Categorie: algemene planten

Paarse dovenetel – gesloten bloemen en mierenbroodjes

De paarse dovenetel bloeit bij niet al te strenge winters het hele jaar door.

De Paarse dovenetel lijkt zo’n onooglijk, niet opvallend, zeer algemeen voorkomend plantje. Maar toch heeft de Paarse dovenetel een unieke eigenschap die slechts met weinig andere planten gedeeld wordt. Het gaat om cleistogamie. Een mechanisme waarbij bloemen zich niet openen en waarbij binnen de gesloten bloemknop zelfbestuiving plaatsvindt. Er vindt bestuiving en vruchtvorming plaats zonder dat de bloem zich ooit geopend heeft. Er zijn slechts weinig voorbeelden van Nederlandse planten die over dezelfde eigenschap beschikken. Een paar voorbeelden zijn Maarts viooltje, Bosviooltje, Glad vingergras en de Paarse aspergeorchis.

Paarse dovenetel – Binnen de gesloten bloemknop kan zelfbestuiving plaatsvinden (cleistogamie)

Vorige week beschreef Willemien Troelstra op Stadsplanten de bekendste plant van Nederland: de Brandnetel. Vandaag dus aandacht voor de Paarse dovenetel. Zowel qua uiterlijk als qua naam zijn er sterke overeenkomsten. Maar schijn bedriegt. Brandnetel en dovenetels hebben weinig met elkaar te maken. Anders dan dat ze beiden tot de flora behoren.

Brandnetel en dovenetels behoren tot verschillende families. Grote- en Kleine brandnetel vormen samen met Klein- en Groot Glaskruid, de brandnetelfamilie. Alle dovenetels behoren tot de lipbloemige. Bloemen van de lipbloemige zijn altijd tweezijdig symmetrisch. Dat betekent, dat je de bloem in het verticale vlak doormidden kunt snijden en dat dan de linkerhelft het spiegelbeeld is van de rechterhelft. Bij horizontaal doorsnijden gaat het verhaal niet op. De naam “lipbloemen” duidt op de typische vorm van de kroonbladen die vergroeid zijn tot een kelk met een onder- en een bovenlip. Veel planten uit deze familie hebben vierkante, holle stengels. Dat is ook bij de Paarse dovenetel het geval.

De paarse dovenetel behoort tot de lipbloemige. Een vergroeide kelkbuis die uitloopt in een boven- en een onderlip

De naam “dovenetel” duidt aan dat de plant qua uiterlijk lijkt op een brandnetel, wel behaard is maar geen brandharen heeft. Dove betekent dan ook doof=niet werkend, niet stekend. Paarse dovenetel en brandnetel komen voor in de zelfde habitat. Vaak stikstof- rijke grond in bermen en verruigd terrein. De Paarse dovenetel bloeit, als er geen strenge vorst is, eigenlijk het hele jaar door. Als er wel sprake is van een echte winter dan is de plant één van de eerste die in bloei komt.

Paarse dovenetel – bovenlip met oranje meeldraden

Met de vruchtjes van de Paarse dovenetel is ook iets bijzonders aan de hand. Aan de onderzijde van de vruchtjes zit een vlezig aangroeisel dat mierenbroodje wordt genoemd. Mierenbroodjes komen bij veel meer plantenvruchten voor. In België en Nederland zijn zo’n 200 plantensoorten bekend die zaden of vruchten met een mierenbroodje hebben. Zij bevatten een olieachtige stof die zeer aantrekkelijk is voor mieren. De mieren slepen de zaadjes mee en leveren zo een bijdrage aan de verspreiding van de planten.

De zaden van de Paarse dovenetel hebben aan de onderzijde een mierenbroodje

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

De bekendste plant van Nederland?

Wat zou de meest bekende wilde plant van Nederland zijn: Madeliefje, Vergeet-me-nietje of Paardenbloem? Ik denk geen van drieën, ik denk dat er eentje nog veel bekender is, omdat iedereen in zijn kindertijd er pijnlijke ervaring mee opdoet: de Brandnetel.

Bloeiwijze van een vrouwelijke plant van de Grote brandnetel (Urtica dioica) waarvan de bloemtrossen vertakt zijn en meer opzij staan dan de mannelijke bloeiwijzen.

