Home » Archieven voor Willemien Troelstra

Auteur: Willemien Troelstra

In 2009 pakte ik het inventariseren van wilde planten op. Sinds 2011 ben ik districtscoördinator voor FLORON in Zuid-Holland Zuid en organiseer ik excursies, cursussen en avonden. In 2014 startte ik de Rotterdamse Florawerkgroep. Iedere veertien dagen inventariseren we een km hok in Rotterdam. Wilde planten zijn mijn hobby; daarnaast ben ik duurzaamheidsadviseur bij stichting Stimular.

Plakkerig in de stad – appelig in het bos

Ik heb een zwak voor Kleverig kruiskruid: charmant uiterlijk met dat mooi ingesneden, dicht behaarde blad en gele bloemhoofdjes en tegelijk wat onvoorspelbaar in zijn voorkomen. In Rotterdam kom ik hem regelmatig tegen, maar zeker niet bij iedere inventarisatie, waardoor ik iedere keer denk: hé, daar is ie weer, leuk!

Kleverig kruiskruid is echt zo’n plant die iedereen een keer moet hebben aangeraakt om zich te verbazen en hem nooit meer te vergeten. Anders dan bij Kleefkruid, Klit en Kransnaaldaar gebruikt Kleverig kruiskruid geen haakjes, maar een kleverige vloeistof die door de massaal aanwezige klierhaartjes wordt uitgescheiden; en niet zo’n klein beetje ook. Het is een van de weinige planten in Nederland waar je echt plakkerige vingers aan overhoudt. Ik leerde Kleverig kruiskruid kennen op mijn eerste FLORON-kamp in Zeeland. Toen ik aan Wim van Wijngaarden vroeg hoe hij wist wat het was, waarop hij zei: “voel maar”. Niet dat Wim had gevoeld, die deed het toch op uiterlijk, net als ik dat nu doe. Ik laat nu op dezelfde manier mensen kennis maken met Kleverig kruiskruid voordat ik ze vertel welke naam erbij hoort.

Kleverig kruiskruid – Senecio viscosus

Hij stond daar in Zeeland op een karakteristieke groeiplek: een stenig talud van een sluizencomplex. De bodem onder de stenen is daar vochtig, maar de toplaag kan sterk opwarmen. Dit is een microklimaat dat sterk overeenkomt met de geröll-hellingen (rolsteen) in de Europese bergen, waar hij vandaan komt. Hoewel niet in een stad, was het wel een stedelijk stenig milieu. Kleverig kruiskruid weet zich op zo’n plek te handhaven omdat hij ondergronds een uitgebreid wortelstelsel maakt en bovengronds zijn dikke vacht gebruikt om de verdamping te beperken. Daardoor is hij in staat om te overleven op plekken die in de zon stevig kunnen opwarmen. In Rotterdam heb ik hem gevonden in hoekjes van parkeerplaatsen, waar net iets langer water blijft staan, tussen de beschoeiing langs de rivier en op een bestraat plateau waarvan het oppervlak een paar decimeter boven het water ernaast ligt. Op die laatste plek was ook veel Kleine leeuwenbek aanwezig, een soort die vaak als begeleider optreedt, onder andere langs de spoorlijnen.

Nog niet bloeiend Kleverig kruiskruid – Senecio viscosus. De kleverige beharing is als een wit waas zichtbaar. De bladslippen staan netjes tegenover elkaar. Boskruiskruidblad is wat onregelmatiger gelobd, lijkt meer op eikenblad, maar het verschil is subtiel.

De soort in Nederland die het meest op Kleverig kruiskruid lijkt is Boskruiskruid. Die heeft ook dichtbehaarde bladeren maar dan zonder plakkerigheid. Je kunt het verschil ook ruiken: een onaangename geur hoort bij Kleverig kruiskruid; een appeltjesgeur, volgens de Heukels citroengeur, wijst op Boskruiskruid. Er zijn meer verschillen zoals de standaard opgerolde lintbloemen van Boskruiskruid, terwijl Kleverig kruiskruid meestal ook hoofdjes met uitgerolde lintbloemen heeft. Als ze nog niet bloeien zijn de twee soorten wel lastig uit elkaar te houden op het zicht; maar even voelen geeft direct duidelijkheid.

Verspreidingskaartjes van Boskruiskruid (links) en Kleverig kruiskruid (rechts). Kleverig kruiskruid vooral in steden, stenige oevers en spoorwegen. Boskruiskruid beperkt zich tot de pleistocene districten (zandgronden). De patronen verschillen sterk maar er zijn gebieden waar beide regelmatig voorkomen.

