Home » Archieven voor september 2020

Maand: september 2020

Zomaar ineens een nieuwe Flora

Wie op zoek is naar de naam van een plant gebruikte vroeger een Flora, een boek met sleutels naar planten, of ging op stap met een ‘wandelende Flora’; een persoon die dat boek van buiten kende en wist toe te passen.  Dat is zeker nog steeds een goed idee, maar na de opkomst van de e-mail en internet zijn er nu waarnemingen-sites, fora, herkennings-apps  die het van thuis uit een stuk gemakkelijker maken en boeken wat op de achtergrond drukken.  Omdat ik de Flora’s, wandelend of thuis op de plank, nog steeds harder aanbeveel wil ik graag de stadsplantenliefhebbers op de hoogte brengen van een bijzonder feit; in 2020 is er al een 3e , na de Heukels’ Flora en Stadsflora van de Lage Landen, Nederlandstalige serieuze Flora uitgekomen: Natuur.Flora.

De schrijver Hans Vermeulen kennen ingewijden als natuureducator in hart en nieren met een passie voor paddenstoelen en planten. In 1999 verscheen van zijn hand de dikke pil Paddenstoelen, Schimmels, Slijmzwammen van Vlaanderen.  650 pagina’s met sleutels van de grootste naar de onbeduidendste ooit aangetroffen zwammetjes. Het bleek geen succesverhaal – er kwam geen tweede editie- en kreeg kritiek van andere kenners. Toch is het een verdienstelijke poging geweest die zeer veel inzicht wierp op de toenmalige rijkdom en meestal toch juist beschreven verschillen.

Ook dit nieuwe boek Natuur.Flora (660 pagina’s) zullen vele kenners aanvankelijk met vreemde ogen bekijken. Hoe kan er opeens een complete Flora bijkomen?  Vermeulen heeft het schrijven van sleutels in ieder geval goed in de vingers en heeft ervoor gekozen vrijwel ALLE soorten na 1950, uit Nederland en België en omgeving, zoals in de Belgische Flora van Verloove en Lambinon, uit te sleutelen. Dus inclusief de verwilderde, adventieven en minimaal veel voorkomende, niet verwilderde, tuinplanten.  Verwacht geen plaatjes, verwacht ook niet al te veel uitleg bij het determineren;  het is een hardcore sleutelboek. Dat uitleg en plaatjes grotendeels ontbreken is wat vreemd omdat is geschreven met  een natuureducatiemissie. En in de natuureducatie worden uitleg en plaatjes juist uitermate veel gebruikt.  Aan de andere kant is er wel grote behoefte geuit door velen naar sleutels waar ‘alles’ in staat en de amateurbotanisten bij een mysteriesoort niet iedere keer 10 boeken op tafel moeten toveren. Sommigen denken vast met weemoed, tot 1983, aan een oudere Geïllustreerde Flora van Nederand door Heimans, Heinsius en Thijsse, waar ook veel tuinplanten in stonden en het leven nog simpel was. Qua sleutels is Natuur.Flora een boek dat daar bij in de buurt komt.

Aristolochia tomentosa , hier op Texel, is al een 5-tal jaar bekend in Nederland als verwilderde tuinplant, maar er zijn ook gelijkende soorten in cultuur; Bijv. A. moupinensis en A. manshuriensis. Ook Natuur.Flora biedt nog geen oplossing; ze houdt het bij 2 soorten.

Een boek waar ‘alles’ in staat is natuurlijk onmogelijk, maar toch zou het boek ook stadsfloristen kunnen bekoren.  Puur op het aantal uitgesleutelde taxa wint de flora het van de anderen: Geranium 24 , Hypericum 20,  Festuca 22 , Trifolium 37 taxa. In de Heukels’ Flora 2020 zijn dit er resp. 18, 15, 16 en 21 en in de Nouvelle Flore de Belgique 18, 12, 23, 26. Natuur.Flora beschrijft wel een veel groter gebied, maar doordat de andere flora’s de soorten soms wel vermelden, maar niet opnemen in de sleutels, zijn de aantallen al direct beduidend later. Links en rechts ontbreken er overigens ook wel wat verwilderde soorten in Natuur.Flora.  ‘Alles’ is kennelijk toch niet altijd geheel te bereiken. De ontwikkelingen gaan de laatste decennia ook wel heel erg snel.

