Home » Archieven voor Joke de Ridder

Auteur: Joke de Ridder

Sinds een jaar of 15 doe ik mee met de plantenwerkgroep in Zoetermeer (KNNV) en ik leer iedere keer nog iets nieuws. Ik ben blij met stadsplanten, de stad is onze nieuwe natuur. Bijen hebben het tegenwoordig beter in de stad dan daarbuiten. Bovendien duiken in de stad regelmatig nieuwe soorten op.
Ik werk in de kruidentuin van Weleda in Zoetermeer, een geweldige plek voor planten.
Regelmatig wordt een stukje geschreven door Johan Vos, voormalig Zoetermeers stadsecoloog.

Het is maar schijn

De naam zegt het al, en Peter Hegi noemde het kortgeleden ook in zijn bijdrage: schijnaardbei lijkt op een aardbei, maar is het niet.
Veel mensen hebben moeite met het onderscheid tussen de bosaardbei (Fragaria vesca) en de schijnaardbei (Potentilla indica), door sommigen ook hardnekkig Indische aardbei genoemd. Een paar jaar geleden vroegen wij, plantenwerkgroep in Zoetermeer,  middels een krantenbericht of mensen ons door wilden geven waar Bosaardbeien groeiden. Prompt kwam er een reactie van een tuingroep die meldde dat ze die Bosaardbei maar een lastige woekeraar vonden. Je raadt het al, het bleek de Schijnaardbei te zijn. Als mensen de Schijnaardbei wel kennen, vinden ze het meestal geen fijne plant, hoewel het een leuke bodembedekker is. Hij verspreidt zich snel, bloeit lang door en maakt mooie rode vruchtjes. Helaas zijn deze nogal waterig van smaak. Sommigen noemen ze zelfs giftig, maar dat is gelukkig niet waar.

Toch zijn de verschillen niet zo moeilijk.
Als ze bloeien is het meteen duidelijk: de Bosaardbei heeft witte bloemen, de Schijnaardbei gele. Bovendien heeft de Schijnaardbei vrij grote bijkelkbladeren, die breed uitsteken onder de bloemen. Dit zie je ook al duidelijk bij de knoppen.

In de vruchtperiode is het ook makkelijk. De Bosaardbeitjes hangen omlaag, de Schijnaardbeitjes staan omhoog. Door de bijkelkbladen er onder lijkt het een aardbei op een schoteltje.
Maar ook de bladeren verschillen. Draai een blad maar eens om: de onderkant van de bosaardbeibladeren is zilverig wit, terwijl het blad van de Schijnaardbei aan de onderkant groen is.

Bosaardbei, Fragaria vesca

 

Schijnaardbei, Potentilla indica

Van bovenaf gezien vind ik de Schijnaardbei ‘groenere’ bladeren hebben, die sterker getand zijn.

Ook de uitlopers zijn anders: De Bosaardbei werpt zijn kleintjes als het ware door de lucht om ze ‘ergens’ verderop neer te laten komen. De Schijnaardbei schuift een nieuw plantje met korte uitlopers over de grond, zodat ze niet ver van de moederplant wortelen.

 

Misschien wel de beste manier om ze uit elkaar te leren houden, is om ze allebei in je tuin te zetten, zodat je heel goed het verschil kunt leren. In de tuin waar ik werk kweken we Bosaardbeien, en ik heb me altijd verwonderd over het feit dat de Schijnaardbeien lijken te weten waar ze relatief ongestoord kunnen groeien, nl. in het aardbeienbed. Verstopt totdat de bloemkleur ze verraadt.

Bos- en Schijnaardbeien door elkaar: zoek de verschillen!

Wenkbrauw van Venus

Deze mooie naam wordt wel gegeven aan het blad van Duizendblad (Achillea millefolium).
Bij heel gewone planten ga je vaak de schoonheid pas ontdekken als je hem van dichtbij bekijkt. De bladeren van Duizendblad zijn werkelijk prachtig. Het lijkt alsof het in duizend stukjes is verdeeld.
Als je het fijnwrijft ruik je een kenmerkende geur.

