Tag: Amersfoort

Paarse dovenetel – gesloten bloemen en mierenbroodjes

De paarse dovenetel bloeit bij niet al te strenge winters het hele jaar door.

De Paarse dovenetel lijkt zo’n onooglijk, niet opvallend, zeer algemeen voorkomend plantje. Maar toch heeft de Paarse dovenetel een unieke eigenschap die slechts met weinig andere planten gedeeld wordt. Het gaat om cleistogamie. Een mechanisme waarbij bloemen zich niet openen en waarbij binnen de gesloten bloemknop zelfbestuiving plaatsvindt. Er vindt bestuiving en vruchtvorming plaats zonder dat de bloem zich ooit geopend heeft. Er zijn slechts weinig voorbeelden van Nederlandse planten die over dezelfde eigenschap beschikken. Een paar voorbeelden zijn Maarts viooltje, Bosviooltje, Glad vingergras en de Paarse aspergeorchis.

Paarse dovenetel – Binnen de gesloten bloemknop kan zelfbestuiving plaatsvinden (cleistogamie)

Vorige week beschreef Willemien Troelstra op Stadsplanten de bekendste plant van Nederland: de Brandnetel. Vandaag dus aandacht voor de Paarse dovenetel. Zowel qua uiterlijk als qua naam zijn er sterke overeenkomsten. Maar schijn bedriegt. Brandnetel en dovenetels hebben weinig met elkaar te maken. Anders dan dat ze beiden tot de flora behoren.

Brandnetel en dovenetels behoren tot verschillende families. Grote- en Kleine brandnetel vormen samen met Klein- en Groot Glaskruid, de brandnetelfamilie. Alle dovenetels behoren tot de lipbloemige. Bloemen van de lipbloemige zijn altijd tweezijdig symmetrisch. Dat betekent, dat je de bloem in het verticale vlak doormidden kunt snijden en dat dan de linkerhelft het spiegelbeeld is van de rechterhelft. Bij horizontaal doorsnijden gaat het verhaal niet op. De naam “lipbloemen” duidt op de typische vorm van de kroonbladen die vergroeid zijn tot een kelk met een onder- en een bovenlip. Veel planten uit deze familie hebben vierkante, holle stengels. Dat is ook bij de Paarse dovenetel het geval.

De paarse dovenetel behoort tot de lipbloemige. Een vergroeide kelkbuis die uitloopt in een boven- en een onderlip

De naam “dovenetel” duidt aan dat de plant qua uiterlijk lijkt op een brandnetel, wel behaard is maar geen brandharen heeft. Dove betekent dan ook doof=niet werkend, niet stekend. Paarse dovenetel en brandnetel komen voor in de zelfde habitat. Vaak stikstof- rijke grond in bermen en verruigd terrein. De Paarse dovenetel bloeit, als er geen strenge vorst is, eigenlijk het hele jaar door. Als er wel sprake is van een echte winter dan is de plant één van de eerste die in bloei komt.

Paarse dovenetel – bovenlip met oranje meeldraden

Met de vruchtjes van de Paarse dovenetel is ook iets bijzonders aan de hand. Aan de onderzijde van de vruchtjes zit een vlezig aangroeisel dat mierenbroodje wordt genoemd. Mierenbroodjes komen bij veel meer plantenvruchten voor. In België en Nederland zijn zo’n 200 plantensoorten bekend die zaden of vruchten met een mierenbroodje hebben. Zij bevatten een olieachtige stof die zeer aantrekkelijk is voor mieren. De mieren slepen de zaadjes mee en leveren zo een bijdrage aan de verspreiding van de planten.

De zaden van de Paarse dovenetel hebben aan de onderzijde een mierenbroodje

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Kroosvaren – Hoe een Klein Duimpje de sloten verovert

Tijdens lezingen houd ik ze graag naast elkaar. Een Adelaarsvaren van twee en een halve meter groot, naast een Kroosvaren die met gemak op de nagel van mijn grote duim past. Beide een volwassen plant, maar een wereld van verschil. Dit najaar waren veel sloten massaal rood door kroosvarens in herfstkleuren

Terug kijkend op de vele jaren die zijn voorbij gegaan sinds mijn geboorte moet ik vaststellen dat de mariene biologie altijd een belangrijke plaats heeft gehad in mijn belangstelling voor de natuur. Ruim 1.200 duiken op koraalriffen, in grotten, onder het ijs, wrakonderzoek op de Noordzee en duiken in Hollandse poldersloten hebben mij geleerd dat de flora en fauna onder water en aan de oppervlakte van sloten, meren en zoute wateroppervlakten een fascinerende leefwereld vormen. Met dat in het achterhoofd is het niet zo verwonderlijk dat er dit najaar redelijk wat alarmbellen gingen rinkelen toen in steeds meer plassen en sloten het oppervlak rood begon te kleuren. Het antwoord was: Azolla – oftewel Kroosvaren.

Officieel zijn er twee soorten: Grote kroosvaren en Kleine kroosvaren. Er wordt vaak gezegd dat in het verleden Kleine kroosvaren overheerste en Grote kroosvaren zeldzaam was. In de loop der jaren is Grote kroosvaren van zeldzaam tot zeer algemeen uitgegroeid en heeft Kleine kroosvaren volledig verdrongen. Dat moet al zijn gebeurd in het begin van de 20ste eeuw. In “De Levende Natuur” van december 1915 schrijft Jac. P. Thijsse over slootjes in de bollenstreek: “In die buurten is tegenwoordig alleen de groote soort, A. flliculoides, vroeger kwam daar juist de kleine soort, A. caroliniana voor maar deze schijnt er zoowat geheel verdwenen te zijn, blijkbaar verdrongen door de groote. Die heeft zich dan ook geweldig uitgebreid in de laatste jaren. Naar het zuiden tot op de Zuid-Hollandsche eilanden, naar het noorden tot ver benoorden Alkmaar. Ook ten oosten van het Merwedekanaal zag ik ze reeds (o.a. bij Muiden). A. caroliniana heeft tegenwoordig z’n verspreiding om Utrecht, in het Gooi en het oosten van Zuid-Holland”.

