeld zijn. Die term zocht ik even na in een monumentaal werk in de Nederlandse taal over planten: De Flora van Nederland door H. Heukels in drie delen (1909-1911). Die opzoeking en ook de bespreking van Wilde akelei is eigenlijk niet toevallig. Het is waar we zijn aangeland in het alfabet, aan het eind van de A (van Aquilegia), in het reviseren van deze teksten voor op de infopagina’s van Waarneming.nl.

Die teksten uit Flora van Nederland zijn een jaar of 10 geleden, ze waren inmiddels rechtenvrij en op het net beschikbaar, in de Biodiversity Heritage Library, op waarneming.nl bij de planteninfo geplaatst. Inclusief de oude spelling en inclusief de verwijzing naar het deel en bladzijdenummer. In het geval van Wilde akelei: blz. 216, deel 2. Recent pasten we de spelling aan, maar nu worden de teksten zelf ook aangevuld. De kern, de beschrijvingen van de plant, zijn nog perfect bruikbaar, maar we willen nu, indien van toepassing, wat aanwijzingen geven over gelijkende soorten, de eventuele veranderde taxonomische opvatting, het meestal veranderde voorkomen en we willen verwijzen naar enkele standaardsites voor meer info.

In het geval van Wilde akelei was rond 1909-1911 bekend dat de plant in Nederland ‘niet inheemsch’ was en dat ze toen de status als verwilderde plant had. Inmiddels weten we dat het natuurlijke areaal zich in met name Duitsland uitstrekt tot aan Oost-Gelderland en Zuid-Limburg, dus kunnen we veilig veronderstellen dat de plant er, op de natuurlijkere groeiplaatsen daar, inderdaad inheems is. Dat er vele siervormen van Wilde akelei bestaan, de meeste vallen op door de afwijkende kleur, gevulde bloemen of ontbrekende sporen, moet natuurlijk ook vermeld worden. Als je zo’n plant aantreft ‘in de natuur’ is het ook direct duidelijk dat het om een verwilderde plant gaat.

De gelijkende soorten, of beter gelijkende taxa, je kunt immers ook naar ondersoorten of genussen willlen verwijzen, zijn planten met een soortgelijk dubbel drietallig opgedeeld blad. Je kan dan niet om Akeleiruit (Thalictrum aquilegiifolium) heen. Die naam is dan ook niet willekeurig gekozen! Akeleiruit wil ook nog wel eens verwilderen en zeker in onze druk bebouwde landen, moet je met alles rekening houden. In Flora van Stace (New Flora of the British Isles 2019) leren we dan dat de bladsteel van Ruit Thalictrum steunblaadjes heeft en Aquilegia niet. Ook zijn de blaadjes van Wilde akelei groter en heeft Akeleiruit meestal nog verder opgedeeld blad. De vraag of het blad aan de onderzijde van Akeleiruit kaal is (bij Wilde akelei zacht behaard), is nog niet beantwoord. Zo blijft er ook wat te onderzoeken.

Akeleiruit heeft veel op Wilde akelei gelijkend blad. Als ze bloeit is het onderscheid gemakkelijk

Ook vermelden we websites die veel gebruikt worden bij de revisie en dus zeker een verwijzing verdienen. Zo is er Ecopedia.be. Sinds enige tijd staan daar de teksten uit de Atlas van de Flora van Vlaanderen op en extra aanwijzingen voor het beheer. Natuurlijk verwijzen we naar de soortpagina op Verspreidingsatlas.nl. Daar is de huidige en voormalige verspreiding op te zoeken, is er vaak een goede beschrijving en zijn er vaak literatuurverwijzingen. Maar ook Alienplants.be , de Belgische site met alle ‘aliens’ en Plantsoftheworldonline.org worden bijna standaard vermeld. Op de laatste kun je heel gemakkelijk synoniemen vinden én de wereldverspreiding bekijken. Daaruit blijkt vaak dat onze onschuldige inheemse soorten elders invasieve planten blijken te zijn. Wilde akelei heeft die reputatie in minder mate ook in Noord-Amerika en Nieuw Zeeland.