Maar, wat de meeste mensen als kind niet leren is dat er in Nederland twee soorten brandnetel zijn- en sinds een paar jaar zelfs drie-: Grote & Kleine en Zuidelijke. De Grote brandnetel is veruit het algemeenst, omdat hij niet veeleisend is en overblijvend: na de winter lopen de wortelstokken weer vrolijk uit. Als hij ergens staat kan hij makkelijk standhouden en zich uitbreiden. Kleine brandnetel is daarentegen eenjarig en moet ieder jaar weer uit zaad opkomen; heeft open plekjes nodig waar hij kan kiemen.

Brandnetels houden van stikstof. De Grote brandnetel vind je in de stad op allerlei plekken maar vooral in voedselrijke bermen en andere bemeste plekjes zoals hoekjes die mannen uitkiezen om goudgeel vocht te sproeien. De Kleine brandnetel zie ik in Rotterdam minder vaak dan de grote; vooral in/rond moestuinen en in plantperken die af en toe geschoffeld worden. Hij staat ook wat droger dan grote brandnetel. Buiten de steden staat Kleine brandnetel veel in de duinen en langs akkers.

Beginnende floristen zijn bang de Kleine brandnetel niet te herkennen; maar mijn ervaring is dat als je Kleine brandnetel tegenkomt je gelijk denkt ‘hé dat is een afwijkende brandnetel’. De bladeren van Kleine brandnetel zijn namelijk eirond, kleiner dan 4 cm en de bladvoet is niet hartvormig. Grote brandnetel heeft langwerpiger bladeren die 5-10 cm groot zijn met een hartvormige bladvoet.

Vooral bij jonge exemplaren is dit laatste een handig verschilkenmerk. Twijfelt u nog: probeer er een uit te trekken. Lukt dat makkelijk dan is het de Kleine of de Zuidelijke; zit er een wortelstok aan dan is het de Grote.

Jonge exemplaren (in maart) van Grote brandnetel (Urtica dioica) met hartvormige bladvoet en minder diep ingesneden tanden dan die van Kleine brandnetel.

Wat betreft de bloeiwijzen wint de Grote brandnetel de schoonheidsprijs: de Kleine brandnetel verstopt zijn bloemen een beetje tussen de bladeren in kleine knoedels; mannelijke en vrouwelijk bij elkaar.  Grote brandnetel heeft aparte mannelijke en vrouwelijke planten. De mannen hebben prachtig hangende bloemtrossen waaruit het stuifmeel door de wind wordt weggeblazen. De vrouwen hebben meer vertakte bloemtrossen die opzij staan om het stuifmeel op te vangen; na de bevruchting gaan ze min of meer hangen.

Vrouwelijke plant van de Grote brandnetel (Urtica dioica) die zeer rijk vrucht draagt.
Kleine brandnetel (Urtica urens) met korte bloeiwijzen en rond aflopende bladvoet.

De Zuidelijke brandnetel is nog niet in Rotterdam aangetroffen, maar een paar jaar geleden wel in buurgemeente Schiedam. Hij lijkt op de Grote brandnetel, maar hij is eenjarig en heeft aan iedere plant lange aren met mannelijke bloemen bovenin en korte trosjes met vrouwelijke bloemen onderin.

 

Eindejaarsplantenjacht

In de winter, wanneer je als florist bij de kachel kunt zitten en je theoretische kennis kunt opkrikken, is er de Eindejaarsplantenjacht. Ik vind dat zo’n goed idee! Dank je wel Floron. Het idee schijnt uit Engeland overgewaaid te zijn. Gelukkig nu eens niet uit Amerika.
Elk jaar, dus nu al voor de vijfde keer, doet onze plantenwerkgroep in Zoetermeer mee. We gaan lekker lunchen en lopen daarna een uurtje, of zelfs iets langer. Voor de wetenschap!

De resultaten van het plantenjagen kan je lezen op www.plantenjacht.nl. Omdat onze groep altijd in de stad loopt vinden we altijd aardig wat soorten.
Madeliefje, Straatgras, Vogelmuur, Klein kruiskruid, Paardenbloem, Gewone melkdistel en Herderstasje vinden wij elk jaar en staan ook landelijk gezien nu weer in de top 10. Ook Grote ereprijs en Tuinwolfsmelk zien wij elk jaar en staan landelijk hoog. In Zoetermeer duiken verder altijd het Kruipklokje en de Bosveldkers op.

