Home » algemene planten

Categorie: algemene planten

Paard

Een heel oud geslacht dat bij veel tuinliefhebbers grote irritatie kan oproepen is Heermoes (Equisetum arvense). Dit komt o.a doordat als de wortels van Heermoes stuk worden geschoffeld, deze stukjes weer in staat zijn nieuwe planten te vormen. Eigenlijk gedraagt Heermoes zich precies zoals een agressieve exoot zoals bijvoorbeeld Japanse duizendknoop (Fallopia japonica). Als je bij Google Heermoes in typt is de eerste zoeksuggestie dus ook “heermoes bestrijden” en gaan veel zoekresultaten hier ook over.

Waarom dit stukje ‘Paard’ heet is als volgt. Heermoes is onderdeel van het geslacht van de Paardenstaarten De Equisetaceae. Een geslacht dat al miljoenen jaren bestaat op de wereld. Toen de mensheid er nog lang niet was: namelijk 350 miljoen jaar geleden toen de dinosauriërs nog rondliepen, werden deze planten boomhoog! Het gaat om de gelijkenis. Equisetaceae is afgeleid van Equisetum en komt van Equus (Latijn) en dat betekent “paard”, en Seta (Latijn) en dat betekent “borstel/haren”. 

Deze groep planten behoort tot de sporenplanten. Dus als je denkt aan een stengel met bladeren, een bloem met kroonbladeren, stamper, meeldraden etc. dan lijkt Heermoes hier totaal niet op. Elk voorjaar als de lente echt is begonnen komen eerst bleke bladgroenloze stengels verdeeld in  gelijke stukken (leden). Op elke overgang van twee leden, een zogenaamde knoop, bevindt zich een krans van vergroeide schubben met tanden en aan de top van de stengel een langwerpig-eivormige kop met sporenaren erboven op. Het ziet er eigenlijk niet uit vergeleken met andere opkomende planten en elke beginnende florist denk zoiets van “wat is dat nu weer!”. Enkele weken later als deze merkwaardige stengels verdord zijn, verschijnen er groene stengels met zijtakken in kransen om heen. Pas dan wordt deze plant herkend als een van de Paardenstaarten.

De bladen van Heermoes zijn kransstandig om de knopen geplaatst

De verspreiding vindt in eerste instantie plaats door middel van de sporen. Die in de lente door de wind rond worden geblazen. Maar de grootste verspreiding  vindt onder de grond plaats. Zoals ik al schreef in het begin, de wortels groeien meters onder de grond!

Droogteprofiteurs?

De auteur van dit stukje is Erik van der Hoeven. Door een tijdelijk technisch probleem kan hij dit keer niet met eigen account publiceren.

Het is meer floristen in mijn omgeving opgevallen: in stedelijke gazons staan dit voorjaar opmerkelijk veel reigersbekken (Erodium cicutarium). Het ziet soms helemaal roze. Zie foto boven.

Hoe zou dat komen? Heeft de droge zomer van 2018 de concurrentie verzwakt? Of is het aantal zaden als reactie op de droogte toegenomen? Je zou ook kunnen denken dat de kiemkracht van de zaden door de droogtebehandeling is toegenomen. Wat het ook mag zijn, de gevolgen zijn prachtig.

In Nederland worden meestal twee ondersoorten van Erodium cicutarium onderscheiden. Ten eerste de gewone reigersbek (E.cicutarium subsp.cicutarium) en daarnaast de duinreigersbek (E.cicutarium subsp. dunense). De reigersbek in de stedelijke gazons van Breda is de gewone reigersbek.

De bloemen zijn tweezijdig symmetrisch

Dat kun je zien aan de donkere vlekken aan de voet van de twee bovenste, korte kroonbladeren. Zie foto. Op het eerste gezicht lijken die bloemen gewoon heel regelmatig, maar je ziet dat de kroonbaden niet allemaal gelijk zijn. De bloemen zijn derhalve tweezijdig symmetrisch.

Er zijn meer soorten die ons, wat betreft uitbundigheid betreft, opgevallen zijn. Een voorbeeld is de paarse dovenetel (Lamium purpureum). Zie ook Paarse dovenetel – gesloten bloemen en mierenbroodjes.

De paarse dovenetel bloeit ook uitbundig.

Op een of andere manier trekt die wat minder aandacht. Misschien omdat hij er wat ‘slordig’ uitziet. Maar al vroeg in het jaar kwamen we forse oppervlakten met deze plant tegen. Er was kennelijk veel zaad aanwezig, want de paarse dovenetel staat bekend als éénjarig. En de concurrentie om een plekje was wellicht afgenomen.

Klein hoefblad – een van de weinige naaktbloeiers

Klein hoefblad is samen met Speenkruid en van de eerste gele composieten die in het vroege voorjaar in bloei staan. Speenkruid heeft daarbij de neiging zich als bodembedekker te ontwikkelen. Grote tapijten bladeren van het Speenkruid kleuren de vroege winter- en voorjaarsbodem groen en in februari/maart is er een explosie van de felgele bloempjes. Het plantje behoort tot de ranonkelfamilie en is dus verwant aan de boterbloem.

Min of meer tegelijkertijd verschijnen de helgele bloemetjes van het Klein hoefblad. Bij deze plant is er absoluut geen sprake van bodembedekkend gedrag. Klein hoefblad behoort tot de naaktbloeiers. Planten waarvan eerst de bloemen verschijnen en in een later stadium pas de bladeren. Samen met Herfststijlloos en Groot hoefblad vormt het onder de kruidachtige planten een categorie waarvan de bloemen en bladeren gescheiden verschijnen. Bij de sporenplanten zie je hetzelfde verschijnsel bij Heermoes. Eerst verschijnen daar de sporenaren en daarna pas het blad.

De bladeren van Klein hoefblad verschijnen pas na de bloeiperiode

De stelen van Klein hoefblad zijn ook het bekijken waard. Er is geen sprake van bladeren aan de bloeistengel maar van een soort schubben.

In de bloeifase ontbreken de bladeren van Klein hoefblad. Het is een naaktbloeier. De bloemstengels zijn bezet met schubben

De bloemen komen niet vanuit één centraal punt. Klein hoefblad vormt lange wortelstokken waaruit op enige afstand van elkaar de bloemstengels ontspringen. De plant is een pionierplant en een echte liefhebber van kale, braakliggende grond die zelfs zwak brak (zouthoudend) mag zijn.

Klein hoefblad is een composiet en heeft een hart van mannelijke buisbloemen en daaromheen een ring van honderden vrouwelijke lintbloemen. Normaal verwacht je bij puur mannelijke bloemen geen stijl met een stempel, maar meeldraden met helmknoppen die stuifmeel produceren. Bij puur vrouwelijke bloemen is sprake van de aanwezigheid van één of meer stijlen en stempels om het stuifmeel op te vangen. Bij Klein hoefblad is dat iets anders. De vrouwelijke lintbloemen bevatten inderdaad alleen een stijl met stempels. Bij de mannelijke buisbloemen zie je behalve de meeldraden ook iets aanwezig dat op een stempel lijkt. Deze “schijnstempel” is niet verbonden met een vruchtbeginsel waaruit zaden kunnen ontstaan. Het fungeert meer als veegmechanisme dat stuifmeel verzamelt voor insecten die de bloemen bezoeken.

Klein hoefblad is een composiet. Op deze foto de mannelijke buisbloemen in het hart van de bloem en daaromheen zijn de stempels zichtbaar van de vrouwelijke lintbloemen

Omdat Klein hoefblad al heel vroeg in het jaar bloeit zijn er nog weinig insecten. De plant moet het daarom vooral hebben van kruisbestuiving binnen de bloem door de wind. Dat kan op twee manieren: of de wind neemt het stuifmeel mee en deponeert het op de stempels van de vrouwelijke lintbloemen; of de zeer flexibele stengels staan zo in de wind heen en weer te schudden, waardoor het stuifmeel uit de mannelijke bloemen in het hart van de bloem, op de stempels van de vrouwelijke lintbloemen wordt geschud. Deze techniek is zeer succesvol.

De plant vormt bijzonder veel zaadjes. Net als bij bv. de Paardenbloem en Biggenkruid zijn de zaadjes (nootjes) omgeven door pappus (haren) en ontstaan de bekende pluizenbollen.

Net zoals bij andere composieten zoals Paardenbloem en Biggenkruid, worden de zaden, zwevend onder de pappus pluisjes, door de wind verspreid

Er is overigens in de bloeiwijze van Klein hoefblad nog een merkwaardig verschijnsel: als de plant bloeit staan de bloemstengels fier overeind. Als de plant uitgebloeid is knikken de hoofdjes en hangen triest naar beneden. Maar als de zaden rijp zijn en de pappus de bekende pluizenbol vormt, richten de hoofdjes zich weer op en staan de bloemhoofdjes fier in de wind overeind wachtend op het moment dat de wind de zaadjes meeneemt.

 

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Wenkbrauw van Venus

Deze mooie naam wordt wel gegeven aan het blad van Duizendblad (Achillea millefolium).
Bij heel gewone planten ga je vaak de schoonheid pas ontdekken als je hem van dichtbij bekijkt. De bladeren van Duizendblad zijn werkelijk prachtig. Het lijkt alsof het in duizend stukjes is verdeeld.
Als je het fijnwrijft ruik je een kenmerkende geur.

Duizendblad is een algemeen voorkomende plant. Je vindt het vooral in de berm. In 2018 is de oplettende plantenliefhebber vast opgevallen dat de plant zich goed kan handhaven bij droogte. Sommige grasveldjes leken wel duizendbladveldjes geworden.

Het prachtig geveerde blad

Ik vond het eigenlijk nooit zo mooi. Net niet wit genoeg, niet opvallend genoeg, misschien zijn de bloemetjes te klein? Maar toen ik eens een close-up-opname van de bloem zag, herkende ik het eerst niet eens! Zó ben je dan gewend aan het totaalbeeld.

Toch is Duizendblad bijzonder. Dat zit hem in de manieren waarop mensen deze plant al eeuwenlang gebruiken. De naam ‘Achillea’ komt van de Griekse held Achilles, bekend uit de Trojaanse oorlog, die deze plant gebruikt zou hebben om de verwondingen van zijn soldaten te genezen.

De Chinezen gebruiken 50 stuks van de  gedroogde en stevige stengels van Duizendblad bij het raadplegen van het orakelboek I-tjing.

De blaadjes zijn dit voorjaar alweer tevoorschijn gekomen. Zo’n vers blaadje kun je gebruiken bij een wondje, het werkt bloedstelpend. Op de bloemen moeten we nog even wachten tot mei/juni. De plant kan heel lang doorbloeien, tot tijdens de winterplantenjacht.
Rudolf Steiner, de grondlegger van de BD-landbouw, gebruikt Duizendblad ook, als één van de preparaten voor de composthoop. Volgens hem is deze plant heel belangrijk voor de tuin. Met zijn antenne-achtige blaadjes zouden namelijk kosmische krachten worden opgevangen. Daardoor groeien planten in de buurt van Duizendblad beter, en zijn ze minder snel ziek. De buurplantjes zouden ook een betere geur en smaak krijgen.

Duizendblad heeft véél bloemhoofdjes

Vroeger werd de plant ook in de keuken gebruikt, om gerechten een pittig smaakje te geven. Ook in bier kan het vanwege de bittere smaak nuttig zijn.
En al sinds de Bronstijd wordt het gebruikt om wol geel te verven.

Er worden nog veel meer geneeskrachtige werkingen aan toegeschreven: bij problemen met de bloedvaten, spijsverteringsklachten, menstruatieproblemen, om aan te sterken en nog veel meer. Het is geen onschuldig middeltje: het maakt je gevoelig voor zonlicht, en het bevat cyanidine, een blauwzuurachtige stof. Aangeraden wordt om het niet langer dan drie weken achter elkaar te gebruiken. Een paar blaadjes door de sla in het voorjaar kan natuurlijk best. Ga je gang!

Het grasveld is een slagveld.

Toen mijn jongens klein waren keken ze wel eens naar de tekenfilmserie “Pinky and the Brain”. In deze serie probeerde Brain, een muis, “to take over the world”. Hier moest ik aan denken toen na de droogte van afgelopen zomer hele stukken grasveld bedekt werden met Zachte ooievaarsbek (Geranium molle). Het was een echt opvallend verschijnsel en het verbaasde me dat er in floristische kringen geen aandacht aan werd besteed. Alleen in het blad Planten van Floron stond een kleine stukje over de “massale ontkieming van enkele éénjarige Geraniumsoorten in zandige bermen”. De planten konden daar ontkiemen omdat er open plekken in de grasmat waren ontstaan.

Massale ontkieming van Zachte ooievaarsbek.

Nu is deze massale ontkieming misschien wat extreem, al lang is er volgens mij sprake van een soort transitie in grazige bermen en gazons. Werden die plekken vroeger, op wat Madeliefjes en Paardenbloemen na, bevolkt door grassen, tegenwoordig lijkt er een ware strijd om de macht gaande. Wat de reden daarvan is is mij niet geheel duidelijk. Mogelijk werd er vroeger vergif gebruikt tegen zogenaamde onkruiden, vergif dat nu niet meer gebruikt wordt. Dat vergif is overigens nog steeds te koop bij Tuincentra; bijvoorbeeld Pokon Onkruid Weg. Dat mogen ze wat mij betreft in de ban doen.

Een drukte van belang.

Wat zijn dan wel de vijanden van ons gras, het vredige gras waarop we vroeger voetbalden of naar de wolken lagen te kijken. Die vijanden zijn een heel aantal over het algemeen kleine plantjes. Voorbeelden, die je ook op de foto’s kan zien zijn de reeds genoemde Zachte ooievaarsbek, Paarse dovenetel, Vogelmuur, Duizendblad, Reigersbek, Schijnaardbei en Kluwenhoornbloem. Maar ook zeldzamere soorten kan je er vinden. Zoals de reeds eerder in dit blog door mij beschreven Knopig doornzaad en Liggend hertshooi. Ik heb zelfs het lieflijke Slaapkamergeluk een aanval op het gras zien doen. Tenslotte zijn er ook de mossen als bijvoorbeeld Haakmos dat soms massaal in het grasveld staat. En al die planten strijden om een plek. Vandaar de titel van dit stuk. Het grasveld is een slagveld geworden. Ik ben benieuwd hoe het er straks uitziet als al die plantjes gaan bloeien.

 

Varens onder de trampoline

Enige tijd geleden kreeg ik een bericht van Kell Eradus uit Reek over varens onder trampolines. Zijn foto’s en tekst volgen hieronder.  Aad van Diemen

Mijn naam is Kell Eradus, ben plantenliefhebber en geniet veelvuldig van de leuke stukjes op Stadsplanten!

Ik ben zeker geen superflorist, maar geniet van alle mooie planten hier in Noordoost-Brabant. Planten in mijn leefomgeving hebben wel mijn voorkeur ; ook mijn werk als hovenier helpt daarbij.

Vaak mannetjesvarens

Als hovenier is het mij het afgelopen jaar opgevallen dat in bijna elke achtertuin tegenwoordig een trampoline staat. Het leuke van trampoline’s is dat dit een beste plek is om varens te vinden! Tot nu toe heb ik bij bijna alle trampoline’s die ik bekeken varens gevonden: voornamelijk mannetjesvarens. Ook wijfjesvarens heb ik ondertussen gevonden en ik denk dat het wachten is op het moment dat ik een zeldzamere soort vindt…..

goed kijken

Wie weet is dit fenomeen het waard om op www.stadsplanten.nl   geplaatst te worden?

Paarse dovenetel – gesloten bloemen en mierenbroodjes

De paarse dovenetel bloeit bij niet al te strenge winters het hele jaar door.

De Paarse dovenetel lijkt zo’n onooglijk, niet opvallend, zeer algemeen voorkomend plantje. Maar toch heeft de Paarse dovenetel een unieke eigenschap die slechts met weinig andere planten gedeeld wordt. Het gaat om cleistogamie. Een mechanisme waarbij bloemen zich niet openen en waarbij binnen de gesloten bloemknop zelfbestuiving plaatsvindt. Er vindt bestuiving en vruchtvorming plaats zonder dat de bloem zich ooit geopend heeft. Er zijn slechts weinig voorbeelden van Nederlandse planten die over dezelfde eigenschap beschikken. Een paar voorbeelden zijn Maarts viooltje, Bosviooltje, Glad vingergras en de Paarse aspergeorchis.

Paarse dovenetel – Binnen de gesloten bloemknop kan zelfbestuiving plaatsvinden (cleistogamie)

Vorige week beschreef Willemien Troelstra op Stadsplanten de bekendste plant van Nederland: de Brandnetel. Vandaag dus aandacht voor de Paarse dovenetel. Zowel qua uiterlijk als qua naam zijn er sterke overeenkomsten. Maar schijn bedriegt. Brandnetel en dovenetels hebben weinig met elkaar te maken. Anders dan dat ze beiden tot de flora behoren.

Brandnetel en dovenetels behoren tot verschillende families. Grote- en Kleine brandnetel vormen samen met Klein- en Groot Glaskruid, de brandnetelfamilie. Alle dovenetels behoren tot de lipbloemige. Bloemen van de lipbloemige zijn altijd tweezijdig symmetrisch. Dat betekent, dat je de bloem in het verticale vlak doormidden kunt snijden en dat dan de linkerhelft het spiegelbeeld is van de rechterhelft. Bij horizontaal doorsnijden gaat het verhaal niet op. De naam “lipbloemen” duidt op de typische vorm van de kroonbladen die vergroeid zijn tot een kelk met een onder- en een bovenlip. Veel planten uit deze familie hebben vierkante, holle stengels. Dat is ook bij de Paarse dovenetel het geval.

De paarse dovenetel behoort tot de lipbloemige. De vergroeide kroonbladeren vormen een kroonbuis die uitloopt in een boven- en een onderlip.

De naam “dovenetel” duidt aan dat de plant qua uiterlijk lijkt op een brandnetel, wel behaard is maar geen brandharen heeft. Dove betekent dan ook doof=niet werkend, niet stekend. Paarse dovenetel en brandnetel komen voor in de zelfde habitat. Vaak stikstof- rijke grond in bermen en verruigd terrein. De Paarse dovenetel bloeit, als er geen strenge vorst is, eigenlijk het hele jaar door. Als er wel sprake is van een echte winter dan is de plant één van de eerste die in bloei komt.

Paarse dovenetel – bovenlip met opvallend oranje stuifmeel

Met de zaden van de Paarse dovenetel is ook iets bijzonders aan de hand. Aan de onderzijde van de zaden zit een vlezig aangroeisel dat mierenbroodje wordt genoemd. Mierenbroodjes komen bij veel meer plantenvruchten voor. In België en Nederland zijn zo’n 200 plantensoorten bekend die zaden met een mierenbroodje hebben. Zij bevatten een olieachtige stof die zeer aantrekkelijk is voor mieren. De mieren slepen de zaadjes mee en leveren zo een bijdrage aan de verspreiding van de planten.

Vrucht van de Paarse dovenetel. In de vrucht bevinden zich de zaden die voorzien zijn van een mierenbroodje. 

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

De bekendste plant van Nederland?

Wat zou de meest bekende wilde plant van Nederland zijn: Madeliefje, Vergeet-me-nietje of Paardenbloem? Ik denk geen van drieën, ik denk dat er eentje nog veel bekender is, omdat iedereen in zijn kindertijd er pijnlijke ervaring mee opdoet: de Brandnetel.

Bloeiwijze van een vrouwelijke plant van de Grote brandnetel (Urtica dioica) waarvan de bloemtrossen vertakt zijn en meer opzij staan dan de mannelijke bloeiwijzen.

Maar, wat de meeste mensen als kind niet leren is dat er in Nederland twee soorten brandnetel zijn- en sinds een paar jaar zelfs drie-: Grote & Kleine en Zuidelijke. De Grote brandnetel is veruit het algemeenst, omdat hij niet veeleisend is en overblijvend: na de winter lopen de wortelstokken weer vrolijk uit. Als hij ergens staat kan hij makkelijk standhouden en zich uitbreiden. Kleine brandnetel is daarentegen eenjarig en moet ieder jaar weer uit zaad opkomen; heeft open plekjes nodig waar hij kan kiemen.

Brandnetels houden van stikstof. De Grote brandnetel vind je in de stad op allerlei plekken maar vooral in voedselrijke bermen en andere bemeste plekjes zoals hoekjes die mannen uitkiezen om goudgeel vocht te sproeien. De Kleine brandnetel zie ik in Rotterdam minder vaak dan de grote; vooral in/rond moestuinen en in plantperken die af en toe geschoffeld worden. Hij staat ook wat droger dan grote brandnetel. Buiten de steden staat Kleine brandnetel veel in de duinen en langs akkers.

Beginnende floristen zijn bang de Kleine brandnetel niet te herkennen; maar mijn ervaring is dat als je Kleine brandnetel tegenkomt je gelijk denkt ‘hé dat is een afwijkende brandnetel’. De bladeren van Kleine brandnetel zijn namelijk eirond, kleiner dan 4 cm en de bladvoet is niet hartvormig. Grote brandnetel heeft langwerpiger bladeren die 5-10 cm groot zijn met een hartvormige bladvoet.

Vooral bij jonge exemplaren is dit laatste een handig verschilkenmerk. Twijfelt u nog: probeer er een uit te trekken. Lukt dat makkelijk dan is het de Kleine of de Zuidelijke; zit er een wortelstok aan dan is het de Grote.

Jonge exemplaren (in maart) van Grote brandnetel (Urtica dioica) met hartvormige bladvoet en minder diep ingesneden tanden dan die van Kleine brandnetel.

Wat betreft de bloeiwijzen wint de Grote brandnetel de schoonheidsprijs: de Kleine brandnetel verstopt zijn bloemen een beetje tussen de bladeren in kleine knoedels; mannelijke en vrouwelijk bij elkaar.  Grote brandnetel heeft aparte mannelijke en vrouwelijke planten. De mannen hebben prachtig hangende bloemtrossen waaruit het stuifmeel door de wind wordt weggeblazen. De vrouwen hebben meer vertakte bloemtrossen die opzij staan om het stuifmeel op te vangen; na de bevruchting gaan ze min of meer hangen.

Vrouwelijke plant van de Grote brandnetel (Urtica dioica) die zeer rijk vrucht draagt.
Kleine brandnetel (Urtica urens) met korte bloeiwijzen en rond aflopende bladvoet.

De Zuidelijke brandnetel is nog niet in Rotterdam aangetroffen, maar een paar jaar geleden wel in buurgemeente Schiedam. Hij lijkt op de Grote brandnetel, maar hij is eenjarig en heeft aan iedere plant lange aren met mannelijke bloemen bovenin en korte trosjes met vrouwelijke bloemen onderin.

 

Eindejaarsplantenjacht

In de winter, wanneer je als florist bij de kachel kunt zitten en je theoretische kennis kunt opkrikken, is er de Eindejaarsplantenjacht. Ik vind dat zo’n goed idee! Dank je wel Floron. Het idee schijnt uit Engeland overgewaaid te zijn. Gelukkig nu eens niet uit Amerika.
Elk jaar, dus nu al voor de vijfde keer, doet onze plantenwerkgroep in Zoetermeer mee. We gaan lekker lunchen en lopen daarna een uurtje, of zelfs iets langer. Voor de wetenschap!

De resultaten van het plantenjagen kan je lezen op www.plantenjacht.nl. Omdat onze groep altijd in de stad loopt vinden we altijd aardig wat soorten.
Madeliefje, Straatgras, Vogelmuur, Klein kruiskruid, Paardenbloem, Gewone melkdistel en Herderstasje vinden wij elk jaar en staan ook landelijk gezien nu weer in de top 10. Ook Grote ereprijs en Tuinwolfsmelk zien wij elk jaar en staan landelijk hoog. In Zoetermeer duiken verder altijd het Kruipklokje en de Bosveldkers op.

Een paar soorten uit de landelijke top 25 vonden wij dan weer niet, bijv. Boerenwormkruid, Jakobskruiskruid en Reukeloze kamille lieten het dit jaar bij ons afweten. Wat wij weer veel zagen: Harig knopkruid. Dat voelt zich heel erg thuis in Zoetermeer.
Enkele foto’s van onze plantenjacht op 28 december:

Rode klaver
Tuinviooltje
Harig knopkruid
Zelfs Kransgras vonden we bloeiend.

Straatgrassen

Hoe stadser kan het heten dan ‘Straatgras’ ? Tussen de kleinste voegen van de straat kan een polletje groeien en in elk jaargetijde vind je het in bloei.  Straatgras is een eenjarige plant die valt onder de beemdgrassen. Maar is dat nu een interessante plant? Jawel! Ik bekeek ze redelijk vaak van dichtbij want al jaren zocht ik naar een op Straatgras gelijkende soort. Het betreft het zeer gelijkende Poa infirma. Straatgras zelf kan al redelijk smal en tenger zijn, Poa infirma is nog een beetje smaller en tengerder. Ik wist van het bestaan door in de Britse flora van Stace te bladeren. Toch vond ik er al die jaren nooit die aan de beschrijving voldeden; al moet ik ook toegeven dat ik ook niet ieder Straatgras aan een inspectie onderwierp.

Het is helaas vaak zo, dat je de plant in kwestie eerst eens moet hebben gezien, liefst aangewezen door een ervaringsdeskundige, zodat je er een beeld van krijgt. Niet alleen van het uiterlijk van de plant, maar ook van de plekken waar je die zou kunnen verwachten. Dat laatste bleek uiteindelijk de sleutel tot succes. De plant werd vanaf 2016 op vrij veel plaatsen in Nederland ontdekt en met name op aangereden grond op campings. Helaas had ik dus zelf de primeur niet, graag ontdek je zoiets als eerste, zeker als je er al langer naar gezocht hebt, maar de aanwijzing dat campings ‘the place to be’ waren, gaven me hoop. In 2017 wezen West-Vlaamse botanici me de plant op een West-Vlaamse camping, en had ik dus ook al een zoekbeeld en in 2018 vond ik er, uiteindelijk dus met eigen ogen, een heel stel op een camping in Belgisch Limburg. Een kleine missie kreeg zijn voltooiing.

Een West-Vlaamse camping bleek het mekka voor Poa infirma

Inmiddels bleek ik achteraan in de horde te zitten, want in snel tempo bleek een aanzienlijk deel van Nederland al gevuld met stippen. Ook Vlaanderen volgde snel. Zo snel dat de hypothese is, dat we er met zijn allen toch jarenlang overheen moeten hebben gekeken. Niet alleen campings waren de goede plekken, maar allerlei man-made pionierplaatsen bleken groeiplaatsen te herbergen. Denk aan begraaf- en parkeerplaatsen. Maar ik had een excuus; nog steeds zijn de hogere zandgronden, en algemener gesproken het Zuiden en Oosten van beide landen, zeer schaars bedeeld. Daar moeten wij het toch nog grotendeels doen met gewoon Straatgras.

Een frisse pol Straatgras op 7 januari 2018; een goed begin van een nieuw jaar

Normaliter schrijf ik vervolgens graag ook nog iets over het onderscheid tussen de twee soorten, maar niet zo lang geleden heeft Niels Eimers het woord al verspreid in een prachtig tabelletje op waarneming.nl. Voor deze keer verwijs ik dus graag door naar https://waarneming.nl/species/129155/

Rest mij nog iedereen een fijn 2019 toe te wensen en dat uw eerste waarneming in 2019, om 1 over 12 bij het licht van het vuurwerk, het Straatgras moge zijn.