Home » Archieven voor Niels Eimers

Auteur: Niels Eimers

Ik werk bij een ecologisch adviesbureau in Nijmegen en inventariseer natuurgebieden in het hele land. Ik verricht voornamelijk flora- en vegetatiekarteringen. Ik ben verder actief als plantenvalidator op waarneming.nl en ga in de weekenden met grote regelmaat struinen, op zoek naar bijzondere planten! :-)

Vingergrassen, meer dan je op één hand kan tellen

Voor wie denkt dat Vingergrassen bekend en saai zijn, lees vooral verder! Vingergrassen zijn rond deze tijd een van de meest algemene soorten in de stad. In het stedelijk gebied is Harig vingergras (Digitaria sanguinalis) veel algemener dan Glad vingergras (Digitaria ischaemum) en in mijn omgeving is Glad vingergras zelfs zeldzaam te noemen. Ik heb ook gemerkt dat dit in andere biotopen en andere gebieden andersom kan zijn. Ondanks dat beide soorten niet oorspronkelijk inheems zijn, zijn ze al vóór 1500 in Nederland terecht gekomen. In het verleden zijn echter veel meer soorten gevonden, maar deze worden tegenwoordig niet meer gevonden, hoe kan dat?

De belangrijkste kenmerken om Vingergrassen te determineren, zitten in de aartjes (de bloemen). Om te determineren dien je te kijken naar de lengte van het aartje en naar de nervatuur en de lengteverhouding van de kelkkafjes en het lemma. Dit is behoorlijk lastig omdat de aartjes erg klein zijn (2 tot 3,5 mm). Voor een uitgebreide determinatiesleutel verwijs ik naar deze website: Manual of the Alien Plants of Belgium. Onderstaande illustratie laat zien hoe Harig vingergras en Glad vingergras verschillen in lengte van de aartjes en lengteverhouding van kelkkafjes en lemma.

De aartjes van Harig en Glad vingergras

Wat is nu de valkuil? Om Harig vingergras en Glad vingergras te onderscheiden, hoef je niet naar de minuscule aartjes te gaan kijken, je kan ook gewoon kijken naar de beharing van de bladschijf en bladschede. Harig vingergras is namelijk veel sterker behaard dan Glad vingergras. Dit kenmerk is aardig betrouwbaar, maar ook vrij variabel. Bovendien kan de beharing afwezig lijken wanneer je met verkeerde lichtomstandigheden en de verkeerde hoek naar de plant kijkt. Maar wat nog veel belangrijker is, is dat je op deze manier nooit de andere soorten zal ontdekken. Blijf daarom altijd kijken naar de aartjes!

Digitaria sanguinalis subsp. pectiniformis (foto: Tim van de Vondervoort, Den Haag).

Recent werd een bijzondere ontdekking in Amersfoort gedaan door Margreet Heslinga. Margreet had de plant correct herkend als Harig vingergras. Met een snelle duik in een determinatiesleutel,  bleek het om een zeldzame ondersoort van Harig vingergras te gaan (Digitaria sanguinalis subsp. pectiniformis). Typerend voor deze ondersoort is de aanwezigheid van lange borstelharen op de onderste kelkkafjes. Ik liet de vondst aan een aantal vrienden zien en  een week later dook een tweede vondst op, deze maal door Tim van de Vondervoort in Den Haag. Ik denk dat er nog veel te ontdekken valt. De planten zijn nu nog volop te vinden, zoeken jullie mee? Kijk ook buiten het stedelijk gebieden in biotopen als maïsakkers en ruderale, verstoorde terreintjes en wie weet kunnen we deze bijzondere soorten herontdekken of zelfs nieuwe soorten ontdekken.

Olympisch hertshooi

Het geslacht Hypericum (Hertshooi) kent in Nederland maar liefst 10 wilde soorten. Sint-Janskruid (Hypericum perforatum) is hiervan de meest bekende en meest algemene soort, zeker wanneer je over stadsflora praat. Er zijn echter diverse uitheemse soorten die als tuinplant toegepast worden en sporadisch tot frequent weten te verwilderen. Van de uitheemse soorten is Mansbloed (Hypericum androsaemum) de meest bekende soort, al betreffen de meeste waarnemingen kruising Hypericum x inodorum. Al met al zijn er zo’n 18 soorten uit het geslacht te ontdekken in Nederland. Een van deze nieuwkomers zou zich zomaar kunnen gaan ontwikkelen tot typische stadsplant.