Zoals het vaak in de natuur gaat waren er invloeden – soms onbekend – die er voor zorgden dat Kleine kroosvaren steeds meer terrein moest prijsgeven en Grote kroosvaren uiteindelijk een dominante positie veroverde. Zelfs zo sterk dat van Kleine kroosvaren momenteel geen vindplaats in Nederland meer bekend is.

Kroosvaren kan wateroppervlakten volledig bedekken

Dit jaar lagen de sloten ineens vol met kroosvaren. U begrijpt dat dat voor mij een uitdaging was om een Kleine kroosvaren te vinden. Uit iedere sloot of plas, waar ik kroosvaren vond, werden de nodige plantjes mee naar huis genomen om onder de microscoop te bekijken. Om het sluitend bewijs te vinden met welke soort men te maken heeft is niet eenvoudig. Er is één veldkenmerk waarmee een aanwijzing te vinden is. Met een sterke loep zou je kunnen kijken of de haartjes op de bladeren van het kleine plantje eencellig of tweecellig zijn. Je moet daar hele goede ogen voor hebben en een sterke loep. Anders is er maar één oplossing: mee naar huis nemen en onder de binoculair leggen. Toch zijn eencellige haartjes geen sluitend bewijs. Om er echt zeker van te zijn of we met de Kleine of de Grote kroosvaren te maken hebben moet de vergrotingsmaatstaf worden opgevoerd tot ongeveer 600 maal.

Op het plantje, niet groter dan een pinknagel, moeten we op zoek naar sporen. Om het ingewikkeld te maken vormt kroosvaren een uitzondering in sporenland. Normaal gesproken vormen varensporen onder gunstige omstandigheden een voorkiem (prothallium) waarbinnen zich vrouwelijke en mannelijke cellen ontwikkelen waaruit uiteindelijk na samenvloeien zich een nieuwe plant kan ontwikkelen.

Eén mannelijke en twee vrouwelijke sporenhoopjes

Kroosvaren vormt een uitzondering doordat er zich op de plant afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke sporenkapsels vormen (sporocarpen). Die zijn onder de binoculair met een vergrotingsmaatstaf van 45x goed te onderscheiden. Normaal vormen varens sporenhoopjes (sori) die worden afgedekt door een dekvliesje (indusium). Bij kroosvaren zijn de sporenhoopjes (sporocarpen) niet afgedekt maar omgeven door een “dekvliesje”. Een klein ballonnetje waar de sporenhoopjes in zijn opgesloten. Een mannelijke sporenhoopje wordt gevormd door sporenkapsels waarbinnen zich de sporen bevinden. Waar het bij het onderzoek vooral om gaat is het isoleren van mannelijke sporocarpen en daarbinnen de sporenkapsels en uiteindelijk de sporen.

In het mannelijke sporenhoopje bevinden zich sporenkapsels

Het vraagt om hele kleine pincetjes en een vaste hand om de sporocarpen te openen en de sporenkapsels te isoleren. Daarna moeten de uiterst kleine sporenkapsels worden open gepeuterd om de sporen te isoleren. We hebben het bereik van de binoculair inmiddels verlaten en zijn aangeland op microscoop niveau in de orde van grote van plusminus 600 maal vergroten. Uiteindelijk is dat het niveau waarop we met zekerheid kunnen vaststellen of we te maken hebben met Grote of Kleine kroosvaren.

Glochidia van Grote (filiculoides) en Kleine (cristata) kroosvaren (bron internet)

Waar het om gaat is dat aan de mannelijke sporen van kroosvaren zich orgaantjes ontwikkelen waarmee de mannelijke sporen zich kunnen vasthechten aan de vrouwelijke sporen. Deze orgaantjes heten glochidia. Ze lijken een beetje op twee evenwijdige lijntjes met aan het uiteinde een uitstulping zoals je die kent van de kop van een hamerhaai. Belangrijk is de ruimte tussen de twee evenwijdige lijntjes. Is die ruimte leeg dat gaat het om Grote kroosvaren, Als er zich tussen de evenwijdige lijntjes tussenschotjes bevinden dan hebben we te maken met Kleine kroosvaren.

Glochidia op een mannelijk spoor

Kroosvaren kan zich bijzonder snel vermeerderen. In de bladholten van de plant leven bacteriën die stikstof uit de lucht kunnen binden en beschikbaar stellen aan de plant. Dankzij deze voedingsstoffen kan Kroosvaren wel binnen twee tot drie dagen in massa verdubbelen. Per hectare kan per jaar 50 kg stikstof per hectare gebonden worden. Dat is de reden dat kroosvaren in Aziatische landen wel gebruikt wordt als groenbemesting. Als het plantje afsterft wordt de stikstof opgenomen in de grond. Door de snelle toename in massa kunnen binnen een zeer korte periode vijvers en sloten volledig bedekt zijn door dit varentje. De voedingswaarde van Azolla voor vee is hoog. Daarom worden er momenteel proeven uitgevoerd waarbij Kroosvaren wordt gekweekt en jonge varkens geleerd wordt het als voedsel te accepteren.

