Home » Deens lepelblad

Tag: Deens lepelblad

Van kust naar binnenland

Van kust naar binnenland.

Wat heeft dat met de stad te maken kan worden afgevraagd? Onder binnenland valt ook binnenstad. Wat betreft Deventer ligt dat behoorlijk ver in het binnenland. Wat betreft planten zijn een aantal typisch kustsoorten tot in de binnenstad te vinden.  Denk bijvoorbeeld aan een typische kustsoort als Deens lepelblad.
Voor de nog uit te geven Stadsflora van de Lage landen had de schrijver mij gevraagd om eens wat gegevens te gaan bekijken van een aantal soorten, waaronder Deens lepelblad (Cochlearia danica). Uiteindelijk is deze soort als een van de soorten die wat extra aandacht krijgen uit de selectie gevallen. Ik was echter al aan de slag gegaan en vond het zonde om die inspanning niet om te zetten in, bijvoorbeeld, een bijdrage aan deze blog.
Deens lepelblad is in Deventer al bijna in de oude binnenstad aanwezig, zoals de volgende foto laat zien.

Deens Lepelblad
Deens Lepelblad op de rand van het stadscentrum (Handelskade) in Deventer. 500 meter in de kijkrichting is de singel rondom het centrum van Deventer.

Data over verspreiding van Deens lepelblad

De vraag van de schrijver van de Stadsflora van de Lage Landen was: is het mogelijk om verspreidingskaatjes van soorten te maken in zowel Nederland als Vlaanderen? De Stadsflora van de Lage landen behandelt naast Nederlandse stand ook een aantal steden in Vlaanderen. Aanvullende vraag was: is het mogelijk om een aantal overzichtskaartjes te maken van de verspreiding in de tijd van die soort in zowel Nederland als Vlaanderen? Dat zijn de leuke vragen voor een florist met GIS ervaring. Maar waar haal je de data vandaan? Eigenlijk is er maar een bron die open data beschikbaar maakt en dat is de GBIF, ofwel de Global Biodiversity Information Facility. Via GBIF is het mogelijk om gegevens van een bepaalde soort te downloaden voor een bepaalde periode voor een opgegeven interessegebied. Nu, Nederland en Vlaanderen dan maar. Tot mijn verbazing gaan de oudste gegevens terug tot 1850 voor Vlaanderen. Die standaardisatie heeft als voordeel dat alles geüniformeerd is, dus ook het coördinaatstelsel. Hier wordt verder niet op ingegaan omdat dat totaal niets met de soort te maken heeft, maar het maakt voor het maken van kaartjes nogal wat uit, het maak het gemakkelijker.

Die gegevens maken het mogelijk om in de tijd te gaan kijken wat er gebeurd in termen van verspreiding. Deze optie is ook in de verspreidingsatlas te vinden is. Met het schuifje aan de linkerkant van de kaart is het mogelijk door de ‘tijd te lopen’. Alleen ben je als gebruiker dan wel afhankelijk van wat er in Nederland gebeurd. Goed, als je een beetje handig bent is het mogelijk om dat van de soort over de hele wereld te doen, of zoals in dit geval, voor Vlaanderen en Nederland. Dan valt op dat Deens lepelblad rond 1900 alleen aan de kust werd gevonden. In Nederland alleen op Texel en vanaf 1850 zijn waarneming in de GBIF database voor Vlaanderen beschikbaar.

Alle kaartjes toevoegen aan deze blog is een beetje saai. Echter een aantal kaartjes achter elkaar geplakt, maakt een filmpje. Ik geloof het eerste filmpje op deze blog. Planten bewegen, zij het in de tijd en niet als individu, maar als soort.
Hieronder een video van de verspreiding van Deens lepelblad over Nederland en Vlaanderen van 1900-2020.

Eigenlijk gebeurd er de eerste 60 jaar niet veel. Een paar waarnemingen langs de kust. Dan gaat het snel. Vanaf 1970 is op grote schaal gladheidsbestrijding gestart met als gevolg dat het voor planten, met een zekere zouttolerantie, mogelijk wordt om naar het binnenland te migreren. Dat geldt ook voor Deens lepelblad.
Er is slechts een maar aan die data van GBIF. De gegevens zijn geaggregeerd naar 4 km resolutie. Ofwel, eigenlijk zie je de snelwegen er niet echt goed uitkomen, dat is wel een beetje jammer. Als wordt ingelogd op verspreidingsatlas.nl en er wordt naar 1 km hok niveau geschakeld, dan is heel duidelijk te zien dat verspreiding langs snelwegen gaat, zoals bijgaande figuur laat zien.

Verspreidingskaartje Deens Lepelblad
Verspreidingskaartje Deens Lepelblad (1975-1999)

De soort

Deze laagblijvende en witte kruisbloemige kwam tot voor 1950 vrijwel uitsluitend voor langs de kust. Deens lepelblad is door zijn standplaats, voedselrijke, iets zilte, vaak kalkhoudende grond, van de twee andere soorten lepelblad de meest voorkomende. Echt lepelblad (Cochlearia officinalis subs. officinalis) en Engels lepelblad (Cochlearia officinalis subs. anglica) hebben striktere eisen en gaan vooral achteruit door verzoeting (Bron: verspreidingsatlas).

