Home » Archieven voor februari 2020

Maand: februari 2020

Geschubde mannetjesvaren rukt op – een varen met een vlekje

 

De Geschubde mannetjesvaren rukt op in Nederland en is langzamerhand ook in de steden een regelmatig geziene gast. Soms in wat verwilderde groenstrookjes, soms gewoon langs groene paden tussen de huizen en een enkele keer op oude, verweerde muren. Het gaat daarbij om twee soorten die geen Nederlandse namen hebben: Dryopteris affinis en Dryopteris borrerri. Uit meldingen in de Nationale Databank Flora en Fauna, blijkt dat de soort in 1950 uiterst zeldzaam was. Zeven vondsten. In 1990 was sprake van 30 meldingen. Daarna zet een significante stijging in. In 2000 – 80, 2010 – 140 en vandaag de dag boven de 1000 meldingen per jaar.

Een Geschubde mannetjesvaren – in dit geval Dryopteris borreri – in een groenstrook in de stad.

De toename van het aantal vondsten is niet alleen te danken aan de uitbreiding van de soort, maar zeker ook omdat een aantal floristen gerichter is gaan zoeken en doordat er meer kennis is gekomen over een aantal veldkenmerken. De familienaam Dryopteris geeft al aan dat het om vertegenwoordigers uit de niervarenfamilie gaat. De naam “niervaren” duidt op de niervormige dekvliesjes over de sporenhoopjes. Andere varensoorten uit deze familie zijn o.a. Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), Kamvaren (Dryopteris cristata), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata) en Smalle stekelvaren (Dryopteris carthusiana).

Kenmerkend voor de varens uit de niervarenfamilie zijn de niervormige dekvliesjes over de sporenhoopjes. Rechtsboven is de zwarte vlek zichtbaar op de aanhechting van het deelblaadje aan de bladspil

Bij oudere planten is het in het veld vrij eenvoudig om de Geschubde mannetjesvarens te onderscheiden van de gewone Mannetjesvaren. Daarvoor moet je het blad omdraaien en kijken naar de aanhechting van de deelblaadjes aan de bladspil. Bij de Geschubde mannetjesvaren is daar een zwarte vlek aanwezig. Bij bladeren die nog niet volledig zijn ontrold is die zwarte vlek nog niet aanwezig. De winter is een goede tijd om Geschubde mannetjesvarens op het spoor te komen. In tegenstelling tot de gewone Mannetjesvaren is de Geschubde mannetjesvaren winterhard. Terwijl de bladeren van de Mannetjesvaren aan het begin van de winter afsterven, staan die van de Geschubde mannetjesvaren de hele winter fier overeind.

Op de aanhechting van het deelblaadje aan de bladspil is een zwarte vlek aanwezig

Tot nu toe heb ik het gehad over het herkennen van de Geschubde mannetjesvaren maar we hebben het dan eigenlijk over twee verschillende soorten en een aantal kruisingen tussen verschillende soorten. De twee soorten waar het om gaat zijn Dryopteris affinis en Dryopteris borreri. Onderzoek heeft nog niet geleid tot het vaststellen van veldkenmerken waarbij onomstotelijk kan worden vastgesteld met welke soort men te maken heeft. Er is één veldkenmerk waarvan de waarde steeds sterker wordt. Om dat veldkenmerk te kunnen onderzoeken moet je goed weten naar welk deel van de plant je moet kijken.

Het blad van de Mannetjesvaren en de Geschubde mannetjesvaren bestaat uit een bladsteel waaraan aan de linker en de rechterzijde deelblaadjes zijn aangehecht. Er moet gekeken worden naar het onderste deelblaadje. Dat bestaat uit een nerf waar aan de boven en de onderzijde bladsegmenten groeien: deelblaadjes van de 2e orde. Bij het determineren gaat het om het onderste bladsegment van het onderste deelblaadje dat zich het dichtst bij bladspil bevindt. Met een loep moet je dan kijken naar de aanhechting van het bladsegment aan de bladnerf. Indien het bladsegment is vergroeid met de bladnerf dan gaat het om Dryopteris affinis. Indien het bladsegment vrij staat gaat het om Dryoperis borreri.