Na 25 vijvers en 30 sloten, slechts om een orde van grote aan te geven, heb ik alleen maar Grote kroosvaren kunnen vinden. Maar ik geef de moed niet op en blijf verder zoeken.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Muurfijnstraal – het madeliefje van een rotsige ondergrond

Een blik op de bloemen van Muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus) en het is overduidelijk dat we te maken hebben met een composiet. Een hart van heldergele buisbloemen, omringd met een krans van witte of lichtpaarse lintbloemen. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit Mexico, kwam als tuinplant naar Europa en ontsnapte, zoals zoveel tuinplanten, naar de wereld buiten de tuin. In het bos, in wegbermen of akkers zal je hem niet vinden. In de naam Muurfijnstraal staat niet voor niets het woord “muur”. De plant houdt van een stenige ondergrond. Dat kunnen rotspartijen zijn, bestaande uit zwerfkeien, tussen straatstenen maar vooral op oude muren. Die rotsige ondergrond is overigens geen vereiste. In een border met goed doorlatende grond gedijt de plant ook uitstekend.

Muurfijnstraal houdt niet alleen van een stenige ondergrond maar ook van vocht. De plant kan daarom tot dicht op de waterlijn gevonden worden.

We kennen in Nederland verschillende plantensoorten die we fijnstraal noemen: Canadese fijnstraal, Hoge fijnstraal, Gevlamde fijnstraal, Ruige fijnstraal, Scherpe fijnstraal, Muurfijnstraal en Zomerfijnstraal. Je zou denken dat al deze soorten tot het zelfde geslacht behoren maar dat is niet waar. Het zijn allemaal composieten die zowel buisbloemen als lintbloemen hebben. De aanduiding fijnstraal heeft betrekking op de breedte van de lintbloemen. Deze vrouwelijke straalbloemen (lintbloemen) zijn hoogstens een millimeter breed en veel smaller dan lintbloemen van andere composieten. Dat Muurfijnstraal in een ander geslacht is ingedeeld (Erigeron) dan de Canadese-, de Hoge-, de Ruige- en de Gevlamde fijnstraal (Conyza) komt doordat er verschillen zijn in de lengte van de plaat van de lintbloemen en de verhouding tussen het aantal lintbloemen in vergelijking met de buisbloemen. Bij Erigeron is de plaat van de buisbloemen 2-10 mm lang en zijn er meer centrale buisbloemen dan lintbloemen. Bij Conyza is de plaat van de lintbloemen hoogstens 1 mm en zijn de lintbloemen talrijker dan de centrale buisbloemen.

Om tot de fijnstralen te kunnen moet de breedte van de lintbloemen beduidend minder breed zijn dan die van van andere composieten.

De plant heeft drie methoden om zich voort te planten. De meest voor de hand liggende methode is uiteraard de vorming en verspreiding van zaden. De tweede methode via de wortelstok is ook veel voorkomend. De derde methode heeft te maken met de stengels die vaak deels op de grond liggen om daarna op te stijgen. De op de ondergrond liggende stengels wortelen gemakkelijk en leiden op die manier tot de vorming van een nieuwe, zelfstandige plant. De eerste meldingen in Nederland van verwilderde Muurfijnstraal dateren uit eind negentiger jaren van de vorige eeuw. Nu is de plant bepaald geen zeldzaamheid meer. Vooral op oude muren en grachtenmuren wordt de plant steeds vaker gevonden.

De bloemen van Muurfijnstraal kunnen in kleur variëren van helder wit tot paars/roze.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Adelaarsvaren – een bijzondere overlevingsstrategie

Iemand zei ooit tegen mij: “Als je mij een Adelaarsvaren kunt tonen die sporen draagt krijg je van mij een mooie fles wijn!” U begrijpt het. De afgelopen jaren heb ik eindeloos veel blaadjes van de Adelaarsvaren omgedraaid in de hoop sporen te vinden. Tot vorige week was dat zonder resultaat. Tot vorige week! Erik Eliveld, waarmee ik samen binnen de werkgroep varens van de KNNV Amersfoort e.o., varenonderzoek doe, belde mij op en zei dat hij op een heideveld in Den Treek Adelaarsvarens had gevonden met sporen. Nog die zelfde middag zijn we er samen heen gegaan. En ja! Ik kon mijn ogen niet geloven. Adelaarsvarens met sporen. Wij zijn direct doorgereden naar een paar plekken waar ook de Adelaarsvaren rijkelijk aanwezig is en ook daar vonden wij planten met sporen. Navraag bij Naturalis leerde dat er uit meer plaatsen in Nederland meldingen komen van adelaarsvarens met sporenvorming. Hoe kan dat verklaard worden: jaren, jaren lang niets en nu ineens op diverse vindplaatsen rijkelijk aanwezig en op veel verschillende planten.

De sporenhoopjes liggen onder de omgekrulde bladrand van de Adelaarsvaren

In het Duitse boek “Die farn – und blütenpflanzen Baden – Wütenbergs” uitgegeven in 1993 wordt verwezen naar een wetenschappelijke publicatie “Kirchner und Eichler, 1882: pag 336” waarin staat: “Sporen werden nur “in guten Weinjahren ausgebilded”. De kans op sporenvorming bij adelaarsvarens is dus groot in goede wijnjaren. Belangrijk hierbij is het antwoord op de vraag of het weer van invloed is op de groei van de druiven en de kwaliteit van de wijn. Het antwoord daarop moet wel “ja” zijn. Zou dus het natte voorjaar, de extreem warme zomer en daarna weer een periode met voldoende vocht de oorzaak kunnen zijn? En is dit jaar inderdaad sprake van weersomstandigheden die kunnen leiden tot een bijzonder goed Nederlands wijnjaar.

Vruchtbare bladeren met sporen zijn te herkennen aan de omgekrulde bladrand

Er is een tweede theorie die ook zou kunnen verklaren waarom er dit jaar zoveel sporenvorming bij adelaarsvarens plaatsvindt. Die gaat uit van de gedachte dat planten onder invloed van extreme weersomstandigheden, in dit geval langdurige droogte, hoge temperaturen en gebrek aan vocht, een aantal beschermende maatregelen nemen. Eén daarvan is het laten vallen van de bladeren en alle aandacht te richten op het behoud van het wortelstelsel. Planten raken onder extreme omstandigheden gestrest en richten zich op het voortbestaan. In ieder geval het in leven houden van het wortelstelsel. Als er betere tijden aanbreken, doorat er weer vocht beschikbaar komt, richt de “aandacht van de plant” zich vooral op het zeker stellen van nageslacht. Zorgen dat de soort in stand blijft en er sprake is van opvolging. Dat gebeurt in dit geval bij de adelaarsvaren door de vorming van sporen. Bij andere planten door overmatige vruchtzetting.

