Home » Archieven voor Niels Eimers

Auteur: Niels Eimers

Ik werk bij een ecologisch adviesbureau in Nijmegen en inventariseer natuurgebieden in het hele land. Ik verricht voornamelijk flora- en vegetatiekarteringen. Ik ben verder actief als plantenvalidator op waarneming.nl en ga in de weekenden met grote regelmaat struinen, op zoek naar bijzondere planten! :-)

Fraxinus – Es

Als je over stadsplanten praat, zijn houtige gewassen vaak ondervertegenwoordigd. Dat is natuurlijk niet zo raar, want houtige gewassen hebben vaak zware, grote en kortlevende zaden. De kans dat deze zaden op een geschikte plek terecht komen om te ontkiemen is daarmee kleiner. Zaden die uit exotische landen hier terecht komen, zijn hun kiemkracht al vaak verloren. Daarom worden houtige gewassen minder vaak verwilderd aangetroffen. Een tweede reden dat houtige gewassen minder vaak gemeld worden in de stad, is dat het vaak niet mogelijk is om vast te stellen of er sprake is van verwildering of aanplant. De houtige gewassen zie je vaak alleen in groenstroken en parken, het is dan lastig om te zien of deze hier spontaan terecht zijn gekomen. Een derde reden is dat houtige gewassen in jong stadium erg lastig op naam te brengen zijn, bladvorm is dan vaak afwijkend. En in tegenstelling tot de eenjarige, kruidige soorten, zijn zij vaak niet in staat om een volwassen boom te worden.

Fraxinus pennsylvanica met 7, relatief lang gesteelde deelblaadjes.

Toch is het interessant om deze groep niet te negeren, er valt veel in te ontdekken. Het geslacht Fraxinus (Es) is een goed voorbeeld hiervan, er worden in Nederland momenteel 6 soorten gevonden, maar wie weet hoe veel er nog meer te ontdekken valt. In jong stadium lijken de verschillende soorten sterk op elkaar, ze hebben allemaal geveerd blad met vergelijkbare vorm van de deelblaadjes. Toch zijn er veel verschillen te ontdekken in kleur van de winterknoppen, bladkleur, het aantal deelblaadjes, beharing op de twijgen en nerven, gezaagdheid van de bladrand en de mate van gesteeldheid van de deelblaadjes.

Vegetatieve kenmerken

Zelfs met alle kenmerken op een rij, is het verhaal nog niet compleet. Zo zijn er bijvoorbeeld vormen van Es en Smalbladige es met ongeveerd blad, dit zijn Fraxinus excelsior ‘Diversifolia’ en Fraxinus angustifolia ‘monophylla’ respectievelijk. Ook zijn er diverse andere houtige gewassen met geveerd blad. Azijnboom (Rhus typhina) herken je aan de fluweeelachtige beharing van de jonge twijgen, Hemelboom (Ailanthus altissima) herken je aan de lobben aan de basis van de deelblaadjes, Kaukasische vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia) herken je aan de niet-tegenoverstaande deelblaadjes en dan zijn er nog een zestal soorten uit het geslacht Walnoot (Juglans), met net zo veel variatie als het geslacht Fraxinus.  Deze soorten lijken het meest op de verschillende soorten Es, mar hebben minder diep gezaagd blad. Walnoot (Juglans regia) en Zwarte walnoot (Juglans nigra) worden het meest aangetroffen.

Es (Fraxinus excelsior), herkenbaar aan de zwarte winterknoppen.

In deze tijd van het jaar vallen de exotische Fraxinus soorten op door hun gele bladkleur. Ga op zoek naar ruige, verstoorde plekken, zoals bouwterreinen, kribben, braakliggende percelen en industrieterreinen met weinig groenbeheer. Dan zul je ongetwijfeld succes hebben en zo niet, dan vind je vast heel veel andere leuke soorten.

