Home » Archieven voor Willemien Troelstra

Auteur: Willemien Troelstra

In 2009 pakte ik het inventariseren van wilde planten op. Sinds 2011 ben ik districtscoördinator voor FLORON in Zuid-Holland Zuid en organiseer ik excursies, cursussen en avonden. In 2014 startte ik de Rotterdamse Florawerkgroep. Iedere veertien dagen inventariseren we een km hok in Rotterdam. Wilde planten zijn mijn hobby; daarnaast ben ik duurzaamheidsadviseur bij stichting Stimular.

Vergelijking van twee raketten

“Ik zie veel vaker Hongaarse dan Oosterse raket” vertelden diverse floristen mij. Dat verbaasde me want mijn ervaring is precies omgekeerd: in Rotterdam vind ik in vrijwel ieder kilometerhok Oosterse raket (Sisymbrium orientale), en af en toe ook Hongaarse raket (Sisymbrium altissimum). Ik vroeg me af of mensen de twee soorten soms verwisselden; het zijn ten slotte allebei raketten met opvallend lange hauwen (vruchten). Maar, dat is niet heel waarschijnlijk want er zijn veel verschillen; als je ze een beetje kent zijn ze makkelijk uit elkaar te houden.

Hongaarse raket (Sisymbrium altissimum)

De Heukels flora geeft als belangrijkste verschillen:

  • Kelkbladen | Hongaarse: ver afstaand | Oosterse: rechtopstaand
  • Stengelbeharing | Hongaarse: onderaan ruw, bovenaan kaal | Oosterse: overal zachtbehaard
  • Bovenste bladeren | Hongaarse: met 2-5 paar smalle slippen | Oosterse: enkelvoudig of met 1 paar slippen
Oosterse raket (Sisymbrium orientale)

Dus keek ik maar eens naar de verspreidingskaartjes van beide raketten. Beide zijn exoten, maar wel ingeburgerd; ze doken ergens tussen 1850 en 1950 voor het eerst op in Nederland. Hongaarse raket kwam hier vanuit Oost Europa, hetgeen gelijk zijn Nederlandse naam verklaard; Oosterse raket uit het Middellandse zeegebied en de regio’s daaromheen,  dus vooral uit zuidelijke richting. Hoewel het beide pioniers zijn die houden van open, droge zandgrond, verschillen ze toch in standplaatsvoorkeur. Oosterse raket houdt ook van stenige standplaatsen. Dat verklaart dat hij zich makkelijker tussen de straatstenen nestelt en het goed doet in het stedelijk gebied. Hongaarse raket wordt in Nederland vooral gevonden langs spoorwegen, op industrieterreinen en in de duinen.

 

Verspreiding van Hongaarse en Oosterse raket in Nederland. De kaartjes tonen de km-hokken waar ze tussen 1990-2019 zijn gevonden. In de legenda zie je dat Hongaarse raket in ruim 3000 hokken was gevonden en Oosterse in nog geen 600 hokken.

Het rechter kaartje laat zien dat Oosterse raket tot nu toe een duidelijke voorkeur heeft voor randstedelijk gebied terwijl Hongaarse raket veel ruimer verspreid is. Den Haag, Rotterdam, Dordrecht en Amsterdam zijn goed op de rechter kaart te herkennen. Hongaarse raket is in vijf keer zo veel hokken aangetroffen. Dit maakt het aannemelijk dat mensen buiten de randstad vaker Hongaarse raket zien dan Oosterse raket.

Maar verklaren de kaartjes dan ook dat ik in Rotterdam meer Oosterse dan Hongaarse raket vind? Oosterse raket lijkt rond Rotterdam wel iets meer gevonden dan Hongaarse raket, maar het verschil op het kaartje is niet zo groot. Toen ik nog wat verder zocht vond ik waarschijnlijk de oorzaak van mijn ervaring: de trend van deze twee soorten.

Links zien we dat Hongaarse raket zijn hoogtepunt had rond 1995 en nu sterk afneemt. Oosterse raket fluctueert sterk, maar toont geen afnemende trend.