Bovenstaande verspreidingskaartjes laten zien dat ik in Rotterdam weinig kans heb om Boskruiskruid aan te treffen. Boskruiskruid houdt duidelijk van de zandgronden en is volgens de oecologische flora, kalkmijdend. Dat is zichtbaar in de beperkte aanwezigheid in het rivierengebied en Zuid-Limburg. Opvallend is wel dat hij ook in de kalkrijke duingebieden van Zuid-Holland veel lijkt voor te komen, misschien op kalkarme standplaatsen. Kleverig kruiskruid is niet kalkmijdend en doet het juist langs de rivieren en in de steden goed, zoals het rechter kaartje laat zien. Ik ben tevreden dat Kleverig kruiskruid de stadse voorkeur heeft; daardoor zal ik nog regelmatig van al zijn glinsterende klierhaartjes kunnen genieten en andere mensen verrassen met zijn plakkerigheid.

Gevlekte scheerling verlaat de snelweg

In september 2011 vond ik, in Rotterdam op een zandige vlakte onder de A20 de verdroogde resten van een 2 meter hoge schermbloem. Op basis van de grootte en de bolle vruchtjes met ribbelrandjes was me snel duidelijk dat het de Gevlekte scheerling moest zijn, een soort die zich in een stevig tempo via de middenberm van ons snelwegennet uitbreidt. Gevlekte scheerling komt al van oudsher voor in Nederland; vrij algemeen in Zuid-Limburg, de duinen en het rivierengebied, elders zeldzaam. Dit verspreidingspatroon past bij zijn voorkeur voor warme, stikstofrijke, omgewerkte plekken op kalkhoudende bodems.  Het verspreidingspatroon bleef tot 2004 ongeveer hetzelfde. Daarna breidde de soort zich snel uit via de middenbermen van snelwegen. FLORON schreef daar juni 2020 een mooi natuurbericht over.

verspreidingskaartjes Gevlekte scheerling voor twee periodes
Verspreidingskaartjes Gevlekte scheerling (Conium maculatum) voor de periode 1800-2004 en 2005-2020. Het is duidelijk dat het snelwegpatroon pas van de laatste vijftien jaar is.

In 2016 kwam ik Gevlekte scheerling weer in Rotterdam tegen, nu op een grote groeiplek onder de Van Brienenoordbrug. Mijn beide vindplaatsen pasten in het snelwegpatroon, het zaad was alleen niet in de middenberm gekiemd maar had een verdieping lager een geschikte groeiplek gevonden. Beide groeiplekken waren al lang bekend toen ik ze tegenkwam: de eerste vondst van Gevlekte scheerling in Rotterdam was in 1995 onder de A20 door stadsecoloog Remko Andeweg, op de plek waar ik hem 25 jaar later ook vond. De locatie bij de Van Brienenoordbrug werd voor het eerst in 2001 gemeld.

Gevlekte scheerling dankt zijn naam aan de paars gevlekte stengel en bladsteel. Rechts de Gevlekte scheerling aan de oever van de Rotte op 18 mei.

Wordt Gevlekte scheerling een stadsplant?

Ik zag Gevlekte scheerling eigenlijk niet als stadsplant, zo sterk waren mijn vindplaatsen gebonden aan de snelweg. Maar, begin april van dit jaar vond ik langs de Rotte een paar planten met schermbloemblad waarvan ik dacht “Dat is geen Fluitenkruid”. Het is wat donkerder en glanzender en iets meer geplooid; ik vermoedde gevlekte scheerling en werd daarin bevestigd door de vlekken op de bladsteel. Deze groeiplek is 100 meter van de snelweg, waardoor ik verwacht dat deze soort zich nog wel eens veel verder kan gaan verspreiden. Ik denk wel dat hij sterk beperkt zal worden doordat op veel plekken gemaaid wordt voordat hij zaad kan zetten en hij afhankelijk blijft van de aanvoer van de zaden vanaf plekken waar hij ongestoord rijpe zaden kan produceren zoals in de snelwegmiddenberm. We zullen het zien.

Toen ik op 13 april voor de tweede keer langs de Gevlekte scheerling in de berm van de Rotte liep zag ik tot mijn grote verbazing al een bloeiwijze in de scheerling zitten. Dat hoort helemaal niet, want Gevlekte scheerling bloeit veel later. Even beter kijken verklaarde de verwarring: er groeide Fluitenkruid dwars door de Gevlekte scheerling heen :-).

Mooier dan Heermoes

Op een kwartier lopen van mijn huis, langs de Boezembocht in Rotterdam, staat een bijzondere plant: Reuzenpaardenstaart. Hij is prachtig met een lichtgroene stengel, die gelijkmatig in kleine stukjes is verdeeld. Ieder stukje eindigt in een bleekgroene schede bekroond met een rij fijne donkere tanden. Daaromheen hangt een wolk van groene takjes die de stengel omlijsten. Die zijtakjes zitten in regelmatige kransen.

In het vroege voorjaar verschijnen uit de wortelstokken van Reuzenpaardenstaart soms afwijkende stengels: zonder zijtakjes, heel bleek met ruim zittende geel-bruine schedes en aan het eind een sporenaar. Die vruchtbare stengels zijn meestal weer verdwenen als de groene stengels uitgroeien. Daarom hebben veel mensen niet door dat ze bij elkaar horen. Ik kan me zo voorstellen dat mensen deze vreemde wezens zelfs aanzien voor een paddenstoel in plaats van een plant.

