Home » algemene planten

Categorie: algemene planten

Gele helmbloem – een stinsenplant op de muur

De Gele helmbloem (Pseudofumaria lutea) is van oorsprong inheems in het zuidelijke deel van de Alpen. De plant is in de negentiende eeuw in Nederland ingevoerd als stinsenplant. Stinsenplanten zijn planten die naar Nederland zijn gebracht om tuinen van kastelen, landgoederen en grote boerderijen kleur te geven. Vanuit die omgeving is de plant verwilderd. Aanvankelijk kwam Gele helmbloem alleen in het zuidelijk deel van Nederland voor met een voorkeur voor een kalkrijke, stenige ondergrond en voor de mergelomgeving van Limburg.

Gele helmbloem behoort tot de papaverfamilie waar ook Klaproos en Stinkende gouwe deel van uitmaken. De plant was zeldzaam en kwam in de vorige eeuw voor op de rode lijst van beschermde plantensoorten. Sinds 2017 heeft de plant zijn beschermde status verloren.

Gele helmbloem komt hoofdzakelijk voor op oude muren en wordt door de uitbundige groeiwijze vaak al van verre opgemerkt. In de stad groeit de Gele helmbloem vooral op oude stadsmuren, muren rond kerkhoven en kademuren.

De helder gele bloemen lijken met enige fantasie op een Romeinse helm en vormen rijke trossen. De bloemen zijn tweezijdig symmetrisch, wat betekent dat je de bloem maar op één manier kunt doorsnijden om te bereiken dat de twee bloemhelften elkaars spiegelbeeld zijn.

Gele helmbloem is tweezijdig symmetrisch. Je kunt de bloem maar op één manier doorsnijden om een spiegelbeeld van de linker en rechter helft te krijgen.

De plant bevat een giftige alkaloïde die bij paarden bv. ontstekingen en zweren kan veroorzaken in de bek, kan leiden tot koliek en zelfs tot de dood. De zwarte zaden zijn voorzien van een mierenbroodje. Dat maakt ze aantrekkelijk voor mieren die de zaden verslepen en zo bijdragen aan de verspreiding van de plant.

Gele helmbloem bevat een giftige alkaloïde die dodelijk kan zijn voor paarden

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Het is maar schijn

De naam zegt het al, en Peter Hegi noemde het kortgeleden ook in zijn bijdrage: schijnaardbei lijkt op een aardbei, maar is het niet.
Veel mensen hebben moeite met het onderscheid tussen de bosaardbei (Fragaria vesca) en de schijnaardbei (Potentilla indica), door sommigen ook hardnekkig Indische aardbei genoemd. Een paar jaar geleden vroegen wij, plantenwerkgroep in Zoetermeer,  middels een krantenbericht of mensen ons door wilden geven waar Bosaardbeien groeiden. Prompt kwam er een reactie van een tuingroep die meldde dat ze die Bosaardbei maar een lastige woekeraar vonden. Je raadt het al, het bleek de Schijnaardbei te zijn. Als mensen de Schijnaardbei wel kennen, vinden ze het meestal geen fijne plant, hoewel het een leuke bodembedekker is. Hij verspreidt zich snel, bloeit lang door en maakt mooie rode vruchtjes. Helaas zijn deze nogal waterig van smaak. Sommigen noemen ze zelfs giftig, maar dat is gelukkig niet waar.

Toch zijn de verschillen niet zo moeilijk.
Als ze bloeien is het meteen duidelijk: de Bosaardbei heeft witte bloemen, de Schijnaardbei gele. Bovendien heeft de Schijnaardbei vrij grote bijkelkbladeren, die breed uitsteken onder de bloemen. Dit zie je ook al duidelijk bij de knoppen.

In de vruchtperiode is het ook makkelijk. De Bosaardbeitjes hangen omlaag, de Schijnaardbeitjes staan omhoog. Door de bijkelkbladen er onder lijkt het een aardbei op een schoteltje.
Maar ook de bladeren verschillen. Draai een blad maar eens om: de onderkant van de bosaardbeibladeren is zilverig wit, terwijl het blad van de Schijnaardbei aan de onderkant groen is.

