Home » Archieven voor Ton Denters

Auteur: Ton Denters

Natuur zit in mijn hart en hoofd, en dan met name wilde planten. Al in 1985 maakte ik mijn gang naar het Nationaal Herbarium; werkte daar aan de Atlas van de Nederlandse Flora. Daarna ging als (stads)ecoloog aan de slag. In de loop der tijd werd ik meer en meer de ambassadeur van stadsplanten en startte in een tijd dat veel floristen urbane gebieden links lieten liggen. De stedelijke flora is voor mij fascinerend, en het bestuderen levert steeds weer nieuwe, boeiende informatie op. Ik zet dat graag op papier. In 2004 resulteerde dat in de Veldgids Stadsplanten. In het tijdschrift Planten (Floron) verzorg ik nu een rubriek die nieuwe stedelijke planten belicht. Op twitter deel ik het meest actuele nieuws: @urbane_natuur.

Flora van hoog niveau: dakvlieders

Topattracties

Groene daken zijn in de mode en een must. Beplante daken zijn hard nodig in tijden van klimaatsverandering. Ze reguleren neerslag, droogte, hitte en binden fijnstof. Het plantendek houdt regenwater vast, buffert dit, verkoelt. Bij heftige regens zorgt dat voor minder wateroverlast. Mooi is dat zonnepanelen op ‘frisse’ groendaken beter presteren: met minder hitte is er meer rendement. De vegetatielaag is ook ideaal voor het binnenklimaat van gebouwen: warmte-isolerend in de winter, verkoelend in de zomer. Met vegetatiedaken ontwikkelt zich een nieuwe, stedelijk leeflaag met een specifieke plantengroei op hoog niveau en een nieuw floristisch fenomeen: ‘dakvlieders’.

Zonnige vetkruiden

Groendaken hebben de toekomst en daarmee zonnige sedums; de vetkruiden. Een heel regiment – circa 20 soorten in getal – wordt toegepast. Ze floreren er onder extreme, sterk wisselende omstandigheden; vervlechten zich tot compacte zoden. De plantjes zijn zonbestendig en verdragen waterschaarste. De opgezwollen blaadjes, met waterreserves, zijn omgeven door een beschermende, overdag geheel afsluitende waslaag. Op de warmste momenten blijft de verdamping beperkt en de blaadjes dik en sappig. Met deze eigenschappen beschutten ze zichzelf, alsook het dak. Op sedumdaken staan naast inheemse vetkruiden allerlei nieuwe introducees. Er is veel variatie in bloemkleur en bladtint, met een rijke schakering aan geel- en roodtinten. Het hele spektakel belandt ook op straat. Vanuit de hoogte waaieren ze als dakvlieders uit over de stenige laagvlakte; starten er succesvol een tweede leven.  Voor Muurpeper, Wit- en Zacht vetkruid, Tripmadam, allemaal inheems, levert dat een flink surplus op. Het laatstgenoemde duo – eerder exclusief voor het rivierengebied – beleeft daarbij een stedelijke doorbraak. Van de nieuwe sedums is vooral Spaans vetkruid een hit. In bijna al onze steden is ze als straat- en muurbewoner in opkomst.

Spaans vetkruid is een stedelijke nieuwkomer. die veel weg heeft van Wit vetkruid. Kenmerkend zijn de blauwgroene bladkeur en rode middennerf op het kroonblad.

Sedumsoorten op daken … die toenemend verwilderen:

Geel            ►   Muurpeper, Zacht vetkruid, Tripmadam, Kamtsjatka-vetkruid, Driebladvetkruid

Wit              ►   Wit vetkruid, Spaans vetkruid

Roodroze   ►   Roze vetkruid, Kleine en Gewone spinraghuislook

Muurpeper is volledig toegerust voor het stadsleven. Het is geen modieuze verschijning, maar een aloude, succesvolle overlever, die heerst op zonnig steen. Het plantje soleert massaal in schrale plantsoenranden; vult de voegen van plaveisels en barsten in asfalt. Met gemak neemt dit vetkruid steenglooiingen, kan het domineren in grindbedden en op kale spoorweg-, haven- en industrieterreinen. Daarnaast is Muurpeper een vaste verschijning op oude, droge muren; vaak boven op muren, maar ook op de flanken daarvan. Muurpeper heeft de bijnaam het Eeuwig leven. In Flora Batava (1800) komt dat imago in een observatie tot leven: “omtrent 15 dagen had ik eenige takjes voor myn herbarium onder de pers gehad … ’t geen ik te veel had, wierp ik naar buiten. Na 3 of 4 dagen aan de lucht blootgesteld, was ik ten uitersten verwonderd te ontdekken dat dezelfde planten, die zo langen onder de pers verpletterd en verdroogd waren geweest, niet alleen weder begonnen te herleeven, maar dat zelfs de bloemknoppen, die nog niet gebloeid hadden, open gingen.”