Reuzenpaardenstaart – links sporendragende bladgroenloze stengels en rechts groene, vertakte stengels zonder sporenaren

De mooiste paardenstaart
Ik omschrijf Reuzenpaardenstaart vaak als een mooiere en grotere versie van Heermoes. Dat werkt vaak goed want vrijwel iedereen kent Heermoes … als een lastig te bestrijden onkruid. Net als de Reuzenpaardenstaart vormt Heermoes ook van die bleke onvertakte voorjaarsstengels met sporenaren; terwijl de andere Nederlandse paardenstaarten zoals Lidrus en Holpijp maar één soort stengels hebben, met aan het einde een sporenaar. Heermoes wordt ook wel Legoplant genoemd omdat als je de stengels uit elkaar trekt, de stukjes weer in elkaar te schuiven zijn en het eruit ziet alsof hij weer in elkaar zit. Bij Reuzenpaardenstaart werkt dat kunstje net zo goed.

De telescopisch ontluikende stengel van de Reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia).

Zeldzaam
Waar Heermoes in Nederland heel algemeen is, is Reuzenpaardenstaart dat zeker niet. Reuzenpaardenstaart komt slechts in zo’n 270 van de 36.000 kilometerhokken voor, dat valt in de categorie ‘Zeldzaam’. Bijna de helft daarvan is geconcentreerd in Zuid-Limburg en Oostelijk Nederland bij bronnetjes waar kalkrijk water uit de bodem kwelt. De andere vindplaatsen liggen vooral in de Flevopolders, het rivierengebied en de rivierdelta (Zeeland). Het is dus best bijzonder dat Reuzenpaardenstaart bij mij ‘om de hoek’ groeit. Nu kom ik wel meer zeldzame planten tegen in de stad, maar vaak zijn dat op een of andere manier door mensen aangevoerde soorten en dat is toch net iets minder leuk dan een soort die zich op eigen houtje in de stad heeft gevestigd.

Waar groeit die Reuzenpaardenstaart?
Hij komt in Rotterdam nu op minstens vier plekken voor: behalve langs de Boezembocht ook in het Zuiderpark, in een berm nabij vliegveld Zestienhoven en op een talud langs de A15. Op alle plekken kan je je voorstellen dat er sprake is van kwel (uittredend grondwater), ze liggen aan de rand van of op een talud. Daarnaast is deze paardenstaart een liefhebber van kalk, op welke manier daar op deze plekken in is voorzien weet ik niet zeker. Wel is in de stad vaak meer kalk in de bodem aanwezig dan je op grond van de historische, in Rotterdam veelal venige, ondergrond verwacht. Dat komt door het aanvoeren van zand voor het aanleggen van wegen en het bouwen van woonwijken. Misschien helpt het zandige ruiterpad in de berm vlak langs ‘mijn’ Reuzenpaardenstaart wel een handje.

Ieder jaar ga ik wel een keer kijken hoe hij erbij staat, hij heeft zich uitgebreid, en ik neem ook altijd een keer een paar stengels mee naar mijn plantencursus om te laten zien dat je voor bijzondere en mooie planten echt niet de stad uit hoeft.

Reuzenpaardenstaart – Equisetum telmateia

Stoeptegelspleetplant

“Is dat een plantje? Ik dacht dat het een mos was.” Ik hoor dit regelmatig als ik iemand wijs op die groene sterretjes  tussen de stoeptegels. Ik begrijp dat helemaal want het is een van de kleinste landplanten van Nederland en Liggende vetmuur (Sagina procumbens) bloeit lang niet overal altijd. Daarnaast nestelen zich ook mossen in diezelfde stoeptegelspleten, zoals Smaragdsteeltje en Zilvermos. Maar, Liggende vetmuur is dus wel degelijk een plantje. Als je het tussen de stenen uitpeutert kun je zien dat de blaadjes niet doorschijnend zijn, want meer dan een cellaag dik, en dat de plantjes worteltjes hebben. Als je een exemplaar treft in bloei of vrucht is het helemaal duidelijk.

Typisch Liggende vetmuur, als stoeptegelspleetplant tussen de mosjes

Maar, waarom groeit Liggende vetmuur tussen die stoeptegels en die andere planten niet? In de eerste plaats omdat hij klein genoeg is om in die spleten weg te kruipen en zijn dunne worteltjes passen in de spleten. Ook verder biedt een stoeptegelspleet een omgeving waar dit plantje kan gedijen: stikstofrijk, zonnig maar toch wat vochtig zonder concurrentie van andere planten. Er zijn weinig andere planten die het daar ook uithouden en zo kan de Liggende vetmuur de stoeptegelspleten mooi koloniseren. Behalve tussen de stoeptegels groeit Liggende vetmuur ook op open zandige plekjes.