Natuurlijk moet het ook over de kwaliteit gaan.  Over de inhoud van de sleutels  kan ik iedereen alvast gerust stellen; die is over het algemeen prima en volgt eigenlijk de vele klassiekere sleutels en de veel beproefde andere flora’s.  Soms is het wat kort door de bocht en er zijn wel voorbeelden te vinden die in eerste instantie wat vreemd voorkomen, maar het essentiële is vrijwel altijd vermeld. Meer dan de sleutels, waarin in code een beschrijving van de zeldzaamheid, is er niet, dus de overige kwaliteit: bredere uitleg, tekeningen, foto’s, is in de andere flora’s te zoeken. Natuur.Flora neemt ook een voorsprongetje op de pas uitgekomen lijst Nederlandse namen voor tuinplanten door NAK en vermeldt heel wat nog niet officiële Nederlandse namen. Ze worden voorafgegaan met een *. Het is een eigen verzameling namen, samengesteld uit diverse volgens mij valide bronnen en dat is ook al een reuzenwerk geweest!, die op heel wat punten afwijkt van de NAK-lijst.

Bamboe onbekend te Genk. De lijsten met bamboesoorten die gekweekt worden zijn nagenoeg eindeloos en vaak weet je niet waar je moet beginnen met determineren van dat ‘rare spul’ dat ook buiten tuinen steeds vaker opduikt. Natuur.Flora maakt een waardevol begin met een sleutel naar heel wat algemener voorkomende soorten in cultuur.

Als deze flora ook echt gaat aanslaan en ook critici feedback willen geven is er natuurlijk ook een tweede verbeterde editie mogelijk en zal het boek nog meer waarde krijgen. Dat communicatie over het boek en de inhoud zeer gewaardeerd wordt blijkt al uit het feit dat de sleutels ook online ter beschikking worden gesteld bij de soortinfo (genusnaam spec.) op Waarnemingen.be en Waarneming.nl.  Ik maakte in overleg met Hans Vermeulen reeds enkele voorbeelden. Zie Hypericum en Mazus .

Ik vermoed dat er relatief weinig wilde of verwilderde planten te vinden zullen zijn die niet in deze flora zijn uitgesleuteld en men zal zelfs ook nieuwe ontdekkingen, meestal ontsnapte tuinplanten, kunnen doen. Er staan heel wat algemeen gekweekte tuinplanten in: neem bijvoorbeeld een lange serie bamboesoorten die officieel nog niet verwilderd zijn vastgesteld en het is al interessant om te lezen dat ze veel worden gekweekt en interessanter; hoe ze dan verschillen van ons wel bekende. En al bij al zal de diversiteit in de Flora’s ook bijdragen aan de kennis over onze wilde en verwilderde planten.

Plakkerig in de stad – appelig in het bos

Ik heb een zwak voor Kleverig kruiskruid: charmant uiterlijk met dat mooi ingesneden, dicht behaarde blad en gele bloemhoofdjes en tegelijk wat onvoorspelbaar in zijn voorkomen. In Rotterdam kom ik hem regelmatig tegen, maar zeker niet bij iedere inventarisatie, waardoor ik iedere keer denk: hé, daar is ie weer, leuk!

Kleverig kruiskruid is echt zo’n plant die iedereen een keer moet hebben aangeraakt om zich te verbazen en hem nooit meer te vergeten. Anders dan bij Kleefkruid, Klit en Kransnaaldaar gebruikt Kleverig kruiskruid geen haakjes, maar een kleverige vloeistof die door de massaal aanwezige klierhaartjes wordt uitgescheiden; en niet zo’n klein beetje ook. Het is een van de weinige planten in Nederland waar je echt plakkerige vingers aan overhoudt. Ik leerde Kleverig kruiskruid kennen op mijn eerste FLORON-kamp in Zeeland. Toen ik aan Wim van Wijngaarden vroeg hoe hij wist wat het was, waarop hij zei: “voel maar”. Niet dat Wim had gevoeld, die deed het toch op uiterlijk, net als ik dat nu doe. Ik laat nu op dezelfde manier mensen kennis maken met Kleverig kruiskruid voordat ik ze vertel welke naam erbij hoort.