Roze leeuwen in Nijmegen

Elke keer dat er in Nijmegen werkzaamheden plaatsvinden waarbij de bodem verstoord wordt, komen er diverse zeldzame soorten tevoorschijn. Een groot aantal van deze soorten is karakteristiek voor extensief beheerde natuurakkers. Dit komt mogelijk doordat de kleirijke grond langs de rivieren vroeger veel gebruikt is voor landbouw. Langzaamaan zijn deze akkers verdwenen en vervangen door bebouwing, maar sommige akkerplanten waren niet van plan om zonder slag of stoot uit te sterven. Enkele van deze soorten zijn nog terug te vinden op begraafplaatsen, in moestuinen of in verwaarloosde studententuinen. Enkele andere soorten hebben langlevend zaad, waardoor deze jarenlang onder de grond kunnen blijven en bij de eerste grondverstoring tot kieming komen en nieuwe zaden kunnen produceren.

Akkerleeuwenbek valt op door de grote, roze bloemen.

Een voorbeeld van deze akkerplanten is Akkerleeuwenbek (Misopates orontium). Deze roze leeuwen zijn landelijk gezien behoorlijk zeldzaam, maar trekken in Nijmegen regelmatig hun bek open. Ik heb de soort hier voornamelijk gezien in moestuintjes en op terreinen waar het vorige jaar graafwerkzaamheden plaatsgevonden hebben, maar trof de soort vorige maand naast mijn voordeur. Dit is dan waarschijnlijk wel recente aanvoer geweest, maar dit is toch wel een van mijn leukste voordeursoorten!

Een atlashok (5 km2) van Nijmegen laat zeker zo’n 30 vindplekken zien van Akkerleeuwenbek (bron: waarneming.nl)

 

Akkerleeuwenbek heeft een opvallend lange kroonbuis : het buisvormig vergroeide deel van de bloem.

Rozetkruidkers in Nijmegen

September vorig jaar schreef ik een bericht over de bijzondere plantensoorten die worden aangetroffen op intensief gemaaide en daardoor schrale grasvelden in Nijmegen. Dergelijke grasveldjes zijn in Nijmegen niet zeldzaam, je kan ze aantreffen op de campus, in het industriegebied en nagenoeg elke berm langs fietspaden en autowegen. Een van de soorten die hier van lijkt te profiteren is Rozetkruidkers (Lepidium heterophyllum). Deze soort bloeit vroeg in het jaar en kan haar bloei- en vruchtstadium net voltooien voordat de grasmaaier de boel weer om zeep helpt.

Het rozet van Rozetkruidkers

Rozetkruidkers is een zeer zeldzame soort die haar naam dankt aan de aanwezigheid van een bladrozet tijdens de bloei. Bij de meeste andere soorten uit het geslacht, is het rozet verdroogd en verschrompeld tegen de tijd dat de plant aan de bloei begint. Rozetkruidkers lijkt het meest op de meer algemene Veldkruidkers (Lepidium campestre), o.a. vanwege de stengelomvattende stengelbladen. Veldkruidkers heeft tegen de bloei echter geen rozet meer en heeft een meer erecte bloeiwijze; bij Rozetkruidkers is de bloeiwijze meer opstijgend. Als er dan nog steeds twijfel is, heb je een loepje nodig. Rozetkruidkers heeft gele helmknoppen en een vrij lange snavel, duidelijke buiten de vruchtvleugels uitstekend. Veldkruidkers heeft paarse helmknoppen en een vrij korte snavel , niet of weinig buiten de vruchtvleugels uitstekend.

Een groot exemplaar van Rozetkruidkers met duidelijk opstijgende bloeiwijzes.

Rozetkruidkers staat op dit moment nog in bloei, maar zal nog enige tijd goed herkenbaar in vrucht staan. De soort staat op een 12-tal locaties in het zuidelijk deel van Nijmegen. Begeleidende soorten zijn Veldkruidkers, Klein vogelpootje, Ruw vergeet-mij-nietje en als je geluk hebt, kan je hem zelfs samen met Stijf vergeet-mij-nietje (Myosotis stricta) treffen.

Solanum chenopodioides, daar moeten er meer van zijn!