Liggende vetmuur bloeit met tere beige-groene viertallige bloemetjes. Met dat viertallige zijn de vetmuren een uitzondering in de Anjerfamilie waar de bloemen standaard vijftallig zijn zoals bij hoornbloemen en koekoeksbloemen. Maar, als je goed kijkt, vind je wel de typerende bloeiwijze van gevorkt bijscherm van de Anjerfamilie: bij iedere splitsing staat een bloemetje tussen de twee takken.

Liggende vetmuur – Sagina procumbens

Liggend-donker-uitstaand

Voordat je nu alle groene sterretjes Liggende vetmuur noemt, wijs ik nog even op Donkere en Uitstaande vetmuur die in de stad ook regelmatig voorkomen. Liggende vetmuur kruipt meer en vormt wortelende uitlopers. Ook zijn tijdens de bloei groene rozetten aanwezig. Donkere en Uitstaande vetmuur vormen geen uitlopers, als ze de kans krijgen groeien ze meer rechtop. Tijdens de bloei is hun bladrozet vaak al verschrompeld. De verschillen tussen Donkere en Uitstaande vetmuur zijn:

  • Uitstaande vetmuur: veel kelkbladeren hebben roze randjes en staan na de bloei af. De doosvrucht steekt ruim buiten de kelk uit.
  • Donkere vetmuur: kelkbladeren hebben witte randjes en liggen na de bloei tegen de vrucht aan. De doosvrucht steekt <10% buiten de kelk uit. Donkere vetmuur is wat tengerder dan Uitstaande.
Donkere vetmuur (links) en Liggende vetmuur (rechts) – Sagina apetala en Sagina procumbens.

In iedere straat, maar niet tussen iedere tegel

Liggende vetmuur is heel algemeen. Hij is in bijna iedere straat wel ergens te vinden tussen de stoeptegels of de klinkers. Maar, niet iedere steenspleet voldoet. Ik hoopte dat Liggende vetmuur de ruimte tussen de stenen in mijn achtertuin zou koloniseren, maar dat deed hij niet; waarschijnlijk is mijn tuin te schaduwrijk.

Liggend vetmuur – Sagina procumbens. Zelden heb ik zo’n mooi bloeiend plukje gezien, gevonden naast een lantaarnpaal nabij station Schiedam.

 

Vergelijking van twee raketten

“Ik zie veel vaker Hongaarse dan Oosterse raket” vertelden diverse floristen mij. Dat verbaasde me want mijn ervaring is precies omgekeerd: in Rotterdam vind ik in vrijwel ieder kilometerhok Oosterse raket (Sisymbrium orientale), en af en toe ook Hongaarse raket (Sisymbrium altissimum). Ik vroeg me af of mensen de twee soorten soms verwisselden; het zijn ten slotte allebei raketten met opvallend lange hauwen (vruchten). Maar, dat is niet heel waarschijnlijk want er zijn veel verschillen; als je ze een beetje kent zijn ze makkelijk uit elkaar te houden.

Hongaarse raket (Sisymbrium altissimum)

De Heukels flora geeft als belangrijkste verschillen:

  • Kelkbladen | Hongaarse: ver afstaand | Oosterse: rechtopstaand
  • Stengelbeharing | Hongaarse: onderaan ruw, bovenaan kaal | Oosterse: overal zachtbehaard
  • Bovenste bladeren | Hongaarse: met 2-5 paar smalle slippen | Oosterse: enkelvoudig of met 1 paar slippen
Oosterse raket (Sisymbrium orientale)

Dus keek ik maar eens naar de verspreidingskaartjes van beide raketten. Beide zijn exoten, maar wel ingeburgerd; ze doken ergens tussen 1850 en 1950 voor het eerst op in Nederland. Hongaarse raket kwam hier vanuit Oost Europa, hetgeen gelijk zijn Nederlandse naam verklaard; Oosterse raket uit het Middellandse zeegebied en de regio’s daaromheen,  dus vooral uit zuidelijke richting. Hoewel het beide pioniers zijn die houden van open, droge zandgrond, verschillen ze toch in standplaatsvoorkeur. Oosterse raket houdt ook van stenige standplaatsen. Dat verklaart dat hij zich makkelijker tussen de straatstenen nestelt en het goed doet in het stedelijk gebied. Hongaarse raket wordt in Nederland vooral gevonden langs spoorwegen, op industrieterreinen en in de duinen.

 

Verspreiding van Hongaarse en Oosterse raket in Nederland. De kaartjes tonen de km-hokken waar ze tussen 1990-2019 zijn gevonden. In de legenda zie je dat Hongaarse raket in ruim 3000 hokken was gevonden en Oosterse in nog geen 600 hokken.

