Home » bijenplant

Tag: bijenplant

Kruidenthee uit de straat

Het was mij al opgevallen dat de citroenmelisse in de tuin het de laatste jaren steeds beter deed. Hij zaaide zich zelfs spontaan uit, ook naast het schuurtje. En als je er dan op gaat letten, ja dan zie je hem steeds vaker – bekend verschijnsel-, ook buiten de tuin. Sinds 1990 is de plant onopvallend een echte stadsplant aan het worden (volgens ‘Stadsflora’ van Ton Denters).

Dat onopvallende tekent de citroenmelisse. Het is een lipbloemige, met kleine, onopvallende witte bloemen, die in halve kransen om de stengels staan, zie de eerste afbeelding. De jonge planten worden in het voorjaar wel eens voor brandnetel versleten, even voelen en even ruiken en je weet het goede antwoord. Als de citroenmelisse niet is afgemaaid, blijven de bloeistengels heel lang stevig overeind staan, daar kun je hem in het voorjaar ook wel aan herkennen. In een later stadium verschijnen talloze zijtakken met veel kleinere bladeren, en nog later de bloemkransjes. Vanaf half juni kun je de roomwitte, in knop wat gelige bloemen verwachten. Z’n wortelstok is best stevig te noemen.

Jonge citroenmelisse.

De Melissa officinalis is een geneeskrachtige plant, hetgeen al eeuwenlang bekend is. De naam ‘officinalis’ duidt daarop, want dat verwijst naar apotheek. De plant is dan ook via kloosters naar West Europa gekomen, hij komt oorspronkelijk, zoals zoveel stadsplanten, uit warmere streken. De monniken maakten er ‘Karmelietenwater’ van, dat beschouwd werd als een wondermiddel voor buikpijn, hoofdpijn, nervositeit en zwaarmoedigheid. Nog steeds is ‘melissegeest’ te koop. De etherische olie uit melisse moet je zien te vangen in een destillaat, vandaar dat ‘geest’.

‘Melissa’ komt uit het Grieks en betekent honingbij, het was de oude Grieken al opgevallen dat honingbijen erg van deze plant houden. En dan gaat het niet alleen om de nectar, een nieuwe kast voor de bijen wrijven imkers vaak in met citroenmelisse, de bijen voelen zich er dan snel thuis. Vooral van belang als je een bijenzwerm wilt huisvesten. In het boek ‘Groene genade’ beschrijft Jan Graafland hoe citroenmelisse je steviger in je vel laat zitten.

Zo kom ik weer bij de geneeskracht van de melisse. Het werkt ontspannend en kalmerend, kan ingezet worden bij angsten, depressie, en slapeloosheid. Ook is het ontkrampend voor maag en darmen, vooral bij klachten met een nerveuze oorsprong: denk aan buikpijn hebben van de zenuwen. Ook handig: het is werkzaam tegen het herpes-virus van de koortslip.

Later in het jaar komen de zijtakjes met kleinere bladeren.

Thee zet je het best van de jonge bladeren, vooral als het je om de heilzame werking gaat. Gedroogd verliezen de bladeren veel van hun aroma en verminderen de geneeskrachtige eigenschappen omdat die vooral in die vluchtige olie zitten.

Als het je wat teveel is geworden, al die kruidengeneeskunde, neem dan gerust een kopje citroenmelissethee om te kalmeren, het groeit misschien al in je eigen straat.

Kling klokje klingelingeling

Toen Erik van der Hoeven en ik zo tien jaar geleden serieus naar stadsplanten begonnen te kijken, als een soort subgroepje binnen de plantenwerkgroep in Breda, kwamen we hier en daar het kruipklokje (Campanula poscharskyana) tegen. Van jaar tot jaar zagen wij het aantal planten toenemen en zich verspreiden over over de stad en het buitengebied. Dit tot onze vreugde en wij hieven dan het lied aan met de tekst zoals die in de titel van dit stukje staat. Meer tekst hebben we niet. Het betere is de vijand van het goede, moet u maar denken.

Er blijkt in de verspreiding van het kruipklokje wel een voorkeur voor een stenige, warme omgeving. Je ziet dit klokje nauwelijks verwilderd in natuurgebieden.

Kruipklokje goed voor diverse soorten bijen

Ik houd me ook bezig met het inventariseren van wilde bijen, en was benieuwd of dit klokje ook aantrekkelijk was voor bijen. Recent ontdekte ik op diverse plaatsen op de begraafplaats Zuylen in Breda flink uitgegroeide kruipklokjes op diverse plaatsen. Deze werden behoorlijk bezocht door een diversiteit aan wilde bijen: diverse hommels, groefbijen, zandbijen en klokjesbijen. De lange bloeitijd van het kruipklokje maakt hem des te waardevoller.