Dan nu de oproep. Iedereen die denkt: “het lijkt me interessant om aan 1 van de duizenden nog verder in het alfabet te reviseren of te beschrijven soorten bij te dragen”, mag contact met me opnemen. Je kunt hier de gereviseerde tekst van Wilde akelei nalezen.

Kleine liefde

Wie in deze tijd naar buiten gaat en in de voegen van de straat naar planten speurt, zal het al snel opvallen, zeker in de stad, dat daar allerlei grasjes groeien die er in het begin van het jaar nog niet te vinden waren. Het zijn profiteurs van warm weer en komen vaak overgewaaid uit moestuinen en ander kweekgedoe, oorspronkelijk zelfs waarschijnlijk uit de landbouw of graanoverslag.  Deze kleine grassen worden platgelopen, afgebrand, afgeborsteld en doodgespoten, maar veel tijd hebben ze niet nodig om zich in groot aantal voort te planten. Ook liefdegrassen zijn hier meester in.

 

2400 vruchtjes per plant is bij Klein liefdegras geen uitzondering

Klein liefdegras Eragrostis minor met haar aren, die uit 8-20 bloemen, en dus vruchtjes bestaan, is een van de twee algemenere liefdegrassen in Nederland en België. De andere is Straatliefdegras. De aren van Klein liefdegras vallen makkelijk uiteen en profiteren van elke beweging die wij ze geven.  Aangezien elke tak van de plant al snel meer dan 30 aartjes heeft en elke plant als snel vier takken heeft, zijn 2400 vruchtjes per plant geen uitzondering.

Klein liefdegras blijft in verspreiding beperkt tot stenige habitats

Daarmee lijkt Klein liefdegras al snel niet meer zo lief en klein, maar ook met deze overweldigende hoeveelheid zaad is de verspreiding van de plant nog altijd relatief beperkt. Ze blijft redelijk beperkt tot straatrandjes en andere stenige habitats zoals spoorbeddingen. In moestuinen is het waarschijnlijk vaak te rijk.  In wegbermen en gazons is waarschijnlijk te veel concurrentie.

Wie met een loep de plant bekijkt zal de aartjes van klein liefdegras zeker waarderen. Als er op een schoolplaat een mooi compleet aartje getoond moet worden dan zou ik Klein liefdegras kiezen. Als men toch een loep ter hand neemt is het ook aan te raden de bladrand, aan de basis, af te speuren op de merkwaardige klierknobbels. Een soort zwarte punten. Wie dat ziet weet ook meteen zeker dat het geen Straatliefdegras is. Die heeft trouwens nog kleinere aartjes.

Meer Smeerwortel

 

De gewoonste smeerwortel is de Gewone smeerwortel. Het is een grote plant die grote aantrekkingskracht op met name hommels uitoefent. Toen ik mee ging doen aan ‘herken de plant bij de hommel’ herkende ik dan ook vele malen smeerwortel.  Ze kan paarse, roze tot bijna witte bloemen hebben. Je vindt deze plant ook in stad; ze groeien op vruchtbare, vochtige grond op lichtelijk ruderale plaatsen tussen allerlei andere grote planten als Grote brandnetel en Koninginnenkruid.

Gewone smeerwortel is meestal paars, maar soms bijna zuiver wit zoals deze te Boom (B.)

Maar als we het over stadse smeerwortels hebben komt al snel een heel scala aan andere soorten die je er verwilderd kan aantreffen in beeld. Ze zijn niet allemaal even makkelijk herkenbaar.

Bij deze Bastaardsmeerwortel loopt de bladrand af op de stengel.

Als eerste wil ik blauwbloemige smeerwortels behandelen.  De zeldzaamste is Ruwe smeerwortel. Bij deze, en dat is een heel belangrijk kenmerk, lopen de bladranden niet af op de stengel.  Of deze in zuivere vorm te vinden is, is wel de vraag, want de kruising Bastaardsmeerwortel, met wel aflopende bladranden, is waarschijnlijk de gewoonste. In België is dit een vrij zeldzame, in Nederland een zeldzame plant.