Er moet worden opgemerkt dat de hier beschreven veldkenmerken een eerste resultaat zijn van onderzoek van de afgelopen twee jaar. Beduidend meer waarnemingen zullen aan moeten tonen dat het inderdaad gaat om een betrouwbaar veldkenmerk.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Muurvaren

Het is altijd leuk om muurplanten tegen te komen. In Zoetermeer is dat niet heel vaak. Dat komt omdat Zoetermeer als een nieuwe stad weinig oude muren heeft. Oude muren hebben spleten en gaten waar planten zich in kunnen vestigen, en ouderwets, vaak zachter cement.

Je zou misschien denken dat wij hier dan helemaal geen planten op muren zien, toch valt dat mee. Relatief nieuwe muren van zo’n 20 à 30 jaar oud, kunnen prima begroeid zijn. Het gaat dan om vochtige en schaduwrijke muren, zoals bv. kademuren.

Maar ik wil het hebben over de Muurvaren, Asplenium ruta-muraria, naast Mannetjesvaren de meest geziene varen op muren. Ik was blij verrast hem onlangs aan te treffen op de muurtjes rond de Oude Kerk uit 1783, in Zoetermeer. Doorgaans worden deze muren heel goed ‘schoongehouden’. Misschien dat men vanwege de renovatiewerkzaamheden aan de kerk hier al een tijdje niet aan toegekomen is. Het betekent dat muurvaren zich niet zo makkelijk laat wegpoetsen, al lijkt dat net na een boenbeurt wel zo.
De Muurvaren is een winterharde plant, dus in deze tijd van het jaar prima te vinden. Draai het blad dan ook even om, zelfs de sporenhoopjes aan de onderzijde van het blad zijn nu aanwezig.

Onderkant van het blad met de sporen.

De plant is goed te herkennen aan de bladeren, waaiervormig met een getand randje. De bladschijf in zijn geheel is driehoekig tot ruitvormig. De soortaanduiding: ‘ruta-muraria’ betekent: op muren groeiende ‘ruta’, waarbij ‘ruta’ staat voor ruit. Ik denk dat dit verwijst naar de vorm van de deelblaadjes, maar eerlijk gezegd vind ik de blaadjes van Ruta (wijnruit) best iets weghebben van de blaadjes van Muurvaren. Dat zal komen door de textuur, glimmend, beetje leerachtig.

Het begin is er!

De geslachtsnaam ‘Asplenium’ komt van het Latijnse ‘splen’, dat milt betekent. Deze varens werden ooit gebruikt bij ziekten van de milt. Of dat voor alle vertegenwoordigers van dit geslacht geldt? Geen idee.
Je vindt Muurvaren dus op muurtjes. Ook op wat zonniger kanten. Waar geen muren zijn, groeit de varen op kalkrijke rotsen.
Hij stelt geen hoge eisen aan z’n standplaats. Bij de bouw van stenen steden kon hij moeiteloos ‘overstappen’, en een echte stadsplant worden.

Kerstrozen en nieskruiden

Kerstroos op een begraafplaats te Aachen. Nog vroeger dan Krokus.

In de winter, en zeker zo’n zachte als deze van 2019-2020, komen de Kerstrozen al weer boven de grond met als eerste hun bloeistengel.  Maar zijn meer wintervroege Helleborussen, nieskruiden. Een beetje tuinliefhebber heeft ook een Nieskruid (Helleborus) in de tuin en sommigen zelfs meer soorten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er wel eens eentje verwildert en dan vooral in het mildere klimaat in en rond de steden. Botanisten staan dan al gauw met de mond vol tanden. Dat het een nieskruid is dat weten ze wel, maar welke?