De bloemen van Hypericum olympicum hebben een diameter van 5-6 cm.

Gisterochtend moest ik naar de kaakchirurg om twee verstandskiezen te laten verwijderen. Gelukkig viel het verwijderen erg mee, maar het was nog steeds bepaald geen pretje. Als beloning voor mijn dapperheid werd ik op de terugweg getrakteerd op een voor mij nieuwe stadsplant: Olympisch hertshooi (Hypericum olympicum). Deze soort is ondanks haar geringe grootte erg opvallend vanwege de gigantische bloemen (5-6 cm in diameter) en de blauwgroene stengelbladen. De soort lijkt sterk op Hypericum polyphyllum, mogelijk betreft zelfs een deel van de vondsten zelfs deze soort. Maar dat is een klusje voor de winter, eerst maar weer lekker op pad gaan!

De stengelbladen van Hypericum olympicum zijn opvallend blauwgroen van kleur. De stengelbladen kunnen relatief smal zijn zoals hier, maar ook een stuk breder zijn. Net als bij Sint-Janskruid zit het blad vol met kleine gaatjes.

De soort is inheems in Zuid-Oost Europa, o.a. Servië, Griekenland, Bulgarije en Turkije, en staat hier op zandige tot stenige biotopen. De plant kan verder goed tegen droogte en groeit prima op voedselarme bodems. De soort is inmiddels 14 keer verwilderd aangetroffen, waarvan 13 vondsten in het stedelijk gebied. Met klimaatverandering verwacht ik dat de soort vaker gaat opduiken en mogelijk zelfs plaatselijk zal gaan inburgeren.

De kelkbladen van Hypericum olympicum zijn breed en spits.

Kamperfoelie, boomrank, honingzuiger

Het geslacht Kamperfoelie kent in Nederland twee inheemse soorten, waarvan de algemene Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum) een klimmende groeivorm heeft. De zeldzamere Rode kamperfoelie (Lonicera xylosteum) heeft een staande, struikvormige groeivorm. De Engelse namen voor dit geslacht zijn woodbine (boomrank) en honeysuckle (honingzuiger). De soort wordt door veel insecten bezocht vanwege de nectar die de bloemen produceren. Er zijn echter nog een stuk of wat soorten meer, die als tuinplant aangeplant worden. Kamperfoeliesoorten maken bessen die gegeten worden door vogels en zo verspreid worden door het land. De verspreiding van de soorten lijkt vrij willekeurig, maar als je de verspreiding op km-hok niveau bekijkt, zie je dat Kamperfoelie voorkeur heeft voor zandgrond.

Wilde kamperfoelie, links op uurhok schaal (5 km2), rechts op km-hok schaal (1 km2).

Wat voor andere soorten zijn er dan? Bijzonder veel, ongeveer 17 in totaal, ze zijn in de meeste gevallen goed herkenbaar, al maakt bloei het wel een stuk gemakkelijker om ze te identificeren. De soorten verschillen in groeivorm, zoals al eerder bij Wilde kamperfoelie en Rode kamperfoelie toegelicht is, maar tevens in grootte, kleur en vorm van de bloemen, in kleur van de bessen en vorm en beharing van het blad. Het is niet altijd gemakkelijk om vast te stellen of er sprake is van verwildering of aanplant, maar in bosranden en in de duinen is verwildering van deze soorten niet zeldzaam. De soorten zijn ook zeker niet zeldzaam in het stedelijk gebied en gezien hun oorsprong beschouw ik de soorten dan ook al stadsplanten, al zul je ze vaker verwilderd in bosranden vinden, dan in steden.

Lonicera tatarica, o.a. herkenbaar aan de struikvormige groeivorm, de zachtbehaarde bladen en de meestal rode bloemen met vierlobbige bovenlip.