Nieuwe straatjuwelen

Naast vetkruiden, is er een groeiend pakket aan dakplanten, voor meer bloemrijke uitstallingen. Die verkassen eveneens, dalen neer, bereiken de verharde onderwereld. Het zijn fraaie aanwinsten, nieuwe straatjuwelen, die voor veel floristen onverklaarbaar, uit het schijnbare niets opkomen. Maar de bron is nabij, met een blik omhoog te ontwaren. Neem Kleine mantelanjer, haar straatvertoningen zijn steevast aan dakvlieders te danken. Een dakschouw is bij mij nu routine. Zo weet ik dat Oranje havikskruid, vanaf het dakterras van mijn buurman onze woonbeurt heeft verrijkt. Eenzelfde weg gingen Muizenoortje, Blaasilene, Blauw zwenkgras, Gewoon fakkelgras, Hoofdjes- en  Steenanjer. En .. er zit meer aan te komen. Het totale dakflora-sortiment en alles wat daaraan wordt toegevoegd is rijp voor de straat.

Van nederzettingenflora naar stadsflora

De roots van onze stadsflora liggen in een ver verleden. De introductie van allerlei ‘vreemde’ soorten vindt sinds mensenheugenis plaats. Cultuurgewassen gingen daarbij voorop; al in de Nederlandse Prehistorie – van 5400 v.C. tot 12 v.C. – maakten ze hun entree met onbedoeld ook hun begeleidende onkruiden. In oude bodems ligt de identiteit van deze ‘eerste- uurs-nutsplanten’ opgesloten in de vorm van plantenresten. Die bleven behouden, veelal in verkoolde, maar nog wel herkenbare toestand. Soms zorgen met water verzadigde gronden en verstening (fossilisatie) voor conservering. De oude, gefixeerde plantenresten kunnen in principe bij elke opgraving aan het licht komen. Het opsporen en herkennen van botanische resten is een volwaardige discipline; het werk van een archeobotanicus.

Emmer Triticum dicoccum De Tournefort’s (1719) Institutiones Rei Herbariae

Uit dit specialistisch onderzoek weten we deels hoe het er rond 5400 v.C. aan toe ging. Onze eerste boeren teelden op lössgronden. Ze woonden in grote, goed gebouwde boerderijen en teelden granen als: Emmer (Triticum dicoccum) en Eenkoorn (Triticum monococcum), alsook peulvruchten: Erwt (Pisum sativum) en Linze (Lens culinaris) en oliehoudende zaden: Lijnzaad (Linum usitatissimum) en Maanzaad oftewel Slaapbol (Papaver somniferum). De vlasplant leverde daarnaast vezels. Al deze planten, met uitzondering van het maanzaad, komen oorspronkelijk uit het Nabije Oosten, waar ze enkele millennia eerder uit hun daar in het wild voorkomende voorouders, waren ontstaan. De eerste boeren woonden dicht op elkaar. De boeren hadden in die tijd al te kampen met onkruid en wel met een assortiment waarin Dreps, Melganzenvoet, Zwaluwtong en Akkerkool een hoofdrol speelden. Dreps hoort tegenwoordig tot onze zeldzaamste akkeronkruiden.

Bilzekruid in breed historisch perspectief

De Romeinse tijd [i] – van 12 v.C tot begin 5e eeuw – bracht nauwelijks nieuwe voedingsgewassen, maar wel ‘luxe’ zaken: fruit, groenten, kruiden en enkele sierplanten waaronder Muurbloem (Erysimum cheiri). Het is ook de periode waarin de kennis van medicinale wilde planten − uit de eigen omgeving – groeit en die in de Middeleeuwen tot volle wasdom komt. Tot onze vroegste geneeskruiden horen: Sint-Janskruid, Groot kaasjeskruid, Gewone smeerwortel, IJzerhard en Bilzekruid. Het zaad van Bilzekruid met een geestverruimende werking, werd in vroegere tijden onder meer gebruikt als slaapmiddel en als ‘heksenzalf’. Volksnamen, die hieraan refereren zijn Dolkruid en Malwillempjeskruid. Bij opgravingen van het West-Friese dorpje Almersdorp, dat eind van de Middeleeuwen verdween, werden in een laag met verkoolde graanresten opvallend veel zaden van Bilzekruid gevonden met in mindere mate ook Melganzenvoet, Zwarte mosterd en Kleine brandnetel. Mogelijk werd de soort bewust gekweekt, maar het zou ook als onkruid kunnen zijn opgekomen. Het waren betere tijden voor Bilzekruid; tegenwoordig is het zeldzaam, bedreigd en  een Rode Lijstsoort.