In Millingen aan de Rijn (Gelderland) liep ik langs een bedrijf dat zeecontainers aan land haalt. Daar vond ik een afwijkende Nachtschade die ik niet herkende. Ik heb wat materiaal verzameld en flink wat foto’s gemaakt. Eenmaal thuis was de soort vrij snel op naam gebracht met wat hulp van een buitenlandse determinatiesleutel. Het bleek om Solanum chenopodioides te gaan. Er bleken geen recente waarnemingen van te zijn, maar in het verleden is de soort al vaker aangetroffen. Ik deelde mijn foto’s op Facebook en al gauw volgden maar liefst vijf nieuwe vindplekken van de soort, verspreid door het land (Duffelt, Nijmegen x2, Rijswijk & Amsterdam). In België is de soort ook al diverse keren gevonden. De soort lijkt sterk op de zeer algemeen voorkomende Solanum nigrum (Zwarte nachtschade) en is daardoor vermoedelijk veel over het hoofd gezien. Door de soort wat meer aandacht te geven, hoop ik dat deze komend jaar op een stuk meer plaatsen ontdekt zal worden.

Solanum chenopodioides met de zwarte vlek aan de basis van de kroonbladen. Alleen zichtbaar aan de binnenzijde van de bloem.

De kenmerken:
Solanum chenopodioides verschilt van Zwarte nachtschade in veel subtiele kenmerken. De bladeren zijn dicht aanliggend behaard, waardoor het blad een doffe kleur krijgt. Bij Zwarte nachtschade is deze beharing veel spaarzamer. Vervolgens zijn bij Solanum chenopodioides de bladeren meestal volledig ongelobd en met een afgeronde bladpunt. De onderste bladen mogen wel licht gelobd zijn. Bij Zwarte nachtschade zijn meestal alle bladen sterk gelobd met spitse bladpunt. Verder zijn bij Solanum chenopodioides de bessen dof, paarszwart en kleiner. Bij Zwarte nachtschade zijn de bessen glimmend, zwart en iets groter. Nog een opvallend verschil is dat bij Solanum chenopodioides de kroonbladen een zwarte vlek aan de basis hebben. Deze ontbreekt bij Zwarte nachtschade. Ten slotte is Solanum chenopodioides een stuk winterharder dan Zwarte nachtschade en blijft daardoor veel langer groen. Mijn tweede vondst van de soort bleek zelfs een verhoute stengel te hebben van 50 cm hoog en 2 cm dik.

Solanum chenopodioides met doffe, paarszwarte bessen.

 

Solanum chenopodioides met dichte, aanliggende beharing, ongelobd blad en afgeronde bladtop.

 

Solanum chenopodioides in een tijd dat Solanum nigrum al lang verdwenen is. De plant is hier meerjarig, te zien aan de verhoute stengel.

Kleverige nachtschade

Begin november deed Nijmeegs florist Gerard Dirkse weer een fantastische vondst! Op een stenen talud langs de Waal in Nijmegen trof hij Kleverige nachtschade (Solanum sarachoides). Zowel qua naam als uiterlijk lijkt deze soort sterk op Beklierde nachtschade (Solanum nigrum subsp. schultesii). Beide soorten zitten onder de klierharen, waar ze hun naam aan danken. Als je met een loep de jonge stengeldelen bekijkt, zie je naast normale haren tevens haren met een bolletje vloeistof aan het uiteinde zitten. Ook op de bladeren zijn deze klierharen aanwezig, maar deze zijn veel korter en kan je gemakkelijker voelen dan zien. Kleverige nachtschade verschilt echter doordat de kelk in de vruchttijd enorm vergroot is.

Sterk vergrote kelkslippen tijdens de vruchttijd

Kleverige nachtschade is in Nederland een zeer zeldzame adventieve soort, wat inhoudt dat de zaden sporadisch vanuit het buitenland Nederland bereiken en hier weten te ontkiemen. In dit geval is de soort vermoedelijk aangevoerd via de Waal vanuit Duitsland. Of de soort ook daadwerkelijk stand weet te houden, is afhankelijk van het biotoop waar de soort terecht is gekomen. Vanwege het dynamische milieu met wisselende en vooral hoge waterstanden is dat hier onwaarschijnlijk, maar wie weet proberen de nieuw geproduceerde zaden het verderop gewoon opnieuw.

