Home » Archieven voor maart 2020

Maand: maart 2020

Hop

Onlangs viel mij tijdens mijn werk als postbode natuurlijk weer een plantje op. Dit keer niet de echte bloemen maar het gevolg daarvan, de typische hopbellen. Laat ik beginnen bij het begin. Hop (Humulus lupulus) is een plant uit de hennepfamilie (Cannabaceae) maar de Hop hoef je niet in een sigaret te proberen; het is uitsluitend familie. Hop is een vaste plant die overwintert als wortelstok. Hop is geen zelfhechtende slingerplant maar heeft een gastheer nodig om omhoog te groeien. Hop is een rechtswindende slingerplant waarvan de stengels zich tegen de zon in naar boven werken.

De plant is een zogenaamde hemikryptofyt. Dat is een levensvorm van tweejarige- of vaste plant met de knoppen op of iets onder de grond, zodat ze worden beschermd door de strooisellaag. De knoppen bevinden zich vaak in basale delen van scheuten van het voorgaande jaar. Zo kunnen de planten een ongunstige periode, zoals een winter, hete zomer of periode met schaduw, overleven.

De naam hemikrypofyt komt uit het Grieks/Latijn. Hemi betekent “half”, krypto betekent “verscholen/verborgen” en phyte betekent “plant”. Dus totaal “half verscholen plant”.

De hopplant is een tweehuizige plant wat betekent dat er óf mannelijke óf vrouwelijke bloemen zitten aan de hopstruiken. Nooit samen. Juist deze mannelijke bloemen wilde ik fotograferen. Maar in tegenstelling tot veel andere bloemen zijn de mannelijke hopbloemen heel snel uitgebloeid. Dus wachten op mooi weer met niet al te veel wind is niet altijd een optie. En aangezien ze ook nog eens onopvallend zijn loop je er snel voorbij. Mij is het nog niet gelukt. U zult het dus moeten doen met een mooie botanische illustratie. De vrouwelijke bloemen zijn heel belangrijk want zij vormen de hopbellen. En juist aan deze bellen herken je de plant meteen. Anders heb je alleen met het blad te doen en dan wordt Hop snel uitgemaakt voor een of andere klimplant ontsnapt uit de tuin.

Mocht u toch iets meer willen weten over de het uiterlijk van deze plant dan is hier een korte omschrijving. Uiteraard is deze ook te vinden in elke flora of op internet. De stengel is knobbelig en daardoor ruw. De bladeren zijn tegenoverstaand, lang gesteeld met steunblaadjes aan basis van de bladsteel, en hebben een hartvormige voet en gezaagde rand. Meestal zijn ze gelobd, met drie, soms vijf lobben. De bladeren aan de top van de stengel kunnen ongedeeld zijn.

De bloemen, die verschijnen van juli tot september, groeien in pluimen in de bladoksels, bij de mannelijke bloeiwijzen staan de bloemen afzonderlijk aan het eind van de pluimsteeltjes, bij de vrouwelijke bloeiwijzen staan aan het eind van de pluimstelen aartjes met meer bloemen. Hieruit ontwikkelen zich de karakteristieke  eivormige vruchtkegels = hopbellen, die in augustus/september aan de vrouwelijke plant groeien.

De hopbellen worden al sinds de 9-de  eeuw gebruikt voor de productie van bier, daar kent iedereen ze van. Daarvoor als medische of culinaire toepassing. Hieronder dus die mooie botanische illustratie.

uit: Franz Eugen Köhler, Köhler’s Medizinal-Pflanzen / Public domain

Linksboven zijn de hangende vrouwelijke bloemen te zien die later zullen uitgroeien tot de typische hopbellen. Rechtsboven is te zien hoe de mannelijke bloemen zich hebben gevormd

Groeiplaats Aziatische veldkers

Een Veldkers in een bloembak

In deze tijd,maart, van het jaar zijn er allemaal kleine plantjes met witte bloemen te zien. Veldkersen behoren daar in ieder geval toe.

Veldkersen behoren toch wel tot de koplopers van de vroegbloeiers met als laatbloeiers de Pinksterbloem (Cardamine pratensis) en de veel zeldzamere Bolletjeskers (Cardamine bulbilifera). Maar die zijn niet zozeer aan de stad gebonden. Een soort die ik vooral van de stad ken, is de Aziatische veldkers (Cardamine occulta), en niet te vergeten de Kleine veldkers; al komt die eigenlijk wel overal voor.
Intrigerend is natuurlijk direct de wetenschappelijke naam, occulta, wat overigens niet een heel spannende verklaring heeft en verstoppen, geheim of mysterieus betekent.
Is dat misschien de oorzaak dat de soort vaak over het hoofd wordt gezien? Aziatische veldkers is waarschijnlijk sinds 2009 in Nederland te vinden.