Een paar soorten uit de landelijke top 25 vonden wij dan weer niet, bijv. Boerenwormkruid, Jakobskruiskruid en Reukeloze kamille lieten het dit jaar bij ons afweten. Wat wij weer veel zagen: Harig knopkruid. Dat voelt zich heel erg thuis in Zoetermeer.
Enkele foto’s van onze plantenjacht op 28 december:

Rode klaver
Tuinviooltje
Harig knopkruid
Zelfs Kransgras vonden we bloeiend.

Straatgrassen

Hoe stadser kan het heten dan ‘Straatgras’ ? Tussen de kleinste voegen van de straat kan een polletje groeien en in elk jaargetijde vind je het in bloei.  Straatgras is een eenjarige plant die valt onder de beemdgrassen. Maar is dat nu een interessante plant? Jawel! Ik bekeek ze redelijk vaak van dichtbij want al jaren zocht ik naar een op Straatgras gelijkende soort. Het betreft het zeer gelijkende Poa infirma. Straatgras zelf kan al redelijk smal en tenger zijn, Poa infirma is nog een beetje smaller en tengerder. Ik wist van het bestaan door in de Britse flora van Stace te bladeren. Toch vond ik er al die jaren nooit die aan de beschrijving voldeden; al moet ik ook toegeven dat ik ook niet ieder Straatgras aan een inspectie onderwierp.

Het is helaas vaak zo, dat je de plant in kwestie eerst eens moet hebben gezien, liefst aangewezen door een ervaringsdeskundige, zodat je er een beeld van krijgt. Niet alleen van het uiterlijk van de plant, maar ook van de plekken waar je die zou kunnen verwachten. Dat laatste bleek uiteindelijk de sleutel tot succes. De plant werd vanaf 2016 op vrij veel plaatsen in Nederland ontdekt en met name op aangereden grond op campings. Helaas had ik dus zelf de primeur niet, graag ontdek je zoiets als eerste, zeker als je er al langer naar gezocht hebt, maar de aanwijzing dat campings ‘the place to be’ waren, gaven me hoop. In 2017 wezen West-Vlaamse botanici me de plant op een West-Vlaamse camping, en had ik dus ook al een zoekbeeld en in 2018 vond ik er, uiteindelijk dus met eigen ogen, een heel stel op een camping in Belgisch Limburg. Een kleine missie kreeg zijn voltooiing.

Een West-Vlaamse camping bleek het mekka voor Poa infirma

Inmiddels bleek ik achteraan in de horde te zitten, want in snel tempo bleek een aanzienlijk deel van Nederland al gevuld met stippen. Ook Vlaanderen volgde snel. Zo snel dat de hypothese is, dat we er met zijn allen toch jarenlang overheen moeten hebben gekeken. Niet alleen campings waren de goede plekken, maar allerlei man-made pionierplaatsen bleken groeiplaatsen te herbergen. Denk aan begraaf- en parkeerplaatsen. Maar ik had een excuus; nog steeds zijn de hogere zandgronden, en algemener gesproken het Zuiden en Oosten van beide landen, zeer schaars bedeeld. Daar moeten wij het toch nog grotendeels doen met gewoon Straatgras.

Een frisse pol Straatgras op 7 januari 2018; een goed begin van een nieuw jaar

Normaliter schrijf ik vervolgens graag ook nog iets over het onderscheid tussen de twee soorten, maar niet zo lang geleden heeft Niels Eimers het woord al verspreid in een prachtig tabelletje op waarneming.nl. Voor deze keer verwijs ik dus graag door naar https://waarneming.nl/species/129155/

Rest mij nog iedereen een fijn 2019 toe te wensen en dat uw eerste waarneming in 2019, om 1 over 12 bij het licht van het vuurwerk, het Straatgras moge zijn.

Migranten

Ook onder planten is de migratiedruk hoog. In de loop van eeuwen zijn er heel veel planten bijgekomen en weer verdwenen. Als je mensen, die maar ook iets van planten afweten, vraagt naar een voorbeeld van migrerende planten, noemen ze vaak Bezemkruiskruid (Senecio inaequidens). Het is een relatief jong voorbeeld van succesvolle migratie. Van origine komt deze plant uit Zuid-Afrika. Na 1970 heeft deze plant zich in Nederland razendsnel verspreid via spoor, weg en water. Met als resultaat dat Bezemkruiskruid nu een normale verschijning is in de stad.