Een paar maanden geleden spraken jachtopzieners op de Hoge Veluwe de vrees uit dat de wilde zwijnen een moeilijke winter tegemoet zouden gaan omdat door de extreme droogte de eiken en beuken te kleine of te weinig vruchten vormden. En zie wat er gebeurde: de regens kwamen en de productie van eikels en beukennootjes is momenteel massaal!

Onvruchtbare bladeren zijn te herkennen door de vlakke deelblaadjes. De randen zijn niet omgekruld.

Een bijdrage aan deze website kan natuurlijk niet bestaan zonder meer informatie te geven over de plant waar we het over hebben. De adelaarsvarenfamilie kent in Nederland slechts één soort. Namelijk de Adelaarsvaren. Wereldwijd zijn er ongeveer honderd vertegenwoordigers van de familie. Zij groeien op één uitzondering na allemaal in de tropen. De enige uitzondering is de Adelaarsvaren die wij kennen en die in heel Europa voorkomt.

Kenmerkend voor de plant is dat alle bladeren, op enige afstand van elkaar, ontspringen uit een uitgebreid ondergronds wortelstelsel. De bladeren vormen dus geen pol of stoel waarbij alle bladeren vanuit één centraal punt groeien. Elke bladsteel staat op “enige afstand” van de andere bladstelen.

Alle bladeren van de Adelaarsvaren ontspringen op enige afstand van elkaar, uit de wortelstok.

Als een bladsteel aan de onderkant schuin wordt doorgesneden vormen de vaatbundels een patroon dat doet denken aan het dubbele vliegbeeld van een adelaar.

Om tot volle wasdom te komen heeft de plant licht nodig. Reden dat grote populaties vaak aan de bosrand en open stukken grond te vinden zijn. De grote bladeren schermen het licht volkomen af waardoor er geen of nauwelijks ondergroei kan plaatsvinden. De bladeren worden meestal tot 1,80 m hoog maar uitzonderingen tot over 3,5 m zijn bekend. De Adelaarsvaren bevat giftige stoffen waardoor de humus die ontstaat door afgestorven bladeren, voor veel planten giftig is. Ook daardoor krijgen planten en jonge boompjes geen kans te ontkiemen en de strijd aan te gaan met de Adelaarsvaren. De giftige stoffen kunnen ook bij de mens leiden tot tumoren die tot kanker kunnen leiden. Desondanks worden in verschillende landen jonge loten als groente gegeten.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

De ene eikvaren is de andere niet

De eikvaren is al eerder voorbij gekomen op Stadsplanten – De urbane flora van Nederland. Zie de bijdrage van Ton Denters over eikvarens op bomen. De reden om opnieuw aandacht te besteden aan de eikvaren is dat het afgelopen jaren in Amersfoort gericht onderzoek is gedaan naar de verschillende soorten.

De afgelopen drie jaar heb ik onderzoek gedaan naar het voorkomen van verschillende varensoorten in Amersfoort. Dat heeft geresulteerd in een uitgebreid rapport over de muurvarens op de kademuren in de wijk Vathorst en een rapport van de Werkgroep Wilde Planten van de KNNV, Afdeling Amersfoort over de flora en fauna op de begraafplaats Rusthof. Beide rapporten zijn terug te vinden op internet. In het verslag over de begraafplaats Rusthof is een voorpublicatie van mijn hand opgenomen over een varenonderzoek dat op de begraafplaats wordt uitgevoerd. In het onderzoek, dat nog steeds loopt, is onder andere gekeken naar het voorkomen van de eikvaren. Deze varensoort is ook rijkelijk aanwezig op de kademuren van de binnenstad van Amersfoort.

De eikvaren gedijt uitermate goed op de grachtenmuren van de binnenstad van Amersfoort

Soorten

Eikvarens zijn, in vergelijking met andere varensoorten, eenvoudig te herkennen. Zij zijn, in tegenstelling tot de meeste andere varen families, enkelvoudig geveerd. Alle blaadjes zijn aangehecht aan de bladsteel en zijn niet verder ingesneden waardoor deelblaadjes ontstaan. Verder zijn de sporenhoopjes geplaatst op de achterzijde van de bladeren. Dit in tegenstelling van b.v. Dubbelloof waar de sporen op aparte vruchtbare bladeren staan. De bladstelen zijn glad en hebben geen schubben.

Wereldwijd telt de eikvaren familie meer dan duizend soorten maar in Nederland maar twee en één kruising. Zij groeien zowel op de grond ( terrestrisch ), op bomen (epifytisch) als op rotsen (lithofitisch). Dat is ook in Nederland zo. Eikvarens hebben kruipende wortelstokken waaruit ieder jaar opnieuw nieuwe loten groeien. De wortelstokken kunnen een dicht netwerk vormen waardoor je vaak vele eikvarens dicht bij elkaar ziet staan. Soms in cirkels met een doorsnede van anderhalve meter of meer.

