Home » Archieven voor Ton Denters » Pagina 2

Auteur: Ton Denters

Natuur zit in mijn hart en hoofd, en dan met name wilde planten. Al in 1985 maakte ik mijn gang naar het Nationaal Herbarium; werkte daar aan de Atlas van de Nederlandse Flora. Daarna ging als (stads)ecoloog aan de slag. In de loop der tijd werd ik meer en meer de ambassadeur van stadsplanten en startte in een tijd dat veel floristen urbane gebieden links lieten liggen. De stedelijke flora is voor mij fascinerend, en het bestuderen levert steeds weer nieuwe, boeiende informatie op. Ik zet dat graag op papier. In 2004 resulteerde dat in de Veldgids Stadsplanten. In het tijdschrift Planten (Floron) verzorg ik nu een rubriek die nieuwe stedelijke planten belicht. Op twitter deel ik het meest actuele nieuws: @urbane_natuur.

Schitterende onkruiden in het gazon

Draadereprijs, uit de Kaukasus en Klein-Azië, is sinds 1934 in onze gazons thuisgeraakt.

Gazons zien er in de regel egaal groen uit; voor ‘onkruiden’ is geen plaats. Gelukkig zijn er spelbrekers. Iedereen kent madelief en dan is er ook nog draadereprijs. Dit van oorsprong rotsbewonende plantje uit de Kaukasus en Klein-Azië wist in het verleden al tot onze graslakens door te dringen. In 1934 werd zij voor het eerst in verwilderde staat ontdekt. Daarna volgde er een stevige opmars, waarbij ze naam maakte als ‘gazonpest’. Niet iedereen dacht daar zo over. Velen zagen in haar een aanwinst en hielpen dit ereprijs een handje. Draadereprijs is tegenwoordig een vaste en gewaardeerde gazonbewoner.

Na een periode van stilte dringt nu eindelijk weer een nieuweling in de grasmat door; Lobelia pedunculata. Deze ‘graslobelia’ heeft eenzelfde uitstraling als draadereprijs; is net zo rank en liefelijk in haar voorkomen. Met deze nieuweling krijgt het gazon meer pracht en kleur, en dan niet zoals draadereprijs in het voorjaar, maar in de zomer. Dan bloeit dit, tot dan toe verborgen levende plantje, feestelijk op en wordt de grasmat herschapen. Overal ontluiken de intens blauwe, stervormige bloempjes, wiegend op lange, ranke bloemstelen. Graslobelia is een groenblijvende, vorstbestendige, kruipende bodembedekker, met kleine, onregelmatig getande, eivormige blaadjes. De soort komt uit Australië en is als sierplantje naar elders gebracht, vooral om rotstuinen te verrijken. Het plantje gaat echter graag de perken te buiten en zet gemakkelijk de stap naar aangrenzende gazons.

Graslobelia is een nieuw gazonplantje met toekomstperspectief.

Graslobelia is tweehuizig. In het thuisland is zij in volle glorie te zien en produceert zij volop rode, besachtige vruchten. Deze lobelia, wordt vanwege dit kenmerk, ook wel in een apart geslacht Pratia  afgesplitst. Bij ons worden, precies zoals in Groot-Brittannië en België, enkel vrouwelijke planten gevonden en blijft de vruchtvorming bij gebrek aan mannelijke planten achterwege. Een verdere verspreiding van deze soort wordt daardoor geenszins belet. Via een doelmatige vegetatieve vermeerdering maakt deze soort de nodige meters. De tere stengelfragmenten laten bij het minste of geringste los en wortelen snel. Het plantje heeft daarmee toekomstperspectief en alles in zich om gemeengoed te worden. In Nederland is de ‘aftrap’ in Emmen begonnen; daar kwam dit plantje in 2005 aan het licht. België ging ons in 2004 voor, met twee groeiplaatsen in frequent gemaaide gazons. Nederland telt inmiddels 12 vindplaatsen verdeeld over het hele land en er volgen er ongetwijfeld meer. Nu eerst de zomer afwachten en dan maar met een hernieuwde kijk de gazons nalopen. Dat levert vast nieuwe meldingen op.

Muurleeuwenbek: van exoot tot stedelijke kleinood

 

Muurleeuwenbek is misschien wel hét boegbeeld van de stedelijke flora. Er is geen stad waar dit plantje ontbreekt. Gelukkig maar, het is een schoonheid. Klein wat betreft formaat, maar met veel uiterlijk vertoon. Opvallend is de weelderig groei met kruipende stengels en klimopvormige, glimmende blaadjes. Vrijwel het hele jaar bloeit het rijkelijk met talloze, paarslila, zacht geel gekleurde bloempjes. De soort is onmiskenbaar, zelfs als het witte bloemen voortbrengt, wat zo nu en dan het geval is.