Kaukasische smeerwortel (S. caucasicum) is ook een (fel) blauwbloeiende soort, maar is meestal een lagere plant. De kelk is ook minder ingesneden dan bij Bastaardsmeerwortel. Het blad loopt zeer kort af op de stengel.

Kruipende smeerwortel met rode knoppen en kelkbladeren

Dan zijn er een stel kruipende smeerwortels die nu, in maart/april, ook al in bloei staan.  Kruipende smeerwortel (S. grandiflorum) is een algemene tuinplant. Het is een lage, zich zeer makkelijk uitbreidende plant en vaak wat zwarte punten op het blad en rode onderdelen: kelk en knoppen. Eenmaal ‘in de natuur’ weggegooid, kan de plant grotere vlakken maken.

Hidcote-smeerwortel met de wat vuilige blauwroze bloemen

Even gewoon is een zeer op Kruipende smeerwortel gelijkend taxon. Het betreft de meervoudige kruising Hidcote-smeerwortel (S. x hidcotense).  Het belangrijkste onderscheid is de kleur van de bloemen, een beetje vuilblauwroze, maar de plant is ook gemiddeld iets groter dankzij invloed van de ouder , en zelf al een kruising, Bastaardsmeerwortel.  Met Kruipende smeerwortel, de andere ouder, heeft ze die zwarte punten op het blad gemeen, de rode knoppen en natuurlijk het kruipende karakter. 

Moeilijker zijn de opgaande geel en bijna witbloeiende soorten.  Knolsmeerwortel (S. bulbosum) is daarvan de makkelijkst herkenbare soort door de uit de bloemkroon stekende stempel en keelschubben.  Knolsmeerwortel is op twee plaatsen in Nederland aangetroffen.

Symphytum tuberosum in Zuid-Frankrijk langs een bergbeek. Komt waarschijnlijk niet voor in Nederland en België

S. tuberosum wordt wel eens gemeld, maar dit is mogelijk nooit juist.  Het kan ook zijn dat de naam met S. bulbosum wordt verward, maar deze laatste is ook ultiem zeldzaam als verwilderde plant. Beide soorten hebben in ieder geval ‘tubers’.  S. tuberosum is een opgaande plant met eenkleurig wat zachtharig groen blad en zuiver gele bloemen. Mogelijk komt deze plant dus niet verwilderd voor in Nederland en België. Het is een inheemse plant uit Midden- en Zuid-Europa en zelfs in tuinen heb ik de plant nog nooit gezien.

Symphytum orientale te Thorn 2007. Pas nu herkend door nazicht van mijn foto-archief.

Vrijwel witbloeiende en sterk vertakte planten zonder aflopend blad kun je ook in twee soorten opdelen.   Een belangrijk onderscheid is de insnijding van de kelk. Bij Symphytum tauricum, momenteel slechts bekend van 1 plaats te Haarlem, is deze tot op de basis ingesneden. Bij S. tauricum is de bloemkroon ook veel langer. De veel minder ingesneden soort is Symphytum orientale. Deze was nog niet bekend uit Nederland en België, maar omdat ik voor dit artikel in mijn foto-archief aan het browsen was,  ontdekte ik op 1 van mijn foto’s van smeerwortel een plant van Thorn uit 2007 die vrijwel zeker Symphytum orientale moest zijn.

 

 

Straatgrassen

Hoe stadser kan het heten dan ‘Straatgras’ ? Tussen de kleinste voegen van de straat kan een polletje groeien en in elk jaargetijde vind je het in bloei.  Straatgras is een eenjarige plant die valt onder de beemdgrassen. Maar is dat nu een interessante plant? Jawel! Ik bekeek ze redelijk vaak van dichtbij want al jaren zocht ik naar een op Straatgras gelijkende soort. Het betreft het zeer gelijkende Poa infirma. Straatgras zelf kan al redelijk smal en tenger zijn, Poa infirma is nog een beetje smaller en tengerder. Ik wist van het bestaan door in de Britse flora van Stace te bladeren. Toch vond ik er al die jaren nooit die aan de beschrijving voldeden; al moet ik ook toegeven dat ik ook niet ieder Straatgras aan een inspectie onderwierp.