Duizendblad is een algemeen voorkomende plant. Je vindt het vooral in de berm. In 2018 is de oplettende plantenliefhebber vast opgevallen dat de plant zich goed kan handhaven bij droogte. Sommige grasveldjes leken wel duizendbladveldjes geworden.

Het prachtig geveerde blad

Ik vond het eigenlijk nooit zo mooi. Net niet wit genoeg, niet opvallend genoeg, misschien zijn de bloemetjes te klein? Maar toen ik eens een close-up-opname van de bloem zag, herkende ik het eerst niet eens! Zó ben je dan gewend aan het totaalbeeld.

Toch is Duizendblad bijzonder. Dat zit hem in de manieren waarop mensen deze plant al eeuwenlang gebruiken. De naam ‘Achillea’ komt van de Griekse held Achilles, bekend uit de Trojaanse oorlog, die deze plant gebruikt zou hebben om de verwondingen van zijn soldaten te genezen.

De Chinezen gebruiken 50 stuks van de  gedroogde en stevige stengels van Duizendblad bij het raadplegen van het orakelboek I-tjing.

De blaadjes zijn dit voorjaar alweer tevoorschijn gekomen. Zo’n vers blaadje kun je gebruiken bij een wondje, het werkt bloedstelpend. Op de bloemen moeten we nog even wachten tot mei/juni. De plant kan heel lang doorbloeien, tot tijdens de winterplantenjacht.
Rudolf Steiner, de grondlegger van de BD-landbouw, gebruikt Duizendblad ook, als één van de preparaten voor de composthoop. Volgens hem is deze plant heel belangrijk voor de tuin. Met zijn antenne-achtige blaadjes zouden namelijk kosmische krachten worden opgevangen. Daardoor groeien planten in de buurt van Duizendblad beter, en zijn ze minder snel ziek. De buurplantjes zouden ook een betere geur en smaak krijgen.

Duizendblad heeft véél bloemhoofdjes

Vroeger werd de plant ook in de keuken gebruikt, om gerechten een pittig smaakje te geven. Ook in bier kan het vanwege de bittere smaak nuttig zijn.
En al sinds de Bronstijd wordt het gebruikt om wol geel te verven.

Er worden nog veel meer geneeskrachtige werkingen aan toegeschreven: bij problemen met de bloedvaten, spijsverteringsklachten, menstruatieproblemen, om aan te sterken en nog veel meer. Het is geen onschuldig middeltje: het maakt je gevoelig voor zonlicht, en het bevat cyanidine, een blauwzuurachtige stof. Aangeraden wordt om het niet langer dan drie weken achter elkaar te gebruiken. Een paar blaadjes door de sla in het voorjaar kan natuurlijk best. Ga je gang!

Eindejaarsplantenjacht

In de winter, wanneer je als florist bij de kachel kunt zitten en je theoretische kennis kunt opkrikken, is er de Eindejaarsplantenjacht. Ik vind dat zo’n goed idee! Dank je wel Floron. Het idee schijnt uit Engeland overgewaaid te zijn. Gelukkig nu eens niet uit Amerika.
Elk jaar, dus nu al voor de vijfde keer, doet onze plantenwerkgroep in Zoetermeer mee. We gaan lekker lunchen en lopen daarna een uurtje, of zelfs iets langer. Voor de wetenschap!

De resultaten van het plantenjagen kan je lezen op www.plantenjacht.nl. Omdat onze groep altijd in de stad loopt vinden we altijd aardig wat soorten.
Madeliefje, Straatgras, Vogelmuur, Klein kruiskruid, Paardenbloem, Gewone melkdistel en Herderstasje vinden wij elk jaar en staan ook landelijk gezien nu weer in de top 10. Ook Grote ereprijs en Tuinwolfsmelk zien wij elk jaar en staan landelijk hoog. In Zoetermeer duiken verder altijd het Kruipklokje en de Bosveldkers op.

Een paar soorten uit de landelijke top 25 vonden wij dan weer niet, bijv. Boerenwormkruid, Jakobskruiskruid en Reukeloze kamille lieten het dit jaar bij ons afweten. Wat wij weer veel zagen: Harig knopkruid. Dat voelt zich heel erg thuis in Zoetermeer.
Enkele foto’s van onze plantenjacht op 28 december:

Rode klaver
Tuinviooltje
Harig knopkruid
Zelfs Kransgras vonden we bloeiend.

groen is gras….