Lange gewone haren en daar tussen met veel kortere klierharen

Nu ik de soort voor het eerst gezien heb, realiseer ik mij hoe sterk de soort op een afstand lijkt op Beklierde nachtschade. Hopelijk heb ik de soort in het verleden daardoor niet gemist. De soort is echter gigantisch zeldzaam in Nederland, dus erg waarschijnlijk is dat niet. Toch ga ik vanaf nu kritischer naar Nachtschades kijken. Nachtschade staat bekend om zijn relatief grote aantal adventieven in Nederland, dus het kan sowieso geen kwaad om hier wat zorgvuldiger naar te kijken.

Bloemen van Kleverige nachtschade

 

Kleverige nachtschade op het stenen talud

Voedsel op de kribben

Hoewel rivierkribben niet tot het stedelijk milieu behoren, is het ook zeker geen natuurlijke biotoop. Het zijn kunstmatige, stenen dammen in de rivierbedding die voorkomen dat de stroming erosie van de rivieroevers veroorzaakt. Dat deze kunstmatige biotoop naast wilde soorten ook een hoop niet-wilde plantensoorten herbergt, is natuurlijk te verwachten. Op deze kribben ontwikkelt zich over het algemeen een ruigtevegetatie van Braam en Wilg, maar deze vegetatie wordt met enige regelmaat volledig weggemaaid. Ook de bijna jaarlijkse overstromingen zorgen er voor dat de vegetatie zich om de zoveel tijd weer volledig reset. Elk jaar kan je daarmee andere soorten aantreffen, wat het aflopen van de kribben onwijs leuk maakt!

Tomaat op kribben

Een opvallende groep aan planten die je specifiek op kribben aantreft, en daarbuiten zeer zelden, zijn voedselgewassen. Dat Tomaat hier een permanent onderkomen heeft gevonden, is voor velen geen nieuws. Maar goed, Tomaat tref je elders ook regelmatig verwilderd aan. Maar er zijn nog veel leukere soorten te vinden. Zo kan je Pompoen, Meloen, Watermeloen en Komkommer aantreffen, vreemd genoeg allemaal uit dezelfde familie (Cucurbitaceae). Verder worden af en toe soorten als Druif, Vijg, Peer en Appel aangetroffen. Ook de minder bekende Goudbes, ook bekend als Ananaskers, wordt vrij regelmatig waargenomen. Andere eetbare planten die je op en tussen de kribben aan kan treffen zijn Bieslook, Postelein, Aardpeer, Chia, Boksdoorn (gojibessen), Kool, Hennep (Wiet) en nog vele andere soorten.

Komkommer

Wat de soorten allemaal gemeen hebben is dat zij pas laat in het jaar ontwikkelen; begin augustus tot eind september is de beste tijd om op zoek te gaan. Op Tomaat na, krijgen de meeste soorten het niet voor elkaar om rijpe vruchten te ontwikkelen. Maar met de huidige klimaatveranderingen kan daar nog wel eens verandering in gaan komen! Wees echter voorzichtig met de consumptie, ondanks dat de waterkwaliteit aanzienlijk verbeterd is de afgelopen jaren, is de kans op verontreinigingen en hoge concentraties van zware metalen nog steeds aanwezig. Maar goed, eetbaar of niet, wie wordt er nu niet blij van een miniwatermeloen?

Pompoen

 

Dat is pas schraal

Begin mei verscheen vanuit Rutger Barendse een bericht over hooiland in de stad. Samengevat komt het er op neer dat wanneer grasstroken in de stad niet bemest worden, met enige regelmaat gemaaid worden en het maaisel afgevoerd wordt, dat je dan toch wel behoorlijk bloemrijke graslanden creëert. Wanneer je te weinig maait, domineren grassen en ruigtesoorten en winnen deze de competitie van de bloemrijke soorten. Wanneer je te veel maait, komen de bloemrijke soorten niet tot vruchtzetting en zullen uiteindelijk verdwijnen. Maar het kan nóg extremer en deze maal leidt dat niet tot verder verlies van soorten, maar juist weer voor een toename!