Struikvormige soorten zijn onder andere Lonicera nitida en Lonicera pileata, twee kleine soorten met kleine, glimmende bladen die voornamelijk in het stedelijk gebied aangetroffen worden. Er zijn ook een hoop grootbladige, struikvormige kamperfoeliesoorten, waaronder Lonicera x purpusii, herkenbaar aan het ontbreken van bladen tijdens de bloei. Verder zijn er nog de struikvormige Lonicera tatarica, herkenbaar aan de zachtharige stengelbladen en de vierlobbige bovenlip. Ten slotte zijn er nog Lonicera nigra met zwarte bessen en Lonicera maackii, herkenbaar aan de glimmende, lang toegespitste bladen.

Lonicera acuminata, herkenbaar aan de klimmende groeivorm, de blauzwarte bessen en de behaarde stengel.

Klimmende Kamperfoelie soorten kunnen onderaan de bloeiwijze vergroeide stengelbladen hebben, dit zijn Tuinkamperfoelie (Lonicera caprifolium), Lonicera x heckrottii, Lonicera x tellmanniana en Lonicera etrusca. Andere klimmende soorten zijn Japanse kamperfoelie (Lonicera japonica) met zwarte bessen, witte en gele, paarsgewijs staande bloemen. Ook is er nog Lonicera acuminata, herkenbaar aan de blauwzwarte bessen, de glimmende bladen en de behaarde stengel.

Heb je een soort uit het geslacht Lonicera gevonden, dan kan je deze met enkele buitenlandse determinatieboeken als New Flora of the British Isles (Stace, 2019) determineren. Als je dit boek niet hebt, adviseer ik de online determinatiesleutels Manual of the Alien Plants of Belgium (Engelstalig) en Blumen in Schwaben (Duitstalig).

Sla, niet alle soorten zijn geschikt voor salade

In Nederlandse zijn diverse soorten Sla te vinden. In onze salade zitten meestal alleen maar variëteiten van Sla (Lactuca sativa). Er zijn echter diverse andere Slasoorten uit hetzelfde geslacht en ook nog diverse soorten uit andere geslachten. De soorten uit de andere geslachten worden vanwege hun gelijkenis ook Sla genoemd, maar zijn dit zeker niet. Denk hier bijvoorbeeld aan Muursla (Mycelis muralis), Veldsla (Valerianella lucusta), Korensla (Arnoseris minima), Watersla (Pistia stratiotes) en Grote bergsla (Cicerbita macrophylla). Op Veldsla na, een soort die ook wel gecultiveerd wordt, zijn deze soorten niet eetbaar.

Er zijn ook vijf “echte” Slasoorten, soorten uit het geslacht Lactuca. Vroeger kwam Wilgsla (Lactuca saligna) voor in het kustgebied en langs de Maas in Zuid-Limburg. Deze soort is voor het laatst in 1982 gevonden. Deze soort dankt haar naam aan de smalle, gaafrandige stengelbladen. Zeer sporadisch  wordt de adventieve soort Strandsla (Lactuca tatarica) aangetroffen, de enige soort uit het geslacht met blauwpaarse bloemen. Deze soort dankt haar naam aan de vindplek (Rottumeroog) waar de soort een tijd lang ingeburgerd is geweest. De soort is hier inmiddels weer verdwenen, maar is nog een vijftal keer aangetroffen in het binnenland. Verder komt de zeer algemene Kompassla (Lactuca serriola) in het gehele land voor, al was deze voor 1960 nog zeer zeldzaam. Kenmerkend aan deze soort is dat de stengelbladen een kwartslag draaien, waardoor de plant de vorm krijgt van een “richtingbord”. Op elk blad zou je de naam van een dorp/stad kunnen schrijven waar het blad naar toe wijst. Mogelijk dankt de soort hier haar naam aan, ik weet het niet, ik kon het niet vinden. Er worden twee vormen onderscheiden, een vorm met veerdelig ingesneden blad (forma. serriola) en een vorm met normaal blad (forma. integrifolia). Kompassla kan relatief gemakkelijk met Sla kruisen en vormt dan een fertiele (vruchtzettende) hybride.

Een prachtig rozet van Gifsla, hier met een diameter van ongeveer 60 cm.

Dan kom ik uiteindelijk aan bij de laatste soort, Gifla (Lactuca virosa), een zeldzame, maar toenemende soort. Deze soort duikt op diverse plekken in het land op, maar is inmiddels ingeburgerd op bepaalde plekken in de duinen, voornamelijk Meijendel en Texel,  en in oude steden. Zo is de soort inmiddels te vinden in Nijmegen, Wageningen, Groningen, Den Haag, Maastricht, Leiden en Breda. Gifsla is een soort die tijdens bloei sterk op Kompassla lijkt en in rozetvorm vaak niet herkend wordt. De soort is daarom mogelijk op meer plekken nog te ontdekken. De plant maakt gigantische rozetten die de gehele winter aanwezig blijven. Twee weken geleden ,tijdens een Eindejaars Plantenjacht, ontdekte ik een nieuwe vindplek in Nijmegen, waarbij ik maar liefst 45 rozetten telde. Het grootste rozet had een diameter van zo’n 80 cm. Behalve de grootte van de rozetten, verschilt Gifsla van Kompassla door de niet-gedraaide stengelbladen, de kleinere stekels op de middennerf van de bladonderzijde en door de andere vorm en kleur van de nootjes (de vruchten/zaadjes). De nootjes zijn groter (4-5 x 1,5-2 mm) dan bij Kompassla (3 x 1 mm), donker paarszwart (niet lichtbruin), breed gerand (niet smal gerand) en volledig kaal (niet kort behaard aan de top). Met een beetje ervaring zijn de twee soorten echter met relatief gemak te onderscheiden. In het jaar 2000 is de soort gemeld in 32 km-hokken, inmiddels is de soort gemeld in 166 km-hokken. Ik ben benieuwd of de soort nog sterker toe gaat nemen de komende jaren. Doe de soort echter niet in je salade, want het melksap heeft een vergelijkbare werking als opium en is in hoge dosis giftig.

De donkere, paarszwarte, breedgerande nootjes van Gifsla.
De onderzijde van de middennerf bevat kleine stekelhaartjes.

Fraxinus – Es

Als je over stadsplanten praat, zijn houtige gewassen vaak ondervertegenwoordigd. Dat is natuurlijk niet zo raar, want houtige gewassen hebben vaak zware, grote en kortlevende zaden. De kans dat deze zaden op een geschikte plek terecht komen om te ontkiemen is daarmee kleiner. Zaden die uit exotische landen hier terecht komen, zijn hun kiemkracht al vaak verloren. Daarom worden houtige gewassen minder vaak verwilderd aangetroffen. Een tweede reden dat houtige gewassen minder vaak gemeld worden in de stad, is dat het vaak niet mogelijk is om vast te stellen of er sprake is van verwildering of aanplant. De houtige gewassen zie je vaak alleen in groenstroken en parken, het is dan lastig om te zien of deze hier spontaan terecht zijn gekomen. Een derde reden is dat houtige gewassen in jong stadium erg lastig op naam te brengen zijn, bladvorm is dan vaak afwijkend. En in tegenstelling tot de eenjarige, kruidige soorten, zijn zij vaak niet in staat om een volwassen boom te worden.

Fraxinus pennsylvanica met 7, relatief lang gesteelde deelblaadjes.

Toch is het interessant om deze groep niet te negeren, er valt veel in te ontdekken. Het geslacht Fraxinus (Es) is een goed voorbeeld hiervan, er worden in Nederland momenteel 6 soorten gevonden, maar wie weet hoe veel er nog meer te ontdekken valt. In jong stadium lijken de verschillende soorten sterk op elkaar, ze hebben allemaal geveerd blad met vergelijkbare vorm van de deelblaadjes. Toch zijn er veel verschillen te ontdekken in kleur van de winterknoppen, bladkleur, het aantal deelblaadjes, beharing op de twijgen en nerven, gezaagdheid van de bladrand en de mate van gesteeldheid van de deelblaadjes.

Vegetatieve kenmerken

Zelfs met alle kenmerken op een rij, is het verhaal nog niet compleet. Zo zijn er bijvoorbeeld vormen van Es en Smalbladige es met ongeveerd blad, dit zijn Fraxinus excelsior ‘Diversifolia’ en Fraxinus angustifolia ‘monophylla’ respectievelijk. Ook zijn er diverse andere houtige gewassen met geveerd blad. Azijnboom (Rhus typhina) herken je aan de fluweeelachtige beharing van de jonge twijgen, Hemelboom (Ailanthus altissima) herken je aan de lobben aan de basis van de deelblaadjes, Kaukasische vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia) herken je aan de niet-tegenoverstaande deelblaadjes en dan zijn er nog een zestal soorten uit het geslacht Walnoot (Juglans), met net zo veel variatie als het geslacht Fraxinus.  Deze soorten lijken het meest op de verschillende soorten Es, mar hebben minder diep gezaagd blad. Walnoot (Juglans regia) en Zwarte walnoot (Juglans nigra) worden het meest aangetroffen.