Bosaardbei, Fragaria vesca

 

Schijnaardbei, Potentilla indica

Van bovenaf gezien vind ik de Schijnaardbei ‘groenere’ bladeren hebben, die sterker getand zijn.

Ook de uitlopers zijn anders: De Bosaardbei werpt zijn kleintjes als het ware door de lucht om ze ‘ergens’ verderop neer te laten komen. De Schijnaardbei schuift een nieuw plantje met korte uitlopers over de grond, zodat ze niet ver van de moederplant wortelen.

 

Misschien wel de beste manier om ze uit elkaar te leren houden, is om ze allebei in je tuin te zetten, zodat je heel goed het verschil kunt leren. In de tuin waar ik werk kweken we Bosaardbeien, en ik heb me altijd verwonderd over het feit dat de Schijnaardbeien lijken te weten waar ze relatief ongestoord kunnen groeien, nl. in het aardbeienbed. Verstopt totdat de bloemkleur ze verraadt.

Bos- en Schijnaardbeien door elkaar: zoek de verschillen!

Kijk maar, er staat niet wat er staat.

Naamgeving aan planten is soms een lastige zaak. Het vergt veel creativiteit om steeds weer nieuwe namen te verzinnen. En soms lijkt dan de luiheid toe te slaan en worden planten vernoemd naar soorten die er op lijken. Zo lijkt de Schijnpapaver (Meconopsis cambrica) op een Klaproos (Papaver) maar is het niet. En de Schijnaardbei (Potentilla indica) lijkt op een aardbei (Fragaria) maar is het niet. Tenslotte lijkt de Rode schijnspurrie (Spergularia rubra), waar dit stukje over gaat, veel op een Spurrie (Spergula) maar is het dus niet. Hier lijken zelfs de wetenschappelijke  namen op elkaar. De geslachtsnamen komen van het Latijnse ‘spargere’ dat ‘uitstrooien’ betekent. Ze schijnen dus hun zaad gemakkelijk uit te strooien. ‘Rubra’ tenslotte, betekent rood.

De stengels
De stengels

De Rode schijnspurrie groeit in de stad; vooral in de voegen. Veel mensen zullen er overheen lopen zonder hem te zien en ook veel floristen lijken hem niet te zien,  gezien het beperkt aantal meldingen in Den Haag. Toch is het een plant die vrij makkelijk te herkennen is; maar zoals zo vaak moet je hem eerst een keer gezien hebben. Hij valt op door donkergroene liggende stengels met licht gekleurde steunblaadjes op regelmatige afstand van elkaar. De plant heeft donkerroze bloemen, vaak met een lichter gekleurd hart, met vijf kroonbladen en vijf groene kelkbladen. Zelf vind ik het een prachtig bloemetje. Het is een vrij algemene plant; aan de kust komt hij wat minder voor.

De Rode schijnspurrie lijkt dus op een Spurrie.  In ons land zijn dat de Gewone spurrie (Spergula arvensis) en de Heidespurrie (Spergula morisonii). Deze laatste hebben de bladeren in een soort krans staan terwijl de bij de Rode schijnspurrie de bladeren in paren tegenover elkaar staan.

Bloem met stengel
Bloem met stengel

In ons land komen nog twee soorten Schijnspurrie voor die ook weer erg op elkaar lijken: de Gerande schijnspurrie (Spergularia media) en de Zilte schijnspurrie (Spergularia salina). Deze laatste twee Schijnspurries hebben een meer vlezig blad, terwijl de Rode schijnspurrie een stekelpunt heeft aan het blad, iets dat de andere twee soorten niet hebben. De Zilte en Gerande schijnspurrie worden bijna niet gezien in Den Haag, de grootste kans daarop is in Scheveningen en ik ga dan ook proberen de soort op die plek aan te treffen. Anders moet ik hem weer treffen op Texel, maar dat is een schijnoplossing.

Paard

Een heel oud geslacht dat bij veel tuinliefhebbers grote irritatie kan oproepen is Heermoes (Equisetum arvense). Dit komt o.a doordat als de wortels van Heermoes stuk worden geschoffeld, deze stukjes weer in staat zijn nieuwe planten te vormen. Eigenlijk gedraagt Heermoes zich precies zoals een agressieve exoot zoals bijvoorbeeld Japanse duizendknoop (Fallopia japonica). Als je bij Google Heermoes in typt is de eerste zoeksuggestie dus ook “heermoes bestrijden” en gaan veel zoekresultaten hier ook over.

Waarom dit stukje ‘Paard’ heet is als volgt. Heermoes is onderdeel van het geslacht van de Paardenstaarten De Equisetaceae. Een geslacht dat al miljoenen jaren bestaat op de wereld. Toen de mensheid er nog lang niet was: namelijk 350 miljoen jaar geleden toen de dinosauriërs nog rondliepen, werden deze planten boomhoog! Het gaat om de gelijkenis. Equisetaceae is afgeleid van Equisetum en komt van Equus (Latijn) en dat betekent “paard”, en Seta (Latijn) en dat betekent “borstel/haren”. 

Deze groep planten behoort tot de sporenplanten. Dus als je denkt aan een stengel met bladeren, een bloem met kroonbladeren, stamper, meeldraden etc. dan lijkt Heermoes hier totaal niet op. Elk voorjaar als de lente echt is begonnen komen eerst bleke bladgroenloze stengels verdeeld in  gelijke stukken (leden). Op elke overgang van twee leden, een zogenaamde knoop, bevindt zich een krans van vergroeide schubben met tanden en aan de top van de stengel een langwerpig-eivormige kop met sporenaren erboven op. Het ziet er eigenlijk niet uit vergeleken met andere opkomende planten en elke beginnende florist denk zoiets van “wat is dat nu weer!”. Enkele weken later als deze merkwaardige stengels verdord zijn, verschijnen er groene stengels met zijtakken in kransen om heen. Pas dan wordt deze plant herkend als een van de Paardenstaarten.

De bladen van Heermoes zijn kransstandig om de knopen geplaatst

De verspreiding vindt in eerste instantie plaats door middel van de sporen. Die in de lente door de wind rond worden geblazen. Maar de grootste verspreiding  vindt onder de grond plaats. Zoals ik al schreef in het begin, de wortels groeien meters onder de grond!

Droogteprofiteurs?

De auteur van dit stukje is Erik van der Hoeven. Door een tijdelijk technisch probleem kan hij dit keer niet met eigen account publiceren.

Het is meer floristen in mijn omgeving opgevallen: in stedelijke gazons staan dit voorjaar opmerkelijk veel reigersbekken (Erodium cicutarium). Het ziet soms helemaal roze. Zie foto boven.

Hoe zou dat komen? Heeft de droge zomer van 2018 de concurrentie verzwakt? Of is het aantal zaden als reactie op de droogte toegenomen? Je zou ook kunnen denken dat de kiemkracht van de zaden door de droogtebehandeling is toegenomen. Wat het ook mag zijn, de gevolgen zijn prachtig.

In Nederland worden meestal twee ondersoorten van Erodium cicutarium onderscheiden. Ten eerste de gewone reigersbek (E.cicutarium subsp.cicutarium) en daarnaast de duinreigersbek (E.cicutarium subsp. dunense). De reigersbek in de stedelijke gazons van Breda is de gewone reigersbek.

De bloemen zijn tweezijdig symmetrisch

Dat kun je zien aan de donkere vlekken aan de voet van de twee bovenste, korte kroonbladeren. Zie foto. Op het eerste gezicht lijken die bloemen gewoon heel regelmatig, maar je ziet dat de kroonbaden niet allemaal gelijk zijn. De bloemen zijn derhalve tweezijdig symmetrisch.

Er zijn meer soorten die ons, wat betreft uitbundigheid betreft, opgevallen zijn. Een voorbeeld is de paarse dovenetel (Lamium purpureum). Zie ook Paarse dovenetel – gesloten bloemen en mierenbroodjes.

De paarse dovenetel bloeit ook uitbundig.

Op een of andere manier trekt die wat minder aandacht. Misschien omdat hij er wat ‘slordig’ uitziet. Maar al vroeg in het jaar kwamen we forse oppervlakten met deze plant tegen. Er was kennelijk veel zaad aanwezig, want de paarse dovenetel staat bekend als éénjarig. En de concurrentie om een plekje was wellicht afgenomen.

Klein hoefblad – een van de weinige naaktbloeiers

Klein hoefblad is samen met Speenkruid en van de eerste gele composieten die in het vroege voorjaar in bloei staan. Speenkruid heeft daarbij de neiging zich als bodembedekker te ontwikkelen. Grote tapijten bladeren van het Speenkruid kleuren de vroege winter- en voorjaarsbodem groen en in februari/maart is er een explosie van de felgele bloempjes. Het plantje behoort tot de ranonkelfamilie en is dus verwant aan de boterbloem.

Min of meer tegelijkertijd verschijnen de helgele bloemetjes van het Klein hoefblad. Bij deze plant is er absoluut geen sprake van bodembedekkend gedrag. Klein hoefblad behoort tot de naaktbloeiers. Planten waarvan eerst de bloemen verschijnen en in een later stadium pas de bladeren. Samen met Herfststijlloos en Groot hoefblad vormt het onder de kruidachtige planten een categorie waarvan de bloemen en bladeren gescheiden verschijnen. Bij de sporenplanten zie je hetzelfde verschijnsel bij Heermoes. Eerst verschijnen daar de sporenaren en daarna pas het blad.

De bladeren van Klein hoefblad verschijnen pas na de bloeiperiode

De stelen van Klein hoefblad zijn ook het bekijken waard. Er is geen sprake van bladeren aan de bloeistengel maar van een soort schubben.

In de bloeifase ontbreken de bladeren van Klein hoefblad. Het is een naaktbloeier. De bloemstengels zijn bezet met schubben

De bloemen komen niet vanuit één centraal punt. Klein hoefblad vormt lange wortelstokken waaruit op enige afstand van elkaar de bloemstengels ontspringen. De plant is een pionierplant en een echte liefhebber van kale, braakliggende grond die zelfs zwak brak (zouthoudend) mag zijn.

Klein hoefblad is een composiet en heeft een hart van mannelijke buisbloemen en daaromheen een ring van honderden vrouwelijke lintbloemen. Normaal verwacht je bij puur mannelijke bloemen geen stijl met een stempel, maar meeldraden met helmknoppen die stuifmeel produceren. Bij puur vrouwelijke bloemen is sprake van de aanwezigheid van één of meer stijlen en stempels om het stuifmeel op te vangen. Bij Klein hoefblad is dat iets anders. De vrouwelijke lintbloemen bevatten inderdaad alleen een stijl met stempels. Bij de mannelijke buisbloemen zie je behalve de meeldraden ook iets aanwezig dat op een stempel lijkt. Deze “schijnstempel” is niet verbonden met een vruchtbeginsel waaruit zaden kunnen ontstaan. Het fungeert meer als veegmechanisme dat stuifmeel verzamelt voor insecten die de bloemen bezoeken.

Klein hoefblad is een composiet. Op deze foto de mannelijke buisbloemen in het hart van de bloem en daaromheen zijn de stempels zichtbaar van de vrouwelijke lintbloemen

Omdat Klein hoefblad al heel vroeg in het jaar bloeit zijn er nog weinig insecten. De plant moet het daarom vooral hebben van kruisbestuiving binnen de bloem door de wind. Dat kan op twee manieren: of de wind neemt het stuifmeel mee en deponeert het op de stempels van de vrouwelijke lintbloemen; of de zeer flexibele stengels staan zo in de wind heen en weer te schudden, waardoor het stuifmeel uit de mannelijke bloemen in het hart van de bloem, op de stempels van de vrouwelijke lintbloemen wordt geschud. Deze techniek is zeer succesvol.

De plant vormt bijzonder veel zaadjes. Net als bij bv. de Paardenbloem en Biggenkruid zijn de zaadjes (nootjes) omgeven door pappus (haren) en ontstaan de bekende pluizenbollen.

Net zoals bij andere composieten zoals Paardenbloem en Biggenkruid, worden de zaden, zwevend onder de pappus pluisjes, door de wind verspreid

Er is overigens in de bloeiwijze van Klein hoefblad nog een merkwaardig verschijnsel: als de plant bloeit staan de bloemstengels fier overeind. Als de plant uitgebloeid is knikken de hoofdjes en hangen triest naar beneden. Maar als de zaden rijp zijn en de pappus de bekende pluizenbol vormt, richten de hoofdjes zich weer op en staan de bloemhoofdjes fier in de wind overeind wachtend op het moment dat de wind de zaadjes meeneemt.

 

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Wenkbrauw van Venus

Deze mooie naam wordt wel gegeven aan het blad van Duizendblad (Achillea millefolium).
Bij heel gewone planten ga je vaak de schoonheid pas ontdekken als je hem van dichtbij bekijkt. De bladeren van Duizendblad zijn werkelijk prachtig. Het lijkt alsof het in duizend stukjes is verdeeld.
Als je het fijnwrijft ruik je een kenmerkende geur.

Duizendblad is een algemeen voorkomende plant. Je vindt het vooral in de berm. In 2018 is de oplettende plantenliefhebber vast opgevallen dat de plant zich goed kan handhaven bij droogte. Sommige grasveldjes leken wel duizendbladveldjes geworden.

Het prachtig geveerde blad

Ik vond het eigenlijk nooit zo mooi. Net niet wit genoeg, niet opvallend genoeg, misschien zijn de bloemetjes te klein? Maar toen ik eens een close-up-opname van de bloem zag, herkende ik het eerst niet eens! Zó ben je dan gewend aan het totaalbeeld.

Toch is Duizendblad bijzonder. Dat zit hem in de manieren waarop mensen deze plant al eeuwenlang gebruiken. De naam ‘Achillea’ komt van de Griekse held Achilles, bekend uit de Trojaanse oorlog, die deze plant gebruikt zou hebben om de verwondingen van zijn soldaten te genezen.

De Chinezen gebruiken 50 stuks van de  gedroogde en stevige stengels van Duizendblad bij het raadplegen van het orakelboek I-tjing.

De blaadjes zijn dit voorjaar alweer tevoorschijn gekomen. Zo’n vers blaadje kun je gebruiken bij een wondje, het werkt bloedstelpend. Op de bloemen moeten we nog even wachten tot mei/juni. De plant kan heel lang doorbloeien, tot tijdens de winterplantenjacht.
Rudolf Steiner, de grondlegger van de BD-landbouw, gebruikt Duizendblad ook, als één van de preparaten voor de composthoop. Volgens hem is deze plant heel belangrijk voor de tuin. Met zijn antenne-achtige blaadjes zouden namelijk kosmische krachten worden opgevangen. Daardoor groeien planten in de buurt van Duizendblad beter, en zijn ze minder snel ziek. De buurplantjes zouden ook een betere geur en smaak krijgen.

Duizendblad heeft véél bloemhoofdjes

Vroeger werd de plant ook in de keuken gebruikt, om gerechten een pittig smaakje te geven. Ook in bier kan het vanwege de bittere smaak nuttig zijn.
En al sinds de Bronstijd wordt het gebruikt om wol geel te verven.

Er worden nog veel meer geneeskrachtige werkingen aan toegeschreven: bij problemen met de bloedvaten, spijsverteringsklachten, menstruatieproblemen, om aan te sterken en nog veel meer. Het is geen onschuldig middeltje: het maakt je gevoelig voor zonlicht, en het bevat cyanidine, een blauwzuurachtige stof. Aangeraden wordt om het niet langer dan drie weken achter elkaar te gebruiken. Een paar blaadjes door de sla in het voorjaar kan natuurlijk best. Ga je gang!

Het grasveld is een slagveld.

Toen mijn jongens klein waren keken ze wel eens naar de tekenfilmserie “Pinky and the Brain”. In deze serie probeerde Brain, een muis, “to take over the world”. Hier moest ik aan denken toen na de droogte van afgelopen zomer hele stukken grasveld bedekt werden met Zachte ooievaarsbek (Geranium molle). Het was een echt opvallend verschijnsel en het verbaasde me dat er in floristische kringen geen aandacht aan werd besteed. Alleen in het blad Planten van Floron stond een kleine stukje over de “massale ontkieming van enkele éénjarige Geraniumsoorten in zandige bermen”. De planten konden daar ontkiemen omdat er open plekken in de grasmat waren ontstaan.

Massale ontkieming van Zachte ooievaarsbek.

Nu is deze massale ontkieming misschien wat extreem, al lang is er volgens mij sprake van een soort transitie in grazige bermen en gazons. Werden die plekken vroeger, op wat Madeliefjes en Paardenbloemen na, bevolkt door grassen, tegenwoordig lijkt er een ware strijd om de macht gaande. Wat de reden daarvan is is mij niet geheel duidelijk. Mogelijk werd er vroeger vergif gebruikt tegen zogenaamde onkruiden, vergif dat nu niet meer gebruikt wordt. Dat vergif is overigens nog steeds te koop bij Tuincentra; bijvoorbeeld Pokon Onkruid Weg. Dat mogen ze wat mij betreft in de ban doen.

Een drukte van belang.

Wat zijn dan wel de vijanden van ons gras, het vredige gras waarop we vroeger voetbalden of naar de wolken lagen te kijken. Die vijanden zijn een heel aantal over het algemeen kleine plantjes. Voorbeelden, die je ook op de foto’s kan zien zijn de reeds genoemde Zachte ooievaarsbek, Paarse dovenetel, Vogelmuur, Duizendblad, Reigersbek, Schijnaardbei en Kluwenhoornbloem. Maar ook zeldzamere soorten kan je er vinden. Zoals de reeds eerder in dit blog door mij beschreven Knopig doornzaad en Liggend hertshooi. Ik heb zelfs het lieflijke Slaapkamergeluk een aanval op het gras zien doen. Tenslotte zijn er ook de mossen als bijvoorbeeld Haakmos dat soms massaal in het grasveld staat. En al die planten strijden om een plek. Vandaar de titel van dit stuk. Het grasveld is een slagveld geworden. Ik ben benieuwd hoe het er straks uitziet als al die plantjes gaan bloeien.

 

Varens onder de trampoline

Enige tijd geleden kreeg ik een bericht van Kell Eradus uit Reek over varens onder trampolines. Zijn foto’s en tekst volgen hieronder.  Aad van Diemen

Mijn naam is Kell Eradus, ben plantenliefhebber en geniet veelvuldig van de leuke stukjes op Stadsplanten!

Ik ben zeker geen superflorist, maar geniet van alle mooie planten hier in Noordoost-Brabant. Planten in mijn leefomgeving hebben wel mijn voorkeur ; ook mijn werk als hovenier helpt daarbij.

Vaak mannetjesvarens

Als hovenier is het mij het afgelopen jaar opgevallen dat in bijna elke achtertuin tegenwoordig een trampoline staat. Het leuke van trampoline’s is dat dit een beste plek is om varens te vinden! Tot nu toe heb ik bij bijna alle trampoline’s die ik bekeken varens gevonden: voornamelijk mannetjesvarens. Ook wijfjesvarens heb ik ondertussen gevonden en ik denk dat het wachten is op het moment dat ik een zeldzamere soort vindt…..

goed kijken

Wie weet is dit fenomeen het waard om op www.stadsplanten.nl   geplaatst te worden?

Paarse dovenetel – gesloten bloemen en mierenbroodjes

De paarse dovenetel bloeit bij niet al te strenge winters het hele jaar door.

De Paarse dovenetel lijkt zo’n onooglijk, niet opvallend, zeer algemeen voorkomend plantje. Maar toch heeft de Paarse dovenetel een unieke eigenschap die slechts met weinig andere planten gedeeld wordt. Het gaat om cleistogamie. Een mechanisme waarbij bloemen zich niet openen en waarbij binnen de gesloten bloemknop zelfbestuiving plaatsvindt. Er vindt bestuiving en vruchtvorming plaats zonder dat de bloem zich ooit geopend heeft. Er zijn slechts weinig voorbeelden van Nederlandse planten die over dezelfde eigenschap beschikken. Een paar voorbeelden zijn Maarts viooltje, Bosviooltje, Glad vingergras en de Paarse aspergeorchis.

Paarse dovenetel – Binnen de gesloten bloemknop kan zelfbestuiving plaatsvinden (cleistogamie)

Vorige week beschreef Willemien Troelstra op Stadsplanten de bekendste plant van Nederland: de Brandnetel. Vandaag dus aandacht voor de Paarse dovenetel. Zowel qua uiterlijk als qua naam zijn er sterke overeenkomsten. Maar schijn bedriegt. Brandnetel en dovenetels hebben weinig met elkaar te maken. Anders dan dat ze beiden tot de flora behoren.

Brandnetel en dovenetels behoren tot verschillende families. Grote- en Kleine brandnetel vormen samen met Klein- en Groot Glaskruid, de brandnetelfamilie. Alle dovenetels behoren tot de lipbloemige. Bloemen van de lipbloemige zijn altijd tweezijdig symmetrisch. Dat betekent, dat je de bloem in het verticale vlak doormidden kunt snijden en dat dan de linkerhelft het spiegelbeeld is van de rechterhelft. Bij horizontaal doorsnijden gaat het verhaal niet op. De naam “lipbloemen” duidt op de typische vorm van de kroonbladen die vergroeid zijn tot een kelk met een onder- en een bovenlip. Veel planten uit deze familie hebben vierkante, holle stengels. Dat is ook bij de Paarse dovenetel het geval.

De paarse dovenetel behoort tot de lipbloemige. De vergroeide kroonbladeren vormen een kroonbuis die uitloopt in een boven- en een onderlip.

De naam “dovenetel” duidt aan dat de plant qua uiterlijk lijkt op een brandnetel, wel behaard is maar geen brandharen heeft. Dove betekent dan ook doof=niet werkend, niet stekend. Paarse dovenetel en brandnetel komen voor in de zelfde habitat. Vaak stikstof- rijke grond in bermen en verruigd terrein. De Paarse dovenetel bloeit, als er geen strenge vorst is, eigenlijk het hele jaar door. Als er wel sprake is van een echte winter dan is de plant één van de eerste die in bloei komt.

Paarse dovenetel – bovenlip met opvallend oranje stuifmeel

Met de zaden van de Paarse dovenetel is ook iets bijzonders aan de hand. Aan de onderzijde van de zaden zit een vlezig aangroeisel dat mierenbroodje wordt genoemd. Mierenbroodjes komen bij veel meer plantenvruchten voor. In België en Nederland zijn zo’n 200 plantensoorten bekend die zaden met een mierenbroodje hebben. Zij bevatten een olieachtige stof die zeer aantrekkelijk is voor mieren. De mieren slepen de zaadjes mee en leveren zo een bijdrage aan de verspreiding van de planten.

Vrucht van de Paarse dovenetel. In de vrucht bevinden zich de zaden die voorzien zijn van een mierenbroodje. 

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde