Home » Archieven voor november 2020

Maand: november 2020

Muurganzenvoet, of liever boomspiegelganzenvoet?

Gisteren wilde ik na een bezoek aan Meijendel even langs het Centraal Station gaan om een typisch Haagse stadsplant te bezoeken, namelijk de Muurganzenvoet (Chenopodiastrum murale). Helaas bleek de stoep voor het station grondig schoongemaakt en was de plant verdwenen. Dat is het “trieste lot” van de stadsflorist: zo staat ergens een bijzondere plant en zo is hij weer weggevaagd. In september had ik hem nog gezien en was toen enthousiast over zijn standvastigheid. De plant staat daar al jaren en ik ga er van uit dat hij er volgend jaar wel weer staat. Dan maar verder naar huis door de Oudemanstraat, een andere bekende vindplaats, en gelukkig, daar staan enkele exemplaren.

Muurganzenvoet bij de Oudemanstraat

Muurganzenvoet is over het algemeen langs de kust te vinden. In het boek van Ton Denters wordt hij een zeldzaamheid genoemd en volgens Verspreidingsatlas is hij sterk in aantal achteruit gegaan. In Vlaanderen schijnt hij op de rode lijst te staan. Gelukkig kan je de plant op verschillende plekken in en rond Den Haag aantreffen. Hoewel hij op allerlei plekken die verstoord en kalkrijk zijn, kan groeien vind ik hem in Den Haag vooral langs gevels en in boomspiegels.

De Muurganzenvoet is zoals de naam het al zegt een Ganzenvoet en die zijn in de nieuwe Heukels een beetje door elkaar gehutseld. De plant valt niet meer onder de Ganzenvoeten (Chenopodium) maar onder de Nerfganzenvoeten (Chenopodiastrum) samen met de Esdoornganzenvoet. Waarom de plant Muurganzenvoet heet is mij ook niet helemaal duidelijk. Óp een muur heb ik hem nog nooit zien groeien, wel vind ik hem regelmatig langs gevels staan en mogelijk wordt hij daarom Muurganzenvoet genoemd. Maar hij zou ook boomspiegelganzenvoet mogen heten van mij.

Blad en bloeiwijze

De herkenning van de Muurganzenvoet is niet zo heel ingewikkeld. Het blad is meestal 3-hoekig-ruitvormig, heeft een versmalde of wigvormige voet en is onregelmatig spits getand. Die tanden staan vaak wat naar binnen toe gebogen en daar herken ik de Muurganzenvoet aan. Dit laatste wordt echter niet in de Heukels vermeld. De zaden zijn enigszins glanzend met rondom een scherpe richel en vele ondiepe putjes. 

Tenslotte nog een weetje uit de Verspreidingsatlas: de plant werd vroeger wel als aphrodisiacum gebruikt. Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat nog nooit geprobeerd heb.

Bij het Centraal Station in betere tijden.

Droogbloemen, er valt nog genoeg te ontdekken!

In de huidige Heukels’ Flora (24e druk, 2020) worden zes soorten Droogbloem behandeld. Bij de meeste floristen zijn Moerasdroogbloem (Gnaphalium uliginosum), Bleekgele droogbloem (G. luteoalbum) en Bosdroogbloem (G. sylvaticum) bekende soorten.  Enkele floristen zullen ook Amerikaanse droogbloem (G. pensylvanicum) kennen, een soort die pas na 2000 ingeburgerd is en langzaam toeneemt. Maar daarmee zijn we er nog niet, nu wordt het pas echt spannend!

Filip Verloove (Plantentuin Meise, België) doet momenteel onderzoek naar Droogbloemen in Nederland en België. Het afgelopen jaar is een hoop herbariummateriaal verzameld in Nederland en België en dat bleek de moeite! Naast enkele nieuwe soorten, kunnen we in een volgende editie van de Belgische en Nederlandse flora tevens enkele naamwijzigingen verwachten. Zo zullen de verschillende droogbloemen ingedeeld worden in de geslachten Gnaphalium, Gamochaeta, Omalotheca, Pseudognaphalium, Laphangium en Filaginella.

Gnaphalium coarctatum herkenbaar aan de kale bladbovenzijde en witte bladonderzijde .