Es (Fraxinus excelsior), herkenbaar aan de zwarte winterknoppen.

In deze tijd van het jaar vallen de exotische Fraxinus soorten op door hun gele bladkleur. Ga op zoek naar ruige, verstoorde plekken, zoals bouwterreinen, kribben, braakliggende percelen en industrieterreinen met weinig groenbeheer. Dan zul je ongetwijfeld succes hebben en zo niet, dan vind je vast heel veel andere leuke soorten.

Roze leeuwen in Nijmegen

Elke keer dat er in Nijmegen werkzaamheden plaatsvinden waarbij de bodem verstoord wordt, komen er diverse zeldzame soorten tevoorschijn. Een groot aantal van deze soorten is karakteristiek voor extensief beheerde natuurakkers. Dit komt mogelijk doordat de kleirijke grond langs de rivieren vroeger veel gebruikt is voor landbouw. Langzaamaan zijn deze akkers verdwenen en vervangen door bebouwing, maar sommige akkerplanten waren niet van plan om zonder slag of stoot uit te sterven. Enkele van deze soorten zijn nog terug te vinden op begraafplaatsen, in moestuinen of in verwaarloosde studententuinen. Enkele andere soorten hebben langlevend zaad, waardoor deze jarenlang onder de grond kunnen blijven en bij de eerste grondverstoring tot kieming komen en nieuwe zaden kunnen produceren.

Akkerleeuwenbek valt op door de grote, roze bloemen.

Een voorbeeld van deze akkerplanten is Akkerleeuwenbek (Misopates orontium). Deze roze leeuwen zijn landelijk gezien behoorlijk zeldzaam, maar trekken in Nijmegen regelmatig hun bek open. Ik heb de soort hier voornamelijk gezien in moestuintjes en op terreinen waar het vorige jaar graafwerkzaamheden plaatsgevonden hebben, maar trof de soort vorige maand naast mijn voordeur. Dit is dan waarschijnlijk wel recente aanvoer geweest, maar dit is toch wel een van mijn leukste voordeursoorten!

Een atlashok (5 km2) van Nijmegen laat zeker zo’n 30 vindplekken zien van Akkerleeuwenbek (bron: waarneming.nl)

 

Akkerleeuwenbek heeft een opvallend lange kroonbuis : het buisvormig vergroeide deel van de bloem.

Rozetkruidkers in Nijmegen

September vorig jaar schreef ik een bericht over de bijzondere plantensoorten die worden aangetroffen op intensief gemaaide en daardoor schrale grasvelden in Nijmegen. Dergelijke grasveldjes zijn in Nijmegen niet zeldzaam, je kan ze aantreffen op de campus, in het industriegebied en nagenoeg elke berm langs fietspaden en autowegen. Een van de soorten die hier van lijkt te profiteren is Rozetkruidkers (Lepidium heterophyllum). Deze soort bloeit vroeg in het jaar en kan haar bloei- en vruchtstadium net voltooien voordat de grasmaaier de boel weer om zeep helpt.

Het rozet van Rozetkruidkers

Rozetkruidkers is een zeer zeldzame soort die haar naam dankt aan de aanwezigheid van een bladrozet tijdens de bloei. Bij de meeste andere soorten uit het geslacht, is het rozet verdroogd en verschrompeld tegen de tijd dat de plant aan de bloei begint. Rozetkruidkers lijkt het meest op de meer algemene Veldkruidkers (Lepidium campestre), o.a. vanwege de stengelomvattende stengelbladen. Veldkruidkers heeft tegen de bloei echter geen rozet meer en heeft een meer erecte bloeiwijze; bij Rozetkruidkers is de bloeiwijze meer opstijgend. Als er dan nog steeds twijfel is, heb je een loepje nodig. Rozetkruidkers heeft gele helmknoppen en een vrij lange snavel, duidelijke buiten de vruchtvleugels uitstekend. Veldkruidkers heeft paarse helmknoppen en een vrij korte snavel , niet of weinig buiten de vruchtvleugels uitstekend.