Groen is gras, groen is gras, onder mijne voeten……. zo ging een kinderliedje vroeger. De zomer van 2018 was het gras niet meer zo groen. Zelfs bij de buren niet. Gelukkig staat er in een grasveld meestal heel wat meer dan alleen gras. Ik durf bijna niet te bekennen dat ik in een grijs verleden, ik kan het me ook bijna niet meer voorstellen, wel eens een onkruidverdelger over ons nieuwe gazonnetje heb gesproeid. Daar had ik al snel spijt van. In de jaren daarna heb ik getracht het weer goed te maken: ik zaaide Madeliefjes, strooide stukjes Draadereprijs; Paardenbloemen en Weegbree kwamen vanzelf. Wat ik ook nog wel zou willen hebben is het Klein kaasjeskruid (Malva neglecta).

Op een grasveldje bij mij in de buurt, zag ik tot mijn genoegen dat het Klein kaasjeskruid zich dit jaar flink aan het uitbreiden was, misschien bij gebrek aan gras. Het probeert nu de stoep ook te veroveren.

Klein kaasjeskruid is een kruiper.

Klein kaasjeskruid is de kruiper onder de kaasjeskruiden. De stengels liggen plat op de grond, soms stijgen ze wat op. Zijn naaste familieleden zijn een stuk hoger opgaande planten, met grotere en meestal ook meer gekleurde bloemen. Malva neglecta houdt het bij licht gekleurde bloemen, bloeiend in de zomer/herfst.
De naam kaasjeskruid is te begrijpen als je naar de vruchtjes kijkt, die op kleine ronde kaasjes lijken. De zaden liggen daar prachtig strak tegen elkaar in een cirkel.

Het ‘kaasje’ bestaat uit een cirkel zaden.

De bladeren van het Klein kaasjeskruid zijn niet zo ver ingesneden als die van de andere kaasjeskruidsoorten, maar gelobd.

Het grasveldje is een plek waar het Klein kaasjeskruid zich thuis voelt, vooral langs de randen en in de hoeken, waar het wordt bemest en bevochtigd door de honden. Als de grasmat beschadigd is ziet de plant zijn kans schoon, zoals deze zomer dus.

Oorspronkelijk uit zuidelijker streken komend, heeft dit kaasjeskruid het best naar zijn zin in Nederland. In Zoetermeer is het geen plant waar je over struikelt, maar in de loop der jaren is hij in bijna elk kilometerhok wel gestreept.

Nu maar eens wat zaad in mijn tuin strooien!

 

Waar een bedrijventerrein goed voor is

Dit jaar hebben we met onze plantenwerkgroep een thema: bedrijventerreinen. Dit heeft mij in ieder geval al een paar wandelingen door onbekend gebied opgeleverd. Ik wist niet dat er zoveel leegstaande panden, vergeten parkeervakken, rommelhoekjes en braakliggende veldjes op een bedrijventerrein te vinden zijn. Kortom, het blijken paradijsjes voor de florist!

Wij hoopten dat de wielen van vrachtwagens leuke soorten naar Zoetermeer zouden brengen. Maar we vonden nog geen nieuwe soorten; die blijken toch eerder in de woonwijken op te duiken. Auto’s van particulieren rijden natuurlijk ook net zo ver. Een soort die ons opviel omdat hij op diverse plekken uitbundig bloeide, is de Ronde ooievaarsbek (Geranium rotundifolium).

In Zoetermeer komt de Ronde ooievaarsbek al sinds de jaren ’90 voor. Regelmatig komen we hem tegen in de wijk maar meestal op een enkele groeiplek.
De kroonbladeren van deze ooievaarsbek zijn roze met een witte voet en niet ingesneden of ingestulpt. Z’n bladeren zijn niet zo ver ingesneden als bij andere ooievaarsbekjes. Verder heeft de plant klierharen en gewone haren, maar deze zijn korter dan bij de Zachte ooievaarsbek waardoor hij iets kaler oogt. Een onderscheidend kenmerk zijn de spitse paarse steunblaadjes.

detail bloem en steunblaadjes

Volgens de stadsplantengids van Ton Denters houdt deze plant van droge, zonnige en stenige plekken. Het is de meest warmteminnende ooievaarsbek in Nederland. Als ik dit schrijf is het overal al een tijd droog en zonnig en de eenjarige Ronde ooievaarsbek is allang verdroogd tussen de stenen. Maar het veranderende klimaat biedt goede kansen voor deze soort, en ik ben benieuwd hoeveel we er volgend jaar zien.