De vijfde soort Droogbloem die in Heukels’ Flora opgenomen staat, is Purperen droogbloem (G. purpureum). Echt inburgeren wil deze soort nog niet, maar mogelijk is dat een kwestie van tijd. Uit het onderzoek van Filip Verloove is naar voren gekomen dat waarnemingen van deze planten in het verleden incorrect op naam gebracht zijn. Purperen droogbloem heeft namelijk een behaarde bladbovenzijde en de hier aangetroffen planten zijn volledig kaal op de bladbovenzijde. We hebben hier dan  geen G. purpureum, maar Gnaphalium coarctatum. Oude waarnemingen zullen gecorrigeerd moeten worden.

Een andere nieuwe soort is Gegolfde droogbloem (G. undulatum), een lookalike van Bleekgele droogbloem. Deze soort onderscheidt zich door de vertakte stengel, een groene bladbovenzijde, langs de stengel aflopende bladen en witachtige omwindselbladen.

Gegolfde droogbloem (Gnaphalium undulatum) in Wageningen, foto: Klaas Bouwmeester.

De meest recente ontdekking is Gnaphalium subfalcatum, een lookalike van Bosdroogbloem. Deze soort heeft nog geen Nederlandse naam. Morfologisch lijkt deze soort uiterst veel op Bosdroogbloem, maar de plant is eenjarig. Je zult tijdens bloei geen vegetatieve rozetten vinden. Waar je Bosdroogbloem altijd in bossen treft, vind je deze lookalike gewoon midden in de stad en in andere afwijkende biotopen. Een heel belangrijk onderscheid, zit in de pappusharen. Bij Bosdroogbloem laten te pappusharen afzonderlijk los, terwijl deze bij Gnaphalium subfalcatum aan de basis vergroeid zijn en dus samen loslaten.

Gnaphalium subfalcatum in Gent, foto: Filip Verloove.

Nog meer spannende soorten, hun oorsprong, de nieuwe naamgeving, determinatiekenmerken en een toekomstperspectief zullen uitgebreid in een artikel van Filip Verloove behandeld worden. Kom je nu zelf ook afwijkende droogbloemen of viltkruiden tegen, dan kan je herbariummateriaal verzamelen en naar Filip opsturen: Filip Verloove, Nieuwelaan 38, 1860 Meise, België.

Bessen Nachtschade

Zwart

Er is een plant die ik alleen maar ken als stadsplant en niet als een plant uit een natuurgebied. Ik heb deze plant tot nu toe alleen gezien in de stad, sterker nog alleen in mijn wijk en in mijn tuin! Het gaat hier om de Zwarte nachtschade (Solanum nigrum). Het ligt er natuurlijk ook voor een deel aan waar je woont en hoe je de flora bekijkt. Het gaat hier dus niet om de Beklierde nachtschade (Solanum nigrum subs. schultesii) of de Kleverige nachtschade (Solanum sarrachoides). Deze laatste ondersoort is pas beschreven door een medeauteur Niels Eimers. De plant ontkiemt al aan het einde van de lente maar de bloemen en typische zwarte vruchten zijn pas in de herfst te zien en vallen dan pas op.

De nachtschadefamilie kent heel veel leden, 2500 á 3000 soorten, maar de meest bekende zijn natuurlijk de Aardappel (Solanum tuberosum), Tomaat (Solanum lycopersicum), Aubergine (Solanum melongena) en Bitterzoet (Solanum dulcamara). De eerste drie zijn cultuurgewassen en de laatste: Bitterzoet, kom je overal  in vochtige gebieden wel tegen in Nederland.

Bloem nachtschade
Bloemen van Zwarte nachtschade

De naam ‘Zwarte Nachtschade’ is op meer manieren te verklaren.

– Zwart is de kleur van de bessen die deze plant in het najaar vormt. Bitterzoet vormt namelijk rode bessen.

-Het woord Nachtschade komt van het woord “nachtschaduwe”. Vroeger werd gedacht dat de plant toverkracht had en nachtmerries verdreef.

-Het woord nacht en zwart kan ook op de avond wijzen. Verschillende bloemen uit deze familie geven pas tegen de nacht een sterke geur af.