Een groot exemplaar van Rozetkruidkers met duidelijk opstijgende bloeiwijzes.

Rozetkruidkers staat op dit moment nog in bloei, maar zal nog enige tijd goed herkenbaar in vrucht staan. De soort staat op een 12-tal locaties in het zuidelijk deel van Nijmegen. Begeleidende soorten zijn Veldkruidkers, Klein vogelpootje, Ruw vergeet-mij-nietje en als je geluk hebt, kan je hem zelfs samen met Stijf vergeet-mij-nietje (Myosotis stricta) treffen.

Solanum chenopodioides, daar moeten er meer van zijn!

In Millingen aan de Rijn (Gelderland) liep ik langs een bedrijf dat zeecontainers aan land haalt. Daar vond ik een afwijkende Nachtschade die ik niet herkende. Ik heb wat materiaal verzameld en flink wat foto’s gemaakt. Eenmaal thuis was de soort vrij snel op naam gebracht met wat hulp van een buitenlandse determinatiesleutel. Het bleek om Solanum chenopodioides te gaan. Er bleken geen recente waarnemingen van te zijn, maar in het verleden is de soort al vaker aangetroffen. Ik deelde mijn foto’s op Facebook en al gauw volgden maar liefst vijf nieuwe vindplekken van de soort, verspreid door het land (Duffelt, Nijmegen x2, Rijswijk & Amsterdam). In België is de soort ook al diverse keren gevonden. De soort lijkt sterk op de zeer algemeen voorkomende Solanum nigrum (Zwarte nachtschade) en is daardoor vermoedelijk veel over het hoofd gezien. Door de soort wat meer aandacht te geven, hoop ik dat deze komend jaar op een stuk meer plaatsen ontdekt zal worden.

Solanum chenopodioides met de zwarte vlek aan de basis van de kroonbladen. Alleen zichtbaar aan de binnenzijde van de bloem.

De kenmerken:
Solanum chenopodioides verschilt van Zwarte nachtschade in veel subtiele kenmerken. De bladeren zijn dicht aanliggend behaard, waardoor het blad een doffe kleur krijgt. Bij Zwarte nachtschade is deze beharing veel spaarzamer. Vervolgens zijn bij Solanum chenopodioides de bladeren meestal volledig ongelobd en met een afgeronde bladpunt. De onderste bladen mogen wel licht gelobd zijn. Bij Zwarte nachtschade zijn meestal alle bladen sterk gelobd met spitse bladpunt. Verder zijn bij Solanum chenopodioides de bessen dof, paarszwart en kleiner. Bij Zwarte nachtschade zijn de bessen glimmend, zwart en iets groter. Nog een opvallend verschil is dat bij Solanum chenopodioides de kroonbladen een zwarte vlek aan de basis hebben. Deze ontbreekt bij Zwarte nachtschade. Ten slotte is Solanum chenopodioides een stuk winterharder dan Zwarte nachtschade en blijft daardoor veel langer groen. Mijn tweede vondst van de soort bleek zelfs een verhoute stengel te hebben van 50 cm hoog en 2 cm dik.

Solanum chenopodioides met doffe, paarszwarte bessen.

 

Solanum chenopodioides met dichte, aanliggende beharing, ongelobd blad en afgeronde bladtop.

 

Solanum chenopodioides in een tijd dat Solanum nigrum al lang verdwenen is. De plant is hier meerjarig, te zien aan de verhoute stengel.

Kleverige nachtschade

Begin november deed Nijmeegs florist Gerard Dirkse weer een fantastische vondst! Op een stenen talud langs de Waal in Nijmegen trof hij Kleverige nachtschade (Solanum sarachoides). Zowel qua naam als uiterlijk lijkt deze soort sterk op Beklierde nachtschade (Solanum nigrum subsp. schultesii). Beide soorten zitten onder de klierharen, waar ze hun naam aan danken. Als je met een loep de jonge stengeldelen bekijkt, zie je naast normale haren tevens haren met een bolletje vloeistof aan het uiteinde zitten. Ook op de bladeren zijn deze klierharen aanwezig, maar deze zijn veel korter en kan je gemakkelijker voelen dan zien. Kleverige nachtschade verschilt echter doordat de kelk in de vruchttijd enorm vergroot is.