Muurleeuwenbek is niet oorspronkelijk inheems in ons land. Het plantje is in de 17e eeuw als decoratief rotsplantje vanuit het Middellandse Zeegebied naar elders gebracht, waaronder Nederland. In het vermaarde ‘Cruydt-Boeck’ van Dodonaeus (1644) is de introductie in Nederland opgetekend: “De neerstigheydt van de Cruydtbeminners heeft dit cruydt hier te lande seer vermeninghvuldigt ende naementlijck te Delft in Hollandt is ‘t soo ghemeyn ghemaeckt, datter nauws brugghe oft eenigh stadtghebouw oft oude moeragie en is, ten is daer mede cierlijck bekleedt. Dies het metter tijdt voor een inlandtsch ghewas sal moghen ghehouden worden.” Verspreiding is niet alleen mensenwerk, ook mieren dragen hun steentje bij. Zij verslepen de zaden van het plantje naar hun nest, waarbij onderweg het nodige wordt gemorst. De mieren is het alleen te doen om het ‘mierenbroodje’, een oliehoudend en koolhydraatrijk aanhangsel op het zaad, waarmee de larven worden gevoed.

Muurleeuwenbek is een warmte- en lichtminnende soort, die gevoelig is voor uitdroging. De soort is gebonden aan een vochtige atmosfeer. Als dit in orde is, kan het zelfs de nodige zon verdragen. Naast vochtig, moet het milieu ook stenig zijn. De ideale mix is het meest te vinden in binnensteden. Oude, beschaduwde muren zijn favoriet, met name tuinmuurtjes, muurtjes van oude gebouwen en kerken of vochtige gevelmuren bij lekkende dakgoten en regenpijpen. In nauwe straatjes en stegen schittert het plantje het langs gevelmuren. Verder staat het in hofjes, in stenige stadstuinen, op en rond trapportalen, op steenglooiingen en op begraafplaatsen op en rond oude graven. Maar ook buiten het stadshart is Muurleeuwenbek op vochtige, stenige plekken te zien, tot in nieuwbouwwijken toe.

Kortom, overal kan er naar deze soort worden uitgekeken. Het vinden is altijd een traktatie, met wie weet de zeldzamere witte variant. Heb dan ook oog voor de details, onlangs leverde een kritische blik een donzig muurleeuwenbek op (Cymbalaria muralis subsp. visianii); een voor Nederland nieuwe ‘bekje’.

Nieuw voor Nederland; een donzig muurleeuwenbek. Een Italiaans ‘bekje’ dat in Amsterdam werd gevonden.

Zeven nieuwelingen in Amsterdam met een vreemd helmkruid in de hoofdrol

Amsterdam verdient als het om stadsplanten gaat het predicaat: ‘trendwatch-city’. In de afgelopen twintig jaar konden er in Amsterdam 100 soorten worden bijgeschreven; gemiddeld vijf per jaar. Voor de recente jaren valt het aantal hoger uit; zo heeft 2016 zeven nieuwe soorten opgeleverd. Het meest aansprekend zijn: Prunella grandiflora, Cymbalaria muralis subsp. visianii, Verbascum speciosum en Scrophularia peregrina. Ze ontberen nog een Nederlandse naam, maar toepasselijk zijn: Grote brunel, Donsmuurleeuwenbek, Hongaarse toorts en Vreemd helmkruid.

Het meest bijzonder was wel de vondst van Vreemd helmkruid, met zijn fraaie, kleine, bruinrode bloemen. Dit helmkruid kwam tevoorschijn in de Amsterdamse Zeeheldenbuurt, waar een tiental planten opbloeide langs heg en in een boomspiegel. Aanvankelijk werden ze aangezien voor Knopig helmkruid, een soort die in urbaan gebied geen onbekende is. Omdat de planten anders oogde volgde er een nadere check. Op grond van de afstaande, spitse kelkbladen, die na de bloei de vruchten stervormig omkransen, werd duidelijk dat het iets speciaals betrof. Alle vier inheemse helmkruiden hebben aanliggende, afgeronde kelkbladen, die de vruchten nauw omsluiten. Uiteindelijk kwam Scrophularia peregrina uit de bus.

Vreemd helmkruid is een mediterrane plant die tot in West-Frankrijk voorkomt. De soort is te typeren als cultuurvolger; hij komt voor op verstoorde, ook stenige bodems, langs wegen, in bebouwd gebied, zelfs op muren. In Nederland is hij eenmaal eerder in 1965 in een wegrand in Leiden ontdekt.  De soortaanduiding ‘Peregrina’ betekent ‘vreemd’, vandaar Vreemd helmkruid. Er zijn diverse Engelse namen in omloop: ‘Mediterranean’, ‘Brown’ en ‘Nettle-leaved figwort’. Namen die allemaal iets vertellen over de herkomst en uiterlijk van deze soort. Als Nederlandse naam circuleerde even Netelhelmkruid, maar omdat ook onze overige helmkruiden netelachtig ogen, is die niet verkozen.

De onderste bladeren hebben een netelachtig uiterlijk.
De onderste bladeren hebben een netelachtig uiterlijk.
De bloemen van Vreemd helmkruid zijn fraai bruinrood.
De bloemen van Vreemd helmkruid zijn fraai bruinrood.