Via ons dicht bespoorde Nederland verspreiden zich meer soorten die je tegenwoordig overal tegen komt. Denk maar aan Wilde reseda (Reseda lutea) of aan Vlasbekje (Linaria vulgaris).

Ook de grote Rivieren, Rijn, Maas en Waal zorgen voor een prima verspreiding. De naam van dit voorbeeld zegt het al: Rivierkruiskruid. Op het verspreidingskaartje van Floron zie je precies de loop van deze rivieren terug.

Deens lepelblad (foto AvD)

Een echt heel leuke waarneming in de stad is Deens lepelblad (Cochleraria danica). Vroeger een toch wel zeldzaam plantje. Nu een echte “pekelplant”. Doordat we nogal royaal strooien op de autowegen en Deens lepelblad zoutminnend is kan deze plant zich over de rest van Nederland verspreiden. Ons wegennetwerk is op menig verspreidingskaartje dan ook goed te zien.

Ook honderden jaren geleden zijn planten ons land al binnengekomen. Een goed voorbeeld is Harig knopkruid (Galinsoga quadriradiata). Deze plant werd al in de 19-de eeuw ingevoerd uit Zuid- en Midden-Amerika. Door diverse oorlogen is Knopkruid letterlijk Europa binnengewandeld. De plant ontleent zijn naam aan Ignacio Mariano de Galinsoga. Deze Spaanse arts aan het hof was ook beheerder van de botanische tuinen in Madrid. Vanuit die tuin ontsnapte de plant. Harig knopkruid werd in 1925 voor het eerst in Nederland gezien. Nu is deze plant overal in de stad een gewone verschijning.

Gele maskerbloem (Mimulus guttatus) en Gewoon sneeuwklokje (Galanthus nivalis) zijn maar twee voorbeelden van de vele soorten die ooit in botanische tuinen zijn geplant. Vaak vanwege uiterlijke schoonheid of geneeskrachtige eigenschappen. Maar altijd “ontsnapten” deze planten en zo verspreidden ze zich over heel het land.

Ook door ons uitbundige reisgedrag nu en in het verleden krijgen veel planten de kans zich te verspreiden. Strandrupsklaver (Medicago littoralis) blijkt een echte campingadventief te zijn. Door intensief heen-en-weer-gesleur van caravans worden de zaden van deze plant overal in Europa verspreid. Goed voor te stellen is dat door ons intensieve reisgedrag veel zaden van andere planten ook worden verspreid.

Als laatste moeten toch de invasieve exoten genoemd worden. De Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica) en de Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides) zijn maar enkele voorbeelden. Deze zijn of ooit door botanisten meegenomen of ze zijn “ontsnapt” uit tuincentra. Een goed voorbeeld van zo’n geïntroduceerde plant is de Japanse duizendknoop. Philipp Franz von Siebold heeft deze plant al in 1823 uit Japan meegenomen naar de Hortus Botanicus in Leiden. Niet wetende dat dit een echte probleemexoot zou worden die nauwelijks te bestrijden is en zich steeds beter verspreidt door het als maar warmere klimaat. Grote waternavel is door de handel in vijver- en aquariumplanten over de wereld verspreid. Ook deze plant vaart wel bij het warmer wordende klimaat.

Kroosvaren – Hoe een Klein Duimpje de sloten verovert

Tijdens lezingen houd ik ze graag naast elkaar. Een Adelaarsvaren van twee en een halve meter groot, naast een Kroosvaren die met gemak op de nagel van mijn grote duim past. Beide een volwassen plant, maar een wereld van verschil. Dit najaar waren veel sloten massaal rood door kroosvarens in herfstkleuren

Terug kijkend op de vele jaren die zijn voorbij gegaan sinds mijn geboorte moet ik vaststellen dat de mariene biologie altijd een belangrijke plaats heeft gehad in mijn belangstelling voor de natuur. Ruim 1.200 duiken op koraalriffen, in grotten, onder het ijs, wrakonderzoek op de Noordzee en duiken in Hollandse poldersloten hebben mij geleerd dat de flora en fauna onder water en aan de oppervlakte van sloten, meren en zoute wateroppervlakten een fascinerende leefwereld vormen. Met dat in het achterhoofd is het niet zo verwonderlijk dat er dit najaar redelijk wat alarmbellen gingen rinkelen toen in steeds meer plassen en sloten het oppervlak rood begon te kleuren. Het antwoord was: Azolla – oftewel Kroosvaren.