Tot mijn verrassing blijkt Hongaarse raket op zijn retour in Nederland; rond 1995 had hij een hoogtepunt en in 2018 was hij ten opzichte van 1990 met zo’n 75% afgenomen. Floristen met twintig jaar ervaring of meer hebben dus het hoogtepunt van de Hongaarse raket meegemaakt. Maar, ik inventariseer pas sinds 2011 en heb die piek dus niet meegemaakt en ervaar alleen de huidige situatie. Als we focussen op de laatste paar jaar zien de verspreidingskaartjes er zo uit:

Verspreidingskaartjes van Hongaarse en Oosterse raket van waarnemingen in alleen de jaren 2015-2019. Het meer Randstedelijke karakter van Oosterse raket is hier heel zichtbaar.

Hier is goed zichtbaar dat Oosterse raket in Rotterdam in de periode 2015-2019 veel vaker is gevonden dan Hongaarse raket. Het klopt dus dat buiten de randstad Hongaarse raket nog steeds algemener is dan Oosterse, want in dezelfde periode in twee keer zo veel hokken aangetroffen, maar het verschil is wel veel kleiner geworden. Veel floristen moeten waarschijnlijk wel hun beeld bijstellen over de algemeenheid van Hongaarse raket.

Oosterse raket (Sisymbrium orientale)

Snoep- en snackplanten

Snacken is misschien niet goed voor de gezondheid, maar wel leuk voor de stadsflora, ten minste als je noten en vruchten snoept. In 2002 schreef Remko Andeweg in ‘Vreemde planten in Rotterdam’ al over de tomaat op straat als bijproduct van ‘broodjes gezond’.  Appelbomen die opkomen uit weggeworpen klokhuizen is ook een bekend fenomeen; zoals de oude appelboom op de kade van de Wijnhaven in Rotterdam. Maar er zijn nog veel meer voorbeelden van planten die dankzij ons snoepgedrag een geschikt plekje hebben weten te bemachtigen tussen de stoeptegels of in een plantsoen, zoals:

Kiwi – Actinidea deliciosa, aangetroffen op het Afrikaanderplein dat als marktplein functioneert | foto: Dick Hoek
  • Vijgen (Ficus carica): eind zeventiger jaren is de eerste verwilderde vijg in Nederland gevonden, nu duikt hij overal in het stedelijk gebied op, in Rotterdam zijn al tientallen waarnemingen van Vijg. Door de gestegen stadstemperatuur in Nederland kan de vijg hier nu goed overleven en we consumeren vast meer vijgen op straat dan vijftig jaar geleden.
  • Kiwi (Actinidia deliciosa): in 2005 werd Kiwi voor het eerst in Nederland verwilderd aangetroffen, door Remko Andeweg in Rotterdam. De afgelopen jaren kwamen daar een stuk of twintig waarnemingen bij. Juli 2019 vond onze Rotterdamse Florawerkgroep een Kiwi op het Afrikaanderplein; gevolg van de wekelijkse markt. Eerder vonden we Kiwi tussen de treinsporen van Rotterdam centraal. Hiervoor is het kiwizaad waarschijnlijk eerst een darmkanaal gepasseerd, dus past hij eigenlijk niet helemaal in dit verhaal.

    Kiemlingen van Dadelpalm – Phoenix dactylifera in plantenbakken met Buxusstruikjes rond de ingang van een moskee in Gouda, 2017
  • Dadels (Phoenix dactylifera): In 2017 vonden we tijdens een FLORON-stadsplantenexcursie in Gouda in diverse plantenbakken en tussen de straatstenen kiemlingen van Dadelpalm. Het zal geen toeval zijn dat dit vlakbij een moskee was. Moskeebezoekers zoeken na het nuttigen van een dadel een plek voor de pit en wat is er dan logischer dan die in een plantenbak duwen. De kiemlingen overleven in ons huidige klimaat de winter niet, dus een volwassen dadelpalm zit er voorlopig niet in.
  • Perzik (Prunus persica): In juni 2019 vonden we met de Rotterdamse Florawerkgroep een Perzikkiemplant in een plantenbak in Rotterdam-zuid. Perzik is waarschijnlijk ook een populaire strandsnack, want behalve waarnemingen in steden en langs de rivieren zijn er diverse planten bij strandopgangen aangetroffen.
  • Chia (Salvia hispanica): Chiazaad werd in korte tijd populair als superfood. In 2013 werden in Amsterdam en Groningen de eerste exemplaren van Chia tussen de straatstenen gevonden; intussen zijn er tientallen waarnemingen, vrijwel allemaal in het stedelijk gebied. Chia is een soort salie, een lipbloemige dus. De stengel is dan ook in doorsnee vierkant met opvallende, ronde hoekribben. Tot nu toe zijn er geen waarnemingen van bloeiende planten. Wel zijn er twee waarnemingen waarin bloeiwijzen te zien zijn; beiden uit november; chiazaad oogsten uit deze verwilderde planten zal er dus in het Nederlandse klimaat voorlopig nog niet in zitten.

