Home » Archieven voor april 2020

Maand: april 2020

Nieuwe stadsplanten in de nieuwe Heukels’ Flora

 

Breed lampenpoetsergras (Cenchrus purpurascens) uit de tuinprairie ontsnapt. Hier tussen de stoeptegels te Antwerpen in 2011.

In februari ontvingen de botanici een cadeautje van Naturalis en Leni Duistermaat; een zelf aan te schaffen nieuwe Heukels’ Flora, 24ste druk. Er zat 15 jaar tussen deze en de vorige druk en er is heel veel toegevoegd. En dan voor een aanzienlijk deel natuurlijk de immer veranderende en qua diversiteit toenemende stadsflora.

In deze digitale tijden is het de vraag of een papieren versie nog wel nodig is, maar ik ga daar dan snel op antwoorden: ja! In de wereld van de floristen is een ‘standstill’, en dat is zo’n standaardwerk feitelijk, noodzakelijk om alles op orde te stellen. Voor vele databases, de streeplijsten, de rode lijsten en de wettelijke beschermde soorten is het handig dat niet alles in constante beweging is. Het is natuurlijk nuttig om te weten dat er iets gaat veranderen, maar een tussenstand, de standaardflora of een standaardlijst, is nodig om te weten dat het daadwerkelijk veranderd is. En dan kunnen we weer even wennen aan deze nieuwe situatie. Dat een boek ook fijn is om vast te houden, om in een stoel of onder een boom eens te hand te nemen en om er desgewenst een blaadje of bloemetje tussen te steken, dat spreekt voor zich.

Japanse hulst (Ilex crenata), een onderhoudsvriendelijk struik. Hier ontsnapt in een bosrand te Genk in 2020

Welke rol de stadsflora in het boek speelt is op zich een hele studie waard en niet direct te vatten in een bondig zondags bericht. Welke stadsflora er überhaupt is, is een extra boek en website waard, en niet toevallig zijn deze er, maar ik hoop een paar voorbeelden te noemen waardoor blijkt dat de nieuwe Heukels’ Flora voor een belangrijk deel ook verandert dankzij de stadsflora.

De nieuwe soorten in de nieuwste Heukels’ Flora, een 500-tal hetgeen maar liefst 20% toename betekent, zijn voor een aanzienlijk deel ingeburgerde of beter; inburgerende soorten. Dat inburgeren gebeurt in eerste instantie veelal in of nabij bebouwing. Natuurlijk zijn er ook een select aantal ingeburgerde soorten die ‘in de natuur’ hun best doen en eventueel ook voor schade en soms grote schade zorgen, maar de meeste daarvan kenden we al uit de vorige editie van de flora.  De meer tijdelijke soorten, ook wel bekend als adventieven,  zijn grotendeels niet opgenomen. Dan zou het aantal soorten in de Heukels’ Flora al snel verdubbelen van 2500 naar 5000!

Chia (Salvia hispanica) is een van de nieuwe ‘Toiletplanten’. Hier op rioolslib te Genk in 2019

Over welke extra inburgerende soorten hebben we het? Een overzicht van de nieuwe soorten staat op pag 825 van de Heukels’ Flora. Heel veel van die soorten kennen we uit de tuinen. Wat te denken van het fenomeen prairietuinen en hun impact op de omgeving? Er zijn nu zeker vier soorten lampenpoetsersgras (Cenchrus) die buiten hun perkjes teruggevonden worden. Onze drang naar onderhoudsvriendelijk tuinen met de nodige traaggroeidende, al dan niet groenblijvende struikjes vertaalt zich in een lange serie toegevoegde dwergmispels (Cotoneasters) en bijvoorbeeld de alternatieven voor buxus; Japanse hulst (IIex crenata) en buxuskamperfoelie (Lonicera nitida). Maar er zijn in de lijst van nieuwe soorten ook verbanden te leggen naar onze tuinvijvercultuur, vogelvoercultuur, begraafplaatsen(bloemen-op-het-graf-)cultuur, bloemenweide(berm-)cultuur, bloemenakker(braakliggende-grond-inzaai-)cultuur en zelfs onze afvalwatercultuur.

Bij die laatste cultuurvorm is de nieuwe cultuurvolger chia (Salvia hispanica) als voorbeeld te noemen. Dat is, zeker gedeeltelijk, een ‘toiletplant‘ , zoals een vriend van me die laatst noemde.  Planten volgen je dus echt tot in het kleinste kamertje.. De nieuwe Heukels’ met daarin dergelijke nieuwe cultuurvolgers zullen in ieder geval veel inspiratie geven op het Stadsplantenblog.

Mooier dan Heermoes

Op een kwartier lopen van mijn huis, langs de Boezembocht in Rotterdam, staat een bijzondere plant: Reuzenpaardenstaart. Hij is prachtig met een lichtgroene stengel, die gelijkmatig in kleine stukjes is verdeeld. Ieder stukje eindigt in een bleekgroene schede bekroond met een rij fijne donkere tanden. Daaromheen hangt een wolk van groene takjes die de stengel omlijsten. Die zijtakjes zitten in regelmatige kransen.

In het vroege voorjaar verschijnen uit de wortelstokken van Reuzenpaardenstaart soms afwijkende stengels: zonder zijtakjes, heel bleek met ruim zittende geel-bruine schedes en aan het eind een sporenaar. Die vruchtbare stengels zijn meestal weer verdwenen als de groene stengels uitgroeien. Daarom hebben veel mensen niet door dat ze bij elkaar horen. Ik kan me zo voorstellen dat mensen deze vreemde wezens zelfs aanzien voor een paddenstoel in plaats van een plant.

Reuzenpaardenstaart – links sporendragende bladgroenloze stengels en rechts groene, vertakte stengels zonder sporenaren

De mooiste paardenstaart
Ik omschrijf Reuzenpaardenstaart vaak als een mooiere en grotere versie van Heermoes. Dat werkt vaak goed want vrijwel iedereen kent Heermoes … als een lastig te bestrijden onkruid. Net als de Reuzenpaardenstaart vormt Heermoes ook van die bleke onvertakte voorjaarsstengels met sporenaren; terwijl de andere Nederlandse paardenstaarten zoals Lidrus en Holpijp maar één soort stengels hebben, met aan het einde een sporenaar. Heermoes wordt ook wel Legoplant genoemd omdat als je de stengels uit elkaar trekt, de stukjes weer in elkaar te schuiven zijn en het eruit ziet alsof hij weer in elkaar zit. Bij Reuzenpaardenstaart werkt dat kunstje net zo goed.

De telescopisch ontluikende stengel van de Reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia).

Zeldzaam
Waar Heermoes in Nederland heel algemeen is, is Reuzenpaardenstaart dat zeker niet. Reuzenpaardenstaart komt slechts in zo’n 270 van de 36.000 kilometerhokken voor, dat valt in de categorie ‘Zeldzaam’. Bijna de helft daarvan is geconcentreerd in Zuid-Limburg en Oostelijk Nederland bij bronnetjes waar kalkrijk water uit de bodem kwelt. De andere vindplaatsen liggen vooral in de Flevopolders, het rivierengebied en de rivierdelta (Zeeland). Het is dus best bijzonder dat Reuzenpaardenstaart bij mij ‘om de hoek’ groeit. Nu kom ik wel meer zeldzame planten tegen in de stad, maar vaak zijn dat op een of andere manier door mensen aangevoerde soorten en dat is toch net iets minder leuk dan een soort die zich op eigen houtje in de stad heeft gevestigd.

Waar groeit die Reuzenpaardenstaart?
Hij komt in Rotterdam nu op minstens vier plekken voor: behalve langs de Boezembocht ook in het Zuiderpark, in een berm nabij vliegveld Zestienhoven en op een talud langs de A15. Op alle plekken kan je je voorstellen dat er sprake is van kwel (uittredend grondwater), ze liggen aan de rand van of op een talud. Daarnaast is deze paardenstaart een liefhebber van kalk, op welke manier daar op deze plekken in is voorzien weet ik niet zeker. Wel is in de stad vaak meer kalk in de bodem aanwezig dan je op grond van de historische, in Rotterdam veelal venige, ondergrond verwacht. Dat komt door het aanvoeren van zand voor het aanleggen van wegen en het bouwen van woonwijken. Misschien helpt het zandige ruiterpad in de berm vlak langs ‘mijn’ Reuzenpaardenstaart wel een handje.

Ieder jaar ga ik wel een keer kijken hoe hij erbij staat, hij heeft zich uitgebreid, en ik neem ook altijd een keer een paar stengels mee naar mijn plantencursus om te laten zien dat je voor bijzondere en mooie planten echt niet de stad uit hoeft.

Reuzenpaardenstaart – Equisetum telmateia

Herderstasje, een deugniet onder de planten.

Het is weer enige tijd geleden toen een eminent florist mij toevertrouwde dat zelfs ervaren floristen soms de fout ingaan het het Herderstasje (Capsella bursa-pastoris). Dat is natuurlijk een grote troost voor een beginnend florist maar nu ik wat verder ben valt het me regelmatig op dat hij gelijk heeft. Tenzij de plant volledig ontwikkelde vruchten heeft is hij soms lastig te determineren. Eerst maar eens een foto van de hele plant, het is maar een kleintje maar alles zit er op en er aan.

Ik zal nu vervolgens de onderdelen van deze plant de revue laten passeren, van beneden naar boven.

De wortels:

De plant heeft duidelijke penwortels, het is dan ook een eenjarige plant die, met een beetje moeite, uit de grond te trekken is. De wortels hebben volgens mij geen waarde voor de determinatie.

Het rozet:

Zoals veel kruisbloemigen heeft ook het Herderstasje een rozet. Het rozet is vrij variabel en leidt daarom niet altijd tot een vlotte determinatie. De rozetbladen kunnen gaafrandig tot veerdelig zijn en zijn in het onderste deel wigvormig versmald. Die versmalling is vaak behoorlijk lang zodat het lijkt alsof de rozetbladen gesteeld zijn; het lijkt vaak op een gevleugelde bladsteel. Opvallend is verder dat binnen hetzelfde rozet de vorm van de bladen kan verschillen. Dat zie je ook op bovenstaande foto. Op de rozetbladeren groeien meertakkige aangedrukte haren zoals te zien op onderstaande foto; vooral links boven. In mijn ervaring is de beharing van de rozetbladen ook vrij variabel en daarom soms ook niet bevorderlijk voor een vlotte determinatie. Als de plant uitgroeit verdwijnt vaak het rozet.

Beharing bovenkant rozetblad
Zo zie ik rozetten niet zo vaak

De stengel:

Over de stengel valt niet veel te melden. De stengel kan kaal zijn of wat behaard. De plant kan heel klein zijn maar ook wel tot 60 cm hoog. Hoge planten staan vaak in het gras, de lage tussen de stenen van de stoep.

Het stengelblad;

Ook de bebladering van de stengel is vrij variabel. Sommige planten hebben vrij veel blad, andere, met name de kleinere hebben bijna géén stengelblad. De stengelbladen zijn langwerpig en hebben een pijlvormige voet die de stengel omsluit. Vaak zijn de stengelbladen maar matig behaard maar soms ook sterk behaard. Zie onderstaande foto. De bloeistelen hebben over het algemeen geen bladeren.

Behaard stengelblad .

De vrucht:

De vrucht is het meest duidelijke determinatiekenmerk, hij is driehoekig en gesteeld waarbij hij afstaat van de stengel. Alleen als de vrucht nog niet geheel volgroeid is is determinatie soms lastig maar meestal verschijnt de specifieke vorm al snel.

De vrucht

De bloemen;

De bloemen zijn wat mij betreft weinig kenmerkend. De plant is een kruisbloemige wat betekent dat de plant vier kroonbladen heeft en zes meeldraden. Hier heb ik nog nooit een variatie op gezien maar wie weet? De vier kelkbladen zijn soms kaal, soms behaard.

De bloemen

De naam van de plant wordt bepaald door de vorm van de vruchten, zij zouden lijken op een tas van een herder die vroeger werd gebruikt. Tot nu toe heb ik nooit een plaatje gezien van zo’n herderstas maar hij moet op oude schilderijen te zien zijn. Misschien was zo’n tas ook zeer variabel?

Tenslotte, dit verhaal is een mengeling van gegevens uit de Heukels (2020) en persoonlijke ervaring. Aanvullingen of verbeteringen zijn van harte welkom. Het Herderstasje lacht in zijn vuistje omdat hij zoveel floristen aan het determineerwerk houdt. Een echte deugniet onder de planten.

Een kleintje tussen de stenen
Een grotere plant die groeide tussen het gras

Kamperfoelie, boomrank, honingzuiger

Het geslacht Kamperfoelie kent in Nederland twee inheemse soorten, waarvan de algemene Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum) een klimmende groeivorm heeft. De zeldzamere Rode kamperfoelie (Lonicera xylosteum) heeft een staande, struikvormige groeivorm. De Engelse namen voor dit geslacht zijn woodbine (boomrank) en honeysuckle (honingzuiger). De soort wordt door veel insecten bezocht vanwege de nectar die de bloemen produceren. Er zijn echter nog een stuk of wat soorten meer, die als tuinplant aangeplant worden. Kamperfoeliesoorten maken bessen die gegeten worden door vogels en zo verspreid worden door het land. De verspreiding van de soorten lijkt vrij willekeurig, maar als je de verspreiding op km-hok niveau bekijkt, zie je dat Kamperfoelie voorkeur heeft voor zandgrond.

Wilde kamperfoelie, links op uurhok schaal (5 km2), rechts op km-hok schaal (1 km2).

Wat voor andere soorten zijn er dan? Bijzonder veel, ongeveer 17 in totaal, ze zijn in de meeste gevallen goed herkenbaar, al maakt bloei het wel een stuk gemakkelijker om ze te identificeren. De soorten verschillen in groeivorm, zoals al eerder bij Wilde kamperfoelie en Rode kamperfoelie toegelicht is, maar tevens in grootte, kleur en vorm van de bloemen, in kleur van de bessen en vorm en beharing van het blad. Het is niet altijd gemakkelijk om vast te stellen of er sprake is van verwildering of aanplant, maar in bosranden en in de duinen is verwildering van deze soorten niet zeldzaam. De soorten zijn ook zeker niet zeldzaam in het stedelijk gebied en gezien hun oorsprong beschouw ik de soorten dan ook al stadsplanten, al zul je ze vaker verwilderd in bosranden vinden, dan in steden.

Lonicera tatarica, o.a. herkenbaar aan de struikvormige groeivorm, de zachtbehaarde bladen en de meestal rode bloemen met vierlobbige bovenlip.

Struikvormige soorten zijn onder andere Lonicera nitida en Lonicera pileata, twee kleine soorten met kleine, glimmende bladen die voornamelijk in het stedelijk gebied aangetroffen worden. Er zijn ook een hoop grootbladige, struikvormige kamperfoeliesoorten, waaronder Lonicera x purpusii, herkenbaar aan het ontbreken van bladen tijdens de bloei. Verder zijn er nog de struikvormige Lonicera tatarica, herkenbaar aan de zachtharige stengelbladen en de vierlobbige bovenlip. Ten slotte zijn er nog Lonicera nigra met zwarte bessen en Lonicera maackii, herkenbaar aan de glimmende, lang toegespitste bladen.

Lonicera acuminata, herkenbaar aan de klimmende groeivorm, de blauzwarte bessen en de behaarde stengel.

Klimmende Kamperfoelie soorten kunnen onderaan de bloeiwijze vergroeide stengelbladen hebben, dit zijn Tuinkamperfoelie (Lonicera caprifolium), Lonicera x heckrottii, Lonicera x tellmanniana en Lonicera etrusca. Andere klimmende soorten zijn Japanse kamperfoelie (Lonicera japonica) met zwarte bessen, witte en gele, paarsgewijs staande bloemen. Ook is er nog Lonicera acuminata, herkenbaar aan de blauwzwarte bessen, de glimmende bladen en de behaarde stengel.

Heb je een soort uit het geslacht Lonicera gevonden, dan kan je deze met enkele buitenlandse determinatieboeken als New Flora of the British Isles (Stace, 2019) determineren. Als je dit boek niet hebt, adviseer ik de online determinatiesleutels Manual of the Alien Plants of Belgium (Engelstalig) en Blumen in Schwaben (Duitstalig).