Home » Archieven voor december 2019

Maand: december 2019

Klimopbij erbij

Klimop (Hedera helix) is een stadsplant die zich in mijn bijzondere belangstelling mag verheugen. Dat heeft alles te maken met mijn belangstelling voor insecten; wilde bijen en wespen in het bijzonder.

In de stad is klimop de laatste jaren toegenomen, is mijn indruk. De reden is dat klimop als onderdeel van tuinafscheiding in de mode is geraakt. Al heel simpel is wat betonijzer tussen twee palen gezet en dan klimop ertegenaan. Min of meer gelijktijdig arriveerde een zuidelijke bij, de klimopbij (Colletes hederae) in Limburg. We spreken over 10 jaar geleden. Vanuit Limburg begint de klimopbij een gestage opmars naar het Noorden. In 2017 trof een collega de eerste in een plantsoen in Breda aan. In 2018 vond ik de eerste in mijn tuin, en in dat zelfde jaar werden door mij en anderen tientallen klimopbijen in Breda gesignaleerd. De klimopbij is een forse bij, zo groot als een honingbij en lijkt er ook wel op. Je moet letten op de bandjes op het achterlijf. Die heeft de klimopbij wel en de honingbij niet.

De klimop moet wel bloeien voor veel insecten.

Klimop is uit ecologisch standpunt een belangrijke stadsplant. Vogels vinden er dekking in en vooral merels nestelen er graag in. Het is daar doorgaans veiliger voor katten dan in struiken en ook voor andere predatoren als eksters biedt klimop goede dekking.

Het is een waardplant voor het boomblauwtje, kolonies mieren lopen meters omhoog en omlaag om luizen te melken, er huizen vele soorten spinnen en kevers. Om klimop te laten bloeien moet je in ieder geval een deel niet snoeien. Bij voorkeur het deel dat in de zon staat, vaak de bovenkant.

Bloeit de klimop dan sta je verbaasd over de hoeveelheid insecten die wekenlang op de bloemen afkomt.

Het zoemt op zonnige dagen van jewelste: klimopbijen, blinde bijen, limonadewespen, hoornaars, diverse hommelsoorten, atalanta’s, aurelia’s, diverse graafwespen, sluipwespen, vleesvliegen, enz. In de winter tot in de vroege lente vormen de zwarte bessen voedsel voor lijsters en spreeuwen.

Heb je geluk, zoals ik, dan kun je in je eigen tuin ook nog de klimopbremraap scoren.

Klimopbremraap heeft een mooie, snel verwelkende bloem.
Klimopbremraap is ongeveer 10 cm hoog.

Zonnetjes in de stad

Op een braakliggend terrein in het centrum van Breda stond in september een flink aantal stijve zonnebloemen te bloeien. Op hetzelfde terrein stonden op een meter afstand vergelijkbare planten nog in knop. Bij nader inzien bleek het te gaan om een forse groep aardperen. In de praktijk worden die twee soorten, beide behorend tot het geslacht Helianthum, weleens door elkaar gehaald. De wetenschappelijke naam van de aardpeer is Helianthum tuberosus en die van de stijve zonnebloem H. laetiflorus. Sommige auteurs plaatsen een vermenigvuldigingsteken tussen de geslachtsnaam en de soortaanduiding. Zo dus: Helianthum x laetiflorus. Dat betekent dat de auteur veronderstelt dat het gaat om een kruising, een hybride, tussen twee soorten. Volgens de Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden tussen H.laetiflorus en H.rigidus. De laatstgenoemde heeft een mooie Nederlandse naam: ‘stijve aardpeer’.

Wortelknollen aardpeer

Beide soorten zijn afkomstig uit Noord-Amerika. De aardpeer, ook wel topinamboer of Jeruzalemartisjok genoemd, werd al ruim voor de komst van Europeanen door de indianen gebruikt als voedsel. De stijve zonnebloem wordt alleen als sierplant gebruikt. Beide soorten ontsnappen van tijd tot tijd uit siertuinen en moestuinen. Ze kruipen soms gewoon onder muurtjes de straat op.

Stijve zonnebloem kruipt onder muur door

Het verschil tussen de aardpeer en de stijve zonnebloem is niet heel groot, maar toch wel duidelijk: de aardpeer heeft wortelknollen, het blad is sterk getand en de bladsteel is 1-4 cm lang. De  stijve zonnebloem heeft géén wortelknollen, de bladrand is gaaf/enigszins getand en de bladsteel is korter dan 1 cm. De aardpeer heeft sterker behaarde stengels dan de stijve zonnebloem.

Aardpeer: meer behaard, lange bladsteel
Stijve zonnebloem: weinig behaarde steel, korte bladsteel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als je de bloeiwijzen vergelijkt dan valt op dat bij de aardpeer de omwindselblaadjes afstaand zijn en bij de stijve zonnebloem aanliggend.

Links: stijve zonnebloem. Rechts: aardpeer.

De aardpeer kan gemiddeld wat hoger worden dan de stijve zonnebloem: respectievelijk 2,40 m en 2,00 meter. Aan dat laatste verschil heb je natuurlijk niet zo veel.

Of de bloemhoofden net als bij de ‘gewone’ zonnebloem de richting van de zon aan de hemel volgen heb ik niet gecontroleerd.

Trilgras

In de vorige stadsplantenbijdrage besprak ik slanke naaldaar (Setaria parviflora). De vindplaats is het KNSM-eiland, wat samen met het Java-eiland in het oostelijk havengebied van Amsterdam al decennia een hotspot is voor bijzondere plantvondsten. De twee eilanden, eigenlijk schiereilanden, waren ooit dé plek voor havenactiviteiten, maar die vielen in de loop der jaren weg door de opkomst van de luchtvaart en het stilvallen van de handel op de Oost. Dit desolate gebied werd vanaf het einde van de jaren zeventig in bezit genomen door krakers, kunstenaars en stadsnomaden. Nog geen 15 jaar later werd alles herontwikkeld tot een woonwijk.

Ondanks deze veranderingen bleef deze omgeving een plek om bijzondere soorten te spotten. Was ooit de scheepvaart de reden voor bijzondere vondsten, later gaf het massaal braakliggen genoeg plek voor allerhande soorten. Tegenwoordig wonen er mensen die geen behoefte hebben aan een steriel, schoongespoten en dito geborstelde straatbeeld. Integendeel; rijen plantenpotten en dito bakken, geveltuinen en overhoekjes geven wilde en verwilderde planten alle ruimte.

De gekste verwilderingen zijn hier te vinden alsmede de voorhoede van warmteminnende soorten uit het zuiden. Maar ik beperk me nu tot de grassen.

Aartje van groot trilgras

Zo worden er op deze twee schiereilanden naast slanke naaldaar meer bijzondere grassen gevonden zoals laksteeltje (Catapodium marinum), plat beemdgras (Poa compressa), knolbeemdgras (Poa bulbosa), rattenstaartgras (Sporobolus indicus), met duizenden exemplaren klein fakkelgras (Rostraria cristata) en al heel lang kransgras (Polypogon viridis). Kransgras is tegenwoordig niet meer zeldzaam te noemen, maar pas in deze eeuw begon de opmars in Nederland met het Java-eiland als een van de startpunten.

Groot trilgras gedijt ook op houten balken

Tenslotte wordt er ook nog groot trilgras (Briza maxima) gevonden. Deze soort is eigenlijk de enige bijzondere grassoort hier die een verwildering is. Ruim 20 jaar geleden ontsnapte deze soort uit plantenbakken en wist zich op straat en kademuur te vestigen. Net zoals ons inheems trilgras, bevertjes (Briza media), heeft het korte en afgeplat brede aartjes hangend aan dunne stelen die in bij het minste briesje al trillen: vandaar de namen. Ook de wetenschappelijk naam Briza houdt met het trillen verband. ‘Briza’ komt van het Griekse ‘brithó’ = ik balanceer, vanwege de zeer beweeglijke aartjes. Groot trilgras is in alles een maatje forser dan bevertjes, maar verder erg gelijkend. Het is een vroege bloeier die begin juni al geheel is verdord. Als plantelijkjes zijn ze echter tot in de herfst te vinden. Groot trilgras komt massaal voor op de kaderand, vooral tussen het straatmeubilair van de woonbootbewoners. Fietsrekken zijn ook een fijne en veilige plek. Ook op de houten balk, die voor de kademuur als stootrand fungeert, en op de dukdalven komt het weelderig voor.

En het groeit in spleten

Ooit ontsnapt uit plantenpotten, komt het in potten nu spontaan op als gewenst onkruid. De groeiplaats is een kleine 200 meter lang en vertoont al jaren geen uitbreiding. Het milieu lijkt verderop langs de kade identiek, maar wellicht zit het verschil in de bodem. Deze eilanden waren oorspronkelijk golfbrekers en zijn voornamelijk met slib uit de vaargeul verbreed en  opgehoogd. Het was ook een mooie plek om overtollige grond kwijt te raken en mijn vermoeden is dat op de groeiplaats andere grond is gestort en de bodem ter plekke wat kalkrijker is. Groot trilgras kwam tot eind de vorige eeuw alleen voor langs de kusten van de Middellandse Zee en de Atlantische kust tot in Frans Baskenland, met een paar voorposten in Normandië. Waarschijnlijk door de toepassing als siergras wordt de soort tegenwoordig sporadisch gevonden in een groot deel van Europa. Maar alleen in Engeland, Wales en Nederland lijken er bestendige populaties te zijn ontstaan.

