Home » Archieven voor augustus 2020

Maand: augustus 2020

Avant-garde

Planten zijn een beetje mijn dada. De dada van mijn dada zijn deze die onverwacht komen te groeien in de stad, fabrieksterreinen, autostrades, puinhopen ..… Planten waarvan men graag zegt: “die horen hier niet thuis”. Het feit dat ze er gezond en wel groeien, bewijst het tegendeel.

Naar Fijn venushaar was ik al lang heimelijk op zoek. Hij was reeds gevonden in Gent, Antwerpen, Veurne …. maar ik bleef op mijn honger zitten. Gisteren kneep ik in Brugge ter hoogte van een gevel van een statig herenhuis, de remmen dicht voor een verwilderde Tuinlobelia -ook mooi- en toen werden mijn ogen alsmaar groter voor iets dat in het keldergat groeide. Fijn venushaar (Adiantum raddianum).  Een betere naam is amper mogelijk voor deze plantgeworden elegantie.

Tuinlobelia

Fobie voor exoten is mij vreemd, tenzij ze van een andere planeet zouden komen. Een status quo in de evolutie bestaat enkel in de hoofden van mensen. Een status quo is voor reservaten. Ik heb respect voor reservaten. Alhoewel, ze doen mij ook een beetje te veel denken aan indianenreservaten.

Geef mij maar natuur die zich géén ballen aantrekt van al te theoretische afbakeningen. Het is zó veel boeiender en eigenlijk zó veel echter. Voor wie wil, dit is fascinerende lectuur : “Reizend groen” van Stefano Manusco. Onder andere.  De manier waarop planten en dieren in het menselijk vehikel dé ideale transportgelegenheid zien is al een fascinerende gebeurtenis op zich.

Terug naar het Fijn venushaar. Waar komt dit plantje oorspronkelijk vandaan ? In ieder geval van onze planeet. Beetje concreter : uit Zuid-Amerika ! Heeft zich ondertussen over alle tropische gebieden van de wereld verspreid. En het lukt ook in onze steden, die, naar het voorkomen van andere soorten te zien, vaak fungeren als subtropische oases binnen onze koelere streken. Hoewel, de laatste tijd zijn ze wat minder koeler, onze streken.

Fijn venushaar op een onverwachte plek

Wikipedia is ondertussen hopeloos achterhaald : “De soort is in België en Nederland verwilderd aangetroffen, onder andere op oude muren, zoals in Antwerpen, Brussel, Gent, Delft en mogelijk in Utrecht. “ Het groeit dus wel degelijk ook in Brugge !  Echt venushaar (Adiantum capillus-veneris) is ook te vinden in Brugge. Op de muur van een spoorwegbrug. Tamelijk open en bloot. Ze werd er voor het eerst gevonden door Filip Verloove. Sindsdien ga ik er wel eens op bedevaart.

Voor de verschillen tussen beide soorten verwijs ik naar de vakliteratuur. Het zit ‘m in de vorm van de sporenhoopjes én de plaats waar de nerven eindigen aan de bladrand.  Qua habitat komen ze ook overeen : op de bodem of op steen, maar Fijn venushaar heeft wel een voetje voor omdat het ook kan groeien op silicaatrijke gesteenten zoals graniet. Echt venushaar heeft daar dus blijkbaar wat moeite mee. In Brugge althans zijn de groeiplaatsen van de beide soorten echt wel verschillend. Hoe dan ook, ze groeien.

Met dank aan de wilde Tuinlobelia.

 

 

Mariadistel

Een braakliggend terrein in de wijk Heuvel in Breda is een ‘lustoord’ voor stadsplantenliefhebbers.  Twee jaar geleden stonden er nog flats met mooie achtertuinen. Uit zaden en worteldelen van voormalige tuinplanten kwam en komt na de sloop van alles tevoorschijn. Zie ook de bijdrage van 8 maart jl. over tuinbingelkruid.  In april ontdekte ik daar een Mariadistel (Silybum marianum). Niet helemaal nieuw voor Breda want in 2013 was er al een exemplaar gevonden in de omgeving van het station. Zie https://www.stadsplantenbreda.nl/.

