Home » Archieven voor oktober 2020

Maand: oktober 2020

Grote nagel

In de nazomer van 2013 trof ik in Tilburg langs de muur van een schuurtje een nagelkruid aan met wat grotere bloemen dan normaal. Het bleek om groot nagelkruid (Geum macrophyllum) te gaan De foto ervan kwam in mijn map ‘Stadsplanten Divers’ terecht en bleef daar verder onopgemerkt. Totdat de plant onlangs op drie verschillende plaatsen in Breda opdook. Twee keer in de stad en één keer in het tegen de stad gelegen Natura 2000-gebied ‘Het Ulvenhoutse Bos’. Dat bos is vooral bij floristen bekend vanwege het voorkomen van de witte rapunzel en het knikkend nagelkruid. Vlakbij de vindplaats van het knikkend nagelkruid (Geum rivale) groeit ook geel nagelkruid (Geum urbanum) en de kruising tussen G.rivale en G.urbanum. Het wachten is nu op nog andere kruisingen. Het wordt daar een ware nagelkruid-orgie.

Maar het moet over stadsplanten gaan. Het lijkt erop dat groot nagelkruid ons land gaat veroveren. Vooral uit het Noordoosten worden veel waarnemingen gemeld. Uit de eerste waarnemingen blijkt deze plant niet vies te zijn van de stedelijke omgeving.

Groot nagelkruid is een overblijvende plant van enigszins beschaduwde, vochthoudende, voedselrijke grond. De plant is afkomstig uit Noord-Amerika en Oost-Siberië. In Nederland is hij voor het eerst waargenomen in 1992. Hij is vaak te vinden langs bospaadjes, in de eerste paar honderd meter vanaf een parkeerplaats het bos in. Wellicht worden de zaden door uitgelaten honden verspreid.

Groot nagelkruid heeft veel weg van geel nagelkruid. Een duidelijk verschil is te zien tijdens de bloei: de kelkbladen zijn bij groot nagelkruid dan al teruggeslagen. Zie foto.

Kelkbladen teruggeslagen

Daarnaast onderscheidt deze soort zich van geel nagelkruid door de aanwezigheid van klieren op de stijl en door een veel groter aantal vruchten in de vruchthoofdjes.

Vruchthoofdje van groot nagelkruid

In de digitale literatuur kom je twee verschillende verklaringen tegen voor de naam ‘nagelkruid’. De eerste is dat de vruchten gehaakte snavels, zie foto, hebben en dat doet aan nagels denken. Met die haakjes blijven de vruchten  aan kleding en vachten hangen. De tweede verklaring is dat de wortels  naar kruidnagel smaken. De wetenschappelijke geslachtsnaam ‘Geum’ komt uit het Grieks voor ‘proeven’’.

Blad van groot nagelkruid

Flora van hoog niveau: dakvlieders

Topattracties

Groene daken zijn in de mode en een must. Beplante daken zijn hard nodig in tijden van klimaatsverandering. Ze reguleren neerslag, droogte, hitte en binden fijnstof. Het plantendek houdt regenwater vast, buffert dit, verkoelt. Bij heftige regens zorgt dat voor minder wateroverlast. Mooi is dat zonnepanelen op ‘frisse’ groendaken beter presteren: met minder hitte is er meer rendement. De vegetatielaag is ook ideaal voor het binnenklimaat van gebouwen: warmte-isolerend in de winter, verkoelend in de zomer. Met vegetatiedaken ontwikkelt zich een nieuwe, stedelijk leeflaag met een specifieke plantengroei op hoog niveau en een nieuw floristisch fenomeen: ‘dakvlieders’.