Het is helaas vaak zo, dat je de plant in kwestie eerst eens moet hebben gezien, liefst aangewezen door een ervaringsdeskundige, zodat je er een beeld van krijgt. Niet alleen van het uiterlijk van de plant, maar ook van de plekken waar je die zou kunnen verwachten. Dat laatste bleek uiteindelijk de sleutel tot succes. De plant werd vanaf 2016 op vrij veel plaatsen in Nederland ontdekt en met name op aangereden grond op campings. Helaas had ik dus zelf de primeur niet, graag ontdek je zoiets als eerste, zeker als je er al langer naar gezocht hebt, maar de aanwijzing dat campings ‘the place to be’ waren, gaven me hoop. In 2017 wezen West-Vlaamse botanici me de plant op een West-Vlaamse camping, en had ik dus ook al een zoekbeeld en in 2018 vond ik er, uiteindelijk dus met eigen ogen, een heel stel op een camping in Belgisch Limburg. Een kleine missie kreeg zijn voltooiing.

Een West-Vlaamse camping bleek het mekka voor Poa infirma

Inmiddels bleek ik achteraan in de horde te zitten, want in snel tempo bleek een aanzienlijk deel van Nederland al gevuld met stippen. Ook Vlaanderen volgde snel. Zo snel dat de hypothese is, dat we er met zijn allen toch jarenlang overheen moeten hebben gekeken. Niet alleen campings waren de goede plekken, maar allerlei man-made pionierplaatsen bleken groeiplaatsen te herbergen. Denk aan begraaf- en parkeerplaatsen. Maar ik had een excuus; nog steeds zijn de hogere zandgronden, en algemener gesproken het Zuiden en Oosten van beide landen, zeer schaars bedeeld. Daar moeten wij het toch nog grotendeels doen met gewoon Straatgras.

Een frisse pol Straatgras op 7 januari 2018; een goed begin van een nieuw jaar

Normaliter schrijf ik vervolgens graag ook nog iets over het onderscheid tussen de twee soorten, maar niet zo lang geleden heeft Niels Eimers het woord al verspreid in een prachtig tabelletje op waarneming.nl. Voor deze keer verwijs ik dus graag door naar https://waarneming.nl/species/129155/

Rest mij nog iedereen een fijn 2019 toe te wensen en dat uw eerste waarneming in 2019, om 1 over 12 bij het licht van het vuurwerk, het Straatgras moge zijn.

Doornappel

Het is al even geleden dat ik een krantenbericht las over Doornappel (Datura stramonium).  Mensen kennen de vrij algemene  plant ondertussen ook wel en weten ook wat van zijn giftigheid. Toch was het niet zo lang geleden dat er verontrustende berichten te lezen waren over zeldzame Mexicaanse gifplanten die zomaar waren opgedoken in de tuin van een onschuldige burger. Ook zijn de ziekenhuisopnames van mensen, voornamelijk jongeren, die met Doornappel een ‘trip’ probeerden te maken, ofwel niet meer nieuwswaardig, ofwel  tot nul gereduceerd.  Het nieuws gaat mogelijk ook snel de ronde dat de plant hiervoor ook niet geschikt is.  De plant is gewoon verdomd giftig en onberekenbaar.

Doornappel heeft grote gedoornde zaaddozen met talrijke grote zwarte zaden

Doornappel komt oorspronkelijk niet voor in Europa, maar werd uit Amerika ernaartoe gebracht, aanvankelijk expres, en kon zich gemakkelijk uitbreiden. In de grote zaaddozen zitten talrijke grote zwarte zaden die lang kiemkrachtig blijven.

In een dichte grasmat ontkiemen Doornappels moeilijker

Doornappel staat voornamelijk op verstoorde grond, bijvoorbeeld in opgebrachte grond in tuinen, langs wegen met nieuwe bermen en in bredere zin op allerlei braakliggende gronden. De zaden vallen op de grond uit de langzaam opengaande vruchten en kunnen bij hernieuwde omwerking van de grond (en verplaatsing!), ook dus pas jaren later, vervolgens ontkiemen. In een dichte grasmat gaat dit moeilijker.

