Home » Archieven voor mei 2020

Maand: mei 2020

Olijven in stad

Iedereen kent de haagliguster (Ligustrum ovalifolium). Vroeger zag je hem meer, maar met de opkomst van de lage heggen, heeft de buxus vaak zijn plaats ingenomen. Maar er gloort hoop voor de liguster sinds het verschijnen van de buxusmot.

Ovaal blad haagliguster

Wat niet iedereen zal weten is dat liguster tot de olijffamilie behoort. Proefondervindelijk is dat tegenwoordig ook zelf vast te stellen. In veel steden staan olijfbomen in grote kuipen. In Tilburg staan er in de Stationsstraat. Dat is de straat die vanuit de binnenstad recht op de hoofdingang van het NS-station uitkomt. Sommige van die bomen dragen zwarte olijven. Steek een olijf in je mond en kauw erop. Bah, wat bitter! Zoek dan een liguster met bessen en steek een bes in je mond. Bah wat bitter! Beide vruchten hebben een harde pit, de blaadjes een vergelijkbare vorm. Die smaken trouwens ook bitter.

Dat laatste zal ook wel een van de redenen reden zijn waarom de liguster al zo lang als haag voldoet: het vee vreet niet aan de bladen.

Bitter als olijven

Wie zijn ligusterhaag vlijtig knipt zal geen bloemen zien; dat is echter wel zonde. De bloemen ruiken heerlijk en bloeien lang. Zelf hebben wij in de tuin een enkele liguster als boompje uit laten groeien en die bloeit heel rijk. Er komen dagvlinders en bijen op af, en ook nachtvlinders. Voor een aantal soorten nachtvlinder zijn zelfs de bladen voedsel voor de rups. De bekendste daarvan is de mooie ligusterpijlstaart.

In de winter komt de merel de ligusterbessen eten. Kortom, een bloeiende liguster draagt bij aan de biodiversiteit van de omgeving. Zelfs bij een haag kun je op een hoek een plant door laten groeien.

De haagliguster komt uit Japan en er wordt aangenomen dat deze niet verwildert. Daar twijfel ik aan. In onze tuin is spontaan een haagliguster verschenen. Dan moet je toch aannemen dat het een zaailing is.

Blad van de wilde liguster is veel langer

Er bestaat ook een wilde, inlandse liguster (Ligustrum vulgare). Die vind je vooral op kalkhoudende grond: in de duinen en op klei. Toch kun je hem verwilderd aantreffen in plantsoenen, ruderale stukjes, bermen.

Het verschil tussen beide ligusters is tamelijk makkelijk. Het blad van de wilde liguster is veel langer. In de wetenschappelijke naam van de haagliguster wordt dat ook al aangegeven: ‘ovalifolium’ = ovaalvormig blad; in tegenstelling dus tot het langwerpige blad van de wilde liguster. Ovaal is hier tweemaal zo lang als breed. Langwerpig: viermaal zolang als breed.

De geslachtsnaam ‘liguster’ komt van ‘ligure’ = binden, vlechten. Twijgen voor vlechtwerk.

 

 

 

 

 

 

 

Winterpostelein

Op relatief veel plaatsen in de stad, in ieder geval in Breda, woekert Winterpostelein (Claytonia perfoliata). Meestal in perken van het openbaar groen en in brandgangen. Soms op onverwachte plaatsen, zoals muren en de voeten van laanbomen. Soms zelfs wat hoger op de stam. Je zou denken dat het een epifyt was. En eigenlijk is dat ook wel zo. Volgens een al wat oudere versie van de Heukels uit 1990 kan dat wel kloppen. Daar staat de vermelding “soms als epifyt op Vlier en andere houtgewassen”. In diezelfde versie van de Heukels heet bedoelde soort ’Witte winterpostelein’. Die naam werd waarschijnlijk ingevoerd omdat er sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw een andere winterpostelein bezig was in te burgeren: de Roze winterpostelein (Claytonia sibirica). Maar gek genoeg heet de meest voorkomende, witbloeiende soort in de Heukels van 2005, en ook in de allernieuwste druk, gewoon weer ‘Winterpostelein’.