Maar met vondsten in slechts 40 atlasblokken zijn dat er in Nederland nog niet veel.

Bron: https://www.verspreidingsatlas.nl/5612

Ook uitgedroogd, is groot trilgras nog te herkennen.

Vlinderstruik

Een regelmatig verwilderende struik in het stedelijk gebied is de vlinderstruik (Buddleja davidii). Iedereen kent hem tegenwoordig. Daar hebben de tuincentra en de Vlinderstichting in eendrachtige samenwerking wel voor gezorgd. Toch is deze exoot uit China pas een jaar of 20 zo alomtegenwoordig. Eind 19de eeuw is de struik naar Europa gehaald. Door kwekers is vooral na de tweede wereldoorlog een variëteit aan kleuren ontwikkeld en door vergrote afzet daalde de prijs van de struiken. Toen ook nog de Vlinderstichting de struik aanbeval als bijdrage aan het behoud van vlinders, werd daar door het publiek zeer ontvankelijk op gereageerd. In elke straat vind je nu wel een of twee vlinderstruiken. De plant zelf liet zich ook niet onbetuigd. Vanaf 1980 heeft de plant zich langs de spoorwegen en in de stad explosief vermeerderd.

Een struik die zijn biotoop vindt.

De vlinderstruik is een pionier van droge stenige terreinen en vormt daardoor nauwelijks een bedreiging voor inlandse planten. En inderdaad, de plant heeft bloemen die bij uitstek geschikt zijn voor vlinders. De bloembuis is lang en smal, waardoor alleen insecten met een lange tong bij de nectar kunnen. Vlinders hebben zo een lange roltong. De vlinders hebben dus geen hinder van zweefvliegen en honingbijen. Maar op de vlinderstruik is meer te zien dan alleen dagvlinders, ook nachtvlinders komen er graag: gamma-uil, koperuil, goudvenstertje, huismoeder, witstipgrasuil en nog veel meer nachtvlinders zijn er op te vinden.

Vlinderstruik in de stad

De struik heeft nog een aanpassing aan insectenbestuiving: van een onbestoven bloem is het hartje geel, en daarmee goed zichtbaar voor insecten. Na bestuiving wordt het rood, een kleur die insecten slecht zien.

De geslachtsnaam ‘Buddleja’ is afgeleid van de Engelse botanicus Adam Buddle. De soortaanduiding ‘davidii’ verwijst naar pater Armand David, een Franse missionaris in China, die echter ook bioloog was en een groot aantal nieuwe planten en dieren ontdekte. Zijn bekendste ontdekking is het Pater-Davidshert.

Uit Spanje

Dit artikel is geschreven door Johan Vos, die 31 jaar stadsecoloog van Zoetermeer was. Hij weet (bijna) alles over de herkomst van het groen in onze stad en is gelukkig nog steeds lid van onze plantenwerkgroep.

Spaanse dravik (Anisantha madritensis), is één van die vele nieuwkomers in de stad, afkomstig uit het Middellandse Zeegebied. Het is een altijd nog zeldzame verschijning in ons land, die vóór 1990 nauwelijks voorkwam. In Zuid-Engeland is de Spaanse dravik bekend van rotskusten, oude muren en stadswallen.

Op Verspreidingsatlas.nl zien we dat de soort momenteel (periode 1990 – 2019) in 39 atlasblokken te vinden is. Zichtbaar is dat de verspreiding vooral rond Amsterdam en in de Haagse regio geconcentreerd is.

De eerste Zoetermeerse waarneming stamt uit 1994. Van Ton Denters hoorde ik dat deze, voor mij toen onbekende dravik, ook al in Amsterdam was waargenomen. Het gaat om een opgaande, in het voorjaar bloeiende dravik met korte, omhoog staande pluimtakken die op warme, steenachtige plekken massaal kan opduiken in de stad. De soort is vrij gemakkelijk te onderscheiden van twee andere, algemeen voorkomende stedelijke Anisantha-soorten: IJle dravik (A. sterilis) en Zwenkdravik (A. tectorum). De eerste maakt een ijle indruk en heeft lange pluimtakken die naar alle zijden uitstaan, de tweede kent een dichtere bloeiwijze waarvan de pluimtakken naar één zijde overhangen.

Spaanse dravik als onderdeel van een kruidenrijke begroeiing op een warme steenachtige plek in de stad

In Zoetermeer zien we Spaanse dravik het meest op de grens van horizontale en verticale verharding, in geveltuintjes, langs schuttingen, bij hagen e.d. Jarenlang heeft de soort aan de voet van het stadhuis gestaan. Hoewel de soort sinds de negentiger jaren een nomadisch bestaan leidt, is haar voorkomen in Zoetermeer heel bestendig te noemen.
Totaal is de Spaanse dravik in Zoetermeer 20 keer in 7 van de 37 verschillende km-hokken waargenomen.