 

Steeds meer haar in de stad

Kaal (Galinsoga parviflora) en Harig knopkruid (Galinsoga quadriradiata) komen tegenwoordig algemeen voor in steden en dorpen. Het gaat om twee sterk op elkaar lijkende neofyten, beide afkomstig uit midden Amerika en ingeburgerd in Europa in de 19de eeuw.
De Heukels’ flora geeft aan dat beide soorten een voorkeur hebben voor open, vochtige tot droge, zandige grond. Omstandigheden die bepaald niet schaars zijn in een stad of dorp. De theorie leert ons dat van twee soorten die een zelfde ecologische niche bezetten er uiteindelijk  de concurrentie wint en de andere zal verdrijven. Het is niet erg waarschijnlijk dat dat in dit geval opgaat.

Kaal knopkruid op kale grond

In Zoetermeer inventariseren we al sinds het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw de stad op systematische wijze. Zowel Kaal als Harig knopkruid worden regelmatig gestreept (totaal zo’n 150 keer) al heb ik zelf de indruk dat we de laatste jaren nog maar zelden Kaal knopkruid aantreffen. Als we de periode 1993 – 2003 vergelijken met de periode 2004 – 2014 dan zien we dat de verhouding Kaal/Harig knopkruid in 20 jaar totaal gewijzigd is. Zie figuur hieronder.

Als we de groeiplaatsen van beide soorten nauwkeuriger vergelijken zien we in Zoetermeer wel degelijk verschillen. Kaal knopkruid prefereert vooral open grond en schuwt daarbij de zware Zoetermeerse klei niet. Harig knopkruid daarentegen heeft vooral de stenen ruimte weten te veroveren en profiteert zo optimaal van de warmte en de zandige condities die de stad biedt.
Als we de gewijzigde inrichtingseisen van de openbare ruimte door de jaren heen hierbij betrekken lijkt de toename van Harig ten koste van Kaal knopkruid een logisch gevolg hiervan. Veel open geschoffelde plantvakken hebben in de loop der jaren plaatsgemaakt voor verharding of groensoorten waarbij schoffelen niet noodzakelijk is. Dit als gevolg van de neiging van gemeenten om bezuinigingen af te wentelen op het beheer van de openbare ruimte. En daar profiteren soorten als Harig knopkruid dan weer van, met die kanttekening dat enige kruidengroei op de verharding getolereerd wordt.

Geschreven door Johan Vos.

Een bosplant in de stad

Geschiedenis lezen aan planten. Dat was de titel van een lezing op de FLORONdag in december 2017, door Piet Bremer. Nu houd ik best wel van geschiedenis èn van planten, dus was ik meteen geïnteresseerd. Bovendien deed de titel me onmiddellijk denken aan een gras in het centrum van Zoetermeer. Piet Bremer vertelde dat de flora in een gebied gerelateerd kan zijn aan gebeurtenissen uit het verleden. Bekend voorbeeld is natuurlijk de stinsenflora. Ik kijk niet gek op als ik sneeuwklokjes vind in het jonge Balijbos, net buiten Zoetermeer. Daar stonden vroeger boerderijen.

Midden in de stad, aan de ene kant de oude Dorpsstraat en aan de andere kant het nieuwe stadshart, staat aan de rand van een parkeerterrein, in het groen, een flinke hoeveelheid Reuzenzwenkgras (Festuca gigantea).

Als je denkt de grassen in Zoetermeer een beetje te kennen, kijk je heel raar op bij deze soort.

Reuzenzwenkgras is een behoorlijk fors gras, tot wel 1,5 m hoog, de bladschijven kunnen 50 cm lang zijn. Tijdens de bloei hangen de grote pluimen sterk over naar één kant. De glanzende bladeren draaien  een halve slag zodat halverwege het blad de onderkant juist de bovenkant wordt.