Zonnige vetkruiden

Groendaken hebben de toekomst en daarmee zonnige sedums; de vetkruiden. Een heel regiment – circa 20 soorten in getal – wordt toegepast. Ze floreren er onder extreme, sterk wisselende omstandigheden; vervlechten zich tot compacte zoden. De plantjes zijn zonbestendig en verdragen waterschaarste. De opgezwollen blaadjes, met waterreserves, zijn omgeven door een beschermende, overdag geheel afsluitende waslaag. Op de warmste momenten blijft de verdamping beperkt en de blaadjes dik en sappig. Met deze eigenschappen beschutten ze zichzelf, alsook het dak. Op sedumdaken staan naast inheemse vetkruiden allerlei nieuwe introducees. Er is veel variatie in bloemkleur en bladtint, met een rijke schakering aan geel- en roodtinten. Het hele spektakel belandt ook op straat. Vanuit de hoogte waaieren ze als dakvlieders uit over de stenige laagvlakte; starten er succesvol een tweede leven.  Voor Muurpeper, Wit- en Zacht vetkruid, Tripmadam, allemaal inheems, levert dat een flink surplus op. Het laatstgenoemde duo – eerder exclusief voor het rivierengebied – beleeft daarbij een stedelijke doorbraak. Van de nieuwe sedums is vooral Spaans vetkruid een hit. In bijna al onze steden is ze als straat- en muurbewoner in opkomst.

Spaans vetkruid is een stedelijke nieuwkomer. die veel weg heeft van Wit vetkruid. Kenmerkend zijn de blauwgroene bladkeur en rode middennerf op het kroonblad.

Sedumsoorten op daken … die toenemend verwilderen:

Geel            ►   Muurpeper, Zacht vetkruid, Tripmadam, Kamtsjatka-vetkruid, Driebladvetkruid

Wit              ►   Wit vetkruid, Spaans vetkruid

Roodroze   ►   Roze vetkruid, Kleine en Gewone spinraghuislook

Muurpeper is volledig toegerust voor het stadsleven. Het is geen modieuze verschijning, maar een aloude, succesvolle overlever, die heerst op zonnig steen. Het plantje soleert massaal in schrale plantsoenranden; vult de voegen van plaveisels en barsten in asfalt. Met gemak neemt dit vetkruid steenglooiingen, kan het domineren in grindbedden en op kale spoorweg-, haven- en industrieterreinen. Daarnaast is Muurpeper een vaste verschijning op oude, droge muren; vaak boven op muren, maar ook op de flanken daarvan. Muurpeper heeft de bijnaam het Eeuwig leven. In Flora Batava (1800) komt dat imago in een observatie tot leven: “omtrent 15 dagen had ik eenige takjes voor myn herbarium onder de pers gehad … ’t geen ik te veel had, wierp ik naar buiten. Na 3 of 4 dagen aan de lucht blootgesteld, was ik ten uitersten verwonderd te ontdekken dat dezelfde planten, die zo langen onder de pers verpletterd en verdroogd waren geweest, niet alleen weder begonnen te herleeven, maar dat zelfs de bloemknoppen, die nog niet gebloeid hadden, open gingen.”

Nieuwe straatjuwelen

Naast vetkruiden, is er een groeiend pakket aan dakplanten, voor meer bloemrijke uitstallingen. Die verkassen eveneens, dalen neer, bereiken de verharde onderwereld. Het zijn fraaie aanwinsten, nieuwe straatjuwelen, die voor veel floristen onverklaarbaar, uit het schijnbare niets opkomen. Maar de bron is nabij, met een blik omhoog te ontwaren. Neem Kleine mantelanjer, haar straatvertoningen zijn steevast aan dakvlieders te danken. Een dakschouw is bij mij nu routine. Zo weet ik dat Oranje havikskruid, vanaf het dakterras van mijn buurman onze woonbeurt heeft verrijkt. Eenzelfde weg gingen Muizenoortje, Blaasilene, Blauw zwenkgras, Gewoon fakkelgras, Hoofdjes- en  Steenanjer. En .. er zit meer aan te komen. Het totale dakflora-sortiment en alles wat daaraan wordt toegevoegd is rijp voor de straat.

Tripmadam – Geen dame van plezier

Tripmadam (Sedum rupestre) behoort tot de vetplantenfamilie . Planten die in het algemeen duidelijk herkenbaar zijn door vlezige bladeren die ongedeeld zijn en vaak als een aar, ongesteeld (zittend) aan de stengel zitten. De bladeren hebben een blauw/groene kleur zijn aan de onderzijde bolvormig en versmallen naar boven toe. Zij eindigen in een stekelpuntje. Voor de determinatie en om snel onderscheid te kunnen maken met andere vetplanten zoals Muurpeper en Wit- en Zacht vetkruid, is het stekelpuntje een goed veldkenmerk.