Botanische tekening Bilekruid / Bron: Franz Eugen Köhler, Köhler’s Medizinal-Pflanzen

Bilzekruid; bedreigde stadsplant

Bilzekruid huist in steden op verdwijnende plekken. De plant is gebonden aan zeer voedselrijke, kalkhoudende, verstoorde, stenige bodems. Het verpoost op puinplekken en in rommelige overhoeken, die meer en meer worden opgeruimd. In onze contreien komt Bilzekruid zeker sinds de Romeinse tijd, en vermoedelijk al langer, voor. De soort is in ons laagland altijd een bijzonderheid geweest, maar de laatste decennia gaat het gestaag achteruit. In binnensteden komt Bilzekruid her en der te voorschijn op plaatsen waar oudbouw is gesloopt. Het zijn kortdurende manifestaties. Een definitief verlies van deze fraaie soort in onze steden dreigt. Waar Bilzekruid in de verdrukking zit, is er perspectief voor Wit bilzekruid (Hyoscyamus albus). Het is een typisch mediterrane soort, die zich koestert in de zon op en aan muren. Het prefereert daarbij de muurvoet, waar het imposant opbloeit. Het is precies de plek waar hij zich bij ons tentoonspreidt. In 1980 was er een eerste vondst in Doetinchem, recent volgden Brussel, Amsterdam, Den Haag met Coevorden als laatste ‘toevoeging’. Op deze prille plekken zaait hij zich ook uit; het is wellicht de opmaat naar een echte doorbraak in onze steden.

Info: bloeitijd / zeldzaam & achteruitgaand / hoogte / archeofyt / stadsafhankelijk (Uit: Stadsflora van de Lage Landen, Fontaine uitgevers 2020)

De verschillen: Bilzekruid heeft zittende, onderin iets gesteelde bladeren. De bloemkroon is eenkleurig geel, met paasachtige adering. De bladeren bij Wit bilzekruid zijn alle gesteeld, de bloemkroon crèmekleurig tot lichtgeel zonder gekleurde adering.

Wit bilzekruid / Foto Rutger Barendse

[i] Voor Nederland begint de Romeinse periode in 12 v.Chr. toen heel het land door Druses, generaal onder keizer Augustus, was onderworpen, een heerschappij die tot het begin van de 5e eeuw duurde.

Nieuwe muurbloem in Heukels’ Flora 2020

De nieuwe Flora van Nederland, het standaardwerk de ‘Heukels’, zit eraan te komen! De laatste editie uit 2005, hangt ­-bij mij-­ van tape aan elkaar. Tegelijk toont de inhoud slijtage, ontbreken de vele nieuwe soorten die het laatste decennium bracht. Dit veldseizoen moeten we het nog zonder de update doen, maar in april 2020 is het zover. Je kunt een mooie verfrissing tegemoet zien; de hernieuwde Flora presenteert 220 extra soorten. Een aanzienlijk deel, 120 soorten, is van het predicaat ingeburgerd voorzien. Dat houdt in dat ze al meteen als vast deel van onze flora worden beschouwd. Dat is een hele stap. De stadsflora is met maar liefst 75 soorten hofleverancier.

Kleine muurbloem op inburgeringsplek in Amsterdamse Pijp.

Aan de Heukels’ Flora is ook een moeilijke muurbloem toegevoegd. Tot aan de deadline van de Flora is er druk aan soorten gesleuteld en op de valreep kwam de ware identiteit van de Kleine muurbloem Erysimum aureum aan het licht …. Een opluchting, want al jaren vormde het plantje een onoplosbaar mysterie. Muurbloemen zijn complex van aard, met in Europa en aangrenzend Azië vele soorten waarvan de taxonomie nog deels onopgehelderd is.

De kleine bloemen en wijduitstaande vruchten (hauwen) zijn kenmerkend.

Met Kleine muurbloem heeft Muurbloem Erysimum cheiri er een compagnon bij gekregen. Onze ‘klassieke’ Muurbloem heeft een roemruchte geschiedenis. Het is een vroege cultuurplant, gekweekt door de Romeinen. Zij brachten twee verwante muurbloemen uit de Grieks-Egeïsche regio samen in een kruising; de huidige Muurbloem. In de Middeleeuwen werd deze naar onze contreien gebracht. Dodoens maakt gewaag van deze ‘muurviolier’ in zijn vermaarde Cruijdeboeck (1554). Muurbloem is sindsdien als zeldzame, bedreigde muurplant deel van oude, monumentale gebouwen; vestingwerken, ommuringen, stadspoorten, ruïnes en forten.

Kleine muurbloem kan minieme afmetingen hebben.