De bladschijf draait zich om zodat de onderkant boven komt.

Het is een bosplant die je in onze regio niet snel zult aantreffen.

De plek waar het Reuzenzwenkgras staat, heet in Zoetermeer: het Pastoorsbos. Het ‘bos’ ligt achter de katholieke kerk aan de Dorpsstraat, met een heel klein kerkhofje er aan vast. En dit gras is het bewijs dat hier al heel lang een bos is! Het leuke aan deze plek is dat de grond daar eeuwenoud is. Vanwege de bijzondere situatie is het veen hier nooit afgegraven, en is deze plek godzijdank ontsnapt aan de nieuwbouw. Dit soort plekken hebben we maar weinig in Zoetermeer, maar je vindt er de leukste planten.

Waar het Pastoorsbos ook helemaal vol mee stond: Sneeuwklokjes. Helaas moest het bosje vorig jaar worden ’aangepakt’, en is het inmiddels omgevormd tot een modern parkje. De Sneeuwklokjes zijn helaas flink in aantal achteruit gegaan. Hopelijk herstellen ze zich snel.

Tja, de plant waar het hier om gaat is dus eigenlijk helemaal geen stadsplant. Maar wel een leuke vondst in een historisch stukje van de stad. En zulke historische plekjes horen er toch ook bij?

De bloeiwijze.

 

 

Een woekerende exoot in parken en jonge bossen

Gastschrijver is Johan Vos, voormalig stadsecoloog in Zoetermeer, die oneindig veel kan vertellen over de herkomst van het groen in onze stad.

Graag uw aandacht voor een struik die in het verleden nogal populair was bij gemeentelijke groendiensten. In de jaren ’70 van de vorige eeuw was het aanplanten van snelgroeiende inheemse bomen en struiken, het zogenaamde bosplantsoen, een middel om de vele nieuwbouwwijken te vergroenen. Dat sortiment werd hier en daar verrijkt met exoten waarvan men vond dat ze extra sierwaarde toevoegden. Een van die soorten was een kornoelje met fel rode takken en blauw-witte bessen.
Begin jaren ’80 werd deze soort in het snel groeiende Zoetermeer veelvuldig toegepast in parken en wijkgroen. Ook al in die tijd vond ik, vooral aan oevers van sloten en singels, regelmatig verwilderde exemplaren.
Wat ik me uit die tijd herinner is dat er toen veel Cornus alba werd besteld, een soort waarvan het natuurlijk areaal zich uitstrekte van Noord-Europa en Noord-Azië tot aan de Bering Straat.
Een er sterk op lijkende en nauw verwante soort is de Canadese kornoelje (Cornus sericea), een uit Noord-Amerika afkomstige sierstruik. Deze soort kan zich in korte tijd agressief uitbreiden doordat de takken gaan liggen en wortel schieten. Dat ook deze kornoeljesoort in Zoetermeer is aangeplant lijkt aannemelijk, maar wat we nu aan spontaan optredende kornoeljes met witte bessen tegenkomen is nauwelijks nog te herleiden tot een van beide soorten.
Feit is dat het ge-extensiveerde beheer van jonge bossen en parken in en om Zoetermeer gedurende de laatste decennia heeft bijgedragen aan de verspreiding van deze invasieve exoot.

Spontane Cornus sericea sl. in de oeverzone van een talud

Zo maakt de Cornus sericea sl. in het Balijbos ten westen van Zoetermeer tegenwoordig een belangrijk deel uit van de zich daar spontaan ontwikkelende struwelen. Ik eindig dit artikel dan ook graag met een citaat van Eddy Weeda uit de Ecologische Flora dl 2: “het is raadzaam dit gewas vooral niet in de buurt van natuurterreinen aan te planten”.