    Perzik – Prunus persica opgekomen in een plantenbak in Rotterdam Zuid | foto: Josée van Oers

En waarom vinden we nou wel tomaat en geen komkommer op straat? Dat komt omdat we komkommers onrijp eten en omdat telers tegenwoordig rassen gebruiken met alleen vrouwelijke bloemen die niet bevrucht worden. Ik ben benieuwd welke aanvullingen op de snoep- en snackplantencollectie we de komende jaren nog tegen zullen komen.

Zie ook:

Amerikaan verspreidt zich over Nederland

21 mei 2019 vond ik tijdens een inventarisatie met de Rotterdamse Florawerkgroep voor het eerst Amerikaanse droogbloem (Gnaphalium pensylvanicum) in Rotterdam.  En niet zo zuinig ook, er stonden er tientallen verspreid over de kade van ‘het Haringvliet’.

De eerste waarneming van Amerikaanse droogbloem in Nederland was in 1967 in Baarn tussen parkbeplanting; waarschijnlijk meegekomen als onkruid. Daarna bleef het zo’n dertig jaar stil. Rond 2000 werd hij in Nijmegen gesignaleerd en vanaf 2007 wordt hij daar regelmatig gemeld. In 2007 wordt hij ook gespot in Amsterdam en in het buitengebied bij Sint Oedenrode. In 2008 is Wageningen aan de beurt. Daarna duikt hij ieder jaar op nieuwe plaatsen op. De meeste zijn stedelijk zoals: Culemborg (2010), Eindhoven (2013), Maastricht (2014), Breda (2014), Utrecht (2014), Huizen (2014). Hij is echter ook in het buitengebied gevonden zoals in een maisakkerrand en in de Overloonse duinen. In 2015 was de eerste vondst in Rotterdam.

Verspreidingskaartje Amerikaanse droogbloem d.d. mei 2019. Die ene stip in het Noorden, op Ameland is een waarneming waarbij de plant nog in de olijfboomkuip stond.

Het gebied in Nederland waar Amerikaanse droogbloem is gesignaleerd breidt zich gestaag uit. Het lijkt erop dat hij niet gelijk hele steden verovert, maar stukje bij beetje. Van diverse plekken is bekend dat de bron van de verwildering een kuip met olijfbomen is geweest, die met aarde en mediterrane onkruiden naar Nederland zijn gekomen. In Rotterdam was de eerste vondst (2015) in Kralingen. Opvallend is dat de tweede vindplek (2019) hemelsbreed slechts 500 meter daarvandaan is en we hem de afgelopen vier jaar niet op andere plekken in Rotterdam zijn tegengekomen. Ik vermoed dat de nieuwe vindplaats vanuit eerdere verwildering is gekoloniseerd, we hebben geen olijfboomkuipen in de nabije omgeving gezien.

Hoe de soort in het buitengebied terecht komt is mij onbekend, maar het lijkt me waarschijnlijk dat ook dat niet direct vanuit de olijvenkuipen gebeurt, maar vanuit al eerder ontstane stadspopulaties.

Amerikaanse droogbloem krijgt paarsbruinige bloemhoofdjes in knoedels langs de stengel in plaats van de lichtgele tuilen bij de Bleekgele droogbloem. Het blad is ook minder witviltig behaard en de hogere bladeren zijn breder dan bij de Bleekgele. De soort is in de eerste jaren dat hij in Nederland werd gevonden aangezien voor Paarse droogbloem, maar die heeft tweekleurige bladeren: groenglanzend van boven en witviltig van onderen; er zijn intussen wel een paar Nederlandse waarnemingen van Paarse droogbloem.

Ik ben benieuwd of de Amerikaanse droogbloem heel Rotterdam gaat veroveren.