Bitterzoet en Zwarte nachtschade zijn niet eetbaar. Dit komt door de aanwezigheid van neurotoxische alkaloïden, zoals atropine en nicotine, die het zenuwstelsel van mensen en veel dieren kunnen beïnvloeden. Bij de aardappel gaat het om de stof solanine. Bij de tomaat gaat het om de stof tomatine. Deze stoffen verdwijnt bij de rijping en dient ervoor dat de vrucht minder vatbaar is voor ziekteverwekkers zoals bacteriën en schimmels. En bij de aubergine gaat het ook weer om de stof solanine. En hoe zit dat dan met de bessen van Zwarte nachtschade? Ook deze bevatten de beruchte stof solanine. Zeker bij onrijpe bessen is dit gehalte erg hoog. Maar ook de rijpe Zwarte bessen bevatten deze stof. En ja, er zijn vele internetsites die vermelden dat gekookte rijpe vruchten van de zwarte nachtschade veilig kunnen worden gegeten Dit kan niet worden toegeschreven aan een normale kooktemperatuur Omdat solanine pas bij ca. 243°C wordt afgebroken werkt dit dus niet.

Een groot verschil met de drie eetbare vruchten en de zwarte bessen van de Zwarte nachtschade is dat de vruchten in de loop van de tientallen jaren zo zijn “verbeterd” dat de werkzame giftige stoffen minder invloed hebben. Maar nog steeds is het niet verstandig een onrijp exemplaar van een van deze vruchten te eten. Ook de planten van tomaat, aardappel en aubergine  zijn nu nog giftig. Nog steeds wordt aangeraden de plantenresten van deze familie niet op de composthoop te doen.

Postelein - bloeiwijze

Postelein, eten van twee walletjes

Deze bijdrage over Postelein had zomaar als subtitel ‘eetbaar’ op straat kunnen hebben’. Immers de wetenschappelijke soortaanduiding voor Postelein (Portulaca oleracea), ‘oler acea’ betekent letterlijk ‘als groente te gebruiken’. Dat is ook wat er gebeurt, en dan met name in het Middellandse Zeegebied waar Postelein een zeer gewaardeerde groente is. Hij kan op diverse manieren gegeten worden. Als salade, bijvoorbeeld een Griekse versie waarbij postelein vergezeld gaat met tomaat, ui, oregano, knoflook, feta en olijfolie, of klaargemaakt als spinazie. De smaak is lichtzurig door oxaal- en malaatzuur, hierover later meer.

Postelein staat ondermeer beschreven in de Stadsflora van de Lage Landen, waar vermeld wordt dat warme zomers zorgen voor meer Postelein. Dan tiert de plant welig zoals in de Oecologische Flora 1:177 staat. Dat zou wel eens kunnen kloppen, hij was werkelijk overal te zien de afgelopen jaren. In Deventer heb ik Postelein vanaf de zomer van 2017 in diverse straten zien verschijnen.

De bloemen van Postelein zijn maar een deel van de dag te bewonderen en wel slechts een uur of vijf op zonnige voormiddagen.
Postelein is een plant met een gaffelvormig vertakte stengel die matten vormt op de grond, het ‘grondstermodel’. Afgebroken stengelstukken kunnen opnieuw wortelen. Standplaatsen zijn hakvruchtakkers, moestuinen, ruderale plaatsen, droogvallende rivieroevers, grindpaden en het stedelijk gebied. Voorwaarden zijn goed doorlatende, warme plaatsen.

Postelein - habitus
Postelein – habitus

Postelein is eigenlijk een heel bijzondere plant. Postelein beschikt namelijk over twee mechanismen om te ‘leven van de lucht’. Deze mechanismen komen veel voor bij soorten uit tropische en subtropische gebieden. Bekend is C4 als mechanisme bij veel grassen. CO2 wordt daarbij vastgelegd in een molecuul met vier koolstofatomen, dit in vergelijking met C3 waarbij, jawel CO2 in een 3-tallig koolstofatoom wordt vastgelegd.
C4 werkt alleen goed als er veel lichtenergie beschikbaar is, wat over het algemeen ook neerkomt op hogere temperaturen. Naast C3 en C4 hebben vooral de vetplanten nog een mechanisme, te weten CAM (Crassulacean Acid Metabolism). Dit werkt vooral ‘s nachts als vetplanten hun huidmondjes openen om CO2 op te nemen zodat vochtverlies overdag zo veel mogelijk wordt beperkt. CO2 wordt bij dit proces gebonden aan een appelzuur genaamd malaat. Dat verklaard ook de zurige smaak van Postelein.
Het bijzondere van Postelein is dat het van C4 naar CAM overgaat in tijden van droogte. Dit is duidelijk een mechanisme om extreme omstandigheden te overleven en geeft een groot voordeel ten opzichte van soorten die slechts C3 of C4 als mechanisme hebben. Er zijn weinig soorten die beide mechanismen gebruiken om suikers te maken. Meestal is het namelijk één van de mechanismen: vandaar eten van twee walletjes.