Het rechter kaartje laat zien dat Oosterse raket tot nu toe een duidelijke voorkeur heeft voor randstedelijk gebied terwijl Hongaarse raket veel ruimer verspreid is. Den Haag, Rotterdam, Dordrecht en Amsterdam zijn goed op de rechter kaart te herkennen. Hongaarse raket is in vijf keer zo veel hokken aangetroffen. Dit maakt het aannemelijk dat mensen buiten de randstad vaker Hongaarse raket zien dan Oosterse raket.

Maar verklaren de kaartjes dan ook dat ik in Rotterdam meer Oosterse dan Hongaarse raket vind? Oosterse raket lijkt rond Rotterdam wel iets meer gevonden dan Hongaarse raket, maar het verschil op het kaartje is niet zo groot. Toen ik nog wat verder zocht vond ik waarschijnlijk de oorzaak van mijn ervaring: de trend van deze twee soorten.

Links zien we dat Hongaarse raket zijn hoogtepunt had rond 1995 en nu sterk afneemt. Oosterse raket fluctueert sterk, maar toont geen afnemende trend.

Tot mijn verrassing blijkt Hongaarse raket op zijn retour in Nederland; rond 1995 had hij een hoogtepunt en in 2018 was hij ten opzichte van 1990 met zo’n 75% afgenomen. Floristen met twintig jaar ervaring of meer hebben dus het hoogtepunt van de Hongaarse raket meegemaakt. Maar, ik inventariseer pas sinds 2011 en heb die piek dus niet meegemaakt en ervaar alleen de huidige situatie. Als we focussen op de laatste paar jaar zien de verspreidingskaartjes er zo uit:

Verspreidingskaartjes van Hongaarse en Oosterse raket van waarnemingen in alleen de jaren 2015-2019. Het meer Randstedelijke karakter van Oosterse raket is hier heel zichtbaar.

Hier is goed zichtbaar dat Oosterse raket in Rotterdam in de periode 2015-2019 veel vaker is gevonden dan Hongaarse raket. Het klopt dus dat buiten de randstad Hongaarse raket nog steeds algemener is dan Oosterse, want in dezelfde periode in twee keer zo veel hokken aangetroffen, maar het verschil is wel veel kleiner geworden. Veel floristen moeten waarschijnlijk wel hun beeld bijstellen over de algemeenheid van Hongaarse raket.

Oosterse raket (Sisymbrium orientale)

Snoep- en snackplanten

Snacken is misschien niet goed voor de gezondheid, maar wel leuk voor de stadsflora, ten minste als je noten en vruchten snoept. In 2002 schreef Remko Andeweg in ‘Vreemde planten in Rotterdam’ al over de tomaat op straat als bijproduct van ‘broodjes gezond’.  Appelbomen die opkomen uit weggeworpen klokhuizen is ook een bekend fenomeen; zoals de oude appelboom op de kade van de Wijnhaven in Rotterdam. Maar er zijn nog veel meer voorbeelden van planten die dankzij ons snoepgedrag een geschikt plekje hebben weten te bemachtigen tussen de stoeptegels of in een plantsoen, zoals:

Kiwi – Actinidea deliciosa, aangetroffen op het Afrikaanderplein dat als marktplein functioneert | foto: Dick Hoek
  • Vijgen (Ficus carica): eind zeventiger jaren is de eerste verwilderde vijg in Nederland gevonden, nu duikt hij overal in het stedelijk gebied op, in Rotterdam zijn al tientallen waarnemingen van Vijg. Door de gestegen stadstemperatuur in Nederland kan de vijg hier nu goed overleven en we consumeren vast meer vijgen op straat dan vijftig jaar geleden.
  • Kiwi (Actinidia deliciosa): in 2005 werd Kiwi voor het eerst in Nederland verwilderd aangetroffen, door Remko Andeweg in Rotterdam. De afgelopen jaren kwamen daar een stuk of twintig waarnemingen bij. Juli 2019 vond onze Rotterdamse Florawerkgroep een Kiwi op het Afrikaanderplein; gevolg van de wekelijkse markt. Eerder vonden we Kiwi tussen de treinsporen van Rotterdam centraal. Hiervoor is het kiwizaad waarschijnlijk eerst een darmkanaal gepasseerd, dus past hij eigenlijk niet helemaal in dit verhaal.