De moderne tijd brengt ons nu een tweede muurbloem. Het is evenzo een nieuwe introducé, ditmaal uit Oost-Europa/West-Azië. Kleine muurbloem is in recente tijd aangeplant in tuinborders en geveltuinen. Opvallend is het gemak waarmee deze soort van plek ruilt, en daarbij de aanplantplaats verlaat en de straat verkiest. Op zonnige plaveisels leven ze op, zaaien daar uit en keren jaar op jaar terug. Daarmee zijn ze deel geworden van de wilde stedelijke straatflora. Kleine muurbloem werd in 2010 allereerst in Amsterdam opgemerkt en daarna op 10 locaties elders in de hoofdstad. Ook daarbuiten kwam de soort in het viezer, in Haarlem, Utrecht, Nijmegen en recent in Grevenbicht. Het verschil met ‘gewone’ Muurbloem zit hem in de vruchtsnavel, die is ongedeeld, terwijl die van Muurbloem duidelijk tweetoppig is met naar buiten geboden stempellobben. Kleine, staat voor kleinbloemig, duidend op de geringe afmetingen van de kroonbladen. De plant is twee- of meerjarig, wordt circa 45 cm hoog, maar kan ook minieme maten hebben. Verwar Kleine muurbloem niet met Steenraket, een eenjarige Erysimum-soort.

Zo ziet de determinatiesleutel er in de komende Heukels’ Flora uit!

Links: Kleine muurbloem met ongedeelde snavel Rechts: de tweetoppige snavel van ‘Gewone’ muurbloem.

 

Kleine muurbloem is straks voor een ieder met de nieuwe Flora te determineren, dat is mooi. Maar de primeur is voorbehouden aan deze weblog. Ik zou zeggen speur komend seizoen al naar deze muurbloem, met deze sleutel in de hand.

Stadsplantensociologen? … ze bestaan! Een andere kijk op stadsplanten

Plantensociologisch onderzoek in Nijmegen; met een vegetatieopname rondom Behaard breukkruid (foto: Jan Jansen)

Het is druk op straat; wij begeven er ons, tegelijk ‘beweegt’ de flora zich daar . Een selecte groep planten is ‘streetwise’, terwijl het gros deze steenjungle mijdt. In deze observatie van voor- en afkeur ligt de kern van wat plantensociologie heet, het studieveld van vegetatiekundigen. Sommige planten lijken elkaar op te zoeken, anderen ontlopen elkaar, gaan schijnbaar niet samen. Voor wie dat mocht denken; de florawereld is niet zozeer een zaak min of onmin, waarbij planten elkaar zoeken of mijden. De plek, het milieu daar, selecteert en stuurt, trekt gelijkaardige soorten.

Vegetatiekundigen, snuffelend, speurend, kruipend over straat … en in de goot belandt (foto Wim van Wijngaarden)

Aan het voorkomen van wilde planten is veel af te lezen. Planten staan niet zomaar ergens, ze stellen allerlei eisen; de ondergrond doet ertoe, de mate van zon en schaduw, de zuurgraad, vochtigheid etc. Het geheel aan condities brengt soorten samen in wat we plantengemeenschappen noemen. Ieder landschap heeft zijn eigen gemeenschappen. Iedereen weet dat de flora van de duinen er anders uitziet dan pakweg die van Zuid-Limburg. Steden herbergen zo ook een eigen plantenwereld. In Nederland ligt de kennis van plantengemeenschappen, vergeleken met het buitenland, op een hoog niveau; het resultaat van een lange traditie. Opvallend is dat steden daarbij onderbelicht zijn. Het vegetatieonderzoek kent zo zijn tradities met een focus op natuurgebieden. Aan stadsvegetaties en stadsplantengemeenschappen werd voorbijgelopen.

Maar is er verandering te bespeuren. Floristen en vegetatiekundigen ontdekken meer en meer de stad als studiegebied. Naast spannende soorten, worden nu ook de boeiende stadsplantengemeenschappen gezien. 2018 markeert een kentering, voor het eerst richtte de Plantensociologisch Kring Nederland (PKN) zich op het stedelijk gebied met een aftrap in vijf steden. De excursies zorgde voor veel nieuws, mooie beelden van groepen floristen, vegetatiekundigen, rondrijdend op OV-fietsen, snuffelend, speurend in tuingangen, kruipend over straat … maar bovenal veel vegetatieopnames in bijzondere stedelijke biotopen. Het maken van opnames is secuur werk. Het gaat om het bemonsteren van een begrensde plek , een typisch stadsbiotoop met bijhorende vegetatie (het proefvlak). Alle groeiomstandigheden worden genoteerd, zoals type ondergrond, de mate van schaduw/zon en de samenstelling en ‘verschijningsaard’ van de flora. Naast alle soorten, worden bijvoorbeeld ook de bedekking van de planten en de hoogte daarvan meegenomen.

In vijf steden waren er in 2018 speciale plantensociologische excursies

Knopige ooievaarsbek, nieuw inburgerend in Nederland, een kenmerkende soort voor tuingangen.