Officieel zijn er twee soorten: Grote kroosvaren en Kleine kroosvaren. Er wordt vaak gezegd dat in het verleden Kleine kroosvaren overheerste en Grote kroosvaren zeldzaam was. In de loop der jaren is Grote kroosvaren van zeldzaam tot zeer algemeen uitgegroeid en heeft Kleine kroosvaren volledig verdrongen. Dat moet al zijn gebeurd in het begin van de 20ste eeuw. In “De Levende Natuur” van december 1915 schrijft Jac. P. Thijsse over slootjes in de bollenstreek: “In die buurten is tegenwoordig alleen de groote soort, A. flliculoides, vroeger kwam daar juist de kleine soort, A. caroliniana voor maar deze schijnt er zoowat geheel verdwenen te zijn, blijkbaar verdrongen door de groote. Die heeft zich dan ook geweldig uitgebreid in de laatste jaren. Naar het zuiden tot op de Zuid-Hollandsche eilanden, naar het noorden tot ver benoorden Alkmaar. Ook ten oosten van het Merwedekanaal zag ik ze reeds (o.a. bij Muiden). A. caroliniana heeft tegenwoordig z’n verspreiding om Utrecht, in het Gooi en het oosten van Zuid-Holland”.

Zoals het vaak in de natuur gaat waren er invloeden – soms onbekend – die er voor zorgden dat Kleine kroosvaren steeds meer terrein moest prijsgeven en Grote kroosvaren uiteindelijk een dominante positie veroverde. Zelfs zo sterk dat van Kleine kroosvaren momenteel geen vindplaats in Nederland meer bekend is.

Kroosvaren kan wateroppervlakten volledig bedekken

Dit jaar lagen de sloten ineens vol met kroosvaren. U begrijpt dat dat voor mij een uitdaging was om een Kleine kroosvaren te vinden. Uit iedere sloot of plas, waar ik kroosvaren vond, werden de nodige plantjes mee naar huis genomen om onder de microscoop te bekijken. Om het sluitend bewijs te vinden met welke soort men te maken heeft is niet eenvoudig. Er is één veldkenmerk waarmee een aanwijzing te vinden is. Met een sterke loep zou je kunnen kijken of de haartjes op de bladeren van het kleine plantje eencellig of tweecellig zijn. Je moet daar hele goede ogen voor hebben en een sterke loep. Anders is er maar één oplossing: mee naar huis nemen en onder de binoculair leggen. Toch zijn eencellige haartjes geen sluitend bewijs. Om er echt zeker van te zijn of we met de Kleine of de Grote kroosvaren te maken hebben moet de vergrotingsmaatstaf worden opgevoerd tot ongeveer 600 maal.

Op het plantje, niet groter dan een pinknagel, moeten we op zoek naar sporen. Om het ingewikkeld te maken vormt kroosvaren een uitzondering in sporenland. Normaal gesproken vormen varensporen onder gunstige omstandigheden een voorkiem (prothallium) waarbinnen zich vrouwelijke en mannelijke cellen ontwikkelen waaruit uiteindelijk na samenvloeien zich een nieuwe plant kan ontwikkelen.

Eén mannelijke en twee vrouwelijke sporenhoopjes

Kroosvaren vormt een uitzondering doordat er zich op de plant afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke sporenkapsels vormen (sporocarpen). Die zijn onder de binoculair met een vergrotingsmaatstaf van 45x goed te onderscheiden. Normaal vormen varens sporenhoopjes (sori) die worden afgedekt door een dekvliesje (indusium). Bij kroosvaren zijn de sporenhoopjes (sporocarpen) niet afgedekt maar omgeven door een “dekvliesje”. Een klein ballonnetje waar de sporenhoopjes in zijn opgesloten. Een mannelijke sporenhoopje wordt gevormd door sporenkapsels waarbinnen zich de sporen bevinden. Waar het bij het onderzoek vooral om gaat is het isoleren van mannelijke sporocarpen en daarbinnen de sporenkapsels en uiteindelijk de sporen.