    Kiemlingen van Dadelpalm – Phoenix dactylifera in plantenbakken met Buxusstruikjes rond de ingang van een moskee in Gouda, 2017
  • Dadels (Phoenix dactylifera): In 2017 vonden we tijdens een FLORON-stadsplantenexcursie in Gouda in diverse plantenbakken en tussen de straatstenen kiemlingen van Dadelpalm. Het zal geen toeval zijn dat dit vlakbij een moskee was. Moskeebezoekers zoeken na het nuttigen van een dadel een plek voor de pit en wat is er dan logischer dan die in een plantenbak duwen. De kiemlingen overleven in ons huidige klimaat de winter niet, dus een volwassen dadelpalm zit er voorlopig niet in.
  • Perzik (Prunus persica): In juni 2019 vonden we met de Rotterdamse Florawerkgroep een Perzikkiemplant in een plantenbak in Rotterdam-zuid. Perzik is waarschijnlijk ook een populaire strandsnack, want behalve waarnemingen in steden en langs de rivieren zijn er diverse planten bij strandopgangen aangetroffen.
  • Chia (Salvia hispanica): Chiazaad werd in korte tijd populair als superfood. In 2013 werden in Amsterdam en Groningen de eerste exemplaren van Chia tussen de straatstenen gevonden; intussen zijn er tientallen waarnemingen, vrijwel allemaal in het stedelijk gebied. Chia is een soort salie, een lipbloemige dus. De stengel is dan ook in doorsnee vierkant met opvallende, ronde hoekribben. Tot nu toe zijn er geen waarnemingen van bloeiende planten. Wel zijn er twee waarnemingen waarin bloeiwijzen te zien zijn; beiden uit november; chiazaad oogsten uit deze verwilderde planten zal er dus in het Nederlandse klimaat voorlopig nog niet in zitten.

    Perzik – Prunus persica opgekomen in een plantenbak in Rotterdam Zuid | foto: Josée van Oers

En waarom vinden we nou wel tomaat en geen komkommer op straat? Dat komt omdat we komkommers onrijp eten en omdat telers tegenwoordig rassen gebruiken met alleen vrouwelijke bloemen die niet bevrucht worden. Ik ben benieuwd welke aanvullingen op de snoep- en snackplantencollectie we de komende jaren nog tegen zullen komen.

Zie ook:

Amerikaan verspreidt zich over Nederland

21 mei 2019 vond ik tijdens een inventarisatie met de Rotterdamse Florawerkgroep voor het eerst Amerikaanse droogbloem (Gnaphalium pensylvanicum) in Rotterdam.  En niet zo zuinig ook, er stonden er tientallen verspreid over de kade van ‘het Haringvliet’.

De eerste waarneming van Amerikaanse droogbloem in Nederland was in 1967 in Baarn tussen parkbeplanting; waarschijnlijk meegekomen als onkruid. Daarna bleef het zo’n dertig jaar stil. Rond 2000 werd hij in Nijmegen gesignaleerd en vanaf 2007 wordt hij daar regelmatig gemeld. In 2007 wordt hij ook gespot in Amsterdam en in het buitengebied bij Sint Oedenrode. In 2008 is Wageningen aan de beurt. Daarna duikt hij ieder jaar op nieuwe plaatsen op. De meeste zijn stedelijk zoals: Culemborg (2010), Eindhoven (2013), Maastricht (2014), Breda (2014), Utrecht (2014), Huizen (2014). Hij is echter ook in het buitengebied gevonden zoals in een maisakkerrand en in de Overloonse duinen. In 2015 was de eerste vondst in Rotterdam.

Verspreidingskaartje Amerikaanse droogbloem d.d. mei 2019. Die ene stip in het Noorden, op Ameland is een waarneming waarbij de plant nog in de olijfboomkuip stond.

Het gebied in Nederland waar Amerikaanse droogbloem is gesignaleerd breidt zich gestaag uit. Het lijkt erop dat hij niet gelijk hele steden verovert, maar stukje bij beetje. Van diverse plekken is bekend dat de bron van de verwildering een kuip met olijfbomen is geweest, die met aarde en mediterrane onkruiden naar Nederland zijn gekomen. In Rotterdam was de eerste vondst (2015) in Kralingen. Opvallend is dat de tweede vindplek (2019) hemelsbreed slechts 500 meter daarvandaan is en we hem de afgelopen vier jaar niet op andere plekken in Rotterdam zijn tegengekomen. Ik vermoed dat de nieuwe vindplaats vanuit eerdere verwildering is gekoloniseerd, we hebben geen olijfboomkuipen in de nabije omgeving gezien.

Hoe de soort in het buitengebied terecht komt is mij onbekend, maar het lijkt me waarschijnlijk dat ook dat niet direct vanuit de olijvenkuipen gebeurt, maar vanuit al eerder ontstane stadspopulaties.

Amerikaanse droogbloem krijgt paarsbruinige bloemhoofdjes in knoedels langs de stengel in plaats van de lichtgele tuilen bij de Bleekgele droogbloem. Het blad is ook minder witviltig behaard en de hogere bladeren zijn breder dan bij de Bleekgele. De soort is in de eerste jaren dat hij in Nederland werd gevonden aangezien voor Paarse droogbloem, maar die heeft tweekleurige bladeren: groenglanzend van boven en witviltig van onderen; er zijn intussen wel een paar Nederlandse waarnemingen van Paarse droogbloem.

Ik ben benieuwd of de Amerikaanse droogbloem heel Rotterdam gaat veroveren.

 

Klimmen met haakjes

In 2016 namen we met de Rotterdamse Florawerkgroep een kijkje op de Protestantse begraafplaats Charlois als onderdeel van een kilometerhok dat we inventariseerden. De paden en de grafplekken leverden niet veel bijzonders op: er was druk geschoffeld. Maar, door een buxusheg groeide een klimplant die onze aandacht trok: zowel de bladrand als de hoofdnerf van het blad en de stengels waren bezet met haken; hiermee kan de plant zich vasthaken en omhoog klimmen.