Kortom, een reden te meer te zingen over dit klokje.

 

Mahonia en mahonie

Al vroeg in de winter, vaak al in november, begint de mahonia geel te kleuren en de hele winter door blijft hij tussentijds ‘gas geven’. Uiteindelijk zal de struik in het vroege voorjaar volop gaan bloeien en vrucht zetten. Er zijn maar weinig struiken die zo een lange bloeitijd kennen. Mahonia is matig vertakt maar dichtbebladerd. De bladen zijn geveerd met vijf tot negen blaadjes. Alleen het topblaadje is gesteeld. De blaadjes zijn taai, leerachtig, glanzen en hebben scherpe stekelpuntige bladtanden. Hoewel mahonia groenblijvend is, verkleuren de bladeren toch in de herfst: van dofpurper tot dieprood. Dat maakt de struik te meer aantrekkelijk als tuinstruik.

De bladen vallen niet af maar verkleuren wel

De bloemen zijn goudgeel, aangenaam geurend en talrijk. Ze staan in trossen. In het voorjaar vormen ze een waardevolle voedselbron voor insecten; vooral voor de diverse soorten hommelkoninginnen. De meeldraden zijn tactiel: ze klappen bij aanraking plotseling naar binnen. Daardoor raken de bezoekende insecten met stuifmeel overladen.

De bloemen zijn aantrekkelijk voor vroege bijen zoals hommels

De vruchten zijn blauwzwarte bessen die door vogels worden gegeten. Die poepen de zaden weer uit en zo kan de struik overal verschijnen. Omdat de struik ook door de gemeente nogal eens wordt aangeplant, zijn ‘tuinplant’ en ‘verwildering’ in de plantsoenen, niet meer uit elkaar te houden. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit het Westen van Noord-Amerika, maar is inmiddels in West-Europa plaatselijk ingeburgerd. Dat wil zeggen dat hij niet algemeen is.

Mahonia behoort tot de berberisfamilie. Dit is in Nederland een kleine familie met maar één inheemse soort; de zuurbes (Berberis vulgaris). De wetenschappelijke naam van mahonia is Berberis aquifolium. ‘Berberis’ en is afgeleid van ‘barbaris’, een Arabisch woord voor de plant. ‘Aquifolium’ betekent ‘met scherp blad’.

De Nederlandse naam ‘mahonia’ komt van Bernard MacMahon, Iers-Amerikaanse kweker (1775 – 1846). Deze naam heeft niets te maken met de houtsoort en de diverse boomsoorten ‘mahonie’. Al de mahoniesoorten behoren tot Meliaceae, de mahoniefamilie, die uitsluitend in de tropen en subtropen voorkomt.

De naam van de boom ‘mahonie’ is afgeleid van ‘mahagoni’. Dat woord is indiaans, mogelijk van de eiland-Arowakken van Puerto Rico en heeft dus een heel andere etymologie dan van onze struik ‘mahonia’.

een andere mahonia met meer deelblaadjes

Mahonia komt in Breda algemeen voor. Dat weten we omdat de aanwezigheid makkelijk is vast te stellen door het zeer speciale blad, dat in de winter nog meer opvalt, want de struik is groenblijvend. In de meeste gevallen staat het struikje er niet fraai bij, want moet hij genoegen nemen met een klein plekje in een ligusterhaag of onder andere struiken in het plantsoen. Krijgt hij wel een plek in de zon, dan staat hij schitterend geel te stralen in het vroege voorjaarslicht.

 

Naschrift

Rutger Barendse schreef me dat ik een plaatje van een ander soort mahonia had opgevoerd in mijn oorspronkelijke versie. Dat is de foto waar nu ‘andere mahonia’ bij staat. In mijn onschuld was ik er vanuit gegaan dat er maar een soort was. Volgens Rutger kan het  Berberis x media of B. japonica zijn.  Deze verwilderen nauwelijks volgens hem. Als je het eenmaal weet, is het verschil niet moeilijk. Deze tuinplant heeft veel meer deelblaadjes. De punten van dit blad zijn vlijmscherp, zoals ik inmiddels weet uit ondervinding. Rutger heeft het goed gezien, het is de Berberis x media.

Het blad met de vlijmscherpe punten van Berberis x media