 

Klimmen met haakjes

In 2016 namen we met de Rotterdamse Florawerkgroep een kijkje op de Protestantse begraafplaats Charlois als onderdeel van een kilometerhok dat we inventariseerden. De paden en de grafplekken leverden niet veel bijzonders op: er was druk geschoffeld. Maar, door een buxusheg groeide een klimplant die onze aandacht trok: zowel de bladrand als de hoofdnerf van het blad en de stengels waren bezet met haken; hiermee kan de plant zich vasthaken en omhoog klimmen.

Vrouwelijke bloem van de ‘Stekelwinde’ – Smilax aspera 
foto: André de Jongh

Ik herkende de plant als ‘Smilax’, niet omdat ik die uit het wild kende, maar omdat ik daar als kind veel historische afbeeldingen van had gezien. Toen ik klein was organiseerde mijn vader namelijk af en toe een avondje waarin hij aan bezoek de geschiedenis van botanische boekillustraties liet zien. Om de veranderende conventies en technieken (houtdruk, kopergravure, lithografie, etc.)  rond botanische illustraties door de eeuwen heen te laten zien haalde hij allerlei oude boeken uit de kast en gebruikte hij onder andere Smilax aspera als voorbeeld. Smilax aspera is namelijk in vele natuurhistorische boeken terug te vinden omdat de wortels als geneesmiddel werden gebruikt.

Smilax aspera (vrouwelijke plant) in vrucht.
Foto genomen in de Cevennen, Frankrijk

Smilax aspera heeft als onofficiële Nederlandse naam ‘Stekelwinde’, zo wordt de plant in ieder geval genoemd in Dodoens Cruijdeboek uit 1554. Stekelwinde wordt niet aangeboden als tuinplant maar is inheems in het mediterrane gebied, delen van Afrika en Azië. Hoe de ‘Stekelwinde’ op de begraafplaats terecht is gekomen zullen we wel niet meer achterhalen, mogelijk meegekomen met plantgoed of door trekvogels in hun ingewanden vervoerd en hier uitgepoept. Smilax aspera is de afgelopen jaren nog op twee andere plekken in Nederland opgedoken: in 2014 in een tuin in Rotterdam en in 2009 op een begraafplaats in Amsterdam.

In 2018 is André de Jongh terug geweest om te zien of de ‘Stekelwinde’ zich op deze plek handhaaft. Dat bleek het geval te zijn: hij groeide over en door de Buxusheg tussen twee graven. Alleen was de Buxus in 2018 wel sterk aangetast door de Buxusmot. Als de Buxus deze aantasting niet overleeft en wordt gerooid, is de kans groot dat de ‘Stekelwinde’ op deze plek verdwijnt.

De groeiplek van de ‘Stekelwinde’ – Smilax aspera op de protestantse begraafplaats Charlois – foto: André de Jongh

De bekendste plant van Nederland?

Wat zou de meest bekende wilde plant van Nederland zijn: Madeliefje, Vergeet-me-nietje of Paardenbloem? Ik denk geen van drieën, ik denk dat er eentje nog veel bekender is, omdat iedereen in zijn kindertijd er pijnlijke ervaring mee opdoet: de Brandnetel.

Bloeiwijze van een vrouwelijke plant van de Grote brandnetel (Urtica dioica) waarvan de bloemtrossen vertakt zijn en meer opzij staan dan de mannelijke bloeiwijzen.

Maar, wat de meeste mensen als kind niet leren is dat er in Nederland twee soorten brandnetel zijn- en sinds een paar jaar zelfs drie-: Grote & Kleine en Zuidelijke. De Grote brandnetel is veruit het algemeenst, omdat hij niet veeleisend is en overblijvend: na de winter lopen de wortelstokken weer vrolijk uit. Als hij ergens staat kan hij makkelijk standhouden en zich uitbreiden. Kleine brandnetel is daarentegen eenjarig en moet ieder jaar weer uit zaad opkomen; heeft open plekjes nodig waar hij kan kiemen.