Via wortelstokken kunnen eikvarens grote “plakkaten” vormen zoals hier op een graf van de begraafplaats Rusthof in Amersfoort

Er zijn in Nederland twee soorten eikvarens bekend en één kruising. Het gaat om de Gewone eikvaren (Polypodium vulgare), de Brede eikvaren (Polypodium interjectum) en de kruising tussen deze twee de Bastaardeikvaren (Polypodium x mantoniae). In het veld zijn er wel veldkenmerken die kunnen wijzen in een bepaalde richting als het gaat om determinatie van de planten, maar het zijn niet meer dan aanwijzingen. Met welke eikvaren je echt van doen hebt kan alleen maar worden vastgesteld met microscopisch onderzoek of door metingen van het celkerngewicht of dna-onderzoek. In dit artikel geven we eerst een aantal veldkenmerken van de verschillende soorten om daarna dieper in te gaan op het microscopisch onderzoek. Het onderzoek naar celkerngewicht of dna blijft buiten beschouwing omdat floristen dat niet zelf kunnen uitvoeren.

Gewone eikvaren of Brede eikvaren

De Gewone eikvaren is ruimschoots de meest voorkomende eikvaren in Nederland. De Brede eikvaren wordt beduidend minder vaak aangetroffen. De flora van Heukels waagt zich niet aan onderscheidende kenmerken in het uiterlijk van de twee soorten. Standaardwerken als ‘The Ferns of Britain and Ireland’ en ‘The Fern guide’ doen dat wel maar mijn ervaring zegt dat de meeste mensen daar in het veld weinig aan hebben. Alleen floristen met een grote ervaring in het determineren van varens zullen de verschillende soorten op het oog herkennen. Voor mij is duidelijk dat er één kenmerk is dat een duidelijke aanwijzing kán zijn. Dat is de vorm en de kleur van de sori (sporenhoopjes).Rond en bruin bij de Gewone eikvaren. Ovaal en oranjekleurig bij de Brede eikvaren. Maar nogmaals het is niet meer dan een mogelijke aanwijzing! Te vaak blijkt uit microscopisch onderzoek dat je vermoeden op basis van dit gegeven niet uitkomt. De bastaardvaren (Polypodium x.mantoniae) is een kruising van de Gewone en Brede eikvaren en heeft dus kenmerken van beide ouders.

Microscopisch onderzoek

Onderzoek onder de binoculair geeft veel meer zekerheid. Een sterke vergroting is wel gewenst. De aandacht moet zich richten op de sporangiën – de sporenkapsels waarin zich te sporen bevinden – en op de sporen zelf. Elk sporenkapsel wordt omgeven door een ring (annulus) van een aantal verdikte cellen. Deze cellen zorgen er voor dat aan het einde van de rijpingstijd een sporenkapsel openklapt, net als bij springzaad, waardoor de sporen naar buiten toe wegschieten. Aan de voet van deze ring, naast de steel van het sporenkapsel, bevinden zich één of meer onverdikte cellen. Vind je maar één onverdikte cel dan heb je te maken met de Gewone eikvaren. Zijn er twee of meer onverdikte cellen dan gaat het om de Brede eikvaren of de Bastaardeikvaren. Sporenonderzoek kan dan uitwijzen om welke soort het gaat.

Links Brede eikvaren met twee basale cellen en rechts de Gewone eikvaren met één basale cel (foto Wim de Winter)

De Brede eikvaren vormt normaal gesproken vruchtbare sporen. Deze zijn gelig van kleur. De Bastaardeikvaren is een hybride die onvruchtbare sporen vormt. Deze zijn veelal grijs van kleur. Vaak komen daarbij ook misvormde sporen voor. Een sporenkapsel met ten minste twee onverdikte annulicellen met vruchtbare sporen wijst dus op de Brede eikvaren. Een sporenkapsel met ten minste twee onverdikte annulicellen en onvruchtbare sporen wijst op de Bastaardeikvaren. Bij twijfel kan alleen dna onderzoek of onderzoek naar het celkerngewicht in het laboratorium uitsluitsel geven.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Knopherik – zaden met een wespentaille

Herik, Knopherik en Zwaardherik zijn allemaal leden van de Kruisbloemenfamilie maar behoren niet tot één en hetzelfde geslacht. Herik behoort tot het geslacht Sinapis (Mosterd), Zwaardherik tot het geslacht Eruca en Knopherik tot het geslacht Raphanus (Radijs).

De gewone Herik heeft heldergele bloemen en lijkt qua voorkomen veel op andere gele kruisbloemige zoals Raapzaad, Mosterd en Koolzaad. De bloemen van Knopherik en Zwaardherik kunnen in kleur variëren van geel tot violet, blauwachtig tot bijna paars of wit.

In de kroonbladen van Knopherik en Zwaardherik zijn de nerven goed zichtbaar

Herik onderscheiden van Knopherik is niet zo moeilijk. De bladeren, de kelkbladen en vooral de vruchten verraden de soort. Herik heeft aan de bovenzijde smalle bladeren die niet zijn ingesneden. Bij knopherik is sprake van liervormige ingesneden bladeren. Bij Herik staan de kroonbladen, die naar onder toe sterk versmallen, vrij van de afstaande kelkbladen. Bij Knopherik omsluiten de kelkbladen de kroonbladen. Het verschil wordt helemaal duidelijk op het moment dat er vruchten gevormd worden. Bij Herik is sprake van een relatief gladde hauw. Bij Knopherik zie je dat rond elk boontje in de vrucht de hauw sterk is ingesnoerd. Zwaardherik tenslotte is herkenbaar aan de snavel, aan het eind van de vrucht, die sterk is afgeplat. Bij Herik en Knopherik is de snavel rond.

Herik en Knopherik zijn typische oude onkruidgewassen die in het verleden veel groeiden tussen granen en bieten op de akkergronden. Vandaag de dag tref je de planten ook binnen de stad aan in bermen en vooral op verstoorde, voedselrijke grond. Knopherik lijkt sterk op radijs en kan daar zelfs mee kruisen. Het is niet voor niets dat Knopherik ook wel Wilde radijs wordt genoemd.