Groeiend op de stam

Winterpostelein hoort oorspronkelijk thuis in het westen van Noord-Amerika. Als groente is hij in andere delen van de wereld ingevoerd. In Nederland is de plant sinds de tweede helft van de 19e eeuw bekend. De soort wordt in West-Europa verbouwd als winterharde groente, maar komt in al deze landen ook verwilderd voor. Vanwege de route via Cuba waarlangs de plant in Europa arriveerde, wordt de plant in Duitsland ‘Kubaspinat’ genoemd. De plant is 15-40 cm hoog en tijdens de bloei gemakkelijk te herkennen aan de schotelvormige bladeren, waar de stengel door heen lijkt te groeien. Het betreft hier een tweetal bladeren, die tezamen vergroeid zijn. Het lijkt op een schoteltje. De gewone blaadjes eronder zijn ruitvormig.
De zaden zijn gitzwart en hebben een wit mierenbroodje. Dit olie- en vetrijke aanhangsel maakt de zaden aantrekkelijk voor mieren. Die verslepen de zaden in de richting van het nest en verliezen onderweg een deel van de lading. Zo verspreiden ze het zaad van de plant. Overigens gaat het maar om kleine afstanden, vaak niet meer dan zo’n twee meter. Winterpostelein kan zich op deze manier massaal op een bepaalde plek uitbreiden. Soms kiemen de zaden al in het voorjaar, maar vaak al in de herfst. De jonge plantjes kunnen goed tegen winterse omstandigheden en hebben daardoor een voorsprong op allerlei éénjarige planten.

Aan de boomvoet omhoog

Nog even terug naar die exemplaren die hoger in bomen groeien. Hoe zouden die zaden daar terecht komen? Zouden mieren zaden zomaar naar boven slepen? Ze hebben daar geen nest denk ik. Hoe dan wel? Menselijke activiteiten?
Winterpostelein kan gegeten worden als salade en ook als stamppot. De plant bevat mineralen als calcium, magnesium, en ijzer. En ook nog vitamine C. In salade is het lekker knapperig en de smaak is zacht.
De geslachtsnaam ‘Claytonia’ komt van John Clayton een botanicus uit de 17e eeuw. De soortaanduiding ‘perfoliata’ wil letterlijk zeggen ‘door het blad’. Zoals hierboven uitgelegd, lijkt de stengel het bovenste blad te doorboren. De Nederlandse naam ‘winterpostelein ’is gegeven vanwege de gelijkenis met postelein (Portulaca oleracea), een soort die al vóór 1500 werd ingevoerd in Nederland. En heb je ook nog waterpostelein (Lythrum portula). Om het makkelijk te maken: de drie soorten met ‘postelein’ in de naam behoren tot nogal verschillende plantenfamilies.

Ook als muurplant

Oosterse raket in drukwerk

Ik werd begin deze eeuw gebeld door een fervente vogelaar of ik met hem naar een rare plant wilde kijken. Dit was heel bijzonder want planten vond hij tot dan toe alleen interessant indien eetbare het groente betrof.

Hij woonde bij de verbindingsdam naar het KNSM-eiland in de Oostelijke Eilanden in Amsterdam waar de plant in de flink vergraven berm stond. Het was een koolzaadachtige en met de Heukels was ik er vlot uit: oosterse raket. De plant heeft een habitus als gewone raket en lange hauwen als Hongaarse raket. De hauwsteel is net zo dik als de vrucht en de fijnbehaarde kelkbladen en hauw maken deze plant makkelijk herkenbaar.

De hauwsteel is net zo dik als de vrucht

Deze soort was voor mij nieuw. Hij blij, ik blij. De volgende kennismaking met deze soort was met het project DNA-BARcoding van FlORON in 2011. Van alle vaatplanten in Nederland werden exemplaren verzameld om een DNA- profiel te maken. Ik koos onder meer de oosterse raket uit. Via waarneming.nl wist ik dat er een waarneming was bij de nieuwe hoofdvestiging van de bibliotheek in Amsterdam. Het was nog flink zoeken want de planten groeiden op de rand van de kade, goed verstopt achter een schakelkast. Ik tevreden naar huis fietsen en halverwege op het Zeeburgerpad zag ik opeens langs de gevel van de bedrijfsgebouwen tientallen oosterse raketten staan. Nu ik het zoekbeeld had vielen ze me opeens op. De oosterse raket groeide er pluksgewijs over een lengte van een kilometer en dat doet het er nog steeds.