Brandnetels houden van stikstof. De Grote brandnetel vind je in de stad op allerlei plekken maar vooral in voedselrijke bermen en andere bemeste plekjes zoals hoekjes die mannen uitkiezen om goudgeel vocht te sproeien. De Kleine brandnetel zie ik in Rotterdam minder vaak dan de grote; vooral in/rond moestuinen en in plantperken die af en toe geschoffeld worden. Hij staat ook wat droger dan grote brandnetel. Buiten de steden staat Kleine brandnetel veel in de duinen en langs akkers.

Beginnende floristen zijn bang de Kleine brandnetel niet te herkennen; maar mijn ervaring is dat als je Kleine brandnetel tegenkomt je gelijk denkt ‘hé dat is een afwijkende brandnetel’. De bladeren van Kleine brandnetel zijn namelijk eirond, kleiner dan 4 cm en de bladvoet is niet hartvormig. Grote brandnetel heeft langwerpiger bladeren die 5-10 cm groot zijn met een hartvormige bladvoet.

Vooral bij jonge exemplaren is dit laatste een handig verschilkenmerk. Twijfelt u nog: probeer er een uit te trekken. Lukt dat makkelijk dan is het de Kleine of de Zuidelijke; zit er een wortelstok aan dan is het de Grote.

Jonge exemplaren (in maart) van Grote brandnetel (Urtica dioica) met hartvormige bladvoet en minder diep ingesneden tanden dan die van Kleine brandnetel.

Wat betreft de bloeiwijzen wint de Grote brandnetel de schoonheidsprijs: de Kleine brandnetel verstopt zijn bloemen een beetje tussen de bladeren in kleine knoedels; mannelijke en vrouwelijk bij elkaar.  Grote brandnetel heeft aparte mannelijke en vrouwelijke planten. De mannen hebben prachtig hangende bloemtrossen waaruit het stuifmeel door de wind wordt weggeblazen. De vrouwen hebben meer vertakte bloemtrossen die opzij staan om het stuifmeel op te vangen; na de bevruchting gaan ze min of meer hangen.

Vrouwelijke plant van de Grote brandnetel (Urtica dioica) die zeer rijk vrucht draagt.
Kleine brandnetel (Urtica urens) met korte bloeiwijzen en rond aflopende bladvoet.

De Zuidelijke brandnetel is nog niet in Rotterdam aangetroffen, maar een paar jaar geleden wel in buurgemeente Schiedam. Hij lijkt op de Grote brandnetel, maar hij is eenjarig en heeft aan iedere plant lange aren met mannelijke bloemen bovenin en korte trosjes met vrouwelijke bloemen onderin.

 

Plat handjesgras voor de vierde keer in Rotterdam

Op 14 augustus 2018 onderzochten we met de Rotterdamse Florawerkgroep een kilometerhok in Rotterdam IJsselmonde, een woonwijk rond een winkelcentrum. Zoals gebruikelijk gingen we in twee groepen uiteen en troffen we elkaar weer bij het startpunt toen het begon te schemeren en bespraken onze bijzondere vondsten en puzzels.

De anderen had een bijzonder gras gevonden: het leek op Vinger- of Handjesgras maar ze konden het niet helemaal thuis brengen. Het stond op diverse plekken tussen de stoeptegels van een straat die net opnieuw was ingericht. Toen ik een exemplaar kreeg aangereikt kwam de naam Plat handjesgras – Eleusine indica – direct boven. Ik had dit gras niet eerder zelf gevonden, maar er wel foto’s van gezien.

Plat handjesgras – Eleusine indica | foto: André de Jongh

Plat handjesgras was weliswaar voor onze groep nieuw, maar hij is al decennia eerder voor het eerst in Nederland gevonden: in 1955 voor het eerst op een vuilstort in Leeuwarden. Sindsdien is hij op 30 plekken verspreid over het land gevonden. Hij is niet bestendig, slechts in één kilometerhok is hij met een tussenpoos van enkele jaren opnieuw gevonden en het aantal vondsten neemt ook niet opvallend toe. In Rotterdam werd hij voor het eerst gevonden in 1968 en daarna in 2002, 2013 en 2018 [bron: Verpreidingsatlas]. De periode tussen de waarnemingen neemt af, maar of dat komt doordat hij echt vaker voorkomt of doordat er meer floristen rondkijken is onduidelijk.