Knopherik ontleent zijn naam aan de vorm van de vrucht. Het is een hauw – een doosvrucht die minstens drie maal zo lang is als breed. Bij Knopherik is de hauw rond elke zaadje ingesnoerd – zoals we dat kennen bij vormen van wespentailles. Als een hauw rijp is springt de vrucht open zoals kleppen die open gaan. Bij Knopherik verloopt het proces anders. Als de vrucht rijp wordt worden de insnoeringen, die zo kenmerkend zijn voor Knopherik, steeds strakker. Uiteindelijk breekt de hauw op de insnoeringen uiteen en vallen de zaden in aparte cellen op de grond.

Knopherik ontleent zijn naam aan de ingesnoerde hauwen.

De zaden zijn zeer kiemkrachtig. In de grond kunnen zaden wel vijftig jaar vruchtbaar blijven. Dat maakte Knopherik in het verleden tot een lastig te bestrijden onkruid in akkers. Elke keer opnieuw kwamen met het ploegen nieuwe zaden aan de oppervlakte die zich goed ontwikkelden. Zelfs zo erg dat graanvelden soms geel zagen van Herik en Knopherik.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Stinkende gouwe – tegen wratten en oog- en galziekten

Stinkende gouwe is bepaald niet zeldzaam te noemen. Het is een plant die van verre al opvalt door de helder gele, bijna goudkleurige bloemen. De Nederlandse naam is eenvoudig te verklaren. De plant ruikt onaangenaam en “gouwe” is afkomstig van het woord “gouden” en duidt op de kleur van de bloemen en het oranje-gele sap van de plant. Het is ook terug te vinden in volksnamen als Gele Gou, Goude, Goudkruid, Goudwortel en Stjonkende Gouwe. Stinkende gouwe wordt ook wel Zwaluwenkruid of Wrattenkruid genoemd.

De naam “Zwaluwenkruid” is te verklaren uit de Latijnse naam Chelidonium. In het begin van de jaartelling leefde de Griekse arts Pedanius Dioscorides in Rome als chirurg in het leger van keizer Nero. Hij onderzocht in het hele keizerrijk planten die een geneeskundige werking hadden. Hij schreef een vijfdelige encyclopedie over kruidengeneeskunde. Stinkende gouwe werd door hem Chelidonion genoemd en dat betekent ‘Zwaluwenkruid’. De naam wordt verklaard doordat de bloeiperiode van Stinkende gouwe zou samenvallen met de aankomst in het voorjaar en het vertrek in het najaar van de zwaluwen. Ook zouden, volgens Dioscorides zwaluwen het sap van de plant gebruiken om hun blind geboren jongen de ogen te openen. Over de geneeskrachtige werking straks meer.

De plant behoort tot de Papaverfamilie maar lijkt totaal niet op andere papaverfamilieleden zoals de klaproos en de helmbloemen. De bladeren zijn aan de onderkant blauwgroen van kleur, diep veerdelig, bijna geveerd. De eindslip van elk blad is in drieën gespleten. De heldergele tot goudkleurige kroonbladen zijn in een kruis geplaatst waardoor je in eerste instantie denkt misschien met een kruisbloemige te maken te hebben. Maar al snel blijkt dat de specifieke kenmerken van de kruisbloemige zoals zes meeldraden waarvan 2 korte en 4 lange, uitzonderingen daar gelaten, niet aanwezig zijn. Er zijn wel tegen de 20 meeldraden aanwezig waarbij de helmdraden naar boven toe breder wordt. Bij de Stinkende gouwe kunnen ook gevulde bloemen voorkomen. Bij de meeste planten van de Stinkende gouw is sprake van een enkele krans bestaande uit vier kroonbladen. Bij gevulde bloemen is sprake van twee of meer kransen kroonbladen.

Stinkende gouwe met gevulde bloemen

De stengel is verspreid behaard en met het blote oog duidelijk zichtbaar afstaande haren.

De afstaande beharing op de stelen van Stinkende gouwe

De voortplanting kan bevorderd worden door mieren. Op het vruchtbeginsel zijn twee stempels aanwezig. De vrucht wordt wel een paar centimeter lang en bestaat uit twee kleppen. De vrucht lijkt daardoor op een hauw maar is dat niet omdat een tussenschot ontbreekt. De mieren zijn geïnteresseerd door een olierijk aanhangsel aan de zaden. Het zogenaamde mierenbroodje. Mieren zijn er verzot op en slepen de zaden mee hun nest in. Op die manier dragen ze bij aan de verspreiding van de soort.

We komen nog even terug op de toegeschreven geneeskrachtige eigenschappen van Stinkende gouwe. In de plant komen giftige alkaloïden, etherische oliën en saponine voor. De laatste stof wordt door de plant gebruikt als bescherming tegen insectenvraat en tegen schimmels en bacteriën. De giftige uitwerking van de  stoffen van de plant wordt omschreven als een morfinevergiftiging. Zijn grootste bekendheid, in de reeks medische toepassingen, is als middel tegen wratten. Als wratten gedurende enige tijd frequent aangestipt worden met het oranje-gele sap van de plant dan zouden wratten verdwijnen. In het verleden werd het sap van de Stinkende gouwe ook gebruikt bij oogkwalen, behandeling van geelzucht en andere galproblemen, tandbederf en overmatige lichaamsbeharing.

Kenmerkend voor Stinkende gouwe is het oranje-gele melksap

Stinkende gouwe groeit graag in een stedelijke omgeving, maar kan ook gevonden worden in loofbossen of op muren. De plant heeft een voorkeur voor vestiging onder struikgewassen en heggen. Door de heldergele bloemen en de lange bloeitijd is het ook een plant die graag in tuinen wordt toegepast.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Planten op bomen: epifyten of terrestrisch? – Plantenbakken op hoogte

Gewone eikvaren op de stam van een Esdoorn in Soest.