Met dit werk komt er meer zicht op hoe de stadsplantengemeenschappen eruit zien, wat de karakteristieken zijn en welke soorten daarin thuishoren, kenmerkend zijn. Het levert nieuwe beelden op, contouren van stadsplantengemeenschappen rondom Stokroos of rijke ‘tuingangengemeenschappen’ met Slaapkamergeluk, Schijnpapaver, Gele helmbloem  en vele begeleiders, waaronder Groot nagelkruid, Muursla, Bleke basterdwederik, Schijnaardbei, Glanzige en Knopige ooievaarsbek. Een groene wereld om nader te beschrijven.

Anna Paulownaboom; pionier van het groene stadswoud

Nu bescheiden nog zaailingen van Anna Pauwlownaboom, maar zonder ingrepen straks de kiem voor een heus stadsbos.

Onze steden worden secuur ingericht, voortdurend onderhouden, met al het groen van dien. Alles lijkt in regie, maar er is een andere werkelijk. Het groen in het stad gaat zijn eigen gang, tot op het steen toe. Als we een plek even uit handen geven nemen de elementen het over en in no time wordt de aanzet gegeven tot een weelderige, groen stadswoud.  Dat stadswoud in spe combineert spontaan opschietende inheemse met exotische houtige gewassen. Van overal komen ze aanwaaien. Veelal zijn het cultuurbomen, meest ex-straatbomen, die hier het avontuur aangaan.

Een bijzondere verschijning daarbij is de majestueuze Anna Paulownaboom. Hoewel de Anna Paulownaboom een boom is uit de binnenlanden van China, heeft deze soort een oranje tintje. Het was de favoriet van de Russische Anna Paulowna, getrouwd met de Nederlandse koning Willem II. De koningin hield van extravagante planten en de grote hartvormige bladeren en enorme paarse trompetvormige bloemen van de boom bevielen haar wel. De boom wordt daarom ook ‘prinsessenboom’ of ‘keizersboom’ genoemd.

Een prille Anna Paulownaboom in hartje maastricht

De boom viel veel breder in de smaak en is in onze contreien aangeplant in tuinen, parken en langs straatkanten. Van oorsprong is Anna Paulownaboom een echte pionier. Het wortelstel kan in korte tijd nieuwe, snelgroeiende scheuten produceren. De boom groeit het beste in voedselrijke, vochthoudende bodems, maar is relatief tolerant tegenover vervuilde of verschraalde grond. Ook kan de boom in scheuren van bestrating of muren groeien. De bladeren bevatten veel stikstof en de wortels voorkomen bodemerosie. De Anna Paulownaboom wordt in zijn groei geremd wanneer grotere bomen hem overschaduwen. Jonge planten zijn gevoelig voor vorst, maar een oudere boom is winterhard. In het Middellandse Zeegebied leidt deze boom intussen al een eigen leven met overal spontaan opkomende exemplaren. Nu ons klimaat steeds meer mediterrane trekjes krijgt voltrekt zich hier hetzelfde proces.

In no time groeit de Anna Paulownaboom, hier in Leuven, uit tot een kolos.

Anna Paulownaboom heeft het steen lief, schiet overal wortel tot ‘indoors ‘ toe.

Deze zomer liet dat in alle toonaarden zien. Veel houtige gewassen gingen gebukt en lieten het leven onder de hittestress. Zo niet de Anna Paulownaboom, die groeide op vele plaatsen in hoog tempo florissant uit. In Amsterdam, maar meer prominent nog in Maastricht en Leuven. Hoe steniger, hoe beter, geen plek bleek te gek; van kerkmuur, slooptuin, muurgevel tot ‘indoors’ toe.

Een Levend Archief voor Stadsplanten

Onze flora staat onder druk; sinds 1950 zijn bijna 500 van de 1500 inheemse soorten achteruitgegaan en circa 40 helemaal ‘exit’. In onze steden lijkt het met de komst van allerlei nieuwkomers halleluja, maar dat kan niet verbloemen dat er ook zorgen zijn. Diverse planten die in stedelijk gebied huizen zijn ook op hun retour. Neem Blaasvaren en Rechte driehoeksvaren, soorten van vochtige muren. Hun milieu verdwijnt, omdat nieuwe muren van een betonnen, voor water ondoordringbare achterwand worden voorzien. Kritisch is ook Muurbloem, de échte wel te verstaan, en niet de tuinvariant. In Nederland heeft Muurbloem slechts enkele inheemse populaties: kleine enclaves op historische bouwwerken. Ook diverse stedelijke ruigteplanten zitten in de gevarenzone, zoals Wolfskers.

Een nieuw initiatief, Het Levend Archief, moet voorkomen dat we opnieuw soorten verliezen. Doel van dit project is het veilig stellen van kwetsbare, bedreigde inheemse plantensoorten met hier ten lande een eigen genetisch profiel. Dat kan door belangrijke bronpopulaties gecontroleerd in leven te houden. Daarmee blijft het oorspronkelijk, genetisch, unieke zaad beschikbaar, nodig om populaties te redden, voor nu en de lange termijn. Het ‘vastleggen’ van soorten gaat via twee sporen. De zaden gaan in een grote koelcel, waar ze langer, maar niet oneindig, bewaard kunnen worden. Regelmatig moeten die zaden tot leven worden gewekt. Daarom komen er ‘zaadhofjes’ onder meer in heem- en botanische tuinen, die het zaad vermeerderen en oogsten.

