Home » Archieven voor augustus 2020

Maand: augustus 2020

Wat een naam!

Tijdens mijn dagelijkse ronde als postbode in Gouda kom ik dit plantje gedurende bijna het hele jaar tegen, Harig knopkruid (Galinsoga quadriradiata). Nu is er al een heleboel geschreven door mijn medeauteurs over Harig knopkruid dus over de plant zelf gaat dit keer het artikel niet. Wel over de wetenschappelijke naam. Niet de Latijnse naam zoals iedereen zegt, want vaak is de oorsprong van de naam ook Grieks, Italiaans, Arabisch etc.

Het systeem van de zogenaamde dubbele nomenclatuur (naamgeving), zoals bij Galinsoga quadriradiata,  is bedacht door Carl Linnaeus. Hij werd geboren in 23 mei 1707 in Uppsala in Zweden. Dankzij die wetenschappelijke naamgeving is het nu mogelijk zonder woordenboek of meertalige flora internationaal te praten/chatten of appen over dezelfde plant. Want deze plant heeft in elk land zijn eigen naam. Bijvoorbeeld:  

Engeland:    Shaggy-soldier, Fringed quickweed

Frankrijk:      Galinsoga ciliée

Duitsland:     Behaartes Franzosenkraut

Italië:             Galinsoga ispida

Sweden:        Hårgängel

Noorwegen:   Nesleskjelfrø

Denemarken: Kirtel-Kortstråle

De uitleg wat deze namen betekenen vindt u op https://www.plantennamen.info/nederlandse-namen/harig-knopkruid-galinsoga-quadriradiata.   Linnaeus heeft bij planten goed gekeken naar uiterlijke eigenschappen, stengel, aantal kroonblaadjes, hoeveelheid stampers etc. Natuurlijk heeft hij dit niet in een keer bedacht. Het was een heel proces met best veel tegenwerking van kerk, wetenschap en concurrenten. Er zijn vele boeken over hem geschreven. Eentje wil ik graag noemen. Een boek dat ik in een museumwinkel kocht. Het heet ‘Linnaeus.De ordening van plant en dier’ ISBN 9789085710721.

Linnaeus ontkwam er niet aan mensen te eren die op floristisch gebied iets extra’s had gedaan. Zoals Galinsoga, het eerste deel van de wetenschappelijke naam. Dit komt van Ignacio Mariano de Galinsoga (1766-1797). Deze Spaanse arts aan het hof was ook beheerder van de botanische tuinen in Madrid.  Een ander voorbeeld is de Waterlobelia (Lobelia dortmanna). Deze plant is vernoemd naar de Franse botanist Matthias de L’obel, een inwoner van Lille, hij stierf in Londen in 1616. Dortmanna komt van de Groningse apotheker die de plant ontdekt heeft, Jan Dortman. Twee eerbewijzen in één plantennaam! Ook kon plant vernoemd worden naar een heilige. Linneaus was als wetenschapper toch gelovig. Een voorbeeld is, overigens een echte stadsplant,  Robertskruid (Geranium robertianum) Deze naam komt van de heilige Robert de Molesme of Ruprecht, de stichter van de Cistercienorde in de elfde eeuw (1098). Dit omdat hij op de geneeskrachtige werking (bloedstelpend) van de plant geattendeerd heeft.

Dan het tweede gedeelte van de naam: de soortaanduiding. Quadriradiata komt van quadrirem (Latijn) en betekent “met vier rijen” dat zou duiden op vier straalbloemen. Echter Knopkruid heeft altijd vijf straalbloemen, dus waarom dit is weet ik niet en is ook nergens vermeld. Linneaus zag niet goed of hij bedoelde iets anders. Als iemand het weet, mag die het zeggen.

Plat beemdgras aan de Wellekade

Plat maar toch niet in de beemd

Beemd is een Nederlands begrip dat ver teruggaat in de geschiedenis en volgens het etymologisch woordenboek een samenvoegsel is van ‘ban’ en ‘made’. Niet meer gebruikte woorden voor respectievelijk rechtsgebied en weide. Dat samengevoegd wordt het een gemeenschappelijke weide, meestal gelegen naast een waterloop (bron: etymologiebank.nl).