Kleverig kruiskruid – Senecio viscosus

Hij stond daar in Zeeland op een karakteristieke groeiplek: een stenig talud van een sluizencomplex. De bodem onder de stenen is daar vochtig, maar de toplaag kan sterk opwarmen. Dit is een microklimaat dat sterk overeenkomt met de geröll-hellingen (rolsteen) in de Europese bergen, waar hij vandaan komt. Hoewel niet in een stad, was het wel een stedelijk stenig milieu. Kleverig kruiskruid weet zich op zo’n plek te handhaven omdat hij ondergronds een uitgebreid wortelstelsel maakt en bovengronds zijn dikke vacht gebruikt om de verdamping te beperken. Daardoor is hij in staat om te overleven op plekken die in de zon stevig kunnen opwarmen. In Rotterdam heb ik hem gevonden in hoekjes van parkeerplaatsen, waar net iets langer water blijft staan, tussen de beschoeiing langs de rivier en op een bestraat plateau waarvan het oppervlak een paar decimeter boven het water ernaast ligt. Op die laatste plek was ook veel Kleine leeuwenbek aanwezig, een soort die vaak als begeleider optreedt, onder andere langs de spoorlijnen.

Nog niet bloeiend Kleverig kruiskruid – Senecio viscosus. De kleverige beharing is als een wit waas zichtbaar. De bladslippen staan netjes tegenover elkaar. Boskruiskruidblad is wat onregelmatiger gelobd, lijkt meer op eikenblad, maar het verschil is subtiel.

De soort in Nederland die het meest op Kleverig kruiskruid lijkt is Boskruiskruid. Die heeft ook dichtbehaarde bladeren maar dan zonder plakkerigheid. Je kunt het verschil ook ruiken: een onaangename geur hoort bij Kleverig kruiskruid; een appeltjesgeur, volgens de Heukels citroengeur, wijst op Boskruiskruid. Er zijn meer verschillen zoals de standaard opgerolde lintbloemen van Boskruiskruid, terwijl Kleverig kruiskruid meestal ook hoofdjes met uitgerolde lintbloemen heeft. Als ze nog niet bloeien zijn de twee soorten wel lastig uit elkaar te houden op het zicht; maar even voelen geeft direct duidelijkheid.

Verspreidingskaartjes van Boskruiskruid (links) en Kleverig kruiskruid (rechts). Kleverig kruiskruid vooral in steden, stenige oevers en spoorwegen. Boskruiskruid beperkt zich tot de pleistocene districten (zandgronden). De patronen verschillen sterk maar er zijn gebieden waar beide regelmatig voorkomen.

Bovenstaande verspreidingskaartjes laten zien dat ik in Rotterdam weinig kans heb om Boskruiskruid aan te treffen. Boskruiskruid houdt duidelijk van de zandgronden en is volgens de oecologische flora, kalkmijdend. Dat is zichtbaar in de beperkte aanwezigheid in het rivierengebied en Zuid-Limburg. Opvallend is wel dat hij ook in de kalkrijke duingebieden van Zuid-Holland veel lijkt voor te komen, misschien op kalkarme standplaatsen. Kleverig kruiskruid is niet kalkmijdend en doet het juist langs de rivieren en in de steden goed, zoals het rechter kaartje laat zien. Ik ben tevreden dat Kleverig kruiskruid de stadse voorkeur heeft; daardoor zal ik nog regelmatig van al zijn glinsterende klierhaartjes kunnen genieten en andere mensen verrassen met zijn plakkerigheid.

bloempjes

Een plant die zich op de vlakte houdt.

Toen de nieuwe Stadsflora van Ton Denters uitkwam nam ik mij voor alle daar in genoemde planten te gaan vinden. Dat was natuurlijk wel erg ambitieus maar het is altijd goed om een doel te hebben in het leven.

Een goed begin.

Gelukkig was het begin goed. Als fervent stadsplantenliefhebber kijk ik altijd naar de grond als ik in de stad loop en scan de omgeving op bijzondere of afwijkende planten. Op 14 mei van dit jaar was het raak. Ik liep door de Plaspoelpolder in Rijswijk, een bedrijvengebied wat ik mijn natuurgebied noem, en zag wat kleine paarsige vlekjes op de stoep.

bloempjes
Paars-witte bloempjes van het vlakbloempje

Ik boog me voorover om het kleine plantje te bekijken. Het zag er prachtig uit en na enig zoekwerk bleek het het Vlakbloempje (Mazus pumilus) te zijn. Een heel klein plantje tussen de voegen met paars/witte bloempjes. De meeste mensen zullen dit plantje wel voorbij lopen zonder het te zien.