Overdracht van Zandwolfsmelk en Steenhavikskruid naar het stadsplantenhofje De Braak  in Heemtuin Amstelveen. De planten vormen een ‘back-up’; mochten deze soorten in Amsterdam verloren gaan, dan is herintroductie mogelijk. Op foto van links naar rechts zadenspecialist Rob Bouman en de heemtuin-beheerders Josien en Walter Busse.

 

 

 

Het Levend Archief is een veelzijdig initiatief. Denken en doen gaan daarin samen, met bijdragen vanuit onderzoeksinstituten, onder andere het Centrum voor Genetische bronnen Nederland (WUR), en ook Floron. Aan de praktische kant staan terreinbeheerders (Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer), botanische tuinen en heemtuinen, kwekers en vrijwilligers.

In Amstelveen is de aftrap gemaakt voor een zaadhofje voor waardevolle, kieskeurige stadsplanten. In de kweektuin van De Braak, een heemtuin én een groen rijksmonument, zijn onlangs Steenhavikskruid en Zandwolfsmelk in ‘bewaring’ genomen. De soorten hebben hier vanaf nu een veilig en vast onderkomen. Het gaat om een exclusief Amsterdams duo.

Intermezzo: Het Amstelveense heemgroen, met het Jac. P. Thijssepark, het Broersepark en De Braak, is vermaard. Wilde planten, van gewoon tot uiterst zeldzaam staan er in een natuurlijk, ecologisch passend decor. Je kunt er alle biotopen doorlopen, met nu ook een stedelijk tintje.

Steenhavikskruid is een echte historische stadsplant, die 1847 in de hoofdstad werd ontdekt en zich sindsdien op enkele steenglooiingen aan de Singel standhoudt.

Zandwofsmelk op het Stenen Hoofd

Zandwolfsmelk is in Nederland sterk bedreigd, met in Nederland in rivierengebied nog enkele restpopulaties. Op het Amsterdamse Stenen Hoofd heeft de soort een mooi stedelijk refugium; daar huist ze sinds 1995 met tientallen planten. Het behoud op de locatie blijft van belang, maar het waarborgen in Amstelveen, biedt ruimte voor de toekomst. Als dat aan de orde is, kan er ten alle tijden een gepaste introductie of herintroductie plaatsvinden. Met de komst van het tweetal is de start van een ‘stadsplanten-hofje’ nu een feit. De bedoeling is dat er meer soorten volgen, wellicht Groensteel, mogelijk ook Muurbloem en Wolfskers. Wat kwetsbaar is verdient bescherming, ook waar het stadsplanten betreft!

Eikvarens op stadsbomen; een nieuw fenomeen!

Dat Eikvarens op bomen groeien is bekend, maar in steden werden ze zelden gezien. De laatste vijftien jaar waait er echter een nieuwe wind door de stad; Eikvarens hebben hun entree gemaakt op stadsbomen. Ze leven hier als epifyt.

Epifyten zijn planten die zich hechten aan andere plantensoorten zonder daar voedsel aan te onttrekken; ze gebruiken de ander alleen als groeiplaats. In veel gevallen is de waardplant een boom. Epifyten leven van de lucht, halen daaruit vocht en voedingsstoffen. In de tropen is deze groep goed vertegenwoordigd, maar in ons land is dit specialisme aan weinig soorten voorbehouden. Merendeels zijn dat blad- en levermossen en een enkele hogere plant, waaronder Eikvaren.

Het leven van een epifyt kent tal van kritische kanten. Dat start al bij de kieming. Veel mossen en ook eikvarens laten het bij te zure omstandigheden afweten; de ontkieming blijft dan uit. Door ‘zure regen’ met droge en natte neerslag (depositie) van zwaveldioxide ontstonden er in Nederland epifytenwoestijnen.

Epifytenwoestijnen in de jaren zestig.

Sinds de jaren tachtig tachtig is de uitstoot van zwaveldioxide flink verminderd en de terugkeer van epifyten in gang gezet, een proces wat nog altijd gaande is. Eikvarens zijn daar deel van. Deze varens profiteren daar bovenop van de toename van stikstof in de atmosfeer. Dat is een zorg van ons milieu, maar voor Eikvarens levert dit extra voedingsstoffen op. Ook de verhoogde luchtvochtigheid draagt bij aan het welzijn. Door meer neerslag en verdamping ,vooral in de warmste maanden, is de vochtigheidsgraad van de atmosfeer, met name in onze steden duidelijk hoger dan voorheen. Vocht brengt epifyten tot leven, nadat ze droge periodes hebben doorstaan. Bij Eikvarens is dat goed te zien. Na droogte staan de varens er dor bij, met opkrullend, bruin verkleurend blad. De planten lijken het einde nabij, maar dat is dan schijn; na regenval is het blad na korte tijd weer volledig gehydrateerd en frisgroen.