Beemd is echter ook een deel van een geslachtsnaam, te weten Beemdgras als Nederlandse naam en Poa voor de wetenschappelijke aanduiding. Poa is een vrij groot geslacht met ca. 500 soorten die vooral in de gematigde streken van beide halfronden te vinden zijn. Veelvuldig in die beemden, denk aan Ruw beemdgras en Veldbeemdgras. Nu is beemd niet direct een landschapstype dat je in de stad vind. Toch zijn er diverse soorten die geregeld in de stad te vinden zijn. Straatgras (Poa annua) is de bekendste.  Het is een eenjarig beemdgras en werkelijk overal te vinden.

Er zijn ook meerjarige beemdgrassen; één daarvan is Plat beemdgras (Poa compressa). De soort is gebonden aan matig voedselrijke, basische en kalkhoudende, vaak stenige grond. Limburg en langs de rivieren, zijn de plaatsen waar Plat beemdgras te vinden is. En op spoorwegen en in steden. In steden is het o.a. op muren te vinden.

Plat beemdgras verdraagt maaien slecht en dat is nu net wat er op de meeste muren niet echt gebeurd. In Deventer zijn diverse plaatsen te vinden waar Plat beemdgras soorten als de Muurbloem (Erysimum cheiri) en Muurvaren (Asplenium ruta-muraria) begeleidt. O.a. aan de Wellekade, de kademuur waar ook de IJssel regelmatig, bij hoog water, zijn invloed doet gelden. Ook op en naast het ballastbed van een deel van een oude spoorlijn is veel Plat beemdgras te vinden.

Detail van bladschede van Plat beemdgras
Detail van bladschede van Plat beemdgras

Het herkennen van grassen wordt over het algemeen als moeilijk ervaren en sommige floristen wagen zich dan ook niet aan grassen. Plat beemdgras is m.i.

Plat beemdgras
Plat beemdgras (habitus) op een stoeprandje naast een oude spoorweg.

toch wel één van de gemakkelijk te herkennen soorten, zeker binnen het geslacht Poa. Plat beemdgras is te herkennen aan de blauwachtige kleur en zeker aan de bloeistengel, die sterk is afgeplat. Verder is de bloeiwijze vrij compact, met korte aren. Opvallend is ook dat bladschede van het bovenste blad even lang of langer is dan het blad.

Plat beemdgras is inheems in Eurasië en gedraagt zich buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied als een invasieve exoot, althans volgens USDA. Andere bronnen zijn meer lovend over de soort die in de VS en Canada ‘Canada bleugrass’ wordt genoemd. Zo wordt het uitgezaaid samen met vlinderbloemigen om voormalige mijnbouwgrond te herplanten en tevens wordt het gebruikt als plant om erosie langs wegen, dammen en recreatiegebieden tegen te gaan. Die andere, meestal niet zo goed zichtbare, eigenschap van Plat beemdgras wordt dus zeer gewaardeerd. Plat beemdgras vormt namelijk een dichte wortelmat en er zijn blijkbaar prima ervaringen opgedaan ter voorkoming van erosie. Ondanks dat het een invasieve soort is in de VS en Canada, is de Fire Effects Information System wel te spreken over Plat beemdgras.

Van nederzettingenflora naar stadsflora

De roots van onze stadsflora liggen in een ver verleden. De introductie van allerlei ‘vreemde’ soorten vindt sinds mensenheugenis plaats. Cultuurgewassen gingen daarbij voorop; al in de Nederlandse Prehistorie – van 5400 v.C. tot 12 v.C. – maakten ze hun entree met onbedoeld ook hun begeleidende onkruiden. In oude bodems ligt de identiteit van deze ‘eerste- uurs-nutsplanten’ opgesloten in de vorm van plantenresten. Die bleven behouden, veelal in verkoolde, maar nog wel herkenbare toestand. Soms zorgen met water verzadigde gronden en verstening (fossilisatie) voor conservering. De oude, gefixeerde plantenresten kunnen in principe bij elke opgraving aan het licht komen. Het opsporen en herkennen van botanische resten is een volwaardige discipline; het werk van een archeobotanicus.