Een ongestekelde forma van Doornappel.

De naam van de plant komt van de stekelige vruchten. Die zijn nagenoeg rond en met dikke stekels bezet. Ze lijken wel wat op de bolsters van Paardenkastanje. De bloemen zijn meestal wit, trechtervormig en vaak wel 10 cm lang.  De planten bloeien voornamelijk ‘s nachts. Vandaar dat je overdag vaak alleen maar verwelkte bloemen aantreft.  Er zit wel wat variatie in de uiterlijke kenmerken van de plant. Zo heb je planten die paarsig-roze bloeien genaamd var. tatula. Bij zowel de witbloeiende (var. stramonium) als de paarsige variatie kunnen de vruchten ongestekeld zijn.  Dit zijn de forma’s inermis.  Zo heeft een ongestekelde paarsig bloeiende Doornappel de volgende lange naam: Datura stramonium var. tatula f. inermis.

Datura ferox, een andere soort doornappel, heeft nog grotere stekels op de vruchten

Er zijn een aantal andere soorten Datura, Doornappels, die nog geen vaste voet aan wal hebben gezet in Nederland en België.  De ene soort onderscheidt zich voornamelijk door nog grotere stekels op de vruchten.  Het is Datura ferox.  Het is een adventief die mogelijk alleen voorkomt door verwildering uit vervuild geïmporteerd vogelzaad.

Door de geknikte vruchtsteel hangt de vrucht naar beneden bij Datura innoxia.

De andere soort onderscheidt zich voornamelijk door de geknikte vruchtsteel.  Die heet Datura innoxia. Mogelijk komt ook de gelijkende Datura wrightii nog voor. Die onderscheidt zich van de geknikte innoxia door aanliggende klierloze haren. Altijd dus even de loep bovenhalen bij Datura innoxi. En daarna natuurlijk heel goed je handen wassen.

Sorghum, Sorgo

Sommige grassen spreken qua naam al tot te verbeelding.  Sorgo.  Waar komt die naam vandaan?  C.A. Backer weet het niet.  Google ook niet, dus dan klopt dat.  In België en Nederland groeien er twee soorten. De één is een graangewas uit Afrika en heeft als officiële Nederlandse naam Kafferkoren (S. bicolor).  Ik ga die links laten liggen. De ander is een mysterieus overblijvende: Wilde sorgo. Dat mysterieus komt vanwege haar verspreiding. Ik ken het uit tuinen, langs snelwegen, op een dijkje, bij graantransport en recent van opgebrachte grond.  Hoe komt die plant daar?

Ik zette het in mijn eigen tuin omdat ik er een jonge plant van vond op opgebrachte grond te Genk die ik niet direct herkende.  Ik vermoed dat ik de enige ben met deze afwijking, dus in andermans tuinen is de oorsprong vast anders. Zou men het hebben gekocht? Of zit het stiekem tussen de mezenzaadjes?  De plant kan wel decoratief zijn, maar ik vermoed niet voor lang als ze flink gaat uitbreiden. In een tuincentrum zag ik hem nog nooit aangeboden.

Nu het zo droog is, is het de enige plant die vrolijk blijft in mijn tuin. Hij viel me ook al op op een inmiddels oude groeiplaats in de haven van Gent. Alles was vrijwel verdord, behalve de Wilde sorgo (Sorghum halepense).   Het is ook geen kleine plant en heeft relatief breed blad dus petje af voor deze droogteresistentie.  De plant moet ook nog even, want normaal komt ze pas in augustus en september in bloei.  In Gent was ze dit jaar begin juli al bezig.

Wat zoekwerk naar de plant leidt gedeeltelijk naar een antwoord op de vraag naar haar voorkomen. De plant komt oorspronkelijk uit het mediterrane gebied, maar is ook hier voornamelijk een onkruid die reageert op menselijke activiteit.  Ook daar staat ze in wegbermen en op omgewerkte plaatsen. Zo is ze dus, eenmaal aangevoerd, redelijk gemakkelijk ook in ander werelddelen gevestigd en zal ze ook niet zo maar weer verdwijnen.