Valentijn te Hoopen heeft de aangroei van eikvaren op stadsbomen zien voltrekken. Al jaren maakt hij studie van dit verschijnsel. Hij traceert en analyseert: “Het moet in het voorjaar van 2004 zijn geweest dat mijn aandacht voor het eerst werd getrokken door een Eikvaren op een iep aan de Korte Prinsengracht in Amsterdam. Meestal is mijn blik omlaag gericht, speurend naar muurplanten. Nu en dan wordt mijn aandacht getrokken door een fietser, een auto, een meerkoet in het grachtenwater. Deze keer merkte ik een boomkruiper op, die langs de bast van de Iep zijn gang maakte op zoek naar iets eetbaars. Op dat moment ontwaarde ik mijn eerste Eikvaren, die daar hoog in de Iep zat. In de jaren die volgden, ontdekte ik steeds meer boombewonende Eikvarens. In 2010 startte ik een systematisch onderzoek. Ik fietste alle grachten in de binnenstad af, waarbij ik iedere boom bekeek, daarna ging ik de 20de-eeuwse wijken in.”

Eikvarens op bomen in de binnenstad van Amsterdam. De stand van zaken in 2017! Illustratie: Valentijn ten Hoopen

De rondgang langs bomen, 2500 in getal, is een terugkerende bezigheid. Ieder jaar levert dat meer bomen met eikvarens op, bij de start 124 stuks en oplopend tot 314 in 2017. De grachtengordel is hofleverancier, daarbuiten zijn ze veel minder te zien. Duidelijk is dat de leeftijd van bomen bepalend is; alleen bomen die voor 1965 zijn aangeplant zijn door hun omvang en meer gegroefde bast geschikt voor eikvarens. De oudere bomen leveren meer beschutting met een rijker mosdek waarin meer vocht- en voedingsstoffen neerslaan. Iepen blijken de perfecte boom, daarop huizen de meeste exemplaren maar ook Platanen en Schietwilg zijn geschikt.

De stad als natuurgebied … ‘code rood’ voor Wolfskers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De stad een natuurgebied? Tja … zo zou je het kunnen zien, of niet natuurlijk. Hoe je het ook bekijkt het stedelijk gebied biedt meer dan menigeen denkt ‘onderdak’ aan speciale inheemse soorten. Naast opportunisten, zeg hardcore stadsplanten, die overal opbloeien, is de stad evenzeer het domein van opmerkelijke specialisten. Daartoe behoren muurplanten, van origine rotsplanten, die bij ons in het laagland hun heenkomen vinden op bouwwerken. Maar steden herbergen meer ongewone plantengemeenschappen.

Een vergeten groep omvat zeldzame ruigtekruiden die aan historische grond hechten. Daarin huizen planten die verrommelde, verstoorde, stikstofrijke stenige plekken verkiezen. Waar de oude stad in rust is én waar wildgroei de ruimte krijgt kunnen zij opbloeien. Deze plekken zijn schaars, en soms voorhanden rond kerken en kloosters, aan de voet van oude stadsmuren, ruïnes en fortificaties. Daar komt de rijkdom in beeld. Stinkende ballote is min of meer vaste waarde en karakteristiek. Daarbij voegen zich Stinkende gouwe, Moederkruid, Gewone klit en een keur aan incidenteel optredende bezienwaardigheden als: Absintalsem, Bilzekruid, Gifsla, Groot glaskruid, Hartgespan en Wolfskers.

Het is een imposant gezelschap, waarbij Wolfskers er het meest uitspringt. Van nature is Wolfskers een bosplant, die open plekken in loofbossen inneemt. Nederland ligt aan de rand van het areaal, met in Zuid-Limburg enkele voorposten. Maar buiten dit bereik is Wolfskers ook al eeuwen lang een vertrouwde gast in onze steden. De plant raakte hier in de middeleeuwen verzeild; als artsenijgewas maakte hij de gang naar kruidentuinen. Op enkele kweekplaatsen van het eerste uur – in hofjes, in kloostertuinen, nabij botanische tuinen – duikt Wolfskers nu nog altijd op. Zo zijn er meldingen uit Maastricht, Breda, Amsterdam, Leeuwarden en bovenal Utrecht. In de Domstad zijn er op wisselende en vaste locaties jaarlijks vondsten, maar zelfs in dit hoofdkwartier is de soort een zeldzaamheid en kwetsbaar. Voor heel Nederland geldt voor Wolfskers ‘code rood’; op alle standplaatsen is ze sterk bedreigd. Om die reden is Wolfskers als nieuw te beschermen plant aan de Wet Natuurbescherming toegevoegd. Dit is de nieuwe natuurwet, die sinds januari 2017 van kracht is, waarin veel andere bijzonderheden, waaronder Tongvaren, Zwartsteel, Steenbreekvaren juist hun bescherming verloren.