Emmer Triticum dicoccum De Tournefort’s (1719) Institutiones Rei Herbariae

Uit dit specialistisch onderzoek weten we deels hoe het er rond 5400 v.C. aan toe ging. Onze eerste boeren teelden op lössgronden. Ze woonden in grote, goed gebouwde boerderijen en teelden granen als: Emmer (Triticum dicoccum) en Eenkoorn (Triticum monococcum), alsook peulvruchten: Erwt (Pisum sativum) en Linze (Lens culinaris) en oliehoudende zaden: Lijnzaad (Linum usitatissimum) en Maanzaad oftewel Slaapbol (Papaver somniferum). De vlasplant leverde daarnaast vezels. Al deze planten, met uitzondering van het maanzaad, komen oorspronkelijk uit het Nabije Oosten, waar ze enkele millennia eerder uit hun daar in het wild voorkomende voorouders, waren ontstaan. De eerste boeren woonden dicht op elkaar. De boeren hadden in die tijd al te kampen met onkruid en wel met een assortiment waarin Dreps, Melganzenvoet, Zwaluwtong en Akkerkool een hoofdrol speelden. Dreps hoort tegenwoordig tot onze zeldzaamste akkeronkruiden.

Bilzekruid in breed historisch perspectief

De Romeinse tijd [i] – van 12 v.C tot begin 5e eeuw – bracht nauwelijks nieuwe voedingsgewassen, maar wel ‘luxe’ zaken: fruit, groenten, kruiden en enkele sierplanten waaronder Muurbloem (Erysimum cheiri). Het is ook de periode waarin de kennis van medicinale wilde planten − uit de eigen omgeving – groeit en die in de Middeleeuwen tot volle wasdom komt. Tot onze vroegste geneeskruiden horen: Sint-Janskruid, Groot kaasjeskruid, Gewone smeerwortel, IJzerhard en Bilzekruid. Het zaad van Bilzekruid met een geestverruimende werking, werd in vroegere tijden onder meer gebruikt als slaapmiddel en als ‘heksenzalf’. Volksnamen, die hieraan refereren zijn Dolkruid en Malwillempjeskruid. Bij opgravingen van het West-Friese dorpje Almersdorp, dat eind van de Middeleeuwen verdween, werden in een laag met verkoolde graanresten opvallend veel zaden van Bilzekruid gevonden met in mindere mate ook Melganzenvoet, Zwarte mosterd en Kleine brandnetel. Mogelijk werd de soort bewust gekweekt, maar het zou ook als onkruid kunnen zijn opgekomen. Het waren betere tijden voor Bilzekruid; tegenwoordig is het zeldzaam, bedreigd en  een Rode Lijstsoort.

Botanische tekening Bilekruid / Bron: Franz Eugen Köhler, Köhler’s Medizinal-Pflanzen

Bilzekruid; bedreigde stadsplant

Bilzekruid huist in steden op verdwijnende plekken. De plant is gebonden aan zeer voedselrijke, kalkhoudende, verstoorde, stenige bodems. Het verpoost op puinplekken en in rommelige overhoeken, die meer en meer worden opgeruimd. In onze contreien komt Bilzekruid zeker sinds de Romeinse tijd, en vermoedelijk al langer, voor. De soort is in ons laagland altijd een bijzonderheid geweest, maar de laatste decennia gaat het gestaag achteruit. In binnensteden komt Bilzekruid her en der te voorschijn op plaatsen waar oudbouw is gesloopt. Het zijn kortdurende manifestaties. Een definitief verlies van deze fraaie soort in onze steden dreigt. Waar Bilzekruid in de verdrukking zit, is er perspectief voor Wit bilzekruid (Hyoscyamus albus). Het is een typisch mediterrane soort, die zich koestert in de zon op en aan muren. Het prefereert daarbij de muurvoet, waar het imposant opbloeit. Het is precies de plek waar hij zich bij ons tentoonspreidt. In 1980 was er een eerste vondst in Doetinchem, recent volgden Brussel, Amsterdam, Den Haag met Coevorden als laatste ‘toevoeging’. Op deze prille plekken zaait hij zich ook uit; het is wellicht de opmaat naar een echte doorbraak in onze steden.

Info: bloeitijd / zeldzaam & achteruitgaand / hoogte / archeofyt / stadsafhankelijk (Uit: Stadsflora van de Lage Landen, Fontaine uitgevers 2020)

De verschillen: Bilzekruid heeft zittende, onderin iets gesteelde bladeren. De bloemkroon is eenkleurig geel, met paasachtige adering. De bladeren bij Wit bilzekruid zijn alle gesteeld, de bloemkroon crèmekleurig tot lichtgeel zonder gekleurde adering.