In het mannelijke sporenhoopje bevinden zich sporenkapsels

Het vraagt om hele kleine pincetjes en een vaste hand om de sporocarpen te openen en de sporenkapsels te isoleren. Daarna moeten de uiterst kleine sporenkapsels worden open gepeuterd om de sporen te isoleren. We hebben het bereik van de binoculair inmiddels verlaten en zijn aangeland op microscoop niveau in de orde van grote van plusminus 600 maal vergroten. Uiteindelijk is dat het niveau waarop we met zekerheid kunnen vaststellen of we te maken hebben met Grote of Kleine kroosvaren.

Glochidia van Grote (filiculoides) en Kleine (cristata) kroosvaren (bron internet)

Waar het om gaat is dat aan de mannelijke sporen van kroosvaren zich orgaantjes ontwikkelen waarmee de mannelijke sporen zich kunnen vasthechten aan de vrouwelijke sporen. Deze orgaantjes heten glochidia. Ze lijken een beetje op twee evenwijdige lijntjes met aan het uiteinde een uitstulping zoals je die kent van de kop van een hamerhaai. Belangrijk is de ruimte tussen de twee evenwijdige lijntjes. Is die ruimte leeg dat gaat het om Grote kroosvaren, Als er zich tussen de evenwijdige lijntjes tussenschotjes bevinden dan hebben we te maken met Kleine kroosvaren.

Glochidia op een mannelijk spoor

Kroosvaren kan zich bijzonder snel vermeerderen. In de bladholten van de plant leven bacteriën die stikstof uit de lucht kunnen binden en beschikbaar stellen aan de plant. Dankzij deze voedingsstoffen kan Kroosvaren wel binnen twee tot drie dagen in massa verdubbelen. Per hectare kan per jaar 50 kg stikstof per hectare gebonden worden. Dat is de reden dat kroosvaren in Aziatische landen wel gebruikt wordt als groenbemesting. Als het plantje afsterft wordt de stikstof opgenomen in de grond. Door de snelle toename in massa kunnen binnen een zeer korte periode vijvers en sloten volledig bedekt zijn door dit varentje. De voedingswaarde van Azolla voor vee is hoog. Daarom worden er momenteel proeven uitgevoerd waarbij Kroosvaren wordt gekweekt en jonge varkens geleerd wordt het als voedsel te accepteren.

Na 25 vijvers en 30 sloten, slechts om een orde van grote aan te geven, heb ik alleen maar Grote kroosvaren kunnen vinden. Maar ik geef de moed niet op en blijf verder zoeken.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Probleemviolen

Je zou het niet zeggen, maar voor sommige mensen vormen prachtige plantjes als bosviooltjes toch een probleem.

Ergens op een stoep in een nieuwbouwwijk van Breda zag ik vanaf mijn fiets een blauwe gloed. Dichterbij gekomen bleek het om een ‘monocultuur’ van het bleeksporig bosviooltje (Viola riviniana) te gaan. Toen ik knielde op dat bed violen om er foto’s van te maken kwamen de aanwonenden tevoorschijn. Vindt u dat mooi? Ze vertelden dat ze al jaren probeerden van dat onkruid af te komen. Het stond niet alleen op de oprit maar ook al op de openbare weg. Of ik soms raad wist. “U mag ze allemaal hebben hoor!”.

Het bleke spoor is duidelijk te zien

Hoe komen daar nu zoveel van die planten terecht? Volgens de literatuur vormen Maartse viooltjes enorme tapijten door hun bovengrondse uitlopers, en bosviooltjes kunnen dat niet. Dan is het waarschijnlijk een kwestie van kiemkrachtige zaden.