Postelein op warme plekken in een straat

De informatie over Postelein op waarneming.nl en op verspreidingsatlas vermeldt dat de soort ‘algemeen gekweekt wordt als groente en nu en dan, echter zeldzaam, verwilderd kan worden gevonden’. Twee tabbladen verder (de kaart) laat een ander beeld zien, niet zeldzaam zou ik zeggen en toch best duidelijk gebonden aan stedelijke gebieden. Je zou het onbestendig kunnen noemen vanwege het feit dat de soort het vooral goed doet in warme zomers. Zeker de laatste tien jaar is Postelein verre van zeldzaam, zo kan uit het kaartmateriaal worden opgemaakt. Alleen in het noordelijk zeekleigebied is Postelein een zeldzame verschijning en daar hoofdzakelijk gebonden aan het stedelijke gebied.

Het gaat overigens niet om een duidelijk afgebakende soort maar om een groep van microsoorten. Dumortiera 106 uit 2015 geeft een mooie overzicht en verder leesmateriaal voor de op dat moment bekende microsoorten van P. oleracea agg. in België. Als je hiervoor gaat, dan is het vooral zaak om de zaden goed te besturen.

Ter info, op de site ‘vakartikels‘ staat een lijst met de betekenis, verklaring en oorsprong van Latijnse/ wetenschappelijke plantennamen.

Bronnen:

habitus tonen

Maori rukt op

Voor het inventariseren van bijen kwam ik twee jaar geleden voor het eerst op de begraafplaats Zuylen in Breda. De bedrijfsleider aldaar was een experiment begonnen om de begraafplaats ecologisch te verbeteren. Gif spuiten tegen onkruid ging in de ban en er werden massaal bloemenmengsels ingezaaid. Type ‘carnaval’, maar toch. Het inventariseren van bijen was bedoeld als ondersteuning van dit experiment. Komen er daadwerkelijk meer bijen en vlinders? Tijdens de bijenexpedities viel het me op dat op sommige plekken allerlei planten aan het verwilderen waren. Dat leverde diverse nieuwe planten voor Breda op. Maar het ging wat hap-snap.

bloem tonen
Het bloemetje is piepklein

Dit jaar ben ik met collega Erik van der Hoeven begonnen de kerkhoven in Breda systematisch te verkennen. Ook al als corona-uitwijking en afwijking, hoor ik u denken. Een recente vondst op nota bene twee kerkhoven is een bodembedekker met de naam Muehlenbeckia complexa. De plant is afkomstig uit de bergen van Nieuw-Zeeland. Vanwege deze herkomst heeft een kweker zijn ‘veredelde’ vorm ‘Maori’ genoemd. De plant is eigenlijk een dwergstruikje en als Nederlandse naam kun je aansluitend denken aan: Maoristruikje. Ik doe maar een gooi.

habitus tonen
Muehlenbeckia aan de rand van een graf

Het struikje behoort tot de duizendknoopfamile. Dat zou je op het eerste gezicht niet zeggen, maar als je het eenmaal ziet, krijg je het door. Die kleine bloemen, dat blad en ja hoor, er is ook een tuitje onder de bladaanhechting.

blad tonen
Het blad is klein, glimmend en dik

Muehlenbeckia  is vernoemd naar botanicus en arts G.H.E. Muehlenbeck uit de Elzas (1798-1845). complexa = omgeven, omvatten. Mogelijk is deze naam gekozen vanwege het klimmende en overheersende karakter van de plant. Met dank aan Rutger Barendse voor deze verklaring. https://waarneming.nl/species/119891/

Referenties