Wit bilzekruid / Foto Rutger Barendse

[i] Voor Nederland begint de Romeinse periode in 12 v.Chr. toen heel het land door Druses, generaal onder keizer Augustus, was onderworpen, een heerschappij die tot het begin van de 5e eeuw duurde.

Avant-garde

Planten zijn een beetje mijn dada. De dada van mijn dada zijn deze die onverwacht komen te groeien in de stad, fabrieksterreinen, autostrades, puinhopen ..… Planten waarvan men graag zegt: “die horen hier niet thuis”. Het feit dat ze er gezond en wel groeien, bewijst het tegendeel.

Naar Fijn venushaar was ik al lang heimelijk op zoek. Hij was reeds gevonden in Gent, Antwerpen, Veurne …. maar ik bleef op mijn honger zitten. Gisteren kneep ik in Brugge ter hoogte van een gevel van een statig herenhuis, de remmen dicht voor een verwilderde Tuinlobelia -ook mooi- en toen werden mijn ogen alsmaar groter voor iets dat in het keldergat groeide. Fijn venushaar (Adiantum raddianum).  Een betere naam is amper mogelijk voor deze plantgeworden elegantie.

Tuinlobelia

Fobie voor exoten is mij vreemd, tenzij ze van een andere planeet zouden komen. Een status quo in de evolutie bestaat enkel in de hoofden van mensen. Een status quo is voor reservaten. Ik heb respect voor reservaten. Alhoewel, ze doen mij ook een beetje te veel denken aan indianenreservaten.

Geef mij maar natuur die zich géén ballen aantrekt van al te theoretische afbakeningen. Het is zó veel boeiender en eigenlijk zó veel echter. Voor wie wil, dit is fascinerende lectuur : “Reizend groen” van Stefano Manusco. Onder andere.  De manier waarop planten en dieren in het menselijk vehikel dé ideale transportgelegenheid zien is al een fascinerende gebeurtenis op zich.

Terug naar het Fijn venushaar. Waar komt dit plantje oorspronkelijk vandaan ? In ieder geval van onze planeet. Beetje concreter : uit Zuid-Amerika ! Heeft zich ondertussen over alle tropische gebieden van de wereld verspreid. En het lukt ook in onze steden, die, naar het voorkomen van andere soorten te zien, vaak fungeren als subtropische oases binnen onze koelere streken. Hoewel, de laatste tijd zijn ze wat minder koeler, onze streken.

Fijn venushaar op een onverwachte plek

Wikipedia is ondertussen hopeloos achterhaald : “De soort is in België en Nederland verwilderd aangetroffen, onder andere op oude muren, zoals in Antwerpen, Brussel, Gent, Delft en mogelijk in Utrecht. “ Het groeit dus wel degelijk ook in Brugge !  Echt venushaar (Adiantum capillus-veneris) is ook te vinden in Brugge. Op de muur van een spoorwegbrug. Tamelijk open en bloot. Ze werd er voor het eerst gevonden door Filip Verloove. Sindsdien ga ik er wel eens op bedevaart.

Voor de verschillen tussen beide soorten verwijs ik naar de vakliteratuur. Het zit ‘m in de vorm van de sporenhoopjes én de plaats waar de nerven eindigen aan de bladrand.  Qua habitat komen ze ook overeen : op de bodem of op steen, maar Fijn venushaar heeft wel een voetje voor omdat het ook kan groeien op silicaatrijke gesteenten zoals graniet. Echt venushaar heeft daar dus blijkbaar wat moeite mee. In Brugge althans zijn de groeiplaatsen van de beide soorten echt wel verschillend. Hoe dan ook, ze groeien.

Met dank aan de wilde Tuinlobelia.

 

 

Mariadistel

Een braakliggend terrein in de wijk Heuvel in Breda is een ‘lustoord’ voor stadsplantenliefhebbers.  Twee jaar geleden stonden er nog flats met mooie achtertuinen. Uit zaden en worteldelen van voormalige tuinplanten kwam en komt na de sloop van alles tevoorschijn. Zie ook de bijdrage van 8 maart jl. over tuinbingelkruid.  In april ontdekte ik daar een Mariadistel (Silybum marianum). Niet helemaal nieuw voor Breda want in 2013 was er al een exemplaar gevonden in de omgeving van het station. Zie https://www.stadsplantenbreda.nl/.

Hele plant half april

De mariadistel behoort niet tot onze inheemse flora. In de Heukels wordt de plant als adventief aangemerkt. Het is een uit Zuid-Europa afkomstige composiet. De mariadistel geniet vooral bekendheid in de kruidengeneeskunde. Uit de vruchtwand van het nootje worden stoffen voor medicinaal gebruik gewonnen. De stof ‘silymarine’ wordt gebruikt bij chronische leverkwalen. In de literatuur kun je veel uiteenlopende toepassingen tegenkomen.  In het boek ‘Lexicon der geneeskruiden’ van M. Uyldert staat het volgende: “Het kruid doet de koorts zakken en opent alle kanalen”. Dat is dus oppassen geblazen. Behalve als geneeskruid wordt de Mariadistel ook als voedsel gebruikt. Jonge bladeren kunnen op dezelfde manier als spinazie gegeten worden en jonge stengels op dezelfde manier als asperges. Het bloemhoofdje kan, net als artisjokken, ook gegeten worden.  In verschillende landen, waaronder Frankrijk, wordt de plant akkerbouwmatig geteeld. Soms wordt de mariadistel als sierplant gebruikt.Normaal bloeit de mariadistel in juli en augustus. Dat ‘ons’ exemplaar al in april bloeide heeft wellicht te maken met de zachte winter. Intussen heeft dit exemplaar al rijpe zaden.

Uitgebloeid eind juli

De naam van de plant heeft te maken met de legende dat de witte vlekken op de bladeren veroorzaakt zouden zijn door de melk van de Heilige Maagd.

 

Buitenbeentje moerasanemoon

Van sommige planten is op het eerste gezicht duidelijk dat het een buitenbeentje is. Mijn collegaspeurder stadsplanten riep: cornus! Dat is helemaal niet zo gek, want de bloem met dat merkwaardige wit en het verheven centrum, doen denken aan Cornus causa. Zelf had ik twijfels en kouwde op een halfvergeten herinnering. Thuis was het raadsel betrekkelijk snel opgelost: moerasanemoon (Houttuynia cordata). Ik was hem jaren geleden al eens tegengekomen, ook al op een vreemde beschaduwde plek, waar niets anders wilde groeien. Tot mijn verbazing is de plant nu opgenomen in de nieuwe Heukels met de aanduiding ‘invasief 3’. Dit houdt in dat hij op Global Invasive Species Database (GISD) staat.

Bloemen steken opvallend af tegen het blad

Een korte speurtocht op internet naar de verschrikkingen van deze plant, leverde vooral klaagzangen op van tuineigenaren die de plant niet meer verwijderd kregen. Kent u zevenblad? De moerasanemoon heeft een vergelijkbare truc in huis: elk worteldeeltje kan weer uitgroeien. Daarbij heeft de plant nog twee andere sterke punten: hij kan zowel in water als op land groeien en in de schaduw en in de zon.

Ik heb een paar landen gevonden waar hij lastig is buiten de tuinen: Engeland, Noord-Amerika en Zuid-Afrika.

Verspreidt zich via wortelstokken

De moerasanemoon behoort tot de kleine familie Saururaceae met maar zes soorten. Als u vindt dat de plant er primitief uitziet, heeft u helemaal gelijk. Hij behoort tot de groep waar ook de magnolia’s bij horen, en dat zijn zo ongeveer de eerste bloemplanten.

De familienaam ‘saururaceae’ komt van ‘saura’= hagedis en ‘oura’ = staart. De naamgever heeft een blijkbaar een ander familielid voor ogen gehad. De geslachtsnaam ‘Houttuynia’ verwijst naar M. Houttuyn (Hoorn 1720-1794) die ‘Systema Natura’ van Linnaeus in het Nederlands vertaalde. De soortaanduiding ‘cordata’ = hart en verwijst naar het onmiskenbaar hartvormige blad.

Blad is onmiskenbaar hartvormig

In de handel zijn ook vormen met bont blad. Overweegt u de plant in uw tuin te zetten, dan kan het geen kwaad de wortels in te sluiten, zoals bij bamboe. U kunt ook nog proberen hem weg te eten. De jonge scheuten worden gegeten en hij staat op de lijst van van permacultuur. U heeft er hoe dan ook een buitenbeentje bij.

Vorm met bont blad