De kelkbladen en hauw zijn fijnbehaard

In Amsterdam, Den Haag en Rotterdam heeft de soort sinds 1990 stevige bolwerken gevormd. Het oorspronkelijke areaal is het Middellandse Zeegebied en werd in Nederland voor het eerst gevonden in 1877; in Vlaanderen pas in 1973.

oosterse raket in voeg tussen muur en plaveisel

Ik documenteer me voor mijn blogjes met verschillende bronnen waaronder de Stadsplanten van Ton Denters.Voor de Covid-19 uitbraak had ik het idee om deze aflevering van stadsplanten te wijden aan de nieuwe Stadsflora van Ton Denters. Deze week zou dit boek, ‘Stadsflora van de lage landen’ verschijnen en het leek me leuk om over mijn eerste indrukken te verhalen aan de hand van een soort zoals de oosterse raket. Nu is alles anders. Bijna. Ik heb een aantal hoofdstukken digitaal mogen inzien en ik kreeg een goede indruk. Dit boek is meer dan een opvolger van de gids ‘Stadsplanten’ uit 2011. Het behandelde gebied is vergroot: Vlaanderen is nu meegenomen en dat levert steden op met een rijke flora zoals Gent en Antwerpen. Het betekent dat wel dat de steden in Noord- en Oost-Nederland ontbreken. Met Vlaanderen er bij is er natuurlijk ook meer te kiezen en in het Zuidwesten zijn de steden rijker aan bijzondere soorten. Het aantal behandelde soorten is gestegen van 700 naar 800, waarvan 80 nieuwkomers. Een aantal algemeen voorkomende soorten, die niet zo specifiek aan de stad zijn gebonden zoals blaartrekkende boterbloem, die in Stadsplanten stonden zijn afwezig in de Stadsflora. De opmaak is anders. De tekst is tweekoloms en dat leest prettiger. Hoewel digitaal lezen en een echt boek vasthouden niet helemaal te vergelijken zijn. De soortteksten zijn herschreven, soms is het alleen anders geformuleerd, maar vaker met een andere invalshoek.

Vanzelfsprekend zijn de beschrijvingen geactualiseerd.  Dit wordt mooi geïllustreerd door de oosterse raket. De soort heeft sinds het verschijnen van de Stadsplanten 14 jaar geleden de straat veroverd: eerst vooral ruderale terreinen als vestigingsplaats en nu ook gevelvoeten volgens de Stadsflora. Exact wat mijn ervaring is. De beschrijvingen van de flora in de steden van onze zuiderburen in de Stadsflora doen mij zeer verlangen naar stedentripjes in het Vlaamse land. Struinen in een minder bekende omgeving, met een andersoortige ruimtelijke ordening met een andere sfeer en taal en dan af te sluiten met een lokaal biertje… Als de Corona voorbij is, als…

te vinden in rommelhoekjes

Daslook – uien in het wild

Op de één of andere manier heeft Daslook mij altijd gefascineerd. De helder witte kleur en de vorm van de bloemen zorgden er voor dat de plant bij mij zeker in het lijstje van favoriete voorjaarsbloeiers staat. Daarnaast triggert de naam “look” altijd mijn nieuwsgierigheid. Wie het woord “look” hoort denkt onmiddellijk aan uien maar verwacht niet onmiddellijk dat de plant behoort tot het geslacht Allium uit de narcissenfamilie.

Daslook tussen Zevenblad en Gele dovenetel in een groenstrookje langs een wandelpad tussen de huizen

Bij alle ui-achtige planten is het overduidelijk dat er sprake is van bollen. Uien, bieslook, daslook, knoflook, sjalot, bosui maar ook prei horen tot dezelfde familie. Ze hebben in ieder geval één ding gemeen: als je de bladeren fijn wrijft of de bollen snippert is er een sterke uienlucht. Deze wordt veroorzaakt door zwavelverbindingen die er ook voor kunnen zorgen dat de tranen over je wangen rollen. Een uitzondering is Look zonder look. Een plant die ook in het voorjaar rijkelijk aanwezig is in bermen en groenstroken. Als je het blad van Look zonder look fijn wrijft ruik je overduidelijk een uienlucht maar de plant is totaal verschillend van de planten die deel uit maken van de narcissenfamilie en behoort tot de kruisbloemige. Het is dus eigenlijk een plant die naar uien ruikt maar geen ui is – Look zonder look.

Hoewel Daslook tot het geslacht Allium (uien) hoort vormt het niet echte bollen. Duidelijk is ook te zien dat Daslook slechts één blad per stengel heeft.