Sterk vergrote kelkslippen tijdens de vruchttijd

Kleverige nachtschade is in Nederland een zeer zeldzame adventieve soort, wat inhoudt dat de zaden sporadisch vanuit het buitenland Nederland bereiken en hier weten te ontkiemen. In dit geval is de soort vermoedelijk aangevoerd via de Waal vanuit Duitsland. Of de soort ook daadwerkelijk stand weet te houden, is afhankelijk van het biotoop waar de soort terecht is gekomen. Vanwege het dynamische milieu met wisselende en vooral hoge waterstanden is dat hier onwaarschijnlijk, maar wie weet proberen de nieuw geproduceerde zaden het verderop gewoon opnieuw.

Lange gewone haren en daar tussen met veel kortere klierharen

Nu ik de soort voor het eerst gezien heb, realiseer ik mij hoe sterk de soort op een afstand lijkt op Beklierde nachtschade. Hopelijk heb ik de soort in het verleden daardoor niet gemist. De soort is echter gigantisch zeldzaam in Nederland, dus erg waarschijnlijk is dat niet. Toch ga ik vanaf nu kritischer naar Nachtschades kijken. Nachtschade staat bekend om zijn relatief grote aantal adventieven in Nederland, dus het kan sowieso geen kwaad om hier wat zorgvuldiger naar te kijken.

Bloemen van Kleverige nachtschade

 

Kleverige nachtschade op het stenen talud

Voedsel op de kribben

Hoewel rivierkribben niet tot het stedelijk milieu behoren, is het ook zeker geen natuurlijke biotoop. Het zijn kunstmatige, stenen dammen in de rivierbedding die voorkomen dat de stroming erosie van de rivieroevers veroorzaakt. Dat deze kunstmatige biotoop naast wilde soorten ook een hoop niet-wilde plantensoorten herbergt, is natuurlijk te verwachten. Op deze kribben ontwikkelt zich over het algemeen een ruigtevegetatie van Braam en Wilg, maar deze vegetatie wordt met enige regelmaat volledig weggemaaid. Ook de bijna jaarlijkse overstromingen zorgen er voor dat de vegetatie zich om de zoveel tijd weer volledig reset. Elk jaar kan je daarmee andere soorten aantreffen, wat het aflopen van de kribben onwijs leuk maakt!

Tomaat op kribben

Een opvallende groep aan planten die je specifiek op kribben aantreft, en daarbuiten zeer zelden, zijn voedselgewassen. Dat Tomaat hier een permanent onderkomen heeft gevonden, is voor velen geen nieuws. Maar goed, Tomaat tref je elders ook regelmatig verwilderd aan. Maar er zijn nog veel leukere soorten te vinden. Zo kan je Pompoen, Meloen, Watermeloen en Komkommer aantreffen, vreemd genoeg allemaal uit dezelfde familie (Cucurbitaceae). Verder worden af en toe soorten als Druif, Vijg, Peer en Appel aangetroffen. Ook de minder bekende Goudbes, ook bekend als Ananaskers, wordt vrij regelmatig waargenomen. Andere eetbare planten die je op en tussen de kribben aan kan treffen zijn Bieslook, Postelein, Aardpeer, Chia, Boksdoorn (gojibessen), Kool, Hennep (Wiet) en nog vele andere soorten.

Komkommer

Wat de soorten allemaal gemeen hebben is dat zij pas laat in het jaar ontwikkelen; begin augustus tot eind september is de beste tijd om op zoek te gaan. Op Tomaat na, krijgen de meeste soorten het niet voor elkaar om rijpe vruchten te ontwikkelen. Maar met de huidige klimaatveranderingen kan daar nog wel eens verandering in gaan komen! Wees echter voorzichtig met de consumptie, ondanks dat de waterkwaliteit aanzienlijk verbeterd is de afgelopen jaren, is de kans op verontreinigingen en hoge concentraties van zware metalen nog steeds aanwezig. Maar goed, eetbaar of niet, wie wordt er nu niet blij van een miniwatermeloen?

Pompoen