Bleekgele droogbloem

Toen ik de Bleekgele droogbloem leerde kennen vond ik de naam zo apart, dat ik hem nooit meer vergeten ben. Waren alle namen maar zo duidelijk! Ik denk dat ik het ook eigenlijk een vreemde naam vond, zelden wordt een plant zo precies beschreven met zijn naam. Hij is bleek, heeft een ietsepietsie geel, en hij schijnt leuk te zijn als droogbloem.
De wetenschappelijke naam is Gnaphalium luteo-album. ‘Gnaphalium’ komt uit het Grieks en betekent: gekaarde wol. Dit duidt het uiterlijk van de plant wel enigszins aan, hoewel gevilte wol dan beter in de buurt komt. ‘Luteo-album’ betekent letterlijk ‘geel-wit’. 

de bloemtrosjes van Bleekgele droogbloem

De plant doet een beetje ielig aan, omdat de stengels niet vertakt zijn en maar kleine blaadjes hebben. De hele plant is witviltig behaard, en zelfs een nieuw rozetje valt daarom al meteen op.
Aan de top van de stengeltjes bevinden zich kluwentjes van bloemhoofdjes. Deze hebben alleen buisbloemen, die iets roodachtig zijn.

Bleekgele droogbloem houdt van zandige, stenige grond op een zonnig plekje. Vroeger zocht hij daarvoor de duinen op, en zandgebieden in het binnenland. Sinds een jaar of veertig heeft hij de stad ontdekt als nieuw biotoop. Hij doet het goed in de bestrating. Ik kan me zo voorstellen dat met de nog immer toenemende verharding van de steden, de plant zich nog verder uit zal breiden.

de buisbloemen zijn iets roodachtig

Zoetermeer volgt het landelijke beeld wat deze plant betreft. In de jaren ’80 was het een zeldzaamheid, daarna een gigantische opmars en tegenwoordig komt hij redelijk algemeen voor. In de helft van de kilometerhokken van Zoetermeer is de plant al aangetroffen. Wij vinden hem vaak op parkeerterreinen en soms op de stoep of in de goot.

Vreemd genoeg zien wij de Moerasdroogbloem in Zoetermeer tegenwoordig veel minder vaak. Hoe zou dat in andere steden zijn?

 

 

Het geluk ligt soms op straat

Wie kent dit plantje niet? Als kamerplant dan weliswaar. Maar het is ook op straat te vinden!

Slaapkamergeluk is een plant uit de Brandnetelfamilie, een familie met in Nederland maar drie geslachten. In tegenstelling tot zijn neef de Brandnetel is dit een zeer aaibaar plantje, dat zijn geluk dus ook op straat blijkt te zoeken.

Slaapkamergeluk komt oorspronkelijk voor in het westelijk Middellands Zeegebied. Op Corsica schijnt het volop te staan, en ja, zelfs zo’n aandoenlijk plantje kan daar een plaag worden.
Slaapkamergeluk houdt niet van de volle zon, maar doet het goed op een koele, beschaduwde plek. Precies waar je je slaapkamer ook zou situeren, en daar heeft de plant zijn naam aan te danken.
En natuurlijk heeft hij een voorkeur voor de stenen in de stad, het blijft daar meestal een beetje vochtig, en in de winter heeft hij minder snel kans op bevriezen. De plant is namelijk niet erg winterhard. In Nederland vind je hem het meest in het westen van ons land, daar is het toch net iets warmer. En buiten de stad komt hij nog niet voor.

Een jaar of 20 geleden dook het plantje voor het eerst op in Nederland, sindsdien breiden de vindplaatsen zich uit. In Zoetermeer vonden we het voor het eerst in 2005, en laatst kwamen we het weer tegen, in een wijk uit de jaren 70. We waren er blij mee, ook in een jonge stad kunnen we deze echte stadsplanten tegenkomen! Er stonden in deze wijk trouwens veel ‘ontsnapte’ tuinplanten op straat.

Het kruipt over straat en probeert tegen een muur op te klimmen.

Met zijn zeer dunne stengeltjes kruipt Slaapkamergeluk over de stoep. Het plantje lijkt een voorkeur te hebben voor de overgang straat-muur.
Als kamerplant is hij makkelijk te stekken, leg wat stengeltjes op de aarde en hou het vochtig, en zie, er worden makkelijk nieuwe worteltjes gevormd. Zo ook op straat dus, en voor je het weet woekert het flink.

Tot nu toe plant hij zich alleen vegetatief voort maar misschien is dat, gezien het opwarmend klimaat, slechts een kwestie van tijd.