Begin maart publiceerde Ton Denters een artikel op Stadsplanten – De urbane flora van Nederland met de kop: “Eikvarens op stadsbomen; een nieuw fenomeen!”. In het zeer lezenswaardige artikel doet hij verslag van een onderzoek naar eikvarens op bomen in Amsterdam dat is uitgevoerd door Valentijn ten Hoopen. Ton Denters legt op een duidelijke manier uit dat deze eikvarens epifyten zijn: “Epifyten zijn planten die zich hechten aan andere plantensoorten zonder daar voedsel aan te onttrekken; ze gebruiken de ander alleen als groeiplaats. In veel gevallen is de waardplant een boom. Epifyten leven van de lucht, halen daaruit vocht en voedingsstoffen. In de tropen is deze groep goed vertegenwoordigd, maar in ons land is dit specialisme aan weinig soorten voorbehouden. Merendeels zijn dat blad- en levermossen en een enkele hogere plant, waaronder Eikvaren”.

Deze publicatie zette mij aan het denken. De afgelopen tijd zie ik regelmatig artikelen voorbij komen waarin gesproken wordt over de opkomst en het verschijnsel “epifytische planten”. Maar bij een aantal publicaties moet je na kritisch lezen tot de conclusie komen dat het niet gaat om epifytische planten maar terrestrische planten; planten die op/in een opeenhoping van een vaak karige, normale bodem in een boomholte groeien.

Om een plant epifytisch te mogen noemen moet er sprake zijn van vestiging op een andere plant of boom zonder dat er sprake is van parasiteren.

Het gaat bijna altijd om planten die worden aangetroffen op knotwilgen. Nog zeer recent kwam ik een lijst tegen van planten die op knotwilgen waren aangetroffen en als epifytisch werden benoemd. In de lijst kwamen meer dan twintig soorten voor waaronder: Kleefkruid, Fluitenkruid, Kruisbes, Robertskruid en Look zonder Look. Allemaal planten die niet bepaald bekend staan als planten die je op bomen aan kunt treffen. Het gaat mijns inziens in deze gevallen dan ook niet om epifyten, maar om terrestrische planten die door omstandigheden een groeiplek gevonden hebben op enige hoogte IN een boom en niet OP een boom.

Met name knotwilgen staan er om bekend dat er bij het ouder worden van de boom, door rotting, allerlei holtes in de boom kunnen ontstaan. Op een dergelijke plek verzamelt zich houtmolm, zand, bladresten en ingewaaide zaden. Er ontstaat dus een minihabitat bestaande uit humusrijk materiaal. Een dergelijke voedingsbodem is uiteraard een ideale vestigingsplaats voor een grote verscheidenheid aan planten. Maar volgens mij mag je dergelijke planten geen epifyten noemen. Om het oneerbiedig te zeggen: ze groeien in “plantenbakken” op hoogte.

Deze bijdrage aan “Stadsplanten – De urbane flora van Nederland” is tot stand gekomen in overleg met Ton Denters.

Speenkruid – Vijgen of aambeien?

Zolang als mijn interesse uitgaat naar de plantenwereld, de flora, de bloemen – of hoe je het maar wilt noemen – is er een plant die zolang als ik mij kan heugen, onverbrekelijk verbonden is aan de eerste voorjaarszonnestralen. En dat is Gewoon speenkruid. Als je de sneeuwklokjes en krokussen even vergeet en tot de tuinplanten rekent, scoort Speenkruid absoluut het allerhoogst. Zodra de winterse temperaturen verdwijnen en de eerste lentegevoelens ontwaken, verschijnen ineens de fel gekleurde bloemetjes van het Speenkruid. Als je niet beter weet denk je niet onmiddellijk aan een boterbloem. Toch behoren ze tot dezelfde familie: de Ranonkelfamilie.

Gemeenschappelijke kenmerken van de familie zijn niet zo duidelijk als bijvoorbeeld bij de kruisbloemige. Daar is het duidelijk: vier kroonbladen, vier kelkbladen, zes meeldraden waarvan vier lang en twee kort, vruchtbeginsel bovenstandig en een hauwvrucht. Bij de Ranonkelfamilie gaat het om een grote vormenrijkdom die vooral tot uiting komt bij de bouw van de verschillende bloemen. Tot de Ranonkelfamilie behoren soorten als Speenkruid, Akelei, Winterakoniet, Dotterbloem, Monnikskap, Ridderspoor, Anemoon, Clematis, Bosrank, Waterranonkel en de boterbloemsoorten. Als je puur naar de bloemen kijkt verwacht je niet dat al die soorten tot één familie behoren.

De bloemen van Gewoon speenkruid lijken niet op boterbloemen maar behoren wel tot dezelfde familie: de Ranonkelfamilie

Het herkennen van Gewoon speenkruid levert weinig problemen op. Om te beginnen heeft de plant weinig concurrenten op het moment dat zij begint te bloeien. Er zijn weinig andere planten die in dat jaargetijde op Gewoon speenkruid lijken. Klein- en Groot hoefblad bloeien al wel maar lijken in geen velden of wegen op Gewoon  speenkruid. Het is een laagblijvende plant die in alle opzichten als een bodembedekker kan worden aangeduid. Het vormt vele kleine pollen die gezamenlijk een tapijt vormen. De plant stelt daarbij niet al te hoge eisen aan de habitat. Gewoon speenkruid is vooral bekend van de bovenzijde van greppel- en slootranden maar komt ook voor op andere vochtige plekken waar voedselrijke, vochtige grond aanwezig is zoals loofbossen, langs rivieren, beekdalen en uiterwaarden.