De bloemen zijn heldergeel en staan op aparte bloeistengels. Deze bloeistengels zijn, voordat de bloemen tot bloei komen, omgebogen. In oudere flora wordt de wetenschappelijke naam Sedum reflexum gebruikt hetgeen duidt op de bloeistengels die voor de bloei zijn omgebogen. De wetenschappelijke naam die nu in de flora wordt gebruikt is Sedum rupestre. ‘Rupestre’ betekent ‘rots’. De bloemen vormen aan de top van de bloeistengel een schermpje. De kroonbladeren zijn 2 1/5 keer zo lang als de kelkbladeren en naar onderen toe samengevouwen. Ze zijn, zoals dat heet, gekield. De helmdraden zijn aan de voet kort behaard. Om zekerheid te krijgen of je te maken hebt met Muurpeper of Tripmadam kijk je eerst naar de aanwezigheid van het stekelpuntje aan het einde van het blad (Tripmadam) en vervolgens naar de voet van de kroonbladeren die bij Tripmadam smaller is dan bij Muurpeper.

De blaadjes van Tripmadame lopen uit in een klein stekeltje. Een goed kenmerk om Tripmadam te onderscheiden van b.v. Muurpeper.

Tripmadam is in Nederland vrij zeldzaam. De Floron Verspreidingsatlas geeft aan dat de soort sinds 1950 25-50% achteruit is gegaan op de Rode lijst als kwetsbaar staat genoteerd en tot de vrij zeldzamen soorten wordt gerekend.  De bekendste vindplaatsen zijn langs de rivierduinen en dijken van de grote rivieren, in duingrasland, van de zeeduinen, tegen de bebouwing aan. Tripmadam wordt ook vaak gevonden op een stenige ondergrond zoals op basaltglooiingen, kademuren en stadswallen. In Amersfoort en omgeving zijn mij twee vindplaatsen bekend. Eén op de kademuren van de wijk Vathorst die bekend zijn vanwege de vele varensoorten op de kademuren en één rijke vindplaats op muurtjes in het Park Schothorst.

De bloeistengels van Tripmadam onderscheiden zich duidelijk van de bladstengels. (Foto Ton Denters)

De naam Tripmadam doet misschien stiekem denken aan dames van plezier maar dat is niet juist. Tripmadam is te herleiden tot “tripe de madame” en het woord “tripe” tot trijp: een fluweelachtige kledingstof. Het berijpte blauwe patin dat over de blaadjes ligt zal de inspiratie voor de naam zijn. Natuurlijk zijn er boeken te vinden die aangeven dat de blaadjes eetbaar zijn en geneeskrachtige werkingen hebben maar daar ga ik mij – met uw goedvinden – toch maar niet aan wagen.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

 

 

Over oprukkende Italianen

Stinsen- of stadsplant

Hoewel je bij de Italiaanse aronskelk (Arum italicum) niet direct denkt aan een stadsplant, blijkt ze toch aan een aantal stedelijke criteria te voldoen. Het gaat om een soort van zuidelijke herkomst die uitstekend gedijt op jonge, sterk door de mens beïnvloede bodems onder heggen, tussen bodembedekkers en in voedselrijke, verstoorde graslanden. De meeste floristen kennen de soort als stinsenplant maar zijn de stinsenplanten van vroeger niet de stadsplanten van nu?