Ton wijdt een pagina aan deze plant. Hij komt uit Azië en is bezig met een ware opmars in Europa. Een soort van de toekomst noemt Tom hem. Op de kaart van verspreidingsatlas stond nog maar een enkele stip, ik was dus heel tevreden met mijn vondst.

Een vreemd uitgebloeid plantje

In augustus vond ik tijdens druilerig weer op een parkeerplaats bij mij in de buurt een vreemd uitgebloeid plantje. Ik kon er niets van maken en plaatste een foto op de wilde-planten-Facebookgroep.

uitgeboeid
een vreemd uitgebloeid plantje

Gelukkig had Stef van Walsum een goed idee: zou het geen Mazus pumilus kunnen zijn. Een dag later ben ik nog eens gaan kijken en ja hoor, ook daar groeide een hele groep Vlakbloempjes. De tweede groeiplek van dit kleine plantje in Rijswijk.

Alle begin is moeilijk maar een goed begin is het halve werk. Nu nog al die andere honderden planten proberen te vinden!

Zie ook:

Vingergrassen, meer dan je op één hand kan tellen

Voor wie denkt dat Vingergrassen bekend en saai zijn, lees vooral verder! Vingergrassen zijn rond deze tijd een van de meest algemene soorten in de stad. In het stedelijk gebied is Harig vingergras (Digitaria sanguinalis) veel algemener dan Glad vingergras (Digitaria ischaemum) en in mijn omgeving is Glad vingergras zelfs zeldzaam te noemen. Ik heb ook gemerkt dat dit in andere biotopen en andere gebieden andersom kan zijn. Ondanks dat beide soorten niet oorspronkelijk inheems zijn, zijn ze al vóór 1500 in Nederland terecht gekomen. In het verleden zijn echter veel meer soorten gevonden, maar deze worden tegenwoordig niet meer gevonden, hoe kan dat?

De belangrijkste kenmerken om Vingergrassen te determineren, zitten in de aartjes (de bloemen). Om te determineren dien je te kijken naar de lengte van het aartje en naar de nervatuur en de lengteverhouding van de kelkkafjes en het lemma. Dit is behoorlijk lastig omdat de aartjes erg klein zijn (2 tot 3,5 mm). Voor een uitgebreide determinatiesleutel verwijs ik naar deze website: Manual of the Alien Plants of Belgium. Onderstaande illustratie laat zien hoe Harig vingergras en Glad vingergras verschillen in lengte van de aartjes en lengteverhouding van kelkkafjes en lemma.

De aartjes van Harig en Glad vingergras

Wat is nu de valkuil? Om Harig vingergras en Glad vingergras te onderscheiden, hoef je niet naar de minuscule aartjes te gaan kijken, je kan ook gewoon kijken naar de beharing van de bladschijf en bladschede. Harig vingergras is namelijk veel sterker behaard dan Glad vingergras. Dit kenmerk is aardig betrouwbaar, maar ook vrij variabel. Bovendien kan de beharing afwezig lijken wanneer je met verkeerde lichtomstandigheden en de verkeerde hoek naar de plant kijkt. Maar wat nog veel belangrijker is, is dat je op deze manier nooit de andere soorten zal ontdekken. Blijf daarom altijd kijken naar de aartjes!

Digitaria sanguinalis subsp. pectiniformis (foto: Tim van de Vondervoort, Den Haag).

Recent werd een bijzondere ontdekking in Amersfoort gedaan door Margreet Heslinga. Margreet had de plant correct herkend als Harig vingergras. Met een snelle duik in een determinatiesleutel,  bleek het om een zeldzame ondersoort van Harig vingergras te gaan (Digitaria sanguinalis subsp. pectiniformis). Typerend voor deze ondersoort is de aanwezigheid van lange borstelharen op de onderste kelkkafjes. Ik liet de vondst aan een aantal vrienden zien en  een week later dook een tweede vondst op, deze maal door Tim van de Vondervoort in Den Haag. Ik denk dat er nog veel te ontdekken valt. De planten zijn nu nog volop te vinden, zoeken jullie mee? Kijk ook buiten het stedelijk gebieden in biotopen als maïsakkers en ruderale, verstoorde terreintjes en wie weet kunnen we deze bijzondere soorten herontdekken of zelfs nieuwe soorten ontdekken.