 

Stadsplantensociologen? … ze bestaan! Een andere kijk op stadsplanten

Plantensociologisch onderzoek in Nijmegen; met een vegetatieopname rondom Behaard breukkruid (foto: Jan Jansen)

Het is druk op straat; wij begeven er ons, tegelijk ‘beweegt’ de flora zich daar . Een selecte groep planten is ‘streetwise’, terwijl het gros deze steenjungle mijdt. In deze observatie van voor- en afkeur ligt de kern van wat plantensociologie heet, het studieveld van vegetatiekundigen. Sommige planten lijken elkaar op te zoeken, anderen ontlopen elkaar, gaan schijnbaar niet samen. Voor wie dat mocht denken; de florawereld is niet zozeer een zaak min of onmin, waarbij planten elkaar zoeken of mijden. De plek, het milieu daar, selecteert en stuurt, trekt gelijkaardige soorten.

Vegetatiekundigen, snuffelend, speurend, kruipend over straat … en in de goot belandt (foto Wim van Wijngaarden)

Aan het voorkomen van wilde planten is veel af te lezen. Planten staan niet zomaar ergens, ze stellen allerlei eisen; de ondergrond doet ertoe, de mate van zon en schaduw, de zuurgraad, vochtigheid etc. Het geheel aan condities brengt soorten samen in wat we plantengemeenschappen noemen. Ieder landschap heeft zijn eigen gemeenschappen. Iedereen weet dat de flora van de duinen er anders uitziet dan pakweg die van Zuid-Limburg. Steden herbergen zo ook een eigen plantenwereld. In Nederland ligt de kennis van plantengemeenschappen, vergeleken met het buitenland, op een hoog niveau; het resultaat van een lange traditie. Opvallend is dat steden daarbij onderbelicht zijn. Het vegetatieonderzoek kent zo zijn tradities met een focus op natuurgebieden. Aan stadsvegetaties en stadsplantengemeenschappen werd voorbijgelopen.

Maar is er verandering te bespeuren. Floristen en vegetatiekundigen ontdekken meer en meer de stad als studiegebied. Naast spannende soorten, worden nu ook de boeiende stadsplantengemeenschappen gezien. 2018 markeert een kentering, voor het eerst richtte de Plantensociologisch Kring Nederland (PKN) zich op het stedelijk gebied met een aftrap in vijf steden. De excursies zorgde voor veel nieuws, mooie beelden van groepen floristen, vegetatiekundigen, rondrijdend op OV-fietsen, snuffelend, speurend in tuingangen, kruipend over straat … maar bovenal veel vegetatieopnames in bijzondere stedelijke biotopen. Het maken van opnames is secuur werk. Het gaat om het bemonsteren van een begrensde plek , een typisch stadsbiotoop met bijhorende vegetatie (het proefvlak). Alle groeiomstandigheden worden genoteerd, zoals type ondergrond, de mate van schaduw/zon en de samenstelling en ‘verschijningsaard’ van de flora. Naast alle soorten, worden bijvoorbeeld ook de bedekking van de planten en de hoogte daarvan meegenomen.

In vijf steden waren er in 2018 speciale plantensociologische excursies
Knopige ooievaarsbek, nieuw inburgerend in Nederland, een kenmerkende soort voor tuingangen.

Met dit werk komt er meer zicht op hoe de stadsplantengemeenschappen eruit zien, wat de karakteristieken zijn en welke soorten daarin thuishoren, kenmerkend zijn. Het levert nieuwe beelden op, contouren van stadsplantengemeenschappen rondom Stokroos of rijke ‘tuingangengemeenschappen’ met Slaapkamergeluk, Schijnpapaver, Gele helmbloem  en vele begeleiders, waaronder Groot nagelkruid, Muursla, Bleke basterdwederik, Schijnaardbei, Glanzige en Knopige ooievaarsbek. Een groene wereld om nader te beschrijven.

Krossknapp

We zullen er met z’n allen weer een paar maanden op moeten wachten. Want pas in april gaat Hondsdraf weer bloeien. En dan mag april niet te koud zijn. Als de lente al lang en breed is begonnen is dit plantje weer te zien. Bij de eerste keer denk je: “Wat is dat nou?” en dan: “oh ja, Hondsdraf”. Pas in mei is het hoogtepunt van bloei van Hondsdraf. Volgens de verspreidingsatlas van Floron wordt Hondsdraf overal waargenomen, maar in de praktijk zie ik hem het meest langs de waterkant. Behalve dat ik het persoonlijk een erg mooi plantje vind, was het eerste dat mij opviel de naam. Zowel de Nederlandse als de wetenschappelijke naam zijn het bespreken waard. Ook de Noorse/Deense naam is zeer leuk, maar daarover straks meer.

Er zijn minstens twee verklaringen voor de naam Hondsdraf:

  1. In de middeleeuwen heette deze plant “wondrav”. Dit werd later wondrank. De plant was vroeger een handzaam middel om wonden mee te behandelen en het hielp tegen zweren, jeuken en zwellingen. Ook komt de naam van het Gotische woord gunderaba dat ook weer wondrank betekent.
  2. Een andere verklaring is dat de plant zijn naam dankt aan het feit dat deze na de bloei, d.m.v. bovengrondse stengeluitlopers, snel een groot oppervlak kan innemen. Deze woekerende eigenschap zou “honds” genoemd kunnen worden.

Honden waren, in tegenstelling tot nu, vroeger niet veel waard. Een plant die niet nuttig was, kreeg al snel het predikaat “honds”opgespeld. Denk maar aan Hondspeterselie of Hondsviooltje. De wetenschappelijke naam is Glechoma hederacae. Met name het woord Hederacae is interessant. Dit betekent “klimop”. Dit vanwege de gelijkenis van sommige stengelbladeren met die van Klimop (Hedera helix). Ook heel veel planten hebben het woord Klimop in zich. Denk maar aan Klimopereprijs, Klimopbremraap, etc.

Het kruis is duidelijk te zien

Nu de meest interessante naam, Krossknapp (Kruisknop). Dit is de Noors/Deense naam. Eerst dacht ik “wat moet ik daar nu mee!”. Maar als je volgroeide exemplaren beter bekijkt. Van heel dichtbij, en een beetje op z’n kop, snap je het. Het uiteinde van het vruchtbeginsel is kruisvormig. Dus u weet wat u te doen staat komend voorjaar!

 

groen is gras….

Groen is gras, groen is gras, onder mijne voeten……. zo ging een kinderliedje vroeger. De zomer van 2018 was het gras niet meer zo groen. Zelfs bij de buren niet. Gelukkig staat er in een grasveld meestal heel wat meer dan alleen gras. Ik durf bijna niet te bekennen dat ik in een grijs verleden, ik kan het me ook bijna niet meer voorstellen, wel eens een onkruidverdelger over ons nieuwe gazonnetje heb gesproeid. Daar had ik al snel spijt van. In de jaren daarna heb ik getracht het weer goed te maken: ik zaaide Madeliefjes, strooide stukjes Draadereprijs; Paardenbloemen en Weegbree kwamen vanzelf. Wat ik ook nog wel zou willen hebben is het Klein kaasjeskruid (Malva neglecta).

Op een grasveldje bij mij in de buurt, zag ik tot mijn genoegen dat het Klein kaasjeskruid zich dit jaar flink aan het uitbreiden was, misschien bij gebrek aan gras. Het probeert nu de stoep ook te veroveren.

Klein kaasjeskruid is een kruiper.

Klein kaasjeskruid is de kruiper onder de kaasjeskruiden. De stengels liggen plat op de grond, soms stijgen ze wat op. Zijn naaste familieleden zijn een stuk hoger opgaande planten, met grotere en meestal ook meer gekleurde bloemen. Malva neglecta houdt het bij licht gekleurde bloemen, bloeiend in de zomer/herfst.
De naam kaasjeskruid is te begrijpen als je naar de vruchtjes kijkt, die op kleine ronde kaasjes lijken. De zaden liggen daar prachtig strak tegen elkaar in een cirkel.

Het ‘kaasje’ bestaat uit een cirkel zaden.

De bladeren van het Klein kaasjeskruid zijn niet zo ver ingesneden als die van de andere kaasjeskruidsoorten, maar gelobd.

Het grasveldje is een plek waar het Klein kaasjeskruid zich thuis voelt, vooral langs de randen en in de hoeken, waar het wordt bemest en bevochtigd door de honden. Als de grasmat beschadigd is ziet de plant zijn kans schoon, zoals deze zomer dus.

Oorspronkelijk uit zuidelijker streken komend, heeft dit kaasjeskruid het best naar zijn zin in Nederland. In Zoetermeer is het geen plant waar je over struikelt, maar in de loop der jaren is hij in bijna elk kilometerhok wel gestreept.

Nu maar eens wat zaad in mijn tuin strooien!