Vrouwelijke bloem van de ‘Stekelwinde’ – Smilax aspera 
foto: André de Jongh

Ik herkende de plant als ‘Smilax’, niet omdat ik die uit het wild kende, maar omdat ik daar als kind veel historische afbeeldingen van had gezien. Toen ik klein was organiseerde mijn vader namelijk af en toe een avondje waarin hij aan bezoek de geschiedenis van botanische boekillustraties liet zien. Om de veranderende conventies en technieken (houtdruk, kopergravure, lithografie, etc.)  rond botanische illustraties door de eeuwen heen te laten zien haalde hij allerlei oude boeken uit de kast en gebruikte hij onder andere Smilax aspera als voorbeeld. Smilax aspera is namelijk in vele natuurhistorische boeken terug te vinden omdat de wortels als geneesmiddel werden gebruikt.

Smilax aspera (vrouwelijke plant) in vrucht.
Foto genomen in de Cevennen, Frankrijk

Smilax aspera heeft als onofficiële Nederlandse naam ‘Stekelwinde’, zo wordt de plant in ieder geval genoemd in Dodoens Cruijdeboek uit 1554. Stekelwinde wordt niet aangeboden als tuinplant maar is inheems in het mediterrane gebied, delen van Afrika en Azië. Hoe de ‘Stekelwinde’ op de begraafplaats terecht is gekomen zullen we wel niet meer achterhalen, mogelijk meegekomen met plantgoed of door trekvogels in hun ingewanden vervoerd en hier uitgepoept. Smilax aspera is de afgelopen jaren nog op twee andere plekken in Nederland opgedoken: in 2014 in een tuin in Rotterdam en in 2009 op een begraafplaats in Amsterdam.

In 2018 is André de Jongh terug geweest om te zien of de ‘Stekelwinde’ zich op deze plek handhaaft. Dat bleek het geval te zijn: hij groeide over en door de Buxusheg tussen twee graven. Alleen was de Buxus in 2018 wel sterk aangetast door de Buxusmot. Als de Buxus deze aantasting niet overleeft en wordt gerooid, is de kans groot dat de ‘Stekelwinde’ op deze plek verdwijnt.

De groeiplek van de ‘Stekelwinde’ – Smilax aspera op de protestantse begraafplaats Charlois – foto: André de Jongh

De bekendste plant van Nederland?

Wat zou de meest bekende wilde plant van Nederland zijn: Madeliefje, Vergeet-me-nietje of Paardenbloem? Ik denk geen van drieën, ik denk dat er eentje nog veel bekender is, omdat iedereen in zijn kindertijd er pijnlijke ervaring mee opdoet: de Brandnetel.

Bloeiwijze van een vrouwelijke plant van de Grote brandnetel (Urtica dioica) waarvan de bloemtrossen vertakt zijn en meer opzij staan dan de mannelijke bloeiwijzen.

Maar, wat de meeste mensen als kind niet leren is dat er in Nederland twee soorten brandnetel zijn- en sinds een paar jaar zelfs drie-: Grote & Kleine en Zuidelijke. De Grote brandnetel is veruit het algemeenst, omdat hij niet veeleisend is en overblijvend: na de winter lopen de wortelstokken weer vrolijk uit. Als hij ergens staat kan hij makkelijk standhouden en zich uitbreiden. Kleine brandnetel is daarentegen eenjarig en moet ieder jaar weer uit zaad opkomen; heeft open plekjes nodig waar hij kan kiemen.

Brandnetels houden van stikstof. De Grote brandnetel vind je in de stad op allerlei plekken maar vooral in voedselrijke bermen en andere bemeste plekjes zoals hoekjes die mannen uitkiezen om goudgeel vocht te sproeien. De Kleine brandnetel zie ik in Rotterdam minder vaak dan de grote; vooral in/rond moestuinen en in plantperken die af en toe geschoffeld worden. Hij staat ook wat droger dan grote brandnetel. Buiten de steden staat Kleine brandnetel veel in de duinen en langs akkers.

Beginnende floristen zijn bang de Kleine brandnetel niet te herkennen; maar mijn ervaring is dat als je Kleine brandnetel tegenkomt je gelijk denkt ‘hé dat is een afwijkende brandnetel’. De bladeren van Kleine brandnetel zijn namelijk eirond, kleiner dan 4 cm en de bladvoet is niet hartvormig. Grote brandnetel heeft langwerpiger bladeren die 5-10 cm groot zijn met een hartvormige bladvoet.

Vooral bij jonge exemplaren is dit laatste een handig verschilkenmerk. Twijfelt u nog: probeer er een uit te trekken. Lukt dat makkelijk dan is het de Kleine of de Zuidelijke; zit er een wortelstok aan dan is het de Grote.