Bovengronds vormt de plant glimmende, donkergroene, gesteelde bladeren met aan de voet een brede bladschede. De bloemen zijn helder, goudgeel en groeien aan een onvertakte bloemsteel. Onder de grond vormt de plant langwerpige knolletjes. Aan het einde van de bloei worden ook in de oksels van de bladeren knolletjes gevormd. Het komt zelden tot vruchtvorming. De voortplanting vindt vooral plaats door de gevormde knolletjes. Dat is anders dan bij de ondersoort Vreemd speenkruid die meestal wel goed ontwikkelde vruchten heeft maar waarbij de knolletjes in de oksels van de bladen ontbreken. Speenkruid sterft al snel na de bloei – eind mei – bovengronds af. Om te overleven teert de plant ondergronds tijdens de zomer, de herfst en de winter op de voedselvoorraad van de gevormde knolletjes.

De ondergrondse knolletjes lijken wel wat op speentjes maar er zijn meer verklaringen voor de naam “Speenkruid”.

Er zijn redelijk wat verklaringen van de naam speenkruid in omloop. Aambeien worden ook wel speen genoemd en speenkruid werd gebruikt bij de behandeling van aambeien. Een andere verklaring van de naam komt voort uit de vorm van de ondergrondse knolletjes die wel wat weg hebben van spenen. De bladeren bladeren van speenkruid zijn zeer rijk aan vitamine C. In het Duits wordt de plant daarom Scharbockkraut genoemd. Door het hoge vitaminegehalte was het een probaat middel tegen scheurbuik. De wetenschappelijke geslachtsnaam “Ficaria” is afkomstig van het Latijnse “Ficus” dat vijg betekent. Niet vreemd als je naar de vorm van de knolletjes kijkt. Wie het echt weet mag het zeggen.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Klein kruiskruid – een kier tussen de stenen is genoeg

Als we zware winterse omstandigheden even vergeten is er eigenlijk geen moment in het jaar te bedenken waarop je Klein kruiskruid niet bloeiend aan kan treffen. De plant stelt heel weinig eisen aan zijn leefomgeving en is zeker in de stedelijke omgeving een zeer algemene plant. Het geslacht kruiskruid (Senecio) is een van de grootste geslachten in het plantenrijk. De schattingen wereldwijd variëren tussen de 1500 en 2000 soorten. Drie vrij bekende kruiskruidsoorten in Amersfoort en omgeving zijn Bezemkruiskruid, Jacobskruiskruid en Klein kruiskruid. Zij behoren tot de familie van de composieten.

 

Klein kruiskruid is eenvoudig te herkennen. Een lage plant met bloemtrosjes waarvan de omwindselbladen eindigen in een spitse top met zwarte punt

Qua uiterlijk ziet Klein kruiskruid er voor ons mensen wat minder aantrekkelijk uit dan de familieleden Bezemkruiskruid en Jacobskruiskruid. De laatste twee soorten ogen veel fraaier en uitbundiger doordat de bloemen zowel buis- als lintbloemen hebben. Klein kruiskruid moet het doen met alleen buisbloemen die dicht op elkaar gepakt opgesloten blijven tot een door omwindselbladeren gevormd kokertje. Daardoor lijkt het er op dat de bloem nog tot volledige bloei moet komen. Maar wie blijft wachten tot de bloem zich volledig zal openen, zoals de andere kruiskruiden, komt bedrogen uit.

Door het verschil in samenstelling en bloeiwijze van de bloemen is er ook verschil in de wijze van voortplanting. Bezemkruiskruid en Jacobskruiskruid, hebben buis- en straalbloemen en zijn daardoor veel aantrekkelijker voor insecten dan Klein kruidkruid dat het zonder straalbloemen moet doen. Ook al vanwege het feit dat de eerst genoemde twee soorten rijkelijk nectar produceren. Die aantrekkingskracht op insecten is maar goed ook want de planten zijn aangewezen op kruisbestuiving. De min of meer opgesloten buisbloemen van Klein kruiskruid zijn veel minder toegankelijk en aantrekkelijk voor insecten. Dat is geen probleem omdat Klein kruiskruid zich nagenoeg volledig kan redden met zelfbestuiving. Alle kruiskruiden in Nederland bevatten alkaloïden die giftig zijn voor zoogdieren. Jacobskruiskruid kan dodelijk zijn voor paarden. Een aantal insecten heeft deze giftige stoffen juist nodig in het voedselpakket. Een bekend voorbeeld is de rups van de Jacobsvlinder die leeft op Jacobskruiskruid.

De omwindselbladen houden de buisbloemen strak bij elkaar. De vele stampers steken boven het bloemhoofdje uit.

Klein kruiskruid blijft over het algemeen vrij laag. De plant doet wat vlezig aan. De bladeren zijn langwerpig, veervormig gespleten en niet gesteeld. De plant is niet kieskeurig in zijn verschijningsvorm. Er kunnen redelijk wat variaties voorkomen in beharing. Meestal zijn de stengel en de bladeren glad en onbehaard maar er zijn ook planten waarvan de bladeren en de stengel bedekt zijn door spinnenwebachtige, viltige, grijze haren. De omwindselbladen, die de buisbloemen omhullen zijn groen met een puntige top en zwarte stippen aan de uiteinden. Als Klein kruiskruid is uitgebloeid vormt zich een uitbundig grijs vruchtpluis bolletje, gevormd uit de pappus die aan de zaden gehecht zijn.

Meestal zijn stengel en blad glad en onbehaard. Maar er zijn ook planten met spinnenwebachtige, viltige beharing

Klein kruiskruid stelt weinig eisen aan de groeiplaats. De planten zijn vooral op ruige terreinen, tussen stenen en omgewerkte grond te vinden. Zij verdragen hoge concentraties zout en lood en kunnen zich dus ook makkelijk langs snelwegen vestigen. Doordat de plant zich via zelfbestuiving voortplant is hij niet afhankelijk van insecten. Daardoor kan de plant het hele jaar bloeien, zaden vormen en zich verder verspreiden. Menig tuinliefhebber beschouwt Klein kruiskruid dan ook als lastig te bestrijden onkruid. Hoewel? Je trekt de plant heel eenvoudig met wortel en al uit de grond.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde