Home » Archieven voor oktober 2019

Maand: oktober 2019

Aan de top

Begin deze zomer kreeg ik foto’s opgestuurd van Vingerhoedskruid (Digitalis purperea) met een zogenaamde pelorische top. Dit is een soort vergroeiing waarbij een grote bloem aan de top van de bloemstengel ontstaat. Google dit en je ziet op bijna elke site dezelfde tekst: 

‘In bijzondere omstandigheden ontstaat er een pelorische topbloem op de bloemstengel van het vingerhoedskruid. Die is niet tweezijdig symmetrisch (een verticale symmetrieas), maar alzijdig symmetrisch. Bij normale bloemen is het aantal bloembladen altijd vijf. Ze zijn met elkaar vergroeid, maar aan het aantal schulpjes is dat nog zichtbaar. Pelorische bloemen hebben wel 8 tot 14 schulpjes. De akkerhommel heeft een voorkeur voor deze bijzondere bloemen.’

Leuk hoor zo’n tekst maar waarom die uitgebreide informatie over symmetrie. En waar komt die term schulpjes vandaan? Mij werd altijd verteld dat je informatie op internet niet klakkeloos mag kopiëren maar ik kom echt overal dezelfde tekst tegen en vaak zonder bronvermelding. En als die tekst nu zinvol was. Nou nee! Wat ik wil weten:

  1. Waarom ontstaat die pelorische top alleen bij Vingerhoedskruid ?
  2. Is het hetzelfde als bandvorming of fasciatie  zoals dat vaak bij Paardenbloemen voorkomt ?
  3. Wat betekent het woord ‘pelorische’ ?

Gelukkig bood het Engelstalige internet wel uitkomst. Om te beginnen met de eerste vraag. Een pelorische top is een genetische mutatie. Deze komt waarschijnlijk alleen voor bij Vingerhoedskruiden. Heel soms ook bij het Vlasbekje. Een nadere verklaring heb ik niet kunnen vinden. Het antwoord op de tweede vraag  is dan ook moeilijk te geven. Carl Linneaus was zo gefascineerd dat hij dit verschijnsel betitelde met het Griekse woord pelōros, dat ‘monsterlijke’ betekent. Vingerhoedskruid met de pelorische topbloem heette vroeger ook wel Digitalis purpurea monstrosa. Dit dus het antwoord op de derde vraag.

Het woord ‘fasciatie’ komt van het Latijnse woord ‘fascea’ en betekent ‘band’. Dit brengt ons meteen naar de Nederlandse term ‘bandvorming’ en het antwoord op mijn tweede vraag. Bandvorming is een niet veel voorkomend fenomeen van plantencellen die worden beïnvloed door een genetische afwijking of door schimmels en bacteriën en waardoor de groei loodrecht verlengd wordt op de groeirichting waardoor afgeplatte, lintvormig of kuifvormige vergroeiingen ontstaan. In tegenstelling tot de pelorische vervorming kan bandvorming  overal optreden, zowel de stengel , wortel , vrucht als het bloemhoofd.

Het hele ingewikkelde verhaal heb ik versimpeld weergegeven en ik heb o.a. gebruik gemaakt van deze sites. Nogmaals mijn verbazing dat er niet een eenduidig verhaal is op de Nederlandse wikipagina’s. En oh ja, schulpjes heten normaal ‘lobben’ bij vergroeide kroonbladen.

https://www.kew.org/read-and-watch/weird-and-wonderful-foxgloves

https://en.wikipedia.org/wiki/Fasciation

Als laatste een foto uit een twitterbericht dat ik tegenkwam. Dit had ik nog nooit gezien. Een Madeliefje met gemuteerde kroonblaadjes.

detail Lijmkruid

Plakkend hemelroosje

Rotstuinen en straattegels, wat is het verschil? Eén van de kenmerken van de stedelijke omgeving ook, dat ‘rotsige’. Zo ook daar in een bepaalde hoek, waar ik bij het langsfietsen altijd even wat langzamer ga. Het is altijd een boeiend hoekje, bij een flat in een net afgebouwde wijk. Beetje rommelig, veel nieuw materiaal voor bestrating, tuinen en bloembakken. Zoals wel vaker gebeurt knoeit men dan wel eens wat. Deze keer een Silene, dat was vrij snel duidelijk.

Maar dan. Volgens Blumen in Schwaben zijn er zo’n 720 soorten Silenes, of, zoals ze in het Duits heten Leimkraut. Dus …. gelukkig is daar altijd weer de gemeenschap van plantenkenners, want via de genoemde site is deze niet te vinden. Lijmkruid dus, of zoals ze op de site van de tuinen van Appeltern ook wel genoemd wordt Hemelroosje. Vandaar ook de titel ‘plakkend hemelroosje’. Ah, nog veel meer alternatieve namen, zoals Caucasian champion (Kaukasische silene), Autumn catchfly (Herfstsilene) en Persian carpet in het Engels. Dat zegt het een en ander over herkomst, bloeitijd en levensvorm. Van oorsprong dus een soort uit de Kaukasische regio, van Azerbeidzjaan tot aan een aantal noordelijke Iraanse provincies.
De bloeitijd loopt van juli tot in de herfst. De soort heeft liggende tot opstijgende stelen die 25-30 cm lang kunnen worden. Persian carpet is in een optimale situatie als meerjarige planten een deken over rotsen vormen. Het is een opvallende plant met tot 1 cm felroze bloemen en een lange, met klierharen bezette kelk. De kelk heeft meestal 10 paarse tot roze nerven en is tot 2.8 cm lang.

overzicht lijmkruid
Lijmkruid in de stad

Volgens Alien Plants of Belgium een soort die zelden wordt gevonden. Voor het eerst gevonden in 2002 in Luik en door Denters in 2004. Sinds 2012 ook in diverse steden in Vlaanderen. Voor Nederland geldt sinds 2004 in 16 km hokken gevonden, met als zwaartepunt Amsterdam (verspreidingsatlas).

Helaas heb ik laatst moeten constateren dat er iets te goed is schoongemaakt rondom de verkeersborden. Dus de soort is inmiddels weer verdwenen uit Deventer.

Bronnen:

 

 

 

Een zwammige zijsprong

Deze bijdrage is van Coby Stapel op verzoek van de redactie. Coby heeft verstand van paddenstoelen. Aan de redactie kwam de vraag van Pepijn Rijnja, aandacht te besteden aan de geschubde inktzwam. Bij dezen.

 

 

Deze website heet ‘Stadsplanten’.

Toch komt hier voor een keer een zijsprongetje naar een stadspaddenstoel. Waarmee niet gezegd wil zijn, dat planten en paddenstoelen aan elkaar verwant zijn. In elk geval niet meer, dan wij mensen verwant zijn aan salamanders.

In parken, plantsoenen, boomspiegels en bermen zien we natuurlijk wel eens paddenstoelen staan, maar in de echt stedelijke stenen omgeving komt dat toch maar zelden voor. De geschubde inktzwam (Coprinus comatus) durft echter ook de stenen stadsbiotoop te testen.

Hij staat dan zomaar in de goot of tussen trottoirband en trottoirtegels. Of tussen de kasseien.

Ook in stedelijke omgeving

Wie kent hem niet, deze opvallende van wit naar zwart verkleurende zwam. Hij doorloopt een ware metamorfose, van witte stevige, ovale cilinder via een klokvorm naar klein, ingekruld zwart hoedje op een hoge dunne steel. Langs de hoedrand druipen slierten zwarte inktdruppels.

Bijzonder is, dat deze gedaanteverwisseling wordt veroorzaakt door zelfconsumptie. Nadat de sporen zijn losgelaten, gaan de lamellen zichzelf  verteren. Ze krullen dan op, zodat de nog hoog in de nu klokvormige hoed aanwezige sporen, ook vrijkomen. Dit proces gaat door tot van het hele vruchtlichaam niets anders resteert dan zwarte inkt. Vroeger werd deze inkt wel gebruikt om te schrijven, maar was niet bestendig: verbleekte te snel.

De geschubde inktzwam is saprotroof, d.w.z dat hij vooral leeft van afgestorven vegetatie. Maar hij heeft nog een voedselbron : de geschubde inktzwam “eet” nematoden, bodemaaltjes. De zwamvlok scheidt een gifstof af, die de aaltjes verlamt. Vervolgens worden ze ingepakt met zwamdraden en in enkele dagen geheel verteerd.

Geschubde inktzwam iets rijper

Er zijn meer dan 100 soorten inktzwam, die door DNA-onderzoek zijn onderverdeeld in diverse geslachten :  Coprinus, Coprinellus, Croprinopsis. De naam zal zijn afgeleid van ‘coprea’, dat ‘vuilbek’ betekent en ja, inktzwammen lusten alles, sommige soorten zijn gespecialiseerd op uitwerpselen.

‘Comatus’ betekent ‘gekuifd’, vanwege de afstaande schubben aan de hoed.

 

Hemel of hel

Een aantal jaren geleden werd hier ter stede alarm  geroepen over de hemelboom (Ailanthus altissima). De reden was dat de gemeente Breda op een grote uitvalsweg nogal wat van die bomen in de middenberm plaatste. Naast het onloochenbare feit dat het hier een exoot betrof, zou deze ook nog invasief zijn.

Bomen groeien niet tot in de hemel en de hemelboom is daarop geen uitzondering. Zijn naam kreeg hij van de Engelsman Ph. Miller. Die beschreef in de achttiende eeuw de boom die hij gezien had in China. Hij noemde hem ‘hemelboom’. De geslachtsnaam ‘Ailanthus’ komt van het Maleise ‘aylanto’, dat boom van de hemel betekent. Onbekend is wat de boom hemels maakt. Wellicht vanwege het gebruik in de zijderupsteelt.

De Latijnse soortnaam ‘altissima’ betekent ‘de allerhoogste’. In feite wordt deze boom niet zo hoog, slechts 20 – 25 meter. Kortom, de naamgeving munt niet uit in adequaatheid.

Het meest opvallend aan de hemelboom zijn wel de bladeren. Die zijn 40 – 90 cm lang, oneven geveerd met 13 – 40 smalle, elliptische blaadjes, aan de voet grof getand. Van de blaadjes wordt beweerd dat ze onaangenaam ruiken. Dat hebben we bij de Bredase bomen niet kunnen vaststellen bij oudere bomen. Bij jonge bomen wel, en de geur heeft wel wat weg van aangebrande melk.

Groot, geveerd blad

De bladstengel is zacht behaard en bevat oranje merg. De schors is glad met lichte lengtestrepen.

De bloemen zijn klein, geelachtig wit in rechtopstaande pluimen en bloeien in juni-juli. Ook van de bloemen wordt beweerd dat ze stinken. Andere bronnen reppen van een vliergeur. Het vermoeden van demonisering door hemelboomhaters dringt zich op, want die zijn er.

De vruchten zijn gevleugelde nootjes, in grote, oranjekleurige trossen.

 

Vrolijk gekleurde vruchtjes in de nazomer

De hemelboom is tweehuizig. Man en vrouw wonen in aparte huizen. De bomen zijn dus eenslachtig, net als wilgen of hulst. De boom groeit ook verder uit wortelopslag en vanuit de stronk na kap.

Deelblad met zeer karakteristieke tand aan de voet.

In 1750 wordt hij voor het eerst ingevoerd in Frankrijk en van daaruit raakt hij verspreid over Europa.

In Nederland wordt hij als straat- en parkboom aangeplant. De boom heeft namelijk geen last van luchtvervuiling. Vooral Rotterdam is koploper geweest in het aanplanten van de hemelboom. Daar dragen de zaailingen zelf al weer vrucht.

De hemelboom vertoont dus alle trekken van een moderne stadsplant: mondiale verspreiding, snelle groeier, taai, thuis op verschillende grondsoorten en milieus, omstreden, maar onmiskenbaar aanwezig in onze wereld en een blijver.

Niettemin valt de woekering van de boom in Breda reuze mee: geen hemel en geen hel; meer iets er tussenin: een vagevuurboom.

 

 

 

 

 

vagevuurboom

Roestige melk

Ergens in het voorjaar meende ik een voor mij onbekende plantensoort te hebben ontdekt op korte afstand van spoorlijn aan de oostzijde van Breda. Ik maakte wat foto’s en stuurde die naar onze Floron-coördinator Jacques Rovers. Ik kreeg per ommegaande antwoord: roest op heksenmelk. Je moet er maar opkomen. Toen ik nog eens goed naar de foto’s keek zag ik het ook: overduidelijke vruchtlichamen van een roest. Roesten zijn schimmels met vaak een zeer ingewikkelde levenscyclus .Gelukkig heb ik het boek ‘Roesten van Nederland’ van Termorshuizen en Swertz in huis en kon ik vaststellen dat het zeer waarschijnlijk gaat om Uromyces fischeri-eduardi.

Maar het moet hier natuurlijk over de stadsplant gaan en niet over een schimmel. Heksenmelk (Euphorbia esula) komt in Nederland vooral voor langs de grote rivieren, maar staat ook bekend als spoorwegbegeleider. In Breda klopt dat dus. De plant heeft een stevige, vertakte wortelstok waaraan diverse stengeltjes van 30-60 cm hoog met langwerpige bladeren verschijnen. Bij afplukken van de stengel komt er, net bij de meeste leden van de wolfsmelkfamilie, wit melksap tevoorschijn. Het sap heeft een bijtend en branderig effect op huid en ogen en de wolf werd ooit gezien als de veroorzaker. Een wolf heeft geen positieve reputatie en een heks al helemaal niet.

Vruchtlichamen van heksenmelk

Het geslacht Euphorbia telt wereldwijd ruim 2000 soorten. Voor de wetenschappelijke naam van het geslacht bestaan twee verklaringen. De eerste is dat de naam verwijst naar ene Euphorbus, een lijfarts van een koning van een Berberrijk aan het begin van onze jaartelling. De tweede verklaring is dat het woord is samengesteld uit ‘eu’ =goed en ‘pherboo’=voeden. Het melksap schijnt ooit gebruikt te zijn ter genezing van teringlijders.
De soortaanduiding ‘esula’ betekent bijtend. Dat slaat op het melksap.

Heksenmelk met roest

De bloeiwijze van de leden van het geslacht Euphorbia wordt cyathium genoemd. Dit bestaat uit een buitenste bekervormig orgaan met randstandige hoefijzervormige klieren, waarbinnen een krans van uit één meeldraad bestaande mannelijke bloemen en in het midden de vrouwelijke bloem, bestaande uit een gesteeld vruchtbeginsel met vertakte stempels. Dat klinkt ingewikkeld en dat is het ook. De bloeitijd van heksenmelk is van mei tot eind augustus. De vrucht bestaat uit drie hokken met elk één zaad.

De plant komt in heel Europa en grote stukken van Azië voor. In de VS wordt heksenmelk als een invasieve exoot gezien. Je kunt hem beter niet in je tuin zetten, want voor je het weet neemt hij heel veel plaats in.

Behalve een plant is heksenmelk ook nog de naam van het vocht dat weleens door de tepels van pasgeboren baby’s wordt afgescheiden.