Rondom het terrein van de Radboud Universiteit wordt krankzinnig vaak gemaaid. Jaar in jaar uit komt de grasmaaier voorbij, talloze keren per jaar. Maaisel wordt afgevoerd en elk jaar wordt het gazon schraler en schraler. Op een gegeven moment kom je bij het punt dat de bodem dusdanig verschraald is dat het gras niet snel meer groeit. Dit betekent dat de grasmaaier minder vaak langs hoeft te komen en dat betekent dat bloemrijke soorten weer de kans krijgen om hun zaadzetting te voltooien. Het zijn echter deze keer geen Madeliefjes en Pinksterbloemen die het gazon van leven voorzien, maar schraalland soorten als Hazenpootje, Zilverhaver, Muurpeper, Muizenoor en Klein vogelpootje. Vorige week trof ik een prachtige nieuwkomer op het terrein. Langs het fietspad stonden een 20 tal exemplaren van Grijs havikskruid in bloei. Helaas hebben maar enkele planten hun zaadzetting voltooid, want twee dagen later kwam de grasmaaier weer langs om mijn nieuwe ontdekking te onthoofden. Gelukkig is de plant meerjarig en zal dus niet zonder slag of stoot weer verdwijnen. Andere leuke schraalland soorten op het terrein zijn Lathyruswikke, Torenkruid en Duits viltkruid. Ik heb mij verteld gekregen dat hier enkele jaren geleden ook Gestreepte klaver heeft gestaan, maar die heb ik niet meer terug kunnen vinden. Die zal de strijd met de grasmaaier verloren hebben.

Grijs havikskruid

Deze prachtige graslanden zijn een feest voor het oog en voor de insecten, maar niet voor het visitekaartje van de universiteit. Om de zoveel jaar wordt het gazon te droog, geel en kaal bevonden door degenen die de grasmaaier op pad sturen. Dan wordt er voedselrijke grond opgebracht, nog eens bijgemest en nieuw graszaad gestrooid. En waarom? Zodat de grasmaaier weer vaker op bezoek mag komen!

Duits viltkruid met Zilverhaver
Hazenpootje

Vier maanden file in Nijmegen, worth it!

Op de Graafseweg in Nijmegen is vorig jaar de brug over het spoor onder handen genomen door de gemeente. Van tevoren zag ik hier enorm tegenop. Dit heeft namelijk gezorgd voor zo’n vier maanden file in Nijmegen, maar gelukkig is de nieuwe verkeerssituatie enorm verbeterd. Een leuke bijkomstigheid is dat bij deze werkzaamheden weer eens flink wat grond verzet is. Nijmegen heeft mij bij het verstoren van de bodem nog nooit teleurgesteld en daar was deze keer zeker geen uitzondering op. Na een dag kantoorwerk had ik nog voldoende energie en nog anderhalf uur daglicht om te zoeken naar spannende zaken daar.

Rozetblad Vroeg barbarakruid met 10 paar bladslippen.

Het is nog vroeg in het jaar, maar toch heb ik al drie leuke adventieven kunnen vinden. De leukste van de drie vondsten was Vroeg barbarakruid (Barbarea verna). Deze lijkt het meest op Bitter barbarakruid, maar heeft rozetbladen met maar liefst 10 paar zijlobben en vruchten tot wel 7 cm lang. Het is overigens niet de eerste keer dat deze soort in Nijmegen aangetroffen is, ze duikt hier wel vaker op. Als je echter naar de verspreiding van de soort kijkt, zie je dat ze nog steeds bijzonder zeldzaam is in Nederland.

Oosterse raket met haar typerende lange vruchten.

Een andere soort die ik aantrof, viel ook op vanwege de zeer lange vruchten. Bij nader bestuderen bleek dit Oosterse raket (Sisymbrium orientale) te zijn. In tegenstelling tot de twee exemplaren van Vroeg barbarakruid, was Oosterse raket goed vertegenwoordigd met zo’n 60 exemplaren. Naast de lange vruchten, is Oosterse raket herkenbaar aan de sterk behaarde bladen. Ten slotte kwam ik ook nog zo’n 20 exemplaren tegen van een rozet dat ik in eerste instantie niet herkende, maar een bloeiend exemplaar verderop verraadde waar ik mee te maken had. Het betrof Hongaarse raket (Sisymbrium altissimum), een soort die in Nederland niet zeldzaam is, maar die je ook zeker niet elke dag treft. In tegenstelling tot de grofgebouwde Oosterse raket heeft Hongaarse raket een hele slanke bouw met zeer smalle bladslippen. Zo vroeg in het jaar al dergelijke soorten treffen is een goed teken. Hopelijk gaan hier in het verloop van het jaar nog vele leuke soorten hun kop boven de grond steken!