In onze steden is Wolfskers een zeldzaamheid. Soms duikt ze op in oude stadskernen, hier in Amsterdam nabij de Hortus.

 

Wolfskers met gele bloemen (varieteit lutea) in de Willem Merkxtuin, een kleine groene oase in de binnenstad van Breda. Foto Aad van Diemen

Wolfskers, met de wetenschappelijke naam Atropa bella-donna, is een vaste plant uit de nachtschadefamilie. De hele plant bevat giftige alkaloïden. Uiterst gevaarlijk zijn de bessen, die het bekende alkaloïd atropine bevatten. De benaming bella-donna, schone vrouw, verwijst naar de werking van atropine. Het druppelen van sap in de ogen laat ogen glanzen en zorgt voor wijde pupillen. Wolfskers draagt klokvormige, paarse, incidenteel gele bloemen. De bloei is van juni tot augustus, daarna ontwikkelen zich de bessen die tot in de winter zichtbaar zijn. Ga eens op zoek in Utrecht.

Een uitzonderlijk onkruid in heemtuinen

 

Nederland telt veel heemtuinen, meer dan 150. Thijsse gaf de aanzet; hij kwam met het idee van een educatief plantsoen dicht bij de mens. De nadruk moest niet liggen op de soorten. Het tonen van plantengemeenschappen, daar ging het hem om. Zo ontstond Thijsse’s Hof in Bloemendaal (1925) en De Braak/Thijsse Park in Amstelveen (1939/1950). Een heemtuin oogt heel natuurlijk, maar niets is toeval. De regie is strak, alles wordt er nauwkeurig gearrangeerd. Dat ziet er voor de bezoeker spannend uit, maar verrassende ontdekkingen levert een heemtuin niet op. Het levert ook een paradox op: overal staan wilde planten, maar echt wild zijn ze niet. Slecht sporadisch verschijnt er iets wat er niet thuishoort en een enkele keer zorgt dat voor opwindend nieuws. Uitzonderlijk is Kruipende basterdwederik Epilobium komarovianum (syn. Epilobium inornatum). Deze soort gaat al decennia schuil in heemtuinen en is steeds zijn eigen weg gegaan. Het was eertijds fameus, nu vergeten, maar het verhaal is nog altijd speciaal. Amstelveen herbergt een historische populatie.

Kruipende basterdwederik is een sierlijk plantje, met fijne, bleekroze alleenstaande bloempjes en ranke vruchten op lange stelen. Bloeitijd juni-juli.

Kruipende basterdwederik is een ‘ver-van-mijn-bed soort’; ze komt uit Nieuw-Zeeland. Als rotsplantje is het naar Europa gehaald. Vanuit cultuur volgde de verwildering; in Engeland werd de eerste ‘escape’ in 1908 opgetekend, daarna in Schotland, Wales en Ierland. In 1932 was het raak in Nederland. In verwilderde staat pikte een florist haar op in het Cantonspark in Baarn. In de jaren vijftig volgen er in ons land meer vondsten, met Amstelveen in het middelpunt. In het heemgroen floreerde het plantje op open, vochtige tot natte, venige grond. In het botanisch vakblad Gorteria (1963: pg. 93-95) komt de geschiedenis tot leven. Directeur Broerse van de Dienst der plantsoenen verhaalt “hoe deze basterdwederik twintig jaar eerder, ergens rond 1930, ongewild in het heempark moet zijn aangevoerd, hoe het zich handhaafde en explosief uitbreidde.” Bij het uitruilen van plantgoed tussen de heemtuinen heeft het plantje zijn verdere rondgang gemaakt, in Thijsse’s Hof en in de heemtuinen in Westzeedijk-Rotterdam, Kethel-Schiedam en Leeuwarden. Buiten het heemgroen is ze nooit doorgedrongen en zo een exclusiviteit voor heemtuinen gebleven. Als zodanig staat ze ook te boek in de Heukels’ flora van Nederland.

pentekening Kruipende basterdwederik

Na de energieke start, ruim driekwart eeuw geleden, is het stil geworden rond kruipende basterdwederik. Buiten het heemgroen van Amstelveen is ze waarschijnlijk nergens meer bestendig aanwezig. In de laatste editie van de Nederlandse flora is ze in de kleine lettertjes terug te vinden; het voorland van een exit. Maar dat laatste lijkt vooralsnog niet aan de orde. In Amstelveen is het plantje veiliggesteld; de beheerders geven het onkruid gedoseerd de ruimte. Ze hebben haar omarmd als botanisch erfgoed. Kruipende basterdwederik is misschien wel het meest speciale plantje binnen het Amstelveense groen.