Jonge exemplaren (in maart) van Grote brandnetel (Urtica dioica) met hartvormige bladvoet en minder diep ingesneden tanden dan die van Kleine brandnetel.

Wat betreft de bloeiwijzen wint de Grote brandnetel de schoonheidsprijs: de Kleine brandnetel verstopt zijn bloemen een beetje tussen de bladeren in kleine knoedels; mannelijke en vrouwelijk bij elkaar.  Grote brandnetel heeft aparte mannelijke en vrouwelijke planten. De mannen hebben prachtig hangende bloemtrossen waaruit het stuifmeel door de wind wordt weggeblazen. De vrouwen hebben meer vertakte bloemtrossen die opzij staan om het stuifmeel op te vangen; na de bevruchting gaan ze min of meer hangen.

Vrouwelijke plant van de Grote brandnetel (Urtica dioica) die zeer rijk vrucht draagt.
Kleine brandnetel (Urtica urens) met korte bloeiwijzen en rond aflopende bladvoet.

De Zuidelijke brandnetel is nog niet in Rotterdam aangetroffen, maar een paar jaar geleden wel in buurgemeente Schiedam. Hij lijkt op de Grote brandnetel, maar hij is eenjarig en heeft aan iedere plant lange aren met mannelijke bloemen bovenin en korte trosjes met vrouwelijke bloemen onderin.

 

Plat handjesgras voor de vierde keer in Rotterdam

Op 14 augustus 2018 onderzochten we met de Rotterdamse Florawerkgroep een kilometerhok in Rotterdam IJsselmonde, een woonwijk rond een winkelcentrum. Zoals gebruikelijk gingen we in twee groepen uiteen en troffen we elkaar weer bij het startpunt toen het begon te schemeren en bespraken onze bijzondere vondsten en puzzels.

De anderen had een bijzonder gras gevonden: het leek op Vinger- of Handjesgras maar ze konden het niet helemaal thuis brengen. Het stond op diverse plekken tussen de stoeptegels van een straat die net opnieuw was ingericht. Toen ik een exemplaar kreeg aangereikt kwam de naam Plat handjesgras – Eleusine indica – direct boven. Ik had dit gras niet eerder zelf gevonden, maar er wel foto’s van gezien.

Plat handjesgras – Eleusine indica | foto: André de Jongh

Plat handjesgras was weliswaar voor onze groep nieuw, maar hij is al decennia eerder voor het eerst in Nederland gevonden: in 1955 voor het eerst op een vuilstort in Leeuwarden. Sindsdien is hij op 30 plekken verspreid over het land gevonden. Hij is niet bestendig, slechts in één kilometerhok is hij met een tussenpoos van enkele jaren opnieuw gevonden en het aantal vondsten neemt ook niet opvallend toe. In Rotterdam werd hij voor het eerst gevonden in 1968 en daarna in 2002, 2013 en 2018 [bron: Verpreidingsatlas]. De periode tussen de waarnemingen neemt af, maar of dat komt doordat hij echt vaker voorkomt of doordat er meer floristen rondkijken is onduidelijk.

Groepsgenoot André de Jongh is een paar dagen later terug gegaan naar de vindplaats om wat extra foto’s te maken. Hij hoorde toen van bewoners dat het gras was verschenen tijdens de straatwerkzaamheden en dat het zich niet beperkte tot de stoep, maar ook in hun tuinen was opgedoken en lastig weg te krijgen was.

Plat handjesgras – Eleusine indica  met alle aartjes aan een kant van een aaras| foto: Dick Hoek

Plat handjesgras is een C4-gewas. Dat betekent dat hij een vorm van fotosynthese toepast die is aangepast aan warme streken. In het Nederlandse klimaat kiemen C4 grassen later in het jaar dan onze inheemse grassen die C3-fotosynthese toepassen. Daarom zie je C4-grassen (zoals Europese hanenpoot, Maïs, vingergrassen, liefdegrassen, naaldaren en gierstgrassen), meestal pas in juli/augustus tot bloei komen.

In wat warmere streken is Plat handjesgras een algemeen, lastig onkruid in akkers met eenjarige gewassen. Maar hij vestigt zich ook in grasland en golfvelden en weet zich daar te handhaven omdat hij goed maairesistent is. Met zijn platte groeiwijze blijft een deel van zijn aren onder de maaibalk en kan hij zaadzetten. Vermoedelijk is het zaad in Rotterdam aangevoerd bij de wegwerkzaamheden, maar wat daarbij de bron is geweest is niet duidelijk. Het is niet waarschijnlijk dat de zaden nog in de bodem zaten want de zaden van dit gras zijn maar een paar jaar kiemkrachtig.

Ik ben benieuwd hoe lang het duurt voor we dit grasje weer in Rotterdam aantreffen.

Een zich ontvouwende bloeiwijze van Plat handjesgras – Eleusine indica | foto: André de Jongh