Hongaarse raket met zeer smalle bladslippen van de stengelbladen en bredere bladslippen van de rozetbladen.

 

Stengelbladen van Oosterse raket met duidelijke beharing.

 

Vroeg barbarakruid met stengelomvattende bladvoet met lange wimpers langs de rand.

 

Oosterse raket met typerende lange en behaarde vruchten.

Verwilderde narcissen, we kunnen ze niet langer negeren

In Nederland komt slechts één inheemse Narcis voor, Wilde narcis (Narcissus pseudonarcissus subsp. pseudonarcissus). Deze is op enkele plekken in Zuid-Limburg, het zuiden van Drenthe en het noordoosten van Overijssel nog te vinden. Deze wilde vorm is behoorlijk lastig te onderscheiden van verwante cultuurvariëteiten. Door het oprukken van dergelijke cultivars en het mengen van wilde en niet-wilde populaties, wordt het steeds lastiger om Wilde narcis met zekerheid vast te stellen. Dit vraagt om bescherming van de wilde populaties, maar hoe interessant en belangrijk dit ook is, dat is niet de boodschap die ik wil overbrengen.

 

Verwilderde tuinplanten zijn in de meeste gevallen beperkt tot het stedelijk gebied en hebben weinig ecologische waarde voor de Nederlandse natuur. Voor Narcissen is dit echter al lang het geval niet meer. Narcissen zijn overal, in het stedelijk gebied  vind je ze op begraafplaatsen, stinsenplaatsen, tuinen en groenstroken. In natuurgebieden zie je de soort echter ook steeds vaker opdagen. Het is bijna knap om in het voorjaar een km-hok te inventariseren zonder een Narcis tegen te komen. Zo is ze aan te treffen langs slootkanten, in bosranden en langs paden in lichte bossen. In de meeste gevallen is de soort hier terecht gekomen door stort van tuinafval. Sommige soorten houden niet van gedumpt worden en gaan dood, andere soorten vinden dit prima en blijven nog jaren rondhangen. Rotsooievaarsbek is hier een perfect voorbeeld van. Narcis vindt het niet alleen prima om gedumpt te worden, maar kan vervolgens gigantische populaties gaan vormen. Inmiddels zijn Narcissen in dusdanige hoeveelheid verwilderd aan te treffen, dat we deze niet langer als een van de zoveel tuinplanten moeten zien, maar als een tuinplant die zeer sterk ingeburgerd is en mogelijk ook een grote ecologische rol kan spelen in de Nederlandse natuur.

 

Maar goed, dan komt het op naam brengen om de hoek kijken. Er zijn wereldwijd tussen de 66 en 85 soorten te vinden. Ga je hier echter het aantal cultivars bij op tellen, dan kom je al gauw op duizenden variëteiten! Gelukkig zijn de Engelsen ons voor en hebben een determinatiesleutel gemaakt van de in Engeland verwilderde cultivars. Schrik niet, in deze sleutel staan bijna 150 verschillende cultivars opgenomen. De determinatiesleutel is echter niet complex, je loopt er vrij gemakkelijk doorheen en komt al gauw uit bij het gewenste resultaat. Bovendien zijn de verwilderde cultivars in Nederland beperkt zijn tot een klein deel van deze 150 opgenomen taxa. Ten slotte zijn deze cultivars ingedeeld in 12 verschillende Divisions, waardoor je in enkele determinatiestappen al honderd mogelijkheden uitgesloten hebt.