Stinkend nieskruid. Verwilderd bij Borgloon. De plant heeft vele gewone bladeren langs de overblijvende bovengrondse stengels.

Het geluk bij deze kwestie is dat bijna alle échte soorten, we laten nu de vele gekweekte hybriden even buiten beschouwing, in Europa  voorkomen en dat daar ook een zeer degelijke flora voor bestaat: Flora Europaea. Bovendien is dat het recentste boek, 1993,  uit deze 5-delige serie en het enige gereviseerde deel. Dat lijkt oud, maar er zijn heel wat oudere delen ook.  Ik vertaalde de sleutel en voegde wat extra info toe om het iedereen wat gemakkelijker te maken: https://waarneming.nl/soort/info/196853 . Lees ook graag de eerdere Stadplantenpost De-a-van-aquilegia-akelei  als het gaat om het updaten van dergelijke soortbeschrijvingen.

Wrangwortel, hier in het wild bij Esneux, heeft ook alleen echt blad, hier nog samengevouwen, aangehecht op de ondergrondse delen. De rest van het bladeren die je ziet zijn schutbladeren.

Terug naar die onbekende Nieskruiden. De algemeenste in Nederland en België zijn Wrangwortel en Stinkend nieskruid. Deze worden nogal door elkaar gehaald, maar het onderscheid is vrij gemakkelijk. Wrangwortel heeft geen stengelbladeren en in de winter geen blijvende bovengrondse delen. Stinkend nieskruid wel. De bloemen van Wrangwortel zijn groot en eenkleurig groen en staan vrij wijd uiteen. Die van Stinkend nieskruid zijn geclusterd en meestal overhangend, klokvormig en vaak rood gerand. Overigens zijn beide soorten inheems in België ,vooral Wallonië, en uitheems in Nederland.   Beide soorten zijn in Nederland niet echt stadsplanten, maar eerder stinzenplanten.

Helleborus orientalis agg. , hier bij Landen (B.), is er in vele kleuren. Van wit, groen, tot rood, paars en donkerbruin.

In potten, maar ook recht in de grond in vele tuinen en bijvoorbeeld op begraafplaatsen, is in deze tijd van het jaar de bloeiende Kerstroos te vinden. Ze valt op door de grote witte bloemen, maar vooral door het enkelvoudige steunblad. Daarmee vallen vele andere soorten Helleborus af. Echt verwilderen doet Kerstroos niet, maar ze wil nog wel eens in een bosrandje staan waar iemand tuinafval kwijt moest. Daar kun je ook planten vinden die gerekend worden tot Helleborus orientalis agg.  Dit is een lastig complex omdat kwekers deze planten nogal onder handen namen. Er zijn er met dubbele bloemen en in vele kleurschakeringen en de overgangen tussen wat kruisingen Helleborus x hybridus en de echte Helleborus orientalis lijken te zijn, zijn vrij algemeen.

Helleborus lividus in Antwerpen tussen de tegels. Hier mogelijk de ondersoort lividus vanwege de minder getande bladeren.

Als je daadwerkelijk rond de stadstuinen en stadsparken gaat neuzen kun je nog vreemdere soorten vinden. Tussen de tegels in steegjes vind je dan nog wel eens Helleborus lividus. Het blad is overblijvend, dik, glimmend groen, staat langs bovengronds blijvende stengels. Er bestaan twee ondersoorten. De meeste in Nederland en België behoren  tot subsp. corsicus vanwege de steevast zeer sterk getande bladrand. Recent (in 2010) is ook een andere vreemde vogel opgedoken in Nederland:  Helleborus cyclophyllus . Dit vereist studie van de vruchten, geur van de bloemen en natuurlijk ook van de bloeiwijze en het blad en schutblad. Dat er in de toekomst nog een aantal soorten zouden kunnen verwilderen is niet ondenkbaar en hopelijk helpt de sleutel van nies!kruid (gezondheid!) daar een beetje mee.

 

Stoeptegelspleetplant

“Is dat een plantje? Ik dacht dat het een mos was.” Ik hoor dit regelmatig als ik iemand wijs op die groene sterretjes  tussen de stoeptegels. Ik begrijp dat helemaal want het is een van de kleinste landplanten van Nederland en Liggende vetmuur (Sagina procumbens) bloeit lang niet overal altijd. Daarnaast nestelen zich ook mossen in diezelfde stoeptegelspleten, zoals Smaragdsteeltje en Zilvermos. Maar, Liggende vetmuur is dus wel degelijk een plantje. Als je het tussen de stenen uitpeutert kun je zien dat de blaadjes niet doorschijnend zijn, want meer dan een cellaag dik, en dat de plantjes worteltjes hebben. Als je een exemplaar treft in bloei of vrucht is het helemaal duidelijk.

Typisch Liggende vetmuur, als stoeptegelspleetplant tussen de mosjes

Maar, waarom groeit Liggende vetmuur tussen die stoeptegels en die andere planten niet? In de eerste plaats omdat hij klein genoeg is om in die spleten weg te kruipen en zijn dunne worteltjes passen in de spleten. Ook verder biedt een stoeptegelspleet een omgeving waar dit plantje kan gedijen: stikstofrijk, zonnig maar toch wat vochtig zonder concurrentie van andere planten. Er zijn weinig andere planten die het daar ook uithouden en zo kan de Liggende vetmuur de stoeptegelspleten mooi koloniseren. Behalve tussen de stoeptegels groeit Liggende vetmuur ook op open zandige plekjes.

Liggende vetmuur bloeit met tere beige-groene viertallige bloemetjes. Met dat viertallige zijn de vetmuren een uitzondering in de Anjerfamilie waar de bloemen standaard vijftallig zijn zoals bij hoornbloemen en koekoeksbloemen. Maar, als je goed kijkt, vind je wel de typerende bloeiwijze van gevorkt bijscherm van de Anjerfamilie: bij iedere splitsing staat een bloemetje tussen de twee takken.

Liggende vetmuur – Sagina procumbens

Liggend-donker-uitstaand

Voordat je nu alle groene sterretjes Liggende vetmuur noemt, wijs ik nog even op Donkere en Uitstaande vetmuur die in de stad ook regelmatig voorkomen. Liggende vetmuur kruipt meer en vormt wortelende uitlopers. Ook zijn tijdens de bloei groene rozetten aanwezig. Donkere en Uitstaande vetmuur vormen geen uitlopers, als ze de kans krijgen groeien ze meer rechtop. Tijdens de bloei is hun bladrozet vaak al verschrompeld. De verschillen tussen Donkere en Uitstaande vetmuur zijn:

  • Uitstaande vetmuur: veel kelkbladeren hebben roze randjes en staan na de bloei af. De doosvrucht steekt ruim buiten de kelk uit.
  • Donkere vetmuur: kelkbladeren hebben witte randjes en liggen na de bloei tegen de vrucht aan. De doosvrucht steekt <10% buiten de kelk uit. Donkere vetmuur is wat tengerder dan Uitstaande.
Donkere vetmuur (links) en Liggende vetmuur (rechts) – Sagina apetala en Sagina procumbens.

In iedere straat, maar niet tussen iedere tegel

Liggende vetmuur is heel algemeen. Hij is in bijna iedere straat wel ergens te vinden tussen de stoeptegels of de klinkers. Maar, niet iedere steenspleet voldoet. Ik hoopte dat Liggende vetmuur de ruimte tussen de stenen in mijn achtertuin zou koloniseren, maar dat deed hij niet; waarschijnlijk is mijn tuin te schaduwrijk.

Liggend vetmuur – Sagina procumbens. Zelden heb ik zo’n mooi bloeiend plukje gezien, gevonden naast een lantaarnpaal nabij station Schiedam.