Groeiplaats Aziatische veldkers
Groeiplaats Aziatische veldkers
detail blad
detail blad Aziatische veldkers

Kleine veldkers is een heel rank opstijgend plantje. Een rozet, een wat ijl setje bloemen met ver daarboven uitstekende hauwen. Bosveldkers heeft lang geveerd blad en heeft een ‘kroontje’ van bloemen en hauwen die meestal niet ver boven de bloeiwijze uitsteken. Voor de volledigheid zijn een paar foto’s van beide soorten opgenomen.

Kleine veldkers
Kleine veldkers
Bosveldkers
Bosveldkers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Samenvattend, kijk in bloembakken in de stad. Vind je een veldkers zonder rozet, zonder enkelvoudige haren op het blad, bloemen met 6 meeldraden, 3-lobbige bladeren en een wat warrige habitus, dan heb je met de Aziatische veldkers te maken.

Winterakoniet

In 2016 kwam ik net buiten het dorp voor het eerst winterakoniet (Eranthis hyemalis) tegen aan de rand van een bosje. Niet echt als een stadsplant van de stenen stad, maar duidelijk een tuinstortoverlever in de groene stad. Dit jaar vond ik er een aantal midden in de stenen stad. Het waren duidelijk zaailingen. Op de foto is te zien dat de moederplanten aan de rand van het tuinmuurtje staan en hun zaden over de rand hebben laten vallen, waarna kieming op een favoriete stadsplantenplek heeft plaatsgevonden: precies op de naad van muur en stoep.

Zaailingen op de naad van muur en stoep

De geslachtsnaam ‘Eranthis’ komt van het Grieks eros=lente en anthos=bloem. De soortaanduiding ‘hyemalis’ van het Latijnse hyemis=winter.

Winterakonieten zijn al lang ingeburgerde planten. De herkomst is weliswaar zuidelijk, maar ze zijn hier vanaf de zeventiende  eeuw als stinzenplant.  In Brabant is het zeker geen gewone verschijning. Je moet winterakonieten zoeken langs de kust, Noord-Friesland en Zuid-Limburg.

Winterakoniet als stadsplant

Maar gelukkig duikt hij soms op als stadsplant in Breda. Het is een van de leukste voorjaarsplanten met zijn olijke kraag waar de gele bloem zo mooi bij afsteekt.

 

Bingelkruid uit de tuin

Tot voor kort stonden er ongeveer 70 jaar oude woonblokken in de Hudsonstraat in Breda. Met de sloop in 2019 verdween een mooie populatie steenbreekvarens. Op de overgebleven kale vlakte verschijnen intussen planten die waarschijnlijk in de achtertuinen hebben gestaan. Een mooi voorbeeld is Tuinbingelkruid (Mercurialis annua). In januari stonden zij al of nog in bloei. Aanvankelijk had ik me niet zo in die plant verdiept en dacht dat sommige exemplaren in bloei stonden en anderen niet. Na enige tijd drong tot me door dat de duidelijke bloeiende exemplaren mannelijke planten waren en die anderen de vrouwelijke planten. Die vrouwen bloeien gewoon minder opvallend; de bloemen zitten wat verstopt onder en tussen de bladeren in de bladoksels.

Tuinbingelkruid, detail vrouwelijke plant

Tuinbingelkruid behoort tot de wolfsmelkfamilie. Dat is een familie waarvan de meeste soorten melksap bezitten. Dat melksap staat onder druk en bij beschadiging van de plant komt het meteen naar buiten. Het sap is meestal sterk tot dodelijk giftig en dient voor de plant als wondafdekking en bescherming tegen vraat. Tuinbingelkruid bezit echter geen melksap, maar is wel giftig. De zaden en de wortels bevatten stoffen die diarree, bloed in de urine en verlamming van blaas- en darmspieren kunnen veroorzaken. Zoals met zoveel giftige planten, werd ook deze plant medicinaal gebruikt en wel als purgeermiddel. Eén van de volksnamen in Frankrijk is dan ook ‘caquenlit’. Denk hierbij ook maar aan ‘pissenlit’, de Franse naam voor paardenbloem. In Frankrijk gebeurt de narigheid kennelijk meestal in bed.

Tuinbingelkruid, mannelijke plant

Er is nog een andere soort bingelkruid, namelijk Bosbingelkruid (Mercurialis perennis), vroeger ook wel Overblijvend bingelkruid genoemd. Bij deze soort zitten de vrouwelijke bloemen aan een lange steel. In tegenstelling tot tuinbingelkruid heeft deze soort uitlopers in de grond.
Bingelkruid komt van een woord uit de oudheid namelijk “bongo” wat “knol” betekent. Dit vanwege de vorm van de vruchten. De geslachtsnaam ‘Mercurialis’ komt van Mercurius. Mercurius is de god van de handel en reizigers en daarom zegt een Franse bron dat de vernoeming komt vanwege de zaden die door schoenen worden verspreid. Een Duitse bron zegt dat Mercurius de heilzame werking van het kruid heeft ontdekt. De soortaanduiding ‘annua’ betekent ‘eenjarig’.

Onsmakelijke bessen in een tros

Toen ik pas begon met planten te inventariseren kwam ik een enkele keer Oosterse karmozijnbes (Phytolacca esculenta) tegen. De bloemen van deze soort staan in een tros en zijn groenachtig wit. Later verkleuren ze tot vuilroze. De rijpe vruchten steken hier heel opvallend tegen af: zwartpaarse braamachtige vruchten met een vleeskleur als achtergrond. In de eerste instantie vond ik de bloeiwijze er onsmakelijk uitzien. Een associatie met slecht genezen vleeswonden was er debet aan. Toen ik de bessen beter bekeek bleken ze een sierlijke druppelvormige vorm te hebben en begon ik het geheel wat meer te waarderen.

De bladeren zijn elliptisch en vrij groot en staan aan stevige wijd uitstaande takken wat de plant een statig uiterlijk geeft.

Stevige elliptische bladeren

Ik vond Oosterse karmozijnbes in het begin vooral in tuinen. Ik noteerde ze niet vanwege het dogma dat in tuinen niets gestreept mocht worden. Wat mij wel opviel was dat de forse plant vaak op plekken stond waar een tuinier of hovenier ze van z’n lang zal ze leven niet zou planten. Net naast een boom bijvoorbeeld. Of midden in een buxushaag (toen nog wel) of net naast een oprit. Karmozijnbes heeft een struikvormig vorm, groeit ook snel en voordat de eigenaar in de gelegenheid is om de plant met wortel en al te verwijderen, presenteert zij haar opvallende sappige vruchten. Een aanleiding om toch maar even te wachten met de schoffel.

Vrucht van de Westerse karmozijnbes

Het is de eerste soort struik of boom waarvan ik duidelijk merkte dat vooral vogels er voor zorgen dat de soort op de gekste plekken opduikt. Dit heeft Oosterse karmozijnbes natuurlijk gemeen met vele besdragende houtige soorten als lijsterbes en meidoorn, maar in de stad valt het bij de karmozijnbes en andere zeldzame soorten zoals taxus en hulst echt op. Zo heb ik een keer in een steeg in Diemen kiemplanten van taxus, hulst én karmozijnbes op een kluitje gevonden. De witte strepen op een schutting gaven al aan dat in een boom die de steeg overhuifde een rustplek was van, waarschijnlijk, een houtduif. Lekker overdag besjes eten en dan ‘s nachts de pitjes lozen. Een overtuigender bewijs van zoöchorie heb ik zelden gevonden. Zoöchorie dat is botanisch potjeslatijn; komt dus van het Grieks (!) en zoö betekent dier of levend wezen en chorous betekent verspreiden.

Drie zaailingen van besdragende struiken: hulst, karmozijnbes, taxus.

Wildplukken en eten uit de natuur is nu dé mode. Ik krijg tegenwoordig dan ook vaak de vraag of iets eetbaar is. Als dit het geval is, voeg ik er altijd aan toe dat er een groot verschil is tussen eetbaar en lekker. Dit geldt bij uitstek voor de karmozijnbes. De rijpe bessen zijn eetbaar maar smakeloos. Het sap wordt wel gebruikt om eten te kleuren. De onrijpe bessen zijn giftig, evenals de rest van de plant, met name de penwortel.

Omdat het klimaat opwarmt, komt karmozijnbes tegenwoordig vaker voor en dan vooral langs muren en stegen. De soort houdt van zonnige tot licht beschaduwde, open plaatsen op vochtige, voedselrijke grond. Blijkbaar kan zij bij een warmer klimaat met minder zon toe en komt het nu ook in stegen en andere sombere plekken op.

Er is een tweede soort karmozijnbes en de lezer raadt het al: de Westerse karmozijnbes (Phytolacca americana). Komt de oosterse karmozijnbes oorspronkelijk uit Oost-Azië, de Westerse karmozijnbes heeft zijn thuisland in Noord-Amerika. De vruchtbeginsels zijn bij de westerse karmozijnbes vergroeid en leiden tot maar één grote bes. Bij de Oosterse karmozijnbes blijven vruchtbeginsels los van elkaar net zoals bij bramen. Ook verschilt het aantal meeldraden en stijlen tussen de twee soorten. Bij de Oosterse beide 8 en bij de westerse beide 10.

Ik kwam de Westerse karmozijnbes nooit tegen en kreeg het idee dat zij in Nederland niet meer voorkwam. Dat was een misvatting. Ik vond de soort midden een droog bos in het Leudal. Van een lokale florist begreep ik dat op de grens van Brabant en Limburg de Westerse karmozijnbes niet zeldzaam is en zich als een bosplant gedraagt. Dat is niet wat in de Heukels staat, maar wellicht is dat bijgewerkt in de nieuwe editie en misschien ook in de nieuwe stadsflora van Ton Denters.