 

Het lijkt mij enorm interessant om te kijken welke cultivars we nu het meeste aantreffen in de Nederlandse natuur. Lijkt jou dit ook een leuke uitdaging voor het voorjaar, dan kan dat nog tot ongeveer eind mei. Daarna eindigt de bloei voor de meeste Narcissen. Wil je ook een poging wagen, let dan vooral op kleur, vorm, lengte en breedte van de trompet en van de kroonbladen. Stel deze in het veld vast en verzamel eventueel een bloem, zodat je vervolgens thuis op je gemak uit kan sleutelen waar je mee te maken hebt.

 

Parietaria lusitanica, een nieuwe soort voor Nederland

Vorige week werd mij door Nijmeegs florist Gerard Dirkse verteld dat hij een nieuwe soort ontdekt had in Nijmegen. Met behulp van zijn instructies, heb ik een bezoek gebracht aan de locatie. Ik vreesde dat het plantje verdwenen was, want toen ik van de fiets afstapte, kon ik zo gauw geen plantje ontdekken. Bij beter zoeken, bleek ik er echter al naast te staan. Het formaat van het plantje is dusdanig klein dat ik het een wonder vind dat Gerard Dirkse de plant überhaupt gezien heeft, laat staan het herkend heeft als een andere soort. De soort blijkt Parietaria lusitanica te heten en is niet alleen nieuw voor Nijmegen, maar nieuw voor heel Nederland. Binnen het geslacht Parietaria worden in Nederland ook Groot glaskruid en Klein glaskruid gevonden. Als we de Nederlandse naamgeving aanhouden van Egelskop en Lisdodde zou deze soort Kleinste glaskruid gaan heten. Ik ben echter meer een voorstander van de vertaling van de wetenschappelijke naam, Portugees glaskruid.

 

Parietaria lusitanica lijkt het sterkste op Klein glaskruid, maar is in alle aspecten kleiner. Het eerste dat opvalt is dat de soort eenjarig is in tegenstelling tot de overblijvende soort Klein glaskruid. De plant is een stuk kleiner dan Klein glaskruid en heeft door haar eenjarigheid geen houtige stengelrestanten van het vorige jaar. Verder zijn de blaadjes tot 1.5 cm lang, waar de blaadjes bij Klein glaskruid tot 5 cm lang zijn. De bloemen zijn kleiner dan de schutbladen, bij Klein glaskruid steken de bloemen buiten de schutbladen. De bloeiwijze is ook een stuk armbloemiger (3-7 bloemig), bij Klein glaskruid is de bloeiwijze 5-25 bloemig. Ook de takken doen mee aan het “kleiner dan” verhaal, de takken zijn maximaal 1,5 mm dik. Bij Klein glaskruid zijn deze minstens 1,5 mm dik, maar kunnen gemakkelijk de 5 mm dikte bereiken. Een ander opvallend verschil is de beharing op de de takken, bij Parietaria lusitanica is deze met het blote oog nauwelijks zichtbaar, je hebt een loep of een goede macrolens nodig om deze goed te kunnen zijn. Ze zijn licht van kleur, erg kort (0,1 mm) en staan niet dicht op elkaar. Naast de grootte, breedte en lengtekenmerken, is de soort ook herkenbaar door de vorm van de blaadjes, het blad heeft een stompe bladtop. Bij Klein glaskruid is de bladtop spits tot toegespitst. Ten slotte zijn de zaden olijfgroen bij Parietaria lusitanica en zwart bij Klein glaskruid.

Verspreiding:
Het is mogelijk dat de soort al langer in Nederland voorkomt. Ze is immers gemakkelijk aan te zien voor Klein glaskruid. De soort is te verwachten op ruderale, stenige terreinen waar veel aanvoer is van goederen vanuit het buitenland. Ik verwacht de soort bijvoorbeeld langs en op oude muren op haventerreinen in de grotere steden. Volgens Gerard Dirkse behoren de Nijmeegse exemplaren tot de ondersoort subsp. lusitanica die in Spanje, Portugal,Italië,Griekenland en het Zuiden van Frankrijk voorkomt.

in Bulgarije blijkt de ondersoort  subsp. serbica voor te komen.

De ondersoort subsp. lusitanica heeft blad tot 2 cm en een bladsteel korter dan het blad. De ondersoort subsp. serbica heeft blad van 2-4 cm en een bladsteel langer dan het blad.