Verspreiding

Feit is dat de Italiaanse aronskelk de laatste decennia aan een ware opmars bezig is. Hoewel de soort in de nieuwe Heukels’ flora nog steeds als zeldzaam staat vermeld, blijkt haar opmars overduidelijk. Als je de verspreiding van vóór 1990 met die van daarna vergelijkt blijkt een spectaculaire toename. Zie de NDFF Verspreidingsatlas. Ook in Zoetermeer zien we dit terug: recent is de soort in 13 van de 37 km2 die Zoetermeer groot is, waargenomen. Vooral dit jaar vallen de grote groeiplekken met meer dan 100 exemplaren op door de bessen die het stadsgroen pleksgewijs felrood kleuren. Over hoe die verspreiding precies in z’n werk gaat is geen eenduidig antwoord beschikbaar. De “Stinzenflora in Fryslân” meldt dat de giftige bessen “door enkele vogels, zoals merels, worden gegeten maar dat ze vaker nog ongegeten afvallen en ten gronde gaan. Gewoonlijk vermeerderen aronskelken zich in onze streken door deling van knolle. Niet uitgesloten is dat deze vegetatieve vermeerdering in de stad met zijn enorme bodemdynamiek een rol speelt. Meer voor de hand ligt dat de afgevallen bessen kiemen waardoor de groeiplekken jaarlijks in omvang toenemen.

Overigens behoren ook aronskelken tot de soorten die in de jaren ’80 van de vorige eeuw onderdeel waren van het uit te zaaien Zoetermeerse sortiment.

In september komt het gemarmerde blad weer te voorschijn.

Kenmerken en bestuiving

De Italiaanse aronskelk valt vooral op door de 15 -35 cm pijlvormige, geelwit gemarmerde bladeren die in het najaar verschijnen. De bloei vindt plaats in mei en juni met een verdikte bloeikolf, waarvan het zichtbare bovenste deel knotsvormige geel is. Onderaan de bloeikolf zitten de groenwitte bloemen en ook het schutblad van de bloeikolf is groenwit. De rode besvruchten zijn 1 cm breed.

Bestuiving van aronskelken vindt plaats met behulp van motmugjes. Hiervoor zetten aronskelken een geavanceerd vangsysteem in werking. Door verbranding van zetmeel warmt de bloeikolf zo’n 10 graden op t.o.v. de omgeving waardoor er stoffen vrijkomen die naar aas ruiken. Hier komen motmugjes, al dan niet beladen met stuifmeel, op af. Die komen dan in een val terecht waardoor bestuiving tot stand komt. Pas de volgende dag of de dag daarna opent de val zich weer en verlaten de mugjes de plant om een volgend exemplaar op te zoeken.

Naamgeving

De meest waarschijnlijke verklaring van de geslachtsnaam “Arum” is dat deze is afgeleid van het Griekse woord aros dat nuttig betekent. Dat zou te maken kunnen hebben met de knollen die opvallend veel zetmeel bevatten en die indertijd als voedsel konden worden gebruikt. Er bestaan ook vele legenden m.b.t. het geslacht aronskelk waarvan de volgende betrekking heeft op de felrode bessen: de plant stond op Golgotha aan de voet van het kruis, waar het bloed van Christus op de bladeren spatte en zo ook in de vruchten terecht kwam. Vanaf die tijd waren deze rood gekleurd.

Tweelingsoort

Zoals dat in het plantenrijk wel vaker voorkomt heeft de Italiaanse aronskelk in Nederland ook nog een tweelingbroertje, de Gevlekte aronskelk (Arum maculatum). Deze soort wordt als oorspronkelijk inheems beschouwd en komt nu vooral nog in stinsenmilieus voor. In vergelijking met de Italiaanse variant heeft deze soort van nature een noordelijker verspreiding die rijkt tot in Schotland en Denemarken. De Gevlekte aronskelk komt ook in Zoetermeer voor en onderscheidt zich van haar grotere broer door kleinere bessen (0,5 cm. breed), een grijspurpere bloeikolf en gevlekt blad.

Onderscheid

Ogenschijnlijk is herkenning van beide soorten in het veld geen probleem. Er zijn echter momenten  in de ontwikkeling die verwarring kunnen veroorzaken. In het voorjaar, als van beide soorten alleen het blad zichtbaar is blijkt dat zowel de Gevlekte als de Italiaanse aronskelk regelmatig met glanzend groen blad kunnen voorkomen. Zowel de karakteristieke geelwitte tekening op het blad van de Italiaanse, als de donkerpaarse vlekken op het blad van de Gevlekte aronskelk ontbreken dan. In dat geval zullen we het moeten doen met de enigszins afwijkende bladvorm maar met een beetje puzzelen moet dat wel lukken.

Ook in ruig hooiland duiken de rode bessen van de Italiaanse aronskelk op.