Groepsgenoot André de Jongh is een paar dagen later terug gegaan naar de vindplaats om wat extra foto’s te maken. Hij hoorde toen van bewoners dat het gras was verschenen tijdens de straatwerkzaamheden en dat het zich niet beperkte tot de stoep, maar ook in hun tuinen was opgedoken en lastig weg te krijgen was.

Plat handjesgras – Eleusine indica  met alle aartjes aan een kant van een aaras| foto: Dick Hoek

Plat handjesgras is een C4-gewas. Dat betekent dat hij een vorm van fotosynthese toepast die is aangepast aan warme streken. In het Nederlandse klimaat kiemen C4 grassen later in het jaar dan onze inheemse grassen die C3-fotosynthese toepassen. Daarom zie je C4-grassen (zoals Europese hanenpoot, Maïs, vingergrassen, liefdegrassen, naaldaren en gierstgrassen), meestal pas in juli/augustus tot bloei komen.

In wat warmere streken is Plat handjesgras een algemeen, lastig onkruid in akkers met eenjarige gewassen. Maar hij vestigt zich ook in grasland en golfvelden en weet zich daar te handhaven omdat hij goed maairesistent is. Met zijn platte groeiwijze blijft een deel van zijn aren onder de maaibalk en kan hij zaadzetten. Vermoedelijk is het zaad in Rotterdam aangevoerd bij de wegwerkzaamheden, maar wat daarbij de bron is geweest is niet duidelijk. Het is niet waarschijnlijk dat de zaden nog in de bodem zaten want de zaden van dit gras zijn maar een paar jaar kiemkrachtig.

Ik ben benieuwd hoe lang het duurt voor we dit grasje weer in Rotterdam aantreffen.

Een zich ontvouwende bloeiwijze van Plat handjesgras – Eleusine indica | foto: André de Jongh

De opmars van Bleek cypergras

Vorig jaar juni verschenen er in ons achterpaadje een heleboel groene rozetjes tussen de tegels. Ze waren me eerst niet opgevallen, maar toen ze wat groter werden kon ik er niet meer omheen: ik fietste een deel van de groene rozetten plat. Toen ze nog wat verder uitgroeiden realiseerde ik me dat het Bleek cypergras (Cyperus eragrostis) was.

Bleek cypergras in ons achterpaadje; eind juni zijn het sprieten van zo’n twintig centimeter maar nog geen bloeiwijze te zien. De bladeren vormen schijnstengels, dat wil zeggen dat alle bladeren direct bij de wortels beginnen en niet op een stengel zijn ingeplant. De bladloze stengel komt daarna uit die koker van bladeren (schijnstengel) tevoorschijn.
De bladeren van Bleek cypergras hebben mooi groen gestreepte bladvoeten met langs de rand brede vliezige randen.

Hoewel ik niet weet hoe de soort hier terecht is gekomen verbaasde het me niet echt dat deze soort hier opdook. De afgelopen twee jaar was ik hem al een paar keer in de stad tegen gekomen, zowel op plekjes met een vochtige bodem, als in een verwaarloosde voortuin die er voor een kwart mee was gevuld. Daarnaast was het me als FLORON-districtscoördinator opgevallen dat er sinds 2015 behoorlijk wat hokken waren bijgekomen waar deze soort niet eerder was gevonden, zowel binnen als buiten de stad. Het kaartje van de verspreidingsatlas laat goed zien hoe deze soort zich recent enorm heeft uitgebreid. Alle rode stippen zijn van 2015-2017 en een paar van 2018. In 2003-2013 werden er bij kilometerhokinventarisaties minder dan tien waarnemingen per jaar gedaan. In zowel 2016 als 2017 waren dat meer dan veertig waarnemingen per jaar.

Waarom de soort zo is toegenomen weet ik niet zeker; maar voor ons achterpaadje geldt wel dat de grond vochtig is en daar steeds vaker een tijdlang water blijft staan door het toegenomen aantal hoosbuien. Dat past bij zijn voorkeur voor vochtige grond die ‘s-winters onder water staat. Bleek cypergras heeft zijn natuurlijke verspreiding in de moerasgebieden van het westen en zuid-westen van de V.S. en delen van Zuid-Amerika.

De rozetjes zijn ook dit jaar in ons achterompaadje verschenen en in augustus zullen de bloeiwijzen wel weer voor een mooie vergroening zorgen. Want Bleek cypergras heeft een prachtige bloeiwijze die wat lijkt op die van Papyrus, en is daarmee een sieraaad voor ons achterpaadje. Ik hoop dat hij niet zo invasief blijkt te zijn dat ik een hekel aan hem krijg.

Bleek cypergras- Cyperus eragrostis

bronnen: FLORON nieuws nummer 9 (dec 2008) en Verspreidingsatlas.

De stad staat vol pestomateriaal

Afgelopen week verzamelde ik wat planten voor de floracursus die ik dit jaar in Rotterdam  geef. Ik blijf daarvoor meestal dichtbij huis, daar is al voldoende variatie te vinden om de belangrijke families: zoals lipbloemen, kruisbloemen en planten uit de Anjerfamilie, met levend materiaal te kunnen illustreren. Als ik planten pluk wordt ik nogal eens aangesproken, zo ook deze keer. Negen van de tien keer wil degene die me aanspreekt dan weten of wat ik net geplukt heb eetbaar/gezond is, of ik op zoek ben naar eetbare planten.

Nou ben ik zelf niet zo’n actieve wildplukker, al kauw ik onderweg zeker wel eens op een blaadje Klaverzuring of een stengel Reukgras, ik geniet meer van het uiterlijk van de wilde planten dan van de smaak. Van heel veel planten heb ik dan ook geen idee of ze lekker zijn en/of gezond zijn. Maar, gelukkig zijn juist enkele van de in de stad algemeen voorkomende wilde planten prima eetbaar zodat ik meestal wel een voorbeeld kan aanwijzen waarvan ik zeker weet dat die soort prima eetbaar is zoals Brandnetel, Vogelmuur, Grote zandkool, ook wel aangeduid als wilde Rucola. Verder Smalle weegbree – in kleine hoeveelheden, want is wel bitter!- Veldzuring, Paardenbloem of Zevenblad.

Kleine veldkers (Cardamine hirsuta) doet het prima in een salade: licht peperig zoals veel kruisbloemigen. foto: Peter Hegi

Zo kon ik ook afgelopen week de dame die me aansprak wijzen op de Grote brandnetel en de Kleine veldkers. En daarna ook nog wat vertellen over het plezier van het zoeken naar wilde planten in het algemeen. Na afloop heb ik nog wel even opgezocht of Hondsdraf die ik in mijn hand had toen ze me aansprak ook goed verteer baar is. En ja hoor, ook Hondsdraf is met mate eetbaar: wat bloemetjes en blaadjes in de salade of soep; een andere website adviseert om er thee van te trekken.

Zo leer ik langzamerhand de eetbaarheid van de Wilde planten in mijn omgeving kennen en blijkt de hele stad vol te staan met materiaal voor pesto, soep, salade of kruidenthee. Het is leuk om daarmee nieuwsgierige buurtbewoners te kunnen prikkelen om met hongerige ogen naar het ‘onkruid’ tussen de stoeptegels en in de plantsoenen te kijken.

PS: Ze zeggen dat Japanse duizendknoop ook eetbaar is, dat gekookte jonge spruiten lijken op rabarber. Omdat ik van Rabarber houd en de Japanse duizendknoop langs ons achterpaadje graag kwijt wil heb ik het een keer geprobeerd; maar de stengels bleken al zo stevig te zijn dat het nauwelijks tot moes kookte en geen eetbaar resultaat opleverde. Blijkbaar moet je er nog eerder bij zijn, misschien komende week nog eens proberen.

Mislukte poging om van Japanse duizendknoop (Fallopia japonica) een moes te maken zoals gekookte rabarber. Waarschijnlijk zijn alleen de echt jonge scheuten eetbaar.

De overeenkomst tussen eendenkooi en achterpad

Enkele jaren geleden inventariseerden we het terrein van de Eendenkooi Bakkerswaal bij Krimpen aan den Lek. Rond de plas en de vangpijpen van de eendenkooi ligt een flink stuk vochtig bos. Een van de planten die we in het bos aantroffen was Muursla (Mycelis muralis), een plant met prachtig ingesneden bladeren; de bladtop doet me altijd denken aan de bastions in onze vestingsteden hetgeen dan weer een makkelijk ezelsbruggetje is naar de ‘muur’ in de naam van de plant. De vertakte bloeiwijze met kleine hoofdjes met steeds vijf gele lintbloemetjes is wel elegant, maar niet erg opvallend.

Verspreidingskaartje van Muursla – Mycelis muralis

Ik was verrast over Muursla in het Eendenkooibos want ik kende Muursla uit achterpaadjes en brandgangen in de stad. Maar, voor een van mijn medefloristen was zo’n vochtig bos juist het bekende biotoop van Muursla en was hij juist verrast door mijn ervaring uit de stad. Kortom de biotopen zijn verwant en Muursla voelt zich thuis op vochtige beschaduwde plekken van niet al te zure en schrale grond, liefst met wat goed verteerde humus. Het verspreidingskaartje van Muursla laat dit dubbele verspreidingspatroon duidelijk zien: Rotterdam, Den Haag, Amsterdam, Groningen, Nijmegen maar ook Dordrecht, Tilburg en Eindhoven zijn op de kaart te herkennen als een opeenhoping van zwarte stipjes, daarnaast zijn er enkele streken waar hij ook buiten de steden veel voorkomt zoals Zuid-Limburg, Oost-Gelderland, Twente, Utrecht en de Hollandse duinstreek.

De vertakte bloeiwijze van Muursla – Mycelis muralis met kleine bloemhoofdjes met maar vijf lintbloemen.

Dat de biotopen van Vochtige bossen en achterpaadjes verwant zijn blijkt ook uit andere soorten die ik vooral op deze twee plekken tegenkom zoals Bosveldkers, Groot heksenkruid en Bergbasterdwederik. Vorig jaar trof ik zelfs Reuzenzwenkgras (Festuca gigantea) aan in een brandgang in Dordrecht, een soort die ik in de buurt van Rotterdam ken uit de grienden en andere vochtige bosjes langs de oevers van de rivier.

 

Boompjes en boompjes

Ik werk in het hart van Rotterdam aan de Scheepmakershaven. Op de fiets naar huis spot mijn oog dan natuurlijk wel eens wat stadse flora waar ik voor afstap omdat ik het niet (her)ken of omdat het er bijzonder fraai bij staat.

Boompje langs de Boompjes: Uitgebloeid staketsel van Dichtbloemige kruidkers – Lepidium densiflorum

Zo fiets ik regelmatig een klein stukje langs De Boompjes, een drukke weg langs de Noordoever van de Maas. In de tegelvoegen langs het fietspad schoten in juni een heleboel dezelfde plantjes op. Beneden aan de plant zitten wat grotere getande bladeren, op een hoogte van zo’n tien tot twintig centimeter vertakten de planten zich en de takken dragen wat smallere blaadjes en daarboven een enorm lang uitgroeiende tros met bloemetjes en vruchtjes zoals dat bij veel kruisbloemigen voorkomt. Het is inderdaad een kruisbloemige, maar dat is lastig te zien aan de kroonbladeren want die heeft de Dichtbloemige kruidkers (Lepidium densiflorum) niet. De vruchten verraden wel dat hij bij deze familie hoort. Ze lijken een kleine versie is van de vruchten van Witte krodde en nog veel meer op de vruchten van de andere Kruidkersen (Lepidiums).

Steenkruidkers is zijn nauwverwante broertje die je in en buiten Rotterdam veel vaker tegenkomt. Meest opvallende verschillen zijn dat die alleen maar ongetande bladeren heeft en een muizenlucht verspreid terwijl de geur van de Dichtbloemige kruidkers niet opvallend is. Dichtbloemige kruidkers stamt oorspronkelijk uit Noord-Amerika en is, tussen 1975 en 1999, ingeburgerd in stedelijk gebied in Nederland. Hij is in Nederland nog steeds vrij zeldzaam, maar is in Rotterdam soms massaal aanwezig.

Na mijn vakantie fietste ik weer langs de plek. Alle exemplaren waren nu uitgebloeid en er restte niets dan een woud van skeletten: prachtige miniboompjes langs de Boompjes.

Net uitlopende bloeiwijze van de Dichtbloemige kruidkers – Lepidium densiflorum. foto: Bas Kers tijdens excursie van de Rotterdamse Florawerkgroep
Dichtbloemige kruidkers – Lepidium densiflorum, al flink in vrucht en met bovenaan nog wat bloemen (zonder kroonbladeren).