Als we nog even kijken naar het rijtje “look planten” ui, bieslook, sjalot, knoflook, bosui en prei dan kunnen we onderscheid maken tussen soorten met zeer uitgesproken bollen zoals ui, knoflook en sjalot . Bij prei, bosui en bieslook is minder sprake van een overduidelijke bolvorming maar eerder van een langwerpige verdikking. Bij die planten snipperen we in de keuken niet alleen de voet van de planten maar ook het blad. Bij ui, knoflook en sjalot versnipperen we alleen de bollen en niet het blad. Daslook kan zeker in de keuken worden gebruikt maar bij Daslook gaat het dan om het blad. Daarbij moet wel enige voorzichtigheid in acht worden genomen. Als de plant geen bloemen heeft en de determinatie alleen kan gebeuren aan de hand van het blad is er een groot risico. Het blad lijkt sterk op het blad van Lelietje-van-dalen en dat blad is giftig. Hoewel de bladeren sterk op elkaar lijken is het toch niet moeilijk de twee plantensoorten uit elkaar te houden. Als je het blad van Daslook fijn wrijft ruikt het naar uien. Bij Lelietje-van-dalen is dat niet het geval. Daslook heeft één blad per stengel, Lelietje-van-dalen twee á drie bladeren per stengel.

Wie Daslook in de keuken wil gebruiken moet er voor oppassen niet per ongeluk het giftige blad van Lelietje-van-dalen te mee te nemen. Daslook heeft maar één blad per stengel; – Lelietje-van-dalen twee of meer.

Daslook is eigenlijk een bosplant die houdt van voedsel- en humusrijke, kalkhoudende grond. De plant was zeldzaam en had jarenlang een beschermde status. Die situatie is de laatste jaren veranderd doordat de plant door het storten van tuinafval op steeds meer plekken zich heeft weten te vestigen in groenstroken binnen de stadsgrenzen. Ook is de plant veel aangeplant als stinzenplant.

De meeste soorten binnen het geslacht Allium (bolgewassen) vermenigvuldigen zich door de vorming van nevenbollen. Bij Daslook is dat in veel mindere mate het geval. Er vindt overvloedige zaadvorming plaats die een belangrijke bijdrage levert aan de verspreiding van de plant.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

 

 

Fraaie exoot

  1. De Veelbloemige roos is van oorsprong afkomstig uit Zuid-Oost Azië. Hij wordt sinds het eind van de 19e eeuw in Europa ingevoerd. Deze botanische roos was indertijd, jaren ’70 en ’80, onderdeel van het verrijkt bosplantsoen. Verrijkt bosplantsoen bestond voor het overgrote deel uit inheemse bomen en struiken waaraan ook een aantal kleurrijke, meestal exotisch soorten werd toegevoegd.
    Veelbloemige roos (Rosa multiflora var. multiflora) is een gemakkelijk herkenbare en ingeburgerde soort. Vanwege zijn exotische achtergrond wordt hij waarschijnlijk niet door iedere florist gestreept. Het is een rozensoort die van mei tot in augustus geurende enkelbloemige witte rozen produceert die in losse trossen hangen, van 10 – 20 bloemen. Aan deze enigszins behaarde struik met teruggekromde stekels, die zo’n 5 meter hoog kan worden, ontstaan in het najaar kleine bottels (< 1cm) die qua kleur en formaat wel wat doen denken aan lijsterbessen. Opvallend aan deze roos zijn de franjeachtig ingesneden steunblaadjes. Zie foto.
Steunblaadjes met de karakteristieke franje.

NB: Naast deze witbloeiende variëteit bestaat er ook een variëteit met roze bloemen (var. cathayensis).
Uit de verspreiding tot nu toe valt af te lezen dat de zeer winterharde soort het meest wordt aangetroffen in antropogene milieus, in de nabijheid van bewoning. Denk aan spoorbermen, stortplaatsen, extensief beheerde groengebieden e.d.
In Zoetermeer komen exemplaren van deze roos vooral voor in natte groenstroken en aan oevers van waterpartijen in en om de stad. De vele geurende bloemen oefenen een grote aantrekkingskracht uit op veel insecten, waaronder bijen.
Verspreiding van zaden door vogels ligt voor de hand. Daarnaast vormt het wortelgestel, dat vaak gebruikt werd om andere gecultiveerde rozen op te enten, een mogelijkheid om zich alsnog als R. multiflora te manifesteren.
Hoewel er in onze streken bij mijn weten nog geen sprake is van overlast door woekering is dat in de Verenigde Staten wel anders. Daar Is sprake van een sterk woekerende invasieve exoot die lastig te bestrijden is. De soort duikt daar op in allerlei natuurgebieden, een gedrag vergelijkbaar met dat van de Rimpelroos in onze Hollandse duinen. Hopelijk blijft de Veelbloemige roos zich in ons land netjes gedragen.