In het kustgebied is het mogelijk de drie soorten tegelijk aan te treffen. Dan is het zaak goed te kijken naar de kenmerken, die hieronder in een tabel zijn samengevat (bron verspreidingsatlas.nl).

Zoutplant of zouttolerant?

Vaak wordt de term zoutplant gebruik. Echter, zout is ronduit giftig voor alle organismen en er zal altijd voor gezorgd worden dat zout buiten de cellen blijft. Dat er dan toch planten kunnen groeien op plaatsen met veel zout, heeft te maken met verschillende strategieën die planten hebben om dat zout kwijt te raken of te voorkomen dat het vocht onttrekt aan de cellen.  Planten die dat goed kunnen hebben een voorsprong op andere planten waardoor hun concurrentiepositie toeneemt en deze soorten op plaatsen met zout net iets beter groeien en zich voortplanten dan andere soorten. Dat geldt zeker ook voor Deens lepelblad, gezien het succes tot ver in de binnenstad.

Migranten

Ook onder planten is de migratiedruk hoog. In de loop van eeuwen zijn er heel veel planten bijgekomen en weer verdwenen. Als je mensen, die maar ook iets van planten afweten, vraagt naar een voorbeeld van migrerende planten, noemen ze vaak Bezemkruiskruid (Senecio inaequidens). Het is een relatief jong voorbeeld van succesvolle migratie. Van origine komt deze plant uit Zuid-Afrika. Na 1970 heeft deze plant zich in Nederland razendsnel verspreid via spoor, weg en water. Met als resultaat dat Bezemkruiskruid nu een normale verschijning is in de stad.

Via ons dicht bespoorde Nederland verspreiden zich meer soorten die je tegenwoordig overal tegen komt. Denk maar aan Wilde reseda (Reseda lutea) of aan Vlasbekje (Linaria vulgaris).

Ook de grote Rivieren, Rijn, Maas en Waal zorgen voor een prima verspreiding. De naam van dit voorbeeld zegt het al: Rivierkruiskruid. Op het verspreidingskaartje van Floron zie je precies de loop van deze rivieren terug.

Deens lepelblad (foto AvD)

Een echt heel leuke waarneming in de stad is Deens lepelblad (Cochleraria danica). Vroeger een toch wel zeldzaam plantje. Nu een echte “pekelplant”. Doordat we nogal royaal strooien op de autowegen en Deens lepelblad zoutminnend is kan deze plant zich over de rest van Nederland verspreiden. Ons wegennetwerk is op menig verspreidingskaartje dan ook goed te zien.

Ook honderden jaren geleden zijn planten ons land al binnengekomen. Een goed voorbeeld is Harig knopkruid (Galinsoga quadriradiata). Deze plant werd al in de 19-de eeuw ingevoerd uit Zuid- en Midden-Amerika. Door diverse oorlogen is Knopkruid letterlijk Europa binnengewandeld. De plant ontleent zijn naam aan Ignacio Mariano de Galinsoga. Deze Spaanse arts aan het hof was ook beheerder van de botanische tuinen in Madrid. Vanuit die tuin ontsnapte de plant. Harig knopkruid werd in 1925 voor het eerst in Nederland gezien. Nu is deze plant overal in de stad een gewone verschijning.

Gele maskerbloem (Mimulus guttatus) en Gewoon sneeuwklokje (Galanthus nivalis) zijn maar twee voorbeelden van de vele soorten die ooit in botanische tuinen zijn geplant. Vaak vanwege uiterlijke schoonheid of geneeskrachtige eigenschappen. Maar altijd “ontsnapten” deze planten en zo verspreidden ze zich over heel het land.

Ook door ons uitbundige reisgedrag nu en in het verleden krijgen veel planten de kans zich te verspreiden. Strandrupsklaver (Medicago littoralis) blijkt een echte campingadventief te zijn. Door intensief heen-en-weer-gesleur van caravans worden de zaden van deze plant overal in Europa verspreid. Goed voor te stellen is dat door ons intensieve reisgedrag veel zaden van andere planten ook worden verspreid.

Als laatste moeten toch de invasieve exoten genoemd worden. De Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica) en de Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides) zijn maar enkele voorbeelden. Deze zijn of ooit door botanisten meegenomen of ze zijn “ontsnapt” uit tuincentra. Een goed voorbeeld van zo’n geïntroduceerde plant is de Japanse duizendknoop. Philipp Franz von Siebold heeft deze plant al in 1823 uit Japan meegenomen naar de Hortus Botanicus in Leiden. Niet wetende dat dit een echte probleemexoot zou worden die nauwelijks te bestrijden is en zich steeds beter verspreidt door het als maar warmere klimaat. Grote waternavel is door de handel in vijver- en aquariumplanten over de wereld verspreid. Ook deze plant vaart wel bij het warmer wordende klimaat.