Hele plant half april

De mariadistel behoort niet tot onze inheemse flora. In de Heukels wordt de plant als adventief aangemerkt. Het is een uit Zuid-Europa afkomstige composiet. De mariadistel geniet vooral bekendheid in de kruidengeneeskunde. Uit de vruchtwand van het nootje worden stoffen voor medicinaal gebruik gewonnen. De stof ‘silymarine’ wordt gebruikt bij chronische leverkwalen. In de literatuur kun je veel uiteenlopende toepassingen tegenkomen.  In het boek ‘Lexicon der geneeskruiden’ van M. Uyldert staat het volgende: “Het kruid doet de koorts zakken en opent alle kanalen”. Dat is dus oppassen geblazen. Behalve als geneeskruid wordt de Mariadistel ook als voedsel gebruikt. Jonge bladeren kunnen op dezelfde manier als spinazie gegeten worden en jonge stengels op dezelfde manier als asperges. Het bloemhoofdje kan, net als artisjokken, ook gegeten worden.  In verschillende landen, waaronder Frankrijk, wordt de plant akkerbouwmatig geteeld. Soms wordt de mariadistel als sierplant gebruikt.Normaal bloeit de mariadistel in juli en augustus. Dat ‘ons’ exemplaar al in april bloeide heeft wellicht te maken met de zachte winter. Intussen heeft dit exemplaar al rijpe zaden.

Uitgebloeid eind juli

De naam van de plant heeft te maken met de legende dat de witte vlekken op de bladeren veroorzaakt zouden zijn door de melk van de Heilige Maagd.

 

Buitenbeentje moerasanemoon

Van sommige planten is op het eerste gezicht duidelijk dat het een buitenbeentje is. Mijn collegaspeurder stadsplanten riep: cornus! Dat is helemaal niet zo gek, want de bloem met dat merkwaardige wit en het verheven centrum, doen denken aan Cornus causa. Zelf had ik twijfels en kouwde op een halfvergeten herinnering. Thuis was het raadsel betrekkelijk snel opgelost: moerasanemoon (Houttuynia cordata). Ik was hem jaren geleden al eens tegengekomen, ook al op een vreemde beschaduwde plek, waar niets anders wilde groeien. Tot mijn verbazing is de plant nu opgenomen in de nieuwe Heukels met de aanduiding ‘invasief 3’. Dit houdt in dat hij op Global Invasive Species Database (GISD) staat.

Bloemen steken opvallend af tegen het blad

Een korte speurtocht op internet naar de verschrikkingen van deze plant, leverde vooral klaagzangen op van tuineigenaren die de plant niet meer verwijderd kregen. Kent u zevenblad? De moerasanemoon heeft een vergelijkbare truc in huis: elk worteldeeltje kan weer uitgroeien. Daarbij heeft de plant nog twee andere sterke punten: hij kan zowel in water als op land groeien en in de schaduw en in de zon.

Ik heb een paar landen gevonden waar hij lastig is buiten de tuinen: Engeland, Noord-Amerika en Zuid-Afrika.

Verspreidt zich via wortelstokken

De moerasanemoon behoort tot de kleine familie Saururaceae met maar zes soorten. Als u vindt dat de plant er primitief uitziet, heeft u helemaal gelijk. Hij behoort tot de groep waar ook de magnolia’s bij horen, en dat zijn zo ongeveer de eerste bloemplanten.

De familienaam ‘saururaceae’ komt van ‘saura’= hagedis en ‘oura’ = staart. De naamgever heeft een blijkbaar een ander familielid voor ogen gehad. De geslachtsnaam ‘Houttuynia’ verwijst naar M. Houttuyn (Hoorn 1720-1794) die ‘Systema Natura’ van Linnaeus in het Nederlands vertaalde. De soortaanduiding ‘cordata’ = hart en verwijst naar het onmiskenbaar hartvormige blad.

Blad is onmiskenbaar hartvormig

In de handel zijn ook vormen met bont blad. Overweegt u de plant in uw tuin te zetten, dan kan het geen kwaad de wortels in te sluiten, zoals bij bamboe. U kunt ook nog proberen hem weg te eten. De jonge scheuten worden gegeten en hij staat op de lijst van van permacultuur. U heeft er hoe dan ook een